zondag 10 april 2016

Emma Thompson -- 10 april 1995

Emma Thompson (1959) is een Britse actrice. In 1995 hield ze een dagboek bij tijdens de opnames van Sense and Sensibility, een film naar het boek van Jane Austen, van regisseur Ang Lee.

MONDAY 10 APRIL: Writing endless additional dialogue. This is to cover entrances and exits or wherever it's necessary for background chit-chat. Difficult for actors to extemporise in nine-' teenth-century English. Except for Robert Hardy and Elizabeth Spriggs, who speak that way anyway. Jane reminds us that God is in his heaven, the monarch on his throne and the pelvis firmly beneath the ribcage. Apparently rock and roll liberated the pelvis and it hasn't been the same since. We all stand about like parboiled spaghetti being straightened out, IVe covered the telly up, hidden the radio and cancelled all the newspapers. Hello, 1811.

TUESDAY 11 APRIL: No one can sleep for excitement. Costume designers John Bright and Jenny Beavan wish they had three more weeks but have done truly great work. The shapes and colours are inimitable. Lindsay's already in Plymouth frantically trying to cut the script. It's still too long. The art department object to us bathing Margaret in the parlour. Apparently they always used a kitchen or bedroom in the nineteenth century. Perhaps the Dashwoods are different, I suggest, unhelpfully. Start to pack for ten weeks.

THURSDAY 13 APRIL: Riding side-saddle is bizarre. Lesson with Debbie Kaye, who is in charge of training the actors to ride the horses and providing the carriages - everything to do with the transport of the times. It's a huge responsibility and great to find that it's a woman's. Quite unusual in this country. She put me on Small George, who was a bit skittish. The saddle has two leather protuberances. You wrap your legs around and hold on tight. Very good for the thighs. I wobble about, trying to be brave.

zaterdag 9 april 2016

Thomas Orde-Lees -- 9 april 1916

Thomas Hans Orde-Lees (1877–1958) maakte deel uit van Ernest Shackletons Trans-Antarctic Expedition van 1914–1917, die strandde op de Zuidpool toen het expeditieschip Endurance werd kapot gedrukt door de ijsschotsen. Op een gegeven moment probeerde de expeditieleden in drie reddingssloepen een eiland te bereiken. Het fragment hieronder beschrijft een van de dagen uit de week dat die tocht duurde.

Night of 9th - 10th April 1916
Whilst hauling up the boats, which took a good hour to do, the cook had got our blubber stove going on blubber that we had brought with us and produced a fine beverage of hot milk (36 ozs. Trumilk powder for 28 persons) which we stood in much need of. As we had had a quarter of a pound of dog-pemmican and two biscuits each, in the boats for tea, it was not considered necessary to supplement this, so we made do with the milk, and having erected the tents turned in.

One or two of us whose turn it was to do night watchman from 11 p.m. to midnight lay down in the bottom of one of the boats.

The night was fairly mild so that they did not get particularly cold before all hands were awakened, just before 11 p.m., by the now familiar cry of "crack." We jumped up just in time to see, as much as it was possible to do so in the dark, the floe separate into two halves and to hear the cry and commotion of a man in the water. The latter was the sailor Holness and his position was one of extreme danger, for apart from the usual restrictions of clothing, boots, etc., and the fact that his sleeping bag had fallen in on top of him, he was in imminent peril of being crushed between the two halves of the floe, for as a general rule when a floe splits and there is a swell running the two portions of the floe surge to and fro, the crack opening and closing rythmically [sic] with the swell, the edges thereof coming together with a crash and grinding against each other. Providentially, on this occasion, the two fragments merely parted company, separated about six feet from each other and thereafter did not approach with a yard of one another. This was well enough for the rescue of the drowning man but greatly impeded subsequent events.

It appeared that the crack had occurred immediately underneath the sailors' tent—the large 8 man hoop tent—right through the spot where Holness was sleeping. How he extricated himself from his sleeping bag is a marvel as he got clear of it before he actually fell into the water for his bag did not go entirely in but remained hanging over the ice edge.

Vincent, another of the sailors, also had a narrow shave, he did not fall in but his bag did.

Strange to say the tent sustained no damage whatever.

This was not all by any means, for the crack had cut off Sir Ernest's tent and the "J. Caird" from the rest of our little floating camp and it was a question whether we could contrive to "bridge" the boat over the now widening crack, the first care, the rescue of Holness, having been satisfactorily accomplished.

Curiously enough it was Sir Ernest [Shackleton] himself who rescued Holness. No doubt he was spending one of his usual wakeful nights and so was up and out in an instant. First he saved Holness's sleeping bag and then the man himself, whose chief lament was that he had thus lost all the "baccy" out of his bag. We have since learned from the victim of this accident that he attributes his escape to the precaution he had taken to sleep with only the lowest one of the three buttons on the flap of the bag fastened, owing to the scare that previous crackings of the floe had given him. Lt. Hudson very generously divested himself of some of his own clothing and also a spare suit of combinations in order to provide Holness with a dry change, for, as the temperature was only 18°, he would soon have been frozen in his wet things.

donderdag 7 april 2016

James Woodforde -- 8 april 1761

James Woodforde (1740-1803) was dominee in het dorp Weston Longville in het Engelse Norfolk. Hij hield 44 jaar een dagboek bij; gedeeltes daaruit zijn gepubliceerd als The Diary of a Country Parson 1758 – 1802.




April 8th, 1761
Nosegays for Peckham & myself                 pd. 0..0..1
For two Rolls of Pomatum of my Barber      pd. 0..1..0
For the Barber to Drink -                           gave 0..1..0
N:B: It is always when one has a new Wigg
- For Fruit                                                 pd..- 0..0..5
 I went to the Town Hall where I saw Lord Robert Spencer, his Brother Lord Charles's Representative, & Sir James Dashwood, made Members for the County of Oxford, I saw them both chaired, no opposition at all. At Bragg in the BCR, with Oglander, Ridly, Caswall, Ballard, Peckham, & Master  - won 0..1..0

woensdag 6 april 2016

J. van Drielst -- 7 april 1915

• J. van Drielst (?-?). Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala.

April 7. Om 6 uur wordt opgezadeld en de reis vervolgd; ik heb zeer slecht geslapen, deels tengevolge der oververmoeidheid en ongewoonte, aan eene reis per muildier verbonden, deels door de ongemakkelijke houding in de hangmat, en het lawaai der blaffende houden in den Patio (hof achter het huis). Na eenige moeite gehad te hebben met het opvangen der rijdieren, welke des nachts immer los gelaten worden in de Portrero (weide), rijden wij weg. Het is thans verrukkelijk in de natuur. De zon zal spoedig opgaan, en de hemel is wazig rose verlicht, een heerlijk koeltje waait nog, wat straks door eene geweldige hitte vervangen zal worden; men apprecieert het dientengevolge des te meer! Onze weg voert door glooiend land, met aan weerszijden oploopende bergen. Overal beweging en gefladder van de vreemdste vogelsoorten welke hun gezang of eigenaardig geschreeuw laten hooren. Veelvuldig komen de groote groene paraquitos voor, steeds in koppels, en luid krijschend van boom tot boom vliegend, verder een soortgelijke vogel, doch geheel zwart; de pepervogel met zijn reusachtig langen snavel, zeer dik en breed van vorm, begluurt ons in stilte vanuit de hoogte, terwijl overal de bekende nesten der weefvogels, welke als stroozakken aan de takken van de boomen hangen, vreemd aandoen. De tropische fauna doet zich hier in al zijn pracht voor. Op eens hooren wij hoog boven ons het wilde gekrijsch van een zwerm papegaaien, het is de soort, die in deze streken het meest voorkomt n.l. groote vogels met zeer lange staarten, rood en oranje-achtig gekleurd met zwart-bonte afwisseling. Het geluid, dat ze voortbrengen heeft zeer veel van het, in de hollandsche taal nu niet bepaald als beschaafd bekend staande woord “verrek”. Ik probeer nog met mijne revolver een der dieren naar beneden te brengen, wat me evenwel niet gelukt en de vogels hunne verwenschingen schijnbaar nog doet verdubbelen! Wat verderop kijken eenige herten ons in groote verbazing met hunne klare en goedige oogen aan, doch bij onze nadering vluchten zij in de wildernis. Elk oogenblik schieten snelle leguanos (hagedissen) voorbij, sommige zoo groot als een kleine krokodil, doch zij blijven immer uit ons bereik. Hier diene opgemerkt, dat de groote door de inlanders geschoten en gebraden als eene lekkernij beschouwd worden; bon appétit! Slangen zien wij helaas weinig, en dan nog slechts zeer kleine, wel hoort men af en toe een verdacht geritsel in het gras aan weerszijden van den weg. De lezer moet echter niet denken, dat de grootere soorten hier ontbreken, in Honduras leven zelfs de gevaarlijke cobra, terwijl niet zelden eenige soorten der piton gevangen worden. Ook de flora laat aan tropische pracht niets te wenschen over. Honderde soorten van boomen, met den vreemdsoortigsten bladerengroei staan door elkander. Vele vertoonen verschillende prachtige bloemsoorten, die soms zonder tak tegen den stam aanzitten. Eene tropische soort tulpboom, welke hier tenminste veel van heeft, komt menigvuldig voor, ik moet helaas eerlijk bekennen dat de meeste soorten voor mij onbekend zijn, terwijl de namen die men te hooren krijgt van dien aard zijn dat men ze onmiddellijk weder vergeet! Voor interessanten kan ik slechts aanraden een of ander botanisch werk over den plantengroei in Centraal-Amerika te raadplegen, waaruit men zonder twijfel eene nauwkeurige opgave der verschillende boom- en plantensoorten kan putten. Om ongeveer twaalf uur passeeren wij de rivier Naco, thans zeer laag, doch in het winterseizoen niet zonder cano’s over te komen. Wij hebben thans het Departemento de Cortez achter ons liggen, en bevinden ons thans in het district van Santa Barbara. Thans breidt zich een geweldige vlakte voor ons uit, de hitte is verschrikkelijk, de zon brandt op onze ruggen, terwijl de muildieren slechts stapvoets of op een sukkeldrafje voortschrijden. Tegen 2 uur komen wij aan te San Marcos, een dorpje, juist in het midden dezer Planada gelegen, waarvan het witte kerkje, eene ongewone luxe voor het meerendeel der in het binnenland gelegen pueblos, (dorp) reeds eenige mijlen vooraf kan waargenomen worden. Wij worden hier vriendelijk ontvangen door den heer Fernando Rheinboldt, een Duitscher, die hier een tienda heeft, en een keurig huis, ruim en frisch gebouwd, met zijn Hondureensche vrouw en zijne 8 telgen bewoont. Daar ik eenige zaken met den heer R. te bespreken heb, besluit ik het verdere gedeelte van den dag bij hem door te brengen en den volgenden dag in gezelschap van Leonardo den tocht voort te zetten, terwijl Cosman, welke gaarne den volgenden dag in La Florida wilde aankomen, daar hij intusschen telegrafisch bericht ontvangen heeft, dat eene zijner kinderen ziek is, besluit des middags alleen verder te reizen. Na de Almuerzo (koffiedrinken) gebruikt te hebben, wordt afscheid genomen van Cosman; ik heb dus volop gelegenheid volkomen uit te rusten van de vermoeienissen waaraan ik nog niet gewend was. De wind strijkt hier met alle kracht over de Planada, en ik kan genieten van het omliggende landschap met zijne groene vlakten, terwijl rondom de bergen dicht begroeid, in een blauwachtig waas omhuld, den gezichteinder afsnijden. Van de hitte bespeur ik hier weinig meer, terwijl het zelfs tegen den avond tamelijk frisch begint te worden. Aan de onooglijk uitziende kleine kerk schijnt verder gebouwd te worden. Op gezette tijden luidt eene bel, waarop langzamerhand alle vrouwen uit het dorp met waterkruiken en potten op het hoofd te zamen komen om den noodigen voorraad water aan te slepen, welke gebruikt moet worden om de kalk, voor het optrekken der muren aangewend, te mengen. Op deze wijze draagt een ieder, zij het dan ook niet financieel, dan toch door arbeid, bij aan de voltooiing der cathedraal! Welk eene poëtische opvatting niet waar? Dezen nacht slaap ik heerlijk, ik behoef gelukkig niet den hangmat te gebruiken, doch er is een catre (soort veldbed) voor mij opgesteld.

zondag 3 april 2016

John Cheever -- 4 april 1960

John Cheever (1912-1982) was een Amerikaanse schrijver. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands vertaald (door Frank van Dixhoorn) als Verscheurde stilte.

