• Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Een ruime keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands vertaald als Wilhelm II in Nederland.
Amerongen, 10juni 1920
De keizer is nu al meer dan vier weken in Doorn. De keizerin ligt sinds kort na Pinksteren in bed. Een kleine beroerte leidde tot een ernstige crisis. De keizer sprak met mij al over de dood van de keizerin. Zij is intussen weer wat opgeknapt, maar de dood is weer een stap dichterbij gekomen. Men moet er rekening mee houden dat het hart spoedig plotseling zal stilstaan. Haar lichaam zal dan, naar wens van de keizerin, worden overgebracht naar Potsdam. Eerst had men gedacht aan voorlopige bijzetting in Amerongen.
Met de keizer gaat het goed. Hij voelt zich goed in het nieuwe huis. Op de laatste dag voor mijn verlof gebeurde nog iets... karakteristieks voor de keizer! Op de 7de arriveerde graaf Moltke, die mij gedurende mijn verlof zal vervangen. Toen ik mij de volgende dag na het middageten bij de keizer wilde afmelden, zei hij: 'Nee, nog niet, u begeleidt mij vanmiddag nog naar graaf Lynden op Kasteel Sandenburg [in Langbroek, bij Doorn red.] en dan eet u 's avonds nog hier.' Toen Gontard, Berg en de dames probeerden mij vrij te krijgen, werd hij boos: 'Nee, ik zal jullie laten zien dat ik hier nog steeds de bevelen geef!' De keizer vond het simpelweg onaangenaam dat hij mij nu niet iedere dag om zich heen zou hebben. Mij deed het een beetje pijn geen begrip te vinden, nadat ik nu anderhalf jaar hier in Nederland mijn dienst heb gedaan. En wat voor een zware dienst! Gontard meende dat het toch voldoening moest geven om te merken hoe moeilijk het voor de keizer is het tijdelijk zonder mij te moeten stellen. Dus begeleidde ik de keizer naar Lynden. Toen hij daar weer vertrok, zei hij tegen de chauffeur: 'Naar Amerongen, waar ik Ilsemann bij zijn bruid zal afleveren!' 'Bravo!', zei Berg tegen de keizer. Ook ik was zeer ontroerd.
Mijn dienst in Doorn is als volgt: 's morgens ga ik met de keizer van 8 tot 9 uur in het park wandelen, daarna volgt de morgendienst samen met de keizerin. Aansluitend werk ik met de keizer in het park aan wegen, bomen en planten. Daarna volgt het voorlezen van de kranten en het middageten met de majesteiten, die zich tussen 2 en 3 uur terugtrekken. Dan rijd ik naar Amerongen, waar ik met kranten en schrijverij steeds genoeg te doen heb. Om 7 uur ga ik dan weer naar Doorn, waar ik 's avonds met de majesteiten moet eten. 's Nachts blijf ik in de Daisy Cottage, later 'Villa Plön' genaamd, en dan heb ik de volgende dag de avond vrij. Een regelmatige wisseling dus; om de andere dag ben ik altijd 's avonds vrij.
vrijdag 9 juni 2017
donderdag 8 juni 2017
Robert Graves -- 9 juni 1915
• De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.
9 juni. Ik begin me te realiseren wat een geluk ik heb gehad om in de loopgraven bij Cambrin zo rustig kennis te maken met het front. We zitten nu in een akelige spits iets ten zuiden van de steenhopen, waar het aantal slachtoffers altijd hoog is. Gisteren had de compagnie zeventien slachtoffers door bommen en granaten. De frontlinie is gemiddeld maar zo'n dertig meter van de Duitsers verwijderd. Vandaag liep ik, in een gedeelte dat maar twintig meter van een bezette Duitse loopgraaf ligt, The Farmer's Boy te fluiten om de moed erin te houden, toen ik ineens een groepje over een man gebogen zag staan die op de bodem van de loopgraaf lag. Hij maakte een snurkend geluid, vermengd met een dierlijk gekreun. Aan mijn voeten lag de pet die hij op had gehad, bespat met zijn hersenen. Ik had nog nooit menselijke hersenen gezien; ik beschouwde ze op de een of andere manier als een produkt van dichterlijke fantasie. Met een zwaargewonde man kun je grapjes maken, je kunt hem ermee feliciteren dat hij nu van de ellende hier is verlost. Een dode kun je negeren. Maar zelfs een mijnwerker kan geen grapje maken dat klinkt als een grapje over een man die er drie uur over doet om te sterven, nadat het bovenste gedeelte van zijn hoofd is afgerukt door een kogel die van twintig meter afstand is afgevuurd.
Beaumont, over wie ik in de vorige brief heb verteld, is ook gesneuveld - de laatste ongedeerde overlevende van het oorspronkelijke bataljon, afgezien van de mannen in de bevoorradingsploegen. Zijn benen zaten tegen zijn rug. Iedereen liep kwaad te vloeken, maar toen kwam er een genie-officier aanlopen die tegen me zei dat hij een tunnel tot onder de Duitse frontlinie had gegraven, en dat dit het geschikte moment was als mijn mannen wat granaten wilden gooien. Daarop liet hij de mijn ontploffen - het was geen grote, zei hij, maar hij maakte een geweldig lawaai en we werden met modderkluiten overdekt. We wachtten een paar tellen tot de andere Duitsers kwamen aanrennen om de gewonden te helpen, en gooiden toen alle granaten die we hadden.
Beaumont had me nog verteld dat hij na de voorstelling bij de Rue du Bois voor vijf pond aan francs had gewonnen in de sweepstake: een sweepstake van het soort dat geen bitterheid veroorzaakt. Voor een voorstelling verzamelen de soldaten van het peloton al hun geld in een gemeenschappelijke pot die naderhand door de overlevenden wordt verdeeld. De gesneuvelden kunnen niet klagen, de gewonden zouden veel meer dan dat hebben gegeven om er zo af te komen en de niet-gewonden beschouwen het geld als een troostprijs voor het feit dat ze hier nog steeds zitten.
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.
9 juni. Ik begin me te realiseren wat een geluk ik heb gehad om in de loopgraven bij Cambrin zo rustig kennis te maken met het front. We zitten nu in een akelige spits iets ten zuiden van de steenhopen, waar het aantal slachtoffers altijd hoog is. Gisteren had de compagnie zeventien slachtoffers door bommen en granaten. De frontlinie is gemiddeld maar zo'n dertig meter van de Duitsers verwijderd. Vandaag liep ik, in een gedeelte dat maar twintig meter van een bezette Duitse loopgraaf ligt, The Farmer's Boy te fluiten om de moed erin te houden, toen ik ineens een groepje over een man gebogen zag staan die op de bodem van de loopgraaf lag. Hij maakte een snurkend geluid, vermengd met een dierlijk gekreun. Aan mijn voeten lag de pet die hij op had gehad, bespat met zijn hersenen. Ik had nog nooit menselijke hersenen gezien; ik beschouwde ze op de een of andere manier als een produkt van dichterlijke fantasie. Met een zwaargewonde man kun je grapjes maken, je kunt hem ermee feliciteren dat hij nu van de ellende hier is verlost. Een dode kun je negeren. Maar zelfs een mijnwerker kan geen grapje maken dat klinkt als een grapje over een man die er drie uur over doet om te sterven, nadat het bovenste gedeelte van zijn hoofd is afgerukt door een kogel die van twintig meter afstand is afgevuurd.
Beaumont, over wie ik in de vorige brief heb verteld, is ook gesneuveld - de laatste ongedeerde overlevende van het oorspronkelijke bataljon, afgezien van de mannen in de bevoorradingsploegen. Zijn benen zaten tegen zijn rug. Iedereen liep kwaad te vloeken, maar toen kwam er een genie-officier aanlopen die tegen me zei dat hij een tunnel tot onder de Duitse frontlinie had gegraven, en dat dit het geschikte moment was als mijn mannen wat granaten wilden gooien. Daarop liet hij de mijn ontploffen - het was geen grote, zei hij, maar hij maakte een geweldig lawaai en we werden met modderkluiten overdekt. We wachtten een paar tellen tot de andere Duitsers kwamen aanrennen om de gewonden te helpen, en gooiden toen alle granaten die we hadden.
Beaumont had me nog verteld dat hij na de voorstelling bij de Rue du Bois voor vijf pond aan francs had gewonnen in de sweepstake: een sweepstake van het soort dat geen bitterheid veroorzaakt. Voor een voorstelling verzamelen de soldaten van het peloton al hun geld in een gemeenschappelijke pot die naderhand door de overlevenden wordt verdeeld. De gesneuvelden kunnen niet klagen, de gewonden zouden veel meer dan dat hebben gegeven om er zo af te komen en de niet-gewonden beschouwen het geld als een troostprijs voor het feit dat ze hier nog steeds zitten.
woensdag 7 juni 2017
A. Vink -- 8 juni 1940
• Dagboek van sergeant A. Vink, groepscommandant bij 1e sectie 1-II-8 R.I. Na de capitulatie van het Nederlandse leger werd hij als krijgsgevangene enige tijd in Duitsland tewerkgesteld.
Zaterdag 8 Juni 1940
Om half vijf worden we gewekt door de chauffeur, die ons een uur later naar de fabriek brengt. Onze bewaker is Vrijdagmorgen weggegaan en eerst om 2 uur komt er een andere bewaker. We werken van 6 - 9 uur. Van 9 uur tot half tien hebben we "Frühstück". Gedurende deze rust maak ik kennis met onze nieuwe "Wachtmann", die eens poolshoogte komt nemen. Om half tien gaat het werk weer door tot half twee, dan is het "Feierabend".
Deze morgen breng ik grotendeels door als "Dollmetscher". Daar ik het best de Duitse taal machtig ben en bovendien als leider van onze groep optreed, moet ik verschillende keren op zijn kantoor komen om het een en ander betreffende onze voeding enz. te bespreken en zo onze belangen te behartigen. Om kwart over elf ga ik met de trekwagen eten halen in de stad en breng dat naar ons kwartier. Ons eten in Wismar wordt door de National - Sozialistische Volksfürsorge (NSV) gekookt, een gaarkeuken voor de armen in de stad. Als hulp krijg ik een oud mannetje mee. Deze blijkt veel haast te hebben, want om half twee wil hij klaar zijn, want dan begint ook voor hem de "Feierabend". Daar we ook voor Zondag eten moeten halen, moeten we twee keer rijden. Hij wil het in één keer meenemen, wat voor ons schadelijk is, want dan krijgen we minder. Ik breng hem aan het verstand dat dat niet gaat en nu moet hij ook wel de tweede keer mee.
Als ik in het kwartier terug kom is daar ook reeds spoedig onze nieuwe bewaker. De tuniek maakt hem soldaat, maar al gauw loopt hij rond met een burgervest en een geel huisjasje. Het is een gemoedelijke Duitser tegen de 50 jaar, die zich als onze kameraad beschouwt en ook zo handelt. Hij voorziet ons in de komende dagen van alles wat we nodig hebben, huisraad, lectuur, sigaretten, enz. Als de anderen thuiskomen eten we weer. De middag besteed ik o.a. aan de was. Mijn ondergoed dat ik al drie weken heb moeten aanhouden heeft wel een goede beurt verdiend. Het knapt dan ook werkelijk op, al is het nog niet hagelwit. 's Avonds eten we weer middageten.
In verband met het warme weer heeft men ons aangeraden het eten niet tot de volgende dag te bewaren daar het eten dan misschien zuur wordt. Daar ons werk onder de term "zware arbeid" valt krijgen we extra brood.
Menu: 2 x aardappelsoep met vlees, spek,
peen en erwten
1/2 Schwarzbrot, 2 eieren, 1/2 p suiker
zout en 1 blik marmelade
Zaterdag 8 Juni 1940
Om half vijf worden we gewekt door de chauffeur, die ons een uur later naar de fabriek brengt. Onze bewaker is Vrijdagmorgen weggegaan en eerst om 2 uur komt er een andere bewaker. We werken van 6 - 9 uur. Van 9 uur tot half tien hebben we "Frühstück". Gedurende deze rust maak ik kennis met onze nieuwe "Wachtmann", die eens poolshoogte komt nemen. Om half tien gaat het werk weer door tot half twee, dan is het "Feierabend".
Deze morgen breng ik grotendeels door als "Dollmetscher". Daar ik het best de Duitse taal machtig ben en bovendien als leider van onze groep optreed, moet ik verschillende keren op zijn kantoor komen om het een en ander betreffende onze voeding enz. te bespreken en zo onze belangen te behartigen. Om kwart over elf ga ik met de trekwagen eten halen in de stad en breng dat naar ons kwartier. Ons eten in Wismar wordt door de National - Sozialistische Volksfürsorge (NSV) gekookt, een gaarkeuken voor de armen in de stad. Als hulp krijg ik een oud mannetje mee. Deze blijkt veel haast te hebben, want om half twee wil hij klaar zijn, want dan begint ook voor hem de "Feierabend". Daar we ook voor Zondag eten moeten halen, moeten we twee keer rijden. Hij wil het in één keer meenemen, wat voor ons schadelijk is, want dan krijgen we minder. Ik breng hem aan het verstand dat dat niet gaat en nu moet hij ook wel de tweede keer mee.
Als ik in het kwartier terug kom is daar ook reeds spoedig onze nieuwe bewaker. De tuniek maakt hem soldaat, maar al gauw loopt hij rond met een burgervest en een geel huisjasje. Het is een gemoedelijke Duitser tegen de 50 jaar, die zich als onze kameraad beschouwt en ook zo handelt. Hij voorziet ons in de komende dagen van alles wat we nodig hebben, huisraad, lectuur, sigaretten, enz. Als de anderen thuiskomen eten we weer. De middag besteed ik o.a. aan de was. Mijn ondergoed dat ik al drie weken heb moeten aanhouden heeft wel een goede beurt verdiend. Het knapt dan ook werkelijk op, al is het nog niet hagelwit. 's Avonds eten we weer middageten.
In verband met het warme weer heeft men ons aangeraden het eten niet tot de volgende dag te bewaren daar het eten dan misschien zuur wordt. Daar ons werk onder de term "zware arbeid" valt krijgen we extra brood.
Menu: 2 x aardappelsoep met vlees, spek,
peen en erwten
1/2 Schwarzbrot, 2 eieren, 1/2 p suiker
zout en 1 blik marmelade
dinsdag 6 juni 2017
Charles Burney -- 7 juni 1770
• Charles Burney (1726-1814) was een Engelse muziekhistoricus en componist. In 1770 maakte hij een studiereis naar het vasteland. Zijn reisjournaal is in het Nederlands vertaald (door Sas en Lucas Bunge) onder de titel Een posthoorn vol muziek.
Op donderdag 7 juni 1770 voer ik met een flinke bries naar Calais. Het enige normale incident was dat ik tijdens de overtocht onverdraaglijk zeeziek werd, iets dat mij bij iedere reis naar Frankrijk steevast berooft van het genoegen halverwege de twee landen de kustlijn van allebei te zien. Met een goede telescoop gewapend kan men zich dan een mening vormen over de hypothese dat ons Eiland ooit een deel van het continent zou hebben uitgemaakt alvorens een aardbeving of soortgelijke natuurramp het daarvan losscheurde, een gedachte die me wel zeer waarschijnlijk voorkomt. Stenen, bodemgesteldheid, planten en de algemene indruk van het landschap vertonen veel overeenkomst. Laat ik mij echter bij mijn onderwerp houden en het probleem aanbevelen in de aandacht van natuuronderzoekers die op dit terrein thuis zijn en over de nodige kennis van zaken beschikken om een zo duistere en belangwekkende zaak nader te doorvorsen.
Niet minder treffen mij bij iedere reis opnieuw bepaalde tegenstellingen in voorkomen, zeden, gebruiken en taal tussen de bewoners van dit land en die van Engeland van wie zij door niet meer dan een paar luttele mijlen gescheiden zijn. Het verschil in pigment is altijd weer een reden tot verbazing. De Engelsen in Dover zijn even blond als die in andere delen van het Koninkrijk, uitzonderingen daargelaten. De Fransen in Calais daarentegen zijn net zo gebruind en hebben even donker haar als hun landgenoten In de Provence of een andere hoek van dit uitgestrekte land. Vreemd is ook het contrast tussen de eenvoud van kleding en een beter soort zwijgzaamheid aan de ene zijde van het Kanaal en de opschik, de spraakzaamheid, de hoofsheid aan de andere; de hygiëne van de gemiddelde Brit en het gebrek daaraan bij de Fransen.
Helaas, het tempo van mijn reis ligt nu eenmaal te hoog om mij in algemeenheden te vermeien. Mensen zoals ik, die als trekvogels over een koninkrijk vliegen, kunnen zich dat niet veroorloven: ze zien alleen een panorama. Ik zal dan ook uitsluitend melding maken van omstandigheden en feiten waarvan ik persoonlijk en met eigen ogen kennis heb kunnen nemen.
In Calais gaf het ceremonieel van de douane reeds een voorproefje van zelfingenomenheid gemengd met gebrek aan houding: de commies troonde achter zijn bureel in een fluwelen costuum met het air en uiterlijk van een heer-van-stand. Na mijn paspoort getekend te hebben, antwoordde hij op de vraag wat ik hem schuldig was: 'Ah, Monsieur! Ce n'est que la politesse', maar toen ik hem vierentwintig sous gaf, het equivalent van een shilling, begonnen zijn ogen te glinsteren en keek hij even vergenoegd als een man in zo'n pak bij ons wanneer men hem een positie aan het hof zou aanbieden, of een heel regiment.
Aangezien ik bij de voornaamste herberg geen reisgenoot kon vinden met bestemming Parijs, huurde ik zelf een koets tot Lille en vertrok diezelfde avond nog naar St. Omer, een traject van ongeveer dertig mijl. Bij aankomst bleek de stadspoort gesloten te zijn en ik moest onderdak zoeken in een ellendig huis buiten de wallen waar ik, na mijn zeeziekte en totale verpietering, niets anders te eten kon krijgen dan wat muffe makreel, sla met ranzige olie en een omelet van rotte eieren. Nergens was vlees te krijgen. Kamer en bed van dezelfde aard als het eten. De wijn zuur, het geheel oncomfortabel. Hoe het ook zij, de mensen waren beleefd en ik was besloten mijn humeur te bewaren; dus bleven we vriendelijk voor elkaar. Uit vrees voor wandluizen en vochtig beddegoed durfde ik me niet uit te kleden, want voor zo ver ik had gezien maakte het hele huis een smerige indruk. Men beweert dikwijls dat precieze huisvrouwen zo pinnig zijn—deze was dan ook bijzonder tegemoetkomend.
Op donderdag 7 juni 1770 voer ik met een flinke bries naar Calais. Het enige normale incident was dat ik tijdens de overtocht onverdraaglijk zeeziek werd, iets dat mij bij iedere reis naar Frankrijk steevast berooft van het genoegen halverwege de twee landen de kustlijn van allebei te zien. Met een goede telescoop gewapend kan men zich dan een mening vormen over de hypothese dat ons Eiland ooit een deel van het continent zou hebben uitgemaakt alvorens een aardbeving of soortgelijke natuurramp het daarvan losscheurde, een gedachte die me wel zeer waarschijnlijk voorkomt. Stenen, bodemgesteldheid, planten en de algemene indruk van het landschap vertonen veel overeenkomst. Laat ik mij echter bij mijn onderwerp houden en het probleem aanbevelen in de aandacht van natuuronderzoekers die op dit terrein thuis zijn en over de nodige kennis van zaken beschikken om een zo duistere en belangwekkende zaak nader te doorvorsen.
Niet minder treffen mij bij iedere reis opnieuw bepaalde tegenstellingen in voorkomen, zeden, gebruiken en taal tussen de bewoners van dit land en die van Engeland van wie zij door niet meer dan een paar luttele mijlen gescheiden zijn. Het verschil in pigment is altijd weer een reden tot verbazing. De Engelsen in Dover zijn even blond als die in andere delen van het Koninkrijk, uitzonderingen daargelaten. De Fransen in Calais daarentegen zijn net zo gebruind en hebben even donker haar als hun landgenoten In de Provence of een andere hoek van dit uitgestrekte land. Vreemd is ook het contrast tussen de eenvoud van kleding en een beter soort zwijgzaamheid aan de ene zijde van het Kanaal en de opschik, de spraakzaamheid, de hoofsheid aan de andere; de hygiëne van de gemiddelde Brit en het gebrek daaraan bij de Fransen.
Helaas, het tempo van mijn reis ligt nu eenmaal te hoog om mij in algemeenheden te vermeien. Mensen zoals ik, die als trekvogels over een koninkrijk vliegen, kunnen zich dat niet veroorloven: ze zien alleen een panorama. Ik zal dan ook uitsluitend melding maken van omstandigheden en feiten waarvan ik persoonlijk en met eigen ogen kennis heb kunnen nemen.
In Calais gaf het ceremonieel van de douane reeds een voorproefje van zelfingenomenheid gemengd met gebrek aan houding: de commies troonde achter zijn bureel in een fluwelen costuum met het air en uiterlijk van een heer-van-stand. Na mijn paspoort getekend te hebben, antwoordde hij op de vraag wat ik hem schuldig was: 'Ah, Monsieur! Ce n'est que la politesse', maar toen ik hem vierentwintig sous gaf, het equivalent van een shilling, begonnen zijn ogen te glinsteren en keek hij even vergenoegd als een man in zo'n pak bij ons wanneer men hem een positie aan het hof zou aanbieden, of een heel regiment.
Aangezien ik bij de voornaamste herberg geen reisgenoot kon vinden met bestemming Parijs, huurde ik zelf een koets tot Lille en vertrok diezelfde avond nog naar St. Omer, een traject van ongeveer dertig mijl. Bij aankomst bleek de stadspoort gesloten te zijn en ik moest onderdak zoeken in een ellendig huis buiten de wallen waar ik, na mijn zeeziekte en totale verpietering, niets anders te eten kon krijgen dan wat muffe makreel, sla met ranzige olie en een omelet van rotte eieren. Nergens was vlees te krijgen. Kamer en bed van dezelfde aard als het eten. De wijn zuur, het geheel oncomfortabel. Hoe het ook zij, de mensen waren beleefd en ik was besloten mijn humeur te bewaren; dus bleven we vriendelijk voor elkaar. Uit vrees voor wandluizen en vochtig beddegoed durfde ik me niet uit te kleden, want voor zo ver ik had gezien maakte het hele huis een smerige indruk. Men beweert dikwijls dat precieze huisvrouwen zo pinnig zijn—deze was dan ook bijzonder tegemoetkomend.
zondag 4 juni 2017
David ben Goerion -- 5 juni 1967
• David ben Goerion (1886-1973) was een van de stichters van Israël en de eerste premier van dat land. Voor en tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 hield hij een dagboek bij.
5 June 1967 (Monday)
— Hostilities began this morning with our air strike in the south. There was also an assault on Khan Yunis and Rafiah [cities in the Gaza Strip]. I’m convinced that this is a grave mistake. We should have told Washington and London that we would initiate hostilities if the Straits of Tiran were not opened. Dayan sent General .... this morning to inform me of events. He needn’t have.
— At ten-thirty, Zvi Zur [assistant to the Defense Minister] phoned. 137 Egyptian planes were damaged, 6 or 7 of ours. Moshe will soon address the nation. The Knesset meeting has been canceled. It’s planned to convene at four in the afternoon. — At a quarter to eleven, Moshe addressed the army. Egypt, Jordan, Syria, Iraq, and Kuwait are aligned against us; Algeria is also sending an army. They are many, and we are brave. He did not mention our losses or the Egyptians’, but said that our settlements in the south are under heavy artillery fire.
— At a quarter to twelve, Shimon and Yosef [Almogi] came to see me. I said to Shimon, “It’s been done. But it seems to me that they shouldn’t have attacked without first informing England and America and explaining our action.” Shimon says we did speak with them ...
— Four o’clock in the afternoon. I’ve just returned from the basement of the Air Force Headquarters. I spoke with Moshe and Zur and Yigal Yadin [appointed by Eshkol as Special Advisor on Defense Affairs], and afterwards with Motti (Hod) [Commander of the Israeli Air Force] and Ezer Weizman [Deputy Chief-of-Staff]. Victory has been won by our Air Force. We’re in a class of our own. We’ve destroyed 362 Arab planes, mostly Egyptian. We’ve knocked out almost all of the airfields in Egypt and Syria. We’ve taken Khan Yunis and Rafiah. Only the Jordanians are still fighting. Egypt and Syria are defeated. Moshe still forbids publicizing our achievements. It’s possible that we’ll inform American Intelligence this evening. I advised informing French Intelligence too. Our great victory might influence De Gaulle. The Knesset meeting scheduled for four in the afternoon was postponed until six thirty. Moshe will go over for the swearing in ceremony and return immediately. I was advised not to attend.
— We’ve lost nine or eleven planes, including a Mirage and Vauteur. The rest were Mysteres, Orans, etc. One of our pilots has fallen in Egyptian hands. Another one parachuted into Sinai and there’s hope for his recovery. It’s likely that the number of Arab casualties is somewhat exaggerated, but it can be said that their air forces have been totally wiped out ...
— Eshkol told the Knesset about “our [Rafi’s] initiative” to broaden the government; the addition of Moshe, Begin, and Sapir to the government; and especially his own “release” from the Defense Ministry ...
— At the end of the debates, we returned to Tel-Aviv and heard about other events on the front. We’ve lost 17 planes and destroyed around four hundred; we’re advancing in Sinai, and fighting is still going on in Jerusalem.
5 June 1967 (Monday)
— Hostilities began this morning with our air strike in the south. There was also an assault on Khan Yunis and Rafiah [cities in the Gaza Strip]. I’m convinced that this is a grave mistake. We should have told Washington and London that we would initiate hostilities if the Straits of Tiran were not opened. Dayan sent General .... this morning to inform me of events. He needn’t have.
— At ten-thirty, Zvi Zur [assistant to the Defense Minister] phoned. 137 Egyptian planes were damaged, 6 or 7 of ours. Moshe will soon address the nation. The Knesset meeting has been canceled. It’s planned to convene at four in the afternoon. — At a quarter to eleven, Moshe addressed the army. Egypt, Jordan, Syria, Iraq, and Kuwait are aligned against us; Algeria is also sending an army. They are many, and we are brave. He did not mention our losses or the Egyptians’, but said that our settlements in the south are under heavy artillery fire.
— At a quarter to twelve, Shimon and Yosef [Almogi] came to see me. I said to Shimon, “It’s been done. But it seems to me that they shouldn’t have attacked without first informing England and America and explaining our action.” Shimon says we did speak with them ...
— Four o’clock in the afternoon. I’ve just returned from the basement of the Air Force Headquarters. I spoke with Moshe and Zur and Yigal Yadin [appointed by Eshkol as Special Advisor on Defense Affairs], and afterwards with Motti (Hod) [Commander of the Israeli Air Force] and Ezer Weizman [Deputy Chief-of-Staff]. Victory has been won by our Air Force. We’re in a class of our own. We’ve destroyed 362 Arab planes, mostly Egyptian. We’ve knocked out almost all of the airfields in Egypt and Syria. We’ve taken Khan Yunis and Rafiah. Only the Jordanians are still fighting. Egypt and Syria are defeated. Moshe still forbids publicizing our achievements. It’s possible that we’ll inform American Intelligence this evening. I advised informing French Intelligence too. Our great victory might influence De Gaulle. The Knesset meeting scheduled for four in the afternoon was postponed until six thirty. Moshe will go over for the swearing in ceremony and return immediately. I was advised not to attend.
