• Frances d'Arblay (1752-1840) was een Britse schrijfster. Haar dagboeken zijn gepubliceerd als The Diary and Letters of Madame D'Arblay.
Vertaling onderaan
AN AIRING AND ITS CONSEQUENCES.
Wednesday, March 4.-A message from Mrs. Schwellenberg this morning, to ask me to air with her, received my most reluctant acquiescence; for the frost is so severe that any air, without exercise, is terrible to me; though, were her atmosphere milder, the rigour of the season I might not regard.
When we came to the passage the carriage was not ready. She murmured most vehemently; and so bitterly cold was I, I could heartily have joined, had it answered any purpose. In this cold passage we waited in this miserable manner a full quarter of an hour; Mrs. Schwellenberg all the time scolding the servants, threatening them with exile, sending message after message, repining, thwarting, and contentious.
Now we were to go, and wait in the king's rooms—now in the gentlemen's—now in Dr. Willis's—her own—and this, in the end, took place.
In our way we encountered Mr. Fairly. He asked where we were going. "To my own parlour!" she answered.
He accompanied us in; and, to cheer the gloom, seized some of the stores of Dr. Willis,—sandwiches, wine and water, and other refreshments,—and brought them to us, one after another in a sportive manner, recommending to us to break through common rules, on such an occasion, and eat and drink to warm ourselves. Mrs. Schwellenberg stood in stately silence, and bolt upright, scarce deigning to speak even a refusal; till, upon his saying, while he held a glass of wine in his hand, "Come, ma'am, do something eccentric for once—it will warm you," she angrily answered, "You been reely—what you call—too much hospital!"
Neither of us could help laughing. "Yes," cried he, "with the goods of others;—that makes a wide difference in hospitality!" Then he rattled away upon the honours the room had lately received, of having had Mr. Pitt, the Chancellor, Archbishop of Canterbury, etc., to wait in it. This she resented highly, as seeming to think it more honoured in her absence than presence.
At length we took our miserable airing, in which I was treated with as much fierce harshness as if I was being conveyed to some place of confinement for the punishment of some dreadful offence!
She would have the glass down on my side; the piercing wind cut my face; I put my muff up to it: this incensed her so much, that she vehemently declared "she never, no never would trobble any won to air with her again but go always selfs."—And who will repine at that? thought I.
Yet by night I had caught a violent cold, which flew to my face, and occasioned me dreadful pain.201-2016>
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
EEN LUCHTJE SCHEPPEN EN DE GEVOLGEN ERVAN
Woensdag 4 maart. — Vanmorgen ontving ik een boodschap van mevrouw Schwellenberg met het verzoek met haar een luchtje te gaan scheppen; met de grootste tegenzin stemde ik toe, want de vorst is zo streng dat elke blootstelling aan de buitenlucht, zonder beweging, voor mij verschrikkelijk is; al zou ik de strengheid van het seizoen wellicht minder erg vinden als haar stemming milder was.
Toen wij in de gang kwamen, was de koets nog niet gereed. Zij mopperde uiterst heftig; en zo bitter koud had ik het, dat ik van harte had kunnen meedoen, als het enig nut had gehad. In deze koude gang wachtten wij op deze ellendige wijze een vol kwartier; mevrouw Schwellenberg al die tijd de bedienden berispend, hen met verbanning dreigend, de ene boodschap na de andere zendend, klagend, tegensprekend en twistziek.
Nu zouden wij gaan en wachten in de vertrekken van de koning — dan weer in die van de heren — dan weer in die van dr. Willis — haar eigen vertrek — en uiteindelijk gebeurde dit laatste.
Onderweg kwamen wij meneer Fairly tegen. Hij vroeg waar wij heengingen.
“Naar mijn eigen salon!” antwoordde zij.
Hij vergezelde ons naar binnen en nam, om de somberheid te verdrijven, wat van de voorraden van dr. Willis — sandwiches, wijn met water en andere versnaperingen — en bracht ze ons één voor één op speelse wijze, waarbij hij ons aanraadde om bij zo’n gelegenheid de gewone regels eens te doorbreken en te eten en te drinken om ons te verwarmen. Mevrouw Schwellenberg stond in statige stilte, kaarsrecht, nauwelijks waardig zelfs een weigering uit te spreken; tot hij, terwijl hij een glas wijn in de hand hield, zei: “Kom, mevrouw, doe eens iets excentrieks voor één keer — het zal u verwarmen,” waarop zij boos antwoordde: “U bent werkelijk — wat u noemt — al te gastvrij!”
Wij konden allebei niet nalaten te lachen.
“Ja,” riep hij, “met andermans goederen — dat maakt een groot verschil in gastvrijheid!” Vervolgens ratelde hij door over de eer die de kamer onlangs had genoten doordat meneer Pitt, de kanselier, de aartsbisschop van Canterbury enzovoort er hadden gewacht. Dit nam zij hem zeer kwalijk, alsof hij wilde suggereren dat de kamer in haar afwezigheid meer eer genoot dan in haar aanwezigheid.
Eindelijk maakten wij ons ellendige tochtje, waarbij ik met zo’n felle hardheid werd behandeld alsof ik naar een plaats van opsluiting werd gebracht ter bestraffing van een verschrikkelijk misdrijf!
Zij liet aan mijn kant het raam zakken; de snijdende wind geselde mijn gezicht; ik hield mijn mof ervoor. Dat maakte haar zo kwaad dat zij heftig verklaarde dat zij “nooit, nee nooit meer iemand lastig zou vallen om met haar een luchtje te scheppen, maar voortaan altijd alleen zou gaan.” — En wie zou daarover klagen? dacht ik.
Toch had ik tegen de avond een zware verkoudheid opgelopen, die naar mijn gezicht trok en mij hevige pijn bezorgde.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten