• Abraham Rutgers van der Loeff (1808-1881) was predikant te Noordbroek, Zutphen en Leiden. Zijn dagboeken staan hier online.
zondag 8 oktober 1843
Het weder was slecht; ik preekte nog al met opgewektheid ook smiddags. Ging daarna bij Ettje, die gelukkig zacht ontslapen is, vervolgens dronk ik thee bij Joh Smid, en kreeg 'savonds nog een aangenaam bezoek van Bodisco [bevriende collega-predikant]. 'Savonds schreef ik nog aan Waalkens [collega-predikant].
maandag 9 oktober 1843
Koos [op bezoek] gehad. Deze bragt het berigt, dat wij niet heden maar morgen kransje hadden. Dit was voor mij eene heele misrekening. Smorgens naar Bodisco. smiddags Werkhuis; daarna Leesgezelschap hetwelk naar wensch afliep.
dinsdag 10 oktober 1843
Smorgens te 10 uur ging ik op wandeling naar Hellum, waar wij een alleraangenaamst Kransje hadden. Te 3 uur moest ik echter vertrekken om ook nog Kransje te hebben te Sappemeer. Het weder was schoon, zoodat ik met plaizier wandelde. Bij Ida ging ik onderweg even aan. Ook bij B. Leugs. Onze discoursen bij Feenstra waren interessant over J[ezus]. den Vertegenwoordiger der Menschheid; in hoeverre ook den zondige? Te 12 uur eerst kwam ik thuis; maar was niet zeer vermoeid.
woensdag 11 oktober 1843
Dezen gehelen dag op de studeerkamer gezeten en tamelijk veel aan mijn verhandeling gewerkt, ook niet uitgeweest; behalve bij Hekman [kerkvoogd] savonds met Romelia [Rutgers' echtgenote].
donderdag 12 oktober 1843
Smorgens gewerkt. Bij de begraafnis van Ettje geweest. De meid van Hamster v[an] de Koorngast zou heden begraven worden binnen 24 uren na den dood. Ik heb gepoogd dit schandaal te verhinderen, hetwelk ook gelukt is. Dien namiddag Konings dochter bezocht en A. Bos ten einde eens te hooren of er ook berigt van Gieterveen was. Savonds thuis gewerkt.
vrijdag 13 oktober 1843
Voor de katechizatie de begraafnis van Hamsters meid bijgewoond. Ik kreeg intussen berigt van den dood van D. Mulder en verzoek om bij Bos te komen. Eene moeijelijke taak om het den vrouw bekend te maken. Smiddags ging ik er weer heen en vond haar bedaarder. Ook nog bij Mulder geweest en bij Geertje Leuns. 'Savonds bij E. Hamster koffij gedronken.
zaterdag 14 oktober 1843
Dezen geheelen dag gewerkt en ook een geschikte preek gezocht voor morgen.199-2017>
maandag 7 oktober 2024
zondag 6 oktober 2024
Hidde Dirks Kat • 7 oktober 1777
• Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een Nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.
[7 October 1777]
Op den 7 October kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten, om te zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken, aangezien wij aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze leeftogt slechts bestond in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór dat wij dit echter ondernamen, braken wij eerst het hout uit de sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het ijs, verwarmden onze ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer een' beet van zijne drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten eenenmale. Na deze verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van twee onzer lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De laatste groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer smartelijk. Wij hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons gerijf, bij ons.336-2019>
[7 October 1777]
Op den 7 October kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten, om te zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken, aangezien wij aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze leeftogt slechts bestond in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór dat wij dit echter ondernamen, braken wij eerst het hout uit de sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het ijs, verwarmden onze ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer een' beet van zijne drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten eenenmale. Na deze verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van twee onzer lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De laatste groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer smartelijk. Wij hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons gerijf, bij ons.336-2019>
Hidde Dirks Kat • 6 oktober 1777
• Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een Nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.
[6 October 1777]
Wij zeilden bij het ijs langs tot den 6 October. Des middags bevonden wij ons, naar gissing, 6 mijlen beoosten Statenhoek. Hier dreven wij met het ijs zeer verre in zee op; zoo dat mijn volk uit onkunde en vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk nogtans noodzakelijk was, vermits dit ijs aan Statenhoek vast lag en ons om de punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen land hebben bekomen, schoon men zich bij deze onderneming het gevaar van wind en zee moest getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel mogelijk, door het ijs te werken, ten einde het land te bereiken. Hiermede vorderden wij niet meer dan eene halve mijl, wanneer wij genooddrongen werden het werk te staken en de sloepen op het ijs te halen. Hier vond ik eenen ijsberg welke, naar gissing, 60 a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne manschappen en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende ijspunt heen te zeilen, wanneer wij op Statenhoek, waarschijnlijker wijze, hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts bij onze drie sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude en afgesold door vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd genoten.
[6 October 1777]
Wij zeilden bij het ijs langs tot den 6 October. Des middags bevonden wij ons, naar gissing, 6 mijlen beoosten Statenhoek. Hier dreven wij met het ijs zeer verre in zee op; zoo dat mijn volk uit onkunde en vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk nogtans noodzakelijk was, vermits dit ijs aan Statenhoek vast lag en ons om de punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen land hebben bekomen, schoon men zich bij deze onderneming het gevaar van wind en zee moest getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel mogelijk, door het ijs te werken, ten einde het land te bereiken. Hiermede vorderden wij niet meer dan eene halve mijl, wanneer wij genooddrongen werden het werk te staken en de sloepen op het ijs te halen. Hier vond ik eenen ijsberg welke, naar gissing, 60 a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne manschappen en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende ijspunt heen te zeilen, wanneer wij op Statenhoek, waarschijnlijker wijze, hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts bij onze drie sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude en afgesold door vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd genoten.
Hidde Dirks Kat • 5 oktober 1777
• Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een Nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.
[5 October 1777]
In den ochtendstond van den 5 October bedaarde het weêr, en de zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen gereed, om er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons voorkwam, en besloten, om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100 voeten vierkant, (waarop God ons tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt zouden zijn, om dezelve te verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor ons bestemd was. – Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 scheepsbeschuiten hadden wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met aan een stuk uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi weêr, in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man, voor ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid in de sloepen viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend maakte, dat de zee over onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve dreigde te zinken. Hierop opende zich boven verwachting het ijs, zoo dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee bevonden. Wij zetten toen onze zeiltjes bij met eenen gunstigen Noord-oosten wind en stevenden op Statenhoek aan. Wij hadden een kompas, konden het land zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend ijs.
Onze schipbreuk was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk en het verlies van de schots was niet minder schrikbarende.212-2018>
[5 October 1777]
In den ochtendstond van den 5 October bedaarde het weêr, en de zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen gereed, om er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons voorkwam, en besloten, om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100 voeten vierkant, (waarop God ons tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt zouden zijn, om dezelve te verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor ons bestemd was. – Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 scheepsbeschuiten hadden wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met aan een stuk uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi weêr, in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man, voor ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid in de sloepen viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend maakte, dat de zee over onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve dreigde te zinken. Hierop opende zich boven verwachting het ijs, zoo dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee bevonden. Wij zetten toen onze zeiltjes bij met eenen gunstigen Noord-oosten wind en stevenden op Statenhoek aan. Wij hadden een kompas, konden het land zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend ijs.
Onze schipbreuk was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk en het verlies van de schots was niet minder schrikbarende.212-2018>
donderdag 3 oktober 2024
Hidde Dirks Kat • 4 oktober 1777
• Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een Nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.
[4 October 1777] In den ochtend van den 4 October (No 15.) bevonden wij ons op dezelfde ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af. Het weêr was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van zee, zijnde aan alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons bedunken, aan het land vast lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te verlaten en, zoo mogelijk, te voet op het land aantegaan, weshalve wij onzen overgeschoten leeftogt onder malkander verdeelden, bestaande eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf scheepsbeschuiten met een weinigje boter ontving.
Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur ALBERT JANS, om onze drie sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God ons, tot op heden, zoo wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. Hiertoe besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land zijn gekomen, is mij onbekend.
In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk eene zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen de ander opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet zagen. Doch God was ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met de 27 man niet naar land waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog akelige gedaanten. De zee woedde aan de buitenzijde tegen het ijs. De baren verhieven zich als torens in de lucht, makende in den langen donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, terwijl het zoute water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 voeten in het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks konden bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog onbeschadigd. 256-2018>
[4 October 1777] In den ochtend van den 4 October (No 15.) bevonden wij ons op dezelfde ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af. Het weêr was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van zee, zijnde aan alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons bedunken, aan het land vast lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te verlaten en, zoo mogelijk, te voet op het land aantegaan, weshalve wij onzen overgeschoten leeftogt onder malkander verdeelden, bestaande eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf scheepsbeschuiten met een weinigje boter ontving.
Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur ALBERT JANS, om onze drie sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God ons, tot op heden, zoo wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. Hiertoe besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land zijn gekomen, is mij onbekend.
In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk eene zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen de ander opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet zagen. Doch God was ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met de 27 man niet naar land waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog akelige gedaanten. De zee woedde aan de buitenzijde tegen het ijs. De baren verhieven zich als torens in de lucht, makende in den langen donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, terwijl het zoute water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 voeten in het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks konden bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog onbeschadigd. 256-2018>
woensdag 2 oktober 2024
Matthijs Vermeulen • 3 oktober 1944
• Matthijs Vermeulen (1888-1967) was een Nederlandse componist en muziekcriticus. Toen zijn vrouw in augustus 1944 in het ziekenhuis werd opgenomen, ging hij haar briefjes schrijven, en hij ging daarmee door nadat ze korte tijd daarop overleden was. Ze laten zich lezen als een dagboek en zijn gepubliceerd als Het enige hart.
3 okt. 1944
Het eerste briefje ontvangen van [hun zoon] Josquin [die een week later zou sneuvelen], na zijn vertrek uit Spanje naar Afrika. Het is geschreven met potlood op een losgescheurd blaadje van een zakboekje en geadresseerd door vreemde hand. Uit het onregelmatige schrift kan worden afgeleid dat de schrijver geschud werd; hij rolde waarschijnlijk in een auto en wierp zijn papiertje naar buiten waar iemand het opraapte. Hij is dus onderweg. Onderweg naar de oorlog, die ik verfoei, die ik haat, en die ik noodzakelijk weet.
Hij richt zich nog tot jou, gelijk vroeger, en vanmiddag heb ik hem je dood gemeld, met een verscheurd hart denkend aan het offer dat je hem gebracht hebt, aan de ruil die je met hem deed tegenover God, jij, even eenzaam gestorven als een soldaat op zijn slagveld. Voor 't eerst ook heb ik kunnen en durven denken: daarom dus vermocht ik niets voor je; daarom dus bleef het bidden waarin ik mij wendde tot mijn God, onverhoord; jouw offer was machtiger; jouw offer was verhevener, edeler, zuiverder, het was brozer, het was sterker door een van elke zelfzucht onthechte liefde, het was mateloos meer dan alles wat ik vragen kon en geven. Die gedachte bracht mij enige verlichting in het gevoel van nederlaag en machteloosheid, van twijfel en van schroom, waarin de weigering mij geworpen had. Ik aanvaard. Ik dank. En een siddering bevliegt me, de siddering voor de schoonheid.
3 okt. 1944
Het eerste briefje ontvangen van [hun zoon] Josquin [die een week later zou sneuvelen], na zijn vertrek uit Spanje naar Afrika. Het is geschreven met potlood op een losgescheurd blaadje van een zakboekje en geadresseerd door vreemde hand. Uit het onregelmatige schrift kan worden afgeleid dat de schrijver geschud werd; hij rolde waarschijnlijk in een auto en wierp zijn papiertje naar buiten waar iemand het opraapte. Hij is dus onderweg. Onderweg naar de oorlog, die ik verfoei, die ik haat, en die ik noodzakelijk weet.
Hij richt zich nog tot jou, gelijk vroeger, en vanmiddag heb ik hem je dood gemeld, met een verscheurd hart denkend aan het offer dat je hem gebracht hebt, aan de ruil die je met hem deed tegenover God, jij, even eenzaam gestorven als een soldaat op zijn slagveld. Voor 't eerst ook heb ik kunnen en durven denken: daarom dus vermocht ik niets voor je; daarom dus bleef het bidden waarin ik mij wendde tot mijn God, onverhoord; jouw offer was machtiger; jouw offer was verhevener, edeler, zuiverder, het was brozer, het was sterker door een van elke zelfzucht onthechte liefde, het was mateloos meer dan alles wat ik vragen kon en geven. Die gedachte bracht mij enige verlichting in het gevoel van nederlaag en machteloosheid, van twijfel en van schroom, waarin de weigering mij geworpen had. Ik aanvaard. Ik dank. En een siddering bevliegt me, de siddering voor de schoonheid.
dinsdag 1 oktober 2024
Romy Schneider • 2 oktober 1955
• Romy Schneider (1938-1982) was een Oostenrijkse actrice. in Ich, Romy: Tagebuch eines Lebens zijn dagboekfragmenten van haar opgenomen. In oktober 1955 was ze bezig met de opnames van de eerste Sissi-film.
2 oktober 1955 [Duits onderaan]
De opnamen duren deze keer eindeloos lang. Er komt geen einde aan.
En het is uiteindelijk niet alleen een kwestie van tijd. Iedere draaidag kost een gruwelijke hoeveelheid geld. Alleen al de belichting van de verschillende scènes kost kapitalen.
Als je vaklui over de astronomische bedragen hoort praten, slaat de angst je om het hart. In een paar uur gaat er een vermogen doorheen.
Nou ja, mijn geld is het niet. En ook niet dat van mammie of daddy. Wij, mammie en ik, krijgen samen maar een schijntje van het hele bedrag dat de film kost. Maar geld alleen maakt niet gelukkig. Dat zeggen ze immers - het is alleen wel gemakkelijk als je het hebt.
Als ik mijn zakgeld krijg, ben ik onder de pannen. Mammie heeft het pas nog verhoogd. Ik ben dik tevreden dat ik verder met die hele geldrommel niets te maken heb. Je hebt er alleen maar last van.
3 oktober 1955
Het is hier in Wenen uitgesproken koud en onaangenaam. De Donau is niet blauw maar grijs, en verschrompeld als een oude tuinkabouter. De Stephansdom duikt weg tussen de huizen alsof hij het koud heeft.
Wenen is wel veranderd sinds de bezettingstroepen vertrokken zijn. Je merkt goed dat het zich weer echt bewust wordt van zijn oude positie als hoofdstad van Oostenrijk. Het Burgtheater gaat weer open. De Staatsopera.
Vanavond vrij. Ik moet Seppl nog uitlaten en morgen hebben we weer een zware dag. Als ik nou maar wist, wanneer we in de studio moeten zijn!
Het is al een paar keer gebeurd dat mammie en ik 's morgens om zeven uur opgehaald zouden worden en dat er dan niemand kwam opdagen. De afspraak werd van uur tot uur verschoven tot we uiteindelijk aan het eind van de middag nog steeds in ons hotel rondhingen. De hele dag naar de knoppen - en gefilmd werd er niet! En ik had zo graag nog een uurtje geslapen!!
2. Oktober 1955 Die Dreharbeiten dauern diesmal endlos lange. Wir werden nicht fertig und werden nicht fertig. Und das ist schließlich nicht nur eine Zeitfrage. Jeder Drehtag kostet ein ungeheures Geld. Allein die Ausleuchtung der Szenen schluckt Unsummen. [...] Ich bin versorgt, wenn ich mein Taschengeld habe. Mammi hat es neulich erst wieder erhöht.389-2016>
2 oktober 1955 [Duits onderaan]
De opnamen duren deze keer eindeloos lang. Er komt geen einde aan.
En het is uiteindelijk niet alleen een kwestie van tijd. Iedere draaidag kost een gruwelijke hoeveelheid geld. Alleen al de belichting van de verschillende scènes kost kapitalen.
Als je vaklui over de astronomische bedragen hoort praten, slaat de angst je om het hart. In een paar uur gaat er een vermogen doorheen.
Nou ja, mijn geld is het niet. En ook niet dat van mammie of daddy. Wij, mammie en ik, krijgen samen maar een schijntje van het hele bedrag dat de film kost. Maar geld alleen maakt niet gelukkig. Dat zeggen ze immers - het is alleen wel gemakkelijk als je het hebt.
Als ik mijn zakgeld krijg, ben ik onder de pannen. Mammie heeft het pas nog verhoogd. Ik ben dik tevreden dat ik verder met die hele geldrommel niets te maken heb. Je hebt er alleen maar last van.
3 oktober 1955
Het is hier in Wenen uitgesproken koud en onaangenaam. De Donau is niet blauw maar grijs, en verschrompeld als een oude tuinkabouter. De Stephansdom duikt weg tussen de huizen alsof hij het koud heeft.
Wenen is wel veranderd sinds de bezettingstroepen vertrokken zijn. Je merkt goed dat het zich weer echt bewust wordt van zijn oude positie als hoofdstad van Oostenrijk. Het Burgtheater gaat weer open. De Staatsopera.
Vanavond vrij. Ik moet Seppl nog uitlaten en morgen hebben we weer een zware dag. Als ik nou maar wist, wanneer we in de studio moeten zijn!
Het is al een paar keer gebeurd dat mammie en ik 's morgens om zeven uur opgehaald zouden worden en dat er dan niemand kwam opdagen. De afspraak werd van uur tot uur verschoven tot we uiteindelijk aan het eind van de middag nog steeds in ons hotel rondhingen. De hele dag naar de knoppen - en gefilmd werd er niet! En ik had zo graag nog een uurtje geslapen!!
2. Oktober 1955 Die Dreharbeiten dauern diesmal endlos lange. Wir werden nicht fertig und werden nicht fertig. Und das ist schließlich nicht nur eine Zeitfrage. Jeder Drehtag kostet ein ungeheures Geld. Allein die Ausleuchtung der Szenen schluckt Unsummen. [...] Ich bin versorgt, wenn ich mein Taschengeld habe. Mammi hat es neulich erst wieder erhöht.389-2016>
Abonneren op:
Posts (Atom)