— We’ve lost nine or eleven planes, including a Mirage and Vauteur. The rest were Mysteres, Orans, etc. One of our pilots has fallen in Egyptian hands. Another one parachuted into Sinai and there’s hope for his recovery. It’s likely that the number of Arab casualties is somewhat exaggerated, but it can be said that their air forces have been totally wiped out ...
— Eshkol told the Knesset about “our [Rafi’s] initiative” to broaden the government; the addition of Moshe, Begin, and Sapir to the government; and especially his own “release” from the Defense Ministry ...
— At the end of the debates, we returned to Tel-Aviv and heard about other events on the front. We’ve lost 17 planes and destroyed around four hundred; we’re advancing in Sinai, and fighting is still going on in Jerusalem.
August Strindberg -- 4 juni 1896
• August Strindberg (1849-1912) was een Zweedse schrijver. Zijn autobiografische boek Inferno bevat ook 'Uittreksel uit mijn dagboek over het jaar 1896'.
4 juni. Ik breng een bezoek aan de Deense schilder in de Rue de la Santé. De grote hond is verdwenen, de ingang is vrij. We gaan eten op een terras aan de Boulevard Port-Royal. Mijn vriend heeft het koud en voelt zich niet erg behaaglijk. Omdat hij zijn jas vergeten heeft leg ik de mijne over zijn schouders. Op hetzelfde moment wordt hij rustig; hij schikt zich naar mij en ik heb de overhand. Hij durft niet meer tegen mij in te gaan en we zijn het volledig over alles eens. Hij geeft toe dat Popoffsky een schurk is en dat ik mijn tegenslagen aan hem te danken heb. Plotseling wordt hij zeer nerveus; hij zit te trillen als een medium dat onder hypnotische invloed staat, schuift onrustig op zijn stoel heen en weer, gooit mijn jas af, kan niet meer eten, legt zijn vork neer, staat op, geeft me mijn jas terug en neemt afscheid.
Wat zou dit betekenen? De mantel van Nessus? Had de tegengestelde polariteit van mijn fluïdum, dat zich in de stof van de jas opgezameld had, hem aan mij onderworpen?
Is dit niet waar Ezechiël op duidt in hoofdstuk 13, vers 18: “Zo zegt de Here, Here: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen… Daarom, zo zegt de Here, Here: zie, ik keer Mij tegen uw toverbanden, waarmee gij de zielen als vogels vangt, Ik zal ze van uw armen rukken, en de zielen vrijlaten, die gij als vogels vangt.”
Ben ik dan misschien een tovenaar geworden zonder het zelf te weten?
4 juni. Ik breng een bezoek aan de Deense schilder in de Rue de la Santé. De grote hond is verdwenen, de ingang is vrij. We gaan eten op een terras aan de Boulevard Port-Royal. Mijn vriend heeft het koud en voelt zich niet erg behaaglijk. Omdat hij zijn jas vergeten heeft leg ik de mijne over zijn schouders. Op hetzelfde moment wordt hij rustig; hij schikt zich naar mij en ik heb de overhand. Hij durft niet meer tegen mij in te gaan en we zijn het volledig over alles eens. Hij geeft toe dat Popoffsky een schurk is en dat ik mijn tegenslagen aan hem te danken heb. Plotseling wordt hij zeer nerveus; hij zit te trillen als een medium dat onder hypnotische invloed staat, schuift onrustig op zijn stoel heen en weer, gooit mijn jas af, kan niet meer eten, legt zijn vork neer, staat op, geeft me mijn jas terug en neemt afscheid.
Wat zou dit betekenen? De mantel van Nessus? Had de tegengestelde polariteit van mijn fluïdum, dat zich in de stof van de jas opgezameld had, hem aan mij onderworpen?
Is dit niet waar Ezechiël op duidt in hoofdstuk 13, vers 18: “Zo zegt de Here, Here: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen… Daarom, zo zegt de Here, Here: zie, