• Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.
dinsdag 27 maart
N.O. wind - maar wat zon. ▫ Gister het ouderwetsche ganzebord gespeeld met de kinderen.
De papoea's interesseeren mij zeer, zooals ook de menschapen mij interesseeren. Hun leeven dat al eeuwen en eeuwen zoo voortgezet is - hun kinderlijkheid, vroolijkheid en blijmoedigheid, hun kracht en handigheid - en dan hun ongevoeligheid, - wat is dat alles leerrijk en merkwaardig. Het zijn eigenlijk weezens van vóór het paradijs, of liever vóór den zondenval, want ook de schaamte kennen ze niet of nauwelijks. ▫ Daarom is ook de weetenschappelijke belangstelling in hen zoo groot.
vrijdag 30 maart
Buyig en koud. ▫ Het ging mij weer bitter slecht. Ik sprak in Rotterdam voor een groote zaal vol menschen. Maar ik had met van Vrieslant gegeeten in een duur restaurant en onder mijn reede voelde ik mij verlaten en verward. Met moeite kwam ik weer op dreef. Ik was zeer ontevreeden op mezelf. En gisteren kwam bericht dat Bertha zich niet meer beschikbaar stelt. Dus zijn we van onze vrienden afgesneeden, nog eer de twijfel geheel is vernietigd. Het is een droeve tijd. Mijn arme lieve vrouw is er zoo bedroefd onder. Ze schreide in den nacht. Het was voor haar zulk een steun. En wij weeten niet hoe we op nieuw contact zullen krijgen. ▫ Van de ‘helpers’ bemerken wij nog niets. Wat is het alles vreemd en raadselig.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten