maandag 29 februari 2016

Hans Warren -- 29 februari 1976

Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.

29 februari 1976.
Zondag. Een merkwaardige dag, een ´schrikkelzondag´. Meer dan twee zal ik er wel niet beleven. In 1948, nu, maar of ik er 29 februari 2004 nog zal zijn?

Marcel Jouhandeau -- 28 februari 1971

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.

* Tot gisteravond, 27 februari 1971, wist ik niet hoe ver de gierigheid en de ondankbaarheid van mijn echtgenote jegens mij gingen. Hoe kan ik haar voortaan met dezelfde ogen zien? Men kon haar nog zo onmenselijk vinden, haar buitengewone wil om te overheersen was indrukwekkend.
Deze laatste tien jaar, sinds wij in het park van Malmaison wonen, heeft ze doorgebracht met gejeremieer over armoede, mij dwingend alle kosten op me te nemen, van het huishouden tot en met haar persoonlijke belastingen, en nu hoor ik dat zij over een slordige tien miljoen in goud beschikt, in een kluis van de Société Générale. Om de eindjes aan elkaar te knopen verkocht ik met bloedend hart mijn schilderijen, mijn manuscripten, waarmee ik me nog de spot van Le Figaro op de hals heb gehaald. Goed beschouwd is Elise dus verantwoordelijk voor de hoon die Monsieur Bouvard over mij uitstortte.
Wanneer men bedenkt dat deze reserve van edel metaal is gestart op het moment dat ik de firma Singer het gebouw heb moeten verkopen dat nog steeds in Guéret het plaatselijke kantoor is van deze luisterrijke firma, dan is er reden om verontwaardigd te zijn. Ik zie Elise nog in 1939 de hand leggen op de opbrengst van tweeëneenhalf miljoen. Van dat bedrag heb ik slechts met moeite vijftigduizend in handen gekregen, die ik besteedde aan de aankoop van de Mémoires van Saint-Simon, in de reeks Grands Ecrivains.
De details die mij over deze langdurige spaaractie ter ore komen verbijsteren mij. Een paar jaar geleden zou Elise, bang voor haar goud, met behulp van een vriend en een vriendin die in het complot zaten, het uit de kluis van de Société Générale hebben gehaald en het in onze tuin hebben begraven. Op die dag schijnt men mij voor de een of andere verre besogne te hebben weggestuurd, en opnieuw, toen men het opgroef om het weer op de bank te zetten. Ik zie mijn schraapster voor me, met de schep in de hand, op de uitkijk voor nieuwsgierigen.
In haar testament eist ze dat dit vermogen, waarvan ik tot nog toe geen weet had, op de Caisse des Dépots et Con-signations wordt gestort, om voor de opvoeding van Mare te worden gebruikt.
Ik kan me alleen maar verheugen over al het geluk dat ten deel valt aan een kind dat ik boven mezelf liefheb. Dat neemt niet weg dat een dergelijk gebrek aan vertrouwen, aan eerlijkheid, van een vrouw die aan mij zoveel, om niet te zeggen alles, te danken had, mij alleen maar dodelijk kan raken. Wanneer ik denk aan mijn vrienden die hier van wisten en er medeplichtig aan zijn geweest, dan moet ik mij wel beledigd voelen, alleen al door hun zwijgen.

* Het ontbreken van iedere ondeugd die haar zou verzwakken was bij Elise evenredig aan haar gevoel voor absoluut voordeel.
Zo heeft ze het geheel van haar persoonlijkheid, van haar wezen behouden, net zoals ze in het geheim haar kapitaal, haar vermogen heeft laten groeien. In haar kwam de wil tot macht op de eerste plaats, bepaalde de meeste van haar genegenheden, die ze uitdeelde als een vorst in zijn hof.
Niemand heeft haar ooit zien roken of alcohol drinken. In haar jeugd heeft ze in perverse kringen vertoefd, zoals een hermelijn, zonder ooit bevuild te raken. Het was voor haar een soort triomf zich te laten benaderen door zwakken zonder zelf te verzwakken.
Het is vreemd te denken dat ze zich haar hele leven met homoseksuelen heeft omringd. Alleen bij mij gaf die homoseksualiteit haar het recht alles te nemen zonder iets terug te geven.
In de verhalen over haar jeugd en in de herinneringen die ik heb van onze intieme verhouding, toen wij nog vurige minnaars waren, valt niet te ontkennen dat ze af en toe een voorliefde voor scatologie, voor liederlijkheid aan de dag legde. Het infame boeide haar als object van verwondering, zonder er lang bij stil te staan. Het uitstoten van kak door onze lichamen fascineerde haar, als een onwaarschijnlijke gebeurtenis. Tegelijkertijd ken ik geen voorbeeld van iemand die zo een perfecte hygiëne in acht nam als zij.

zondag 28 februari 2016

Vaslav Nijinski -- 27 februari 1919

• Vaslav Nijinski (1890-1950) was een Russische balletdanser. Zijn Dagboek dateert uit 1919.

27 februari 1919

Over de dood

De dood is onverwachts gekomen - omdat ik wilde dat hij komen zou. Ik heb tegen mezelf gezegd dat ik niet wil leven. Ik heb niet lang geleefd. Ze hebben mij verteld dat ik krankzinnig ben. Ik dacht dat ik leefde, maar ik kon geen vrede vinden. Ik leefde en was blij, en men zei dat ik verdorven was. Ik besloot om over de dood te schrijven. Ik huil en voel me erg verdrietig, omdat alles om me heen leeg is. Louise, het meisje, zal morgen huilen, want ze zal bedroefd zijn als ze ziet wat hier allemaal vernield en verspild is. Ik heb alle schilderijen en tekeningen waaraan ik zes maanden gewerkt heb weggehaald. Mijn vrouw zal naar die schilderijen zoeken, maar ze zal ze niet vinden. Ik heb de meubels weer op hun oude plaats gezet en de oude lampenkap weer neergelegd waar hij tevoren heeft gelegen. Ik wil niet dat er om me gelachen wordt en ik heb me voorgenomen om niets meer te doen, alleen nog maar mijn indrukken neer te schrijven. Ik zal schrijven. Ik wil de moeder van mijn vrouw begrijpen en haar man ook. Ik ken hen goed, maar ik wil zeker zijn.
Ik schrijf over dingen die ik werkelijk heb meegemaakt, en ik fantaseer nooit. Ik zit aan een lege tafel. Al mijn schilderijen liggen in de laden. Ze zijn verflenst, omdat ik nooit meer schilder. Ik heb er heel wat tijd aan besteed en ik heb goede vorderingen gemaakt. Ik wil schilderen, maar niet hier, waar ik de dood voel. Ik wil naar Parijs gaan, maar ik ben bang dat ik te laat zal komen. Ik wil nu over de dood schrijven. Ik zal het eerste deel van dit boek 'Leven' noemen en dit gedeelte 'Dood'. Ik zal de mensen tonen wat leven en dood is, en ik hoop dat ik erin zal slagen. Ik weet dat de mensen me een slechte schrijver zullen noemen als ik deze boeken laat publiceren, maar ik wil dan ook geen schrijver zijn. Ik wil een denker zijn. De geest is leven, en geen dood. Ik schrijf over filosofie, maar ik ben geen filosoof. Ik hou niet van filosofie omdat het niet meer dan een gril is van bedorven mensen. Ik ben geen Schopenhauer. Ik ben Nijinski. Ik ben een man die sterft wanneer men hem niet liefheeft. Ik voel medelijden voor mezelf zoals ik medelijden met God voel. God houdt van mij en Hij zal mij leven geven in de dood. Ik wil niet gaan slapen. Ik schrijf 's nachts.Mijn vrouw slaapt ook niet, ze denkt na. Ik voel de dood.
Ik begrijp mensen. Ze willen van het leven genieten, ze willen vreugde vinden in de genoegens die het leven hun biedt. Alle genoegens zijn afschuwelijk. Ik verlang niet naar genoegens. Mijn vrouw zal heel bang worden als ze merkt dat alles wat ik opschrijf op waarheid berust. Ik weet dat ze bedroefd zal zijn, omdat ze zal denken dat ik niet van haar hou. Het is heel goed mogelijk dat ze niet meer met me wil leven, omdat ze me niet meer vertrouwt. Ik hou van haar en het zal me zwaar vallen om zonder haar te zijn. Maar mijn beproevingen zijn noodzakelijk en ik zal ze dragen. Wat ik weet kan ik niet verborgen houden. Ik moet de zin van leven en dood openbaar maken. Ik wil een beschrijving van de dood geven. Ik hou van hem - en ik weet wie hij is. De dood is gruwelijk. En ik heb de dood meer dan eens gevoeld. [...]

donderdag 25 februari 2016

Albert Speer -- 26 februari 1953

Albert Speer (1905-1981) was een Duits architect en tijdens de naziheerschappij over Duitsland (1933-1945) achtereenvolgens rijksbouwmeester en minister van bewapening. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf; hij hield in die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Spandauer Tagebücher.

26. Februar 1953
An Neuraths Tür ein Anschlag: »Wegen seines Gesundheitszustandes erhält Nummer drei einen Armlehnsessel.« Neurath brummt: »Den brauche ich gar nicht«, aber anscheinend werden seine gelegentlichen Anfälle von Atemnot ernster genommen, ah es ihm lieb ist. Heute nachmittag wurde der Sessel geliefert. Ich traue meinen Augen nicht: er stammt aus der Reichskanzlei und wurde 1938 von mir entworfen.
Der Damast ist zerschlissen, die Politur vergangen, das Furnier zerkratzt, aber die Proportionen, besonders die Kurve des rückwartigen Stuhlbeins gefallen mir immer noch. Was für ein Wiedersehen! Wagg erzählt, daß der Sessel aus einem Möbelmagazin der Stadt Berlin geholt wurde.
Abends. Ich bin dem Zufall eigentlich ganz dankbar, der mir diese Wiederbegegnung mit einem Stück meiner Vergangenheit ermöglicht hat. Es ist überdies eine Vergangenheit, die noch ganz unbelastet ist durch Krieg, Verfolgung, Fremdarbeiter, Schuldkomplexe. Nichts Peinliches ist auch an dem Möbel selber, nichts Übertriebenes, nichts Pompöses; ein schlichter Stuhl, gute Handwerksarbeit. Ob ich das heute noch könnte? Vielleicht würde ich später Möbel lieber entwerfen als Häuser.
Erst im Nachdenken wird mir allmählich klar, daß dieser banale Stuhl in der Zelle von Neurath möglicherweise das einzige ist, was ich von meiner Arbeit jener Jahre wiedersehen werde. Die Reichskanzlei ist schon abgetragen, das Nürnberger Aufmarschgelände soll gesprengt werden, nichts anderes existiert mehr von all den grandiosen Plänen, die das architektonische Gesicht Deutschlands verwandeln sollten. Wie oft hatte Hitler mir gesagt, daß unsere Bauten noch nach Jahrtausenden von der Größe unserer Epoche zeugen würden — und nun dieser Stuhl; ach ja, und ein kleines Hauschen, das ich als Student für meine Schwiegereltern in Heidelberg baute. Sonst nichts.
Werden jene Pläne wenigstens als Idee sich behaupten? Wird in einer Darstellung über das Bauen in unserer Zeit wenigstens eine Tafel eine Arbeit von mir vorzeigen? Sicheriich, es war späte Architektur, ein nochmaliger - der wievielte? - Versuch, klassisch zu bauen. Aber das habe ich immer gesehen, es hat mich nie gestört.
Manchmal kommt es mir so vor, als ob ich ein Schlußpunkt gewesen sei; eine Art letzter Klassizist. Dies meine ich weniger vom Formalen oder Stilistischen her. Ich habe den Neuerern nie geglaubt, daß Säule und Portal heute nicht mehr erlaubt seien. Sie haben viertausend Jahre durchgehalten, und wer legt denn fest, daß sie von irgendeinem Tage an nicht mehr möglich sind?
Etwas anderes bringt diesen Stil und alle überlieferten Stile vermutlich an das Ende: die handwerklichen Traditionen sterben aus, auf denen die Formen der Vergangenheit beruhten. Es gibt keine Steinmetze mehr, die ein Gesimse aus dem Stein hauen können, bald keine Zimmerleute mehr, die eine Treppe fügen können, keine Stukkateure mehr, die ein Plafond anfertigen können. Und wenn ein Palladio, ein Schlüter, ein Schinkel in hundert Jahren kämen - sie müßten mit Stahl, Beton und Glas hantieren. Unsere Epoche, wie gut oder wie schlecht sie gebaut haben mag, war wirklich der Abschied von einer langen und ehrwürdigen Tradition. So mag es denn nicht nur ein Zufall sein, daß von unseren Planen nichts blieb: nichts als ein Stuhl.

woensdag 24 februari 2016

May Dewey -- 25 februari 1889

• Florence May Dewey (1869-?) woonde in 1889 in New York en hield gedurende ruim een jaar een dagboek bij.

Monday 25 This day will be a red letter day for me for I have had such a good time, I can’t tell it all. This am went and fixed our dominoes but the main thing of the day is the last of the Windsor Assemblies. I am so sorry it is the last. I wish the good times could go forever. Gussie Prentice came to dinner and went up there with us. I wore my white dress. It is lovely for I had a good time in it. Everything seems so flat and tame trying to describe the time. I will simply say what I did for I can always remember the rest. I danced the German with Gussie Prentice. Ella with Arthur Taylor and Pansy with Alfred Howard. I danced several times with Mr. Page before the German commenced. We had a few figures before supper then went up to supper. Pansy, Mr. Howard, Ella, Arthur Taylor, Miss Taylor, Arthur Page, Gussie Prentice and I were all seated at one table. Mr. Page sat opposite me. We didn’t say much. I am sure I don’t know why he looked at me so but he did. The Mandolin Quartet played through supper and such lovely music we couldn’t talk.

After supper while I was walking with Mr. Page he told me that a fellow said we must be “hard up for fellows to ask him” but he wouldn’t tell me who it was. He said the fellow meant it as a compliment. But I fail to see it and I was very much put out but not at Mr. Page. I told him he had made me feel very uncomfortable and especially Thursday night as the fellow will be there. Mr. Page felt annoyed to see that I didn’t like it but he wouldn’t tell me, so during the German he gave me the prettiest favor and said he hoped that that would be a peace offering for he didn’t want me to feel bad and made me promise I would forget all about it. Which I will endeavor to do. He spoke of it several times however later. Next to my last dance with him he said he was so sorry he couldn’t come to our affair Thursday but he hoped I would not forget him. He wants me to think of him at twelve o’clock and imagine we were dancing together. I said probibly he would be in dreamland or talking to some girl on the deck of the steamer but he promised to think of me and I also of him. He had to have my hand on it. Also I wonder if I shall forget and if he will remember or not even cast a thought on me. Well it has been one of the loveliest times I ever had thanks to these fellows – Mr. Page, Mr. Grey and Mr. Dickinson. I had my last dance and the last dance of the evening with Mr. Page. It was the Kentucky Jubilee in which I had to reissue my promise. I got in at three o’clock.

dinsdag 23 februari 2016

John James Audubon -- 24 februari 1828

• John James Audubon (1785-1851) was een Frans-Amerikaanse schrijver, woudloper, natuuronderzoeker en kunstschilder, vooral van vogels. Zijn dagboeken staan hier online.

February 24. I heard to-day of the death of Mrs. Gregg of Quarry Bank. I was grieved to know that kind lady, who had showed me much hospitality, should have died; I have hesitated to write to her son-in-law, Mr. Rathbone, fearing to disturb the solemnity of his sorrow. At the Linnæan Society this evening, my friend Selby's work lay on the table by mine, and very unfair comparisons were drawn between the two; I am quite sure that had he had the same opportunities that my curious life has granted me, his work would have been far superior to mine; I supported him to the best of my power. The fact is, I think, that no man yet has done anything in the way of illustrating the birds of England comparable to his great work; then besides, he is an excellent man, devoted to his science, and if he has committed slight errors, it becomes men of science not to dwell upon these to the exclusion of all else. I was to-day elected an original member of the Zoölogical Society. I also learned that it was Sir Thomas Lawrence who prevented the British Museum from subscribing to my work; he considered the drawing so-so, and the engraving and coloring bad; when I remember how he praised these same drawings in my presence, I wonder—that is all.

February 25. A most gloomy day; had I no work what a miserable life I should lead in London. I receive constantly many invitations, but all is so formal, so ceremonious, I care not to go. Thy piano sailed to-day; with a favorable voyage it may reach New Orleans in sixty days. I have read the Grand Turk's proclamation and sighed at the awful thought of a war all over Europe; but there, thou knowest I am no politician. A fine young man, Mr. J. F. Ward, a bird-stuffer to the King, came to me this afternoon to study some of the positions of my birds. I told him I would lend him anything I had.

February 28. To-day I called by appointment on the Earl of Kinnoul, a small man, with a face like the caricature of an owl; he said he had sent for me to tell me all my birds were alike, and he considered my work a swindle. He may really think this, his knowledge is probably small; but it is not the custom to send for a gentleman to abuse him in one's own house. I heard his words, bowed, and without speaking, left the rudest man I have met in this land; but he is only thirty, and let us hope may yet learn how to behave to a perfect stranger under his roof.

February 29. A man entered my room this afternoon, and said: "Sir, I have some prisoners to deliver to you from the town of York." "Prisoners!" I exclaimed, "why, who are they?" The good man produced a very small cage, and I saw two sweet little Wood Larks, full of vivacity, and as shy as prisoners in custody. Their eyes sparkled with fear, their little bodies were agitated, the motions of their breasts showed how their hearts palpitated; their plumage was shabby, but they were Wood Larks, and I saw them with a pleasure bordering on frenzy. Wood Larks! The very word carried me from this land into woods indeed. These sweet birds were sent to me from York, by my friend John Backhouse, an ornithologist of real merit, and with them came a cake of bread made of a peculiar mixture, for their food. I so admired the dear captives that for a while I had a strong desire to open their prison, and suffer them to soar over London towards the woodlands dearest to them; and yet the selfishness belonging to man alone made me long to keep them. Ah! man! what a brute thou art!—so often senseless of those sweetest feelings that ought to ornament our species, if indeed we are the "lords of creation."

zondag 21 februari 2016

Max Frisch -- 22 februari 1969

Max Frisch (1911-1991) was een Zwitserse architect en schrijver. Zijn dagboeken zijn vertaald (door Hans Hom), onder meer als Dagboek 1966-1971.

Zürich, februari 1969
Brandstichting in de telefooncentrale Hottingen. De dader, Hürlimann genaamd, al tientallen jaren in dienst van de PTT en kenner van de installatie, heeft de brandhaarden zodanig verdeeld dat de brandweer niet veel meer heeft kunnen uitrichten; het gebouw bleef behouden, maar de meeste schakelinstallaties zijn uitgebrand. Krantekoppen melden miljoenenschade; om te beginnen zal het verscheidene weken duren eer de telefooncentrale weer functioneert. De dader, die zichzelf onmiddellijk bij de politie heeft aangegeven, schijnt tevreden te zijn over zijn daad; een eerste psychiatrisch rapport schildert hem af als een tot op dat moment vakbekwaam technicus, niet meer zo jonge huisvader, contactarm. Hij geeft toe dat zijn werk hem weinig zei; voorts griefde het hem sinds enige tijd dat promotie was uitgebleven; hij kreeg een jongere technicus boven zich zodat verandering van werk er voor hem niet meer inzat. De overweging of de bestaande arbeidsomstandigheden al dan niet zodanig zijn dat iemand daarin kan werken, hoort niet in een psychiatrisch rapport thuis, dat zich tevreden stelt met de constatering: psychopaat. Het technische resultaat van zijn met technische precisie uitgevoerde revolte: dertigduizend telefoonaansluitingen zijn dood. Praten erover met mensen in een café; ook degenen die er op dit moment veel ongemak van hebben, blijken niet zonder sympathie voor deze Hürlimann.

Filmpje over de brand.