Een filoloog van Brown met zijn vrouw te eten. Eentje van de generatie Bazarov. Wat hij wil is met behulp van elektrische calculators de elementaire structuur van taal bepalen. Woordregisters en evocaties kunnen volgens hem door apparatuur worden bepaald, en zo is het mogelijk om machines goede poëzie te laten schrijven. Daarmee zijn we dus weer bij de ouderwetse sentimenten. Ik denk aan mijn eigen gevoel voor taal, het intieme, het mysterieuze, het vermogen om met een nasale uitspraak de zeewind te suggereren die door Venetië waait, of in een harde 'A' het massief voorbij Kitzbühel. Maar dat is, volgens hem, allemaal sentimenteel gedoe. Het belang van deze machines, de drang om wetten uit te vaardigen, woorden als 'hoop' en 'moed' te calibreren, alle termen die we gebruiken voor het spirituele.

Ik loop met Federico [Cheevers zoon] op een lentedag en denk bij mezelf dat ik zal gaan wandelen met X., op zoek naar een koud meer of een buitenbad, daar een duik nemen in mijn niksie en dan mijn smerig gerief halen in zijn mollige reet. Ik leg die fantasie geen enkele beperking op, en waarom zou ik ook? X. bestaat niet. en als ik in deze tijd van het jaar bij een koud buitenbad kwam zou ik niet gaan zwemmen of de dingen doen die ik blijkbaar graag wil, maar er is in mijn hoofd blijkbaar wel degelijk ruimte, speelruimte voor onbezonnen seksuele uitspattingen die geen enkel verband houden met de feiten van het leven zoals ik ze ken. En wat me interesseert zijn de conflicten in mijn karakter, in ieders karakter, de hoge toppen en diepe dalen; in een paar minuten tijd kan ik verpletterd worden door schaamte, en even later zwem ik in een zuivere bron van eigendunk en zelfvertrouwen die opwelt als een bron in een meertje. En half slapend vraag ik me af of ik misschien last heb van een hardnekkig beeld van vrouwen, die schepsels van de ochtend, als rovers, gewapend met scherpe messen.

Virginia Woolf -- 3 april 1937

Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij. Een selectie daaruit is in twee delen gepubliceerd in de Privé domein-reeks (vertaling Joop van Helmond).

Zaterdag 3 april
Op de negenentwintigste moet ik voor de radio spreken.
Dat gaat als volgt: het kan niet neerkomen op een ambacht met woorden. Ik leg de titel gewoon naast me neer en ga het over woorden hebben: waarom die zich niet tot iets manipuleerbaars laten degraderen. Ze zeggen de waarheid: je kunt er niet iets bruikbaars van maken. Dat er eigenlijk twee talen zouden moeten zijn: een voor feiten, een voor fictie. Woorden zijn onmenselijk... verdienen geen geld - moeten met rust gelaten worden. Waarom? Om elkaar te kunnen omarmen en het ras in stand te houden. Een dood woord. Puristen en vulgaristen. Dit zijn slechts ideeën, geen fixaties. Ook ik heb ontzag voor woorden. Associaties met woorden. Juist woordgebruik brengt het afwezige gij weer terug. We kunnen met gemak nieuwe woorden maken. Plisplas: krikkrak. Maar op papier kun je ze niet gebruiken.

vrijdag 1 april 2016

Henry Matthews -- 1 april 1819

Henry Matthews (1789-1828) was een Britse rechter. Van 1817-1819 maakte hij een reis door Zuid-Europa, waarvan hij een dagboek bijhield. Dit is ook in het Nederlands vertaald.

Den 1sten April. De Garonne afgezakt naar Bourdeaux. De lengte van deze reis hangt geheel van de hoogte der rivier af. Somwijlen wordt zij in tweemaal vier en twintig uren gedaan; maar doorgaans duurt zij vier volle dagen. Men ontmoet onder weg weinig bijzonders. Er zijn zeker hier en daar eenige schilderachtige plekjes, maar zij zijn niet talrijk. Het is over het geheel eene onaangename reis: — men weet hier niets van geregeld varende beurtschepen, en de eenige vaartuigen, waarvan men zich bedient, zijn kleine, platgeboomde schuiten, zonder dek, of eenige andere beschutting tegen de afwisselingen van het weder, dan eene tent, welke de reiziger, wanneer hij er behoefte aan voelt, zich zelf moet weten aanteschaffen. Is het water laag, dan ziet men zich gedurig in gevaar, om aan den grond te raken; en men is nooit zeker, of men ter plaatse, waar men gedurende den nacht stil blijft liggen, eene goede herberg vinden zal. By aangenaam weder evenwel heeft men geen reden om zich ergens over te beklagen. Men gebruikt op de Garonne eene soort van koornmolens, die misschien met voordeel op onze rivieren zou kunnen worden ingevoerd. Het is een eenvoudig zamenstel van hout, dat te gelijk ook de woning van den Molenaar bevat, en gebouwd is op eene stevige platgeboomde boot, welke men op stroom weet vast te leggen door middel van zware ijzeren kettingen. De stroomingen zijn zeer snel, en de Garonne is aan plotselijke en sterke vloeden onderhevig; de molens echter zijn tegen dit alles bestand, en men vindt tusschen Toulouse en Bourdeaux bijkans geene strooming in de rivier zonder dezelve.

Er zijn enkele bijzonder fraaije gezigten; vooral bij den mond van de Lot, waar men de stad en het kasteel van Aiguillon voor zich ziet; en te La Réole, waar onlangs een oud Benediktijner klooster in een Hotel voor den Prefect veranderd is, hetwelk met de omliggende landstreek een zeer schoon geheel oplevert. Eerst in den avond van den vijfden dag kregen wij Bourdeaux in het gezigt. Het landschap wordt fraaijer naar gelange men de rivier verder afzakt, en de omstreken der stad zijn allerheerlijkst. Zij zelve doet zich zeer schoon voor; ik zou bijkans zeggen, niet minder schoon dan Lissabon, De rivier, die veeleer een arm van de zee schijnt te zijn, neemt hier een draai, en de stad vormt met hare kaaijen op den linker oever eene prachtige halve maan, waarvan men den ganschen omtrek met een enkelen oogopslag overziet. De regter oever is rijk bebouwd; vol wouden, wijngaarden en landhoeven. De bogen van eene steenen brug zijn voltooid, en het bovenwerk zal binnen kort gereed zijn. Het geheel zal eene overheerlijke werking doen. De uitvoering van dit plan, aan welker mogelijkheid men lang getwijfeld heeft, is eene schitterende proef van het vernuft en van de bekwaamheid van den Bouwmeester.

Zoodanig is het gezigt op Bourdeaux. De stad zal verreweg de fraaiste van gansch Frankrijk zijn, wanneer men de nieuwe gebouwen in de voorstad van Chartron zal voltooid hebben, volgens het bestek, 't welk men van dit werk in den beginne gemaakt heeft. De Chapeau-Rouge is reeds, — en nog bestaat zij slechts voor een gedeelte , — eene der schoonste straten van Europa. Hier vindt men den Schouwburg, waarvan de voorgevel een model van schoonheid is; en de straat loopt uit op de Beurs, de kaai, en de rivier, met hare menigte van schepen. Vaartuigen van allerlei grootte kunnen tot voor Bourdeaux toe opzeilen. Onlangs heeft men voor Ferdinand van Spanje een Fregat en twee Brikken gebouwd, die tegenwoordig uitgerust worden voor de groote expeditie naar Zuid-Amerika.


Den 10den. Alles is te Bourdeaux op eene, ruime schaal aangelegd; de wandelingen zijn zeer fraai, en de openbare gebouwen talrijk en prachtig. De Hoofdkerk, gelijk met vele van de schoonste Gothische gebouwen in Frankrijk het geval is, werd door de Engelschen gebouwd, terwijl zij dit gedeelte des lands als meesters bewoonden. Men betaalt hier voor kost en inwoning iets meer dan te Toulouse. De gewone prijs van eene pension is te Bourdeaux, de kamerhuur er onder begrepen, acht francs daags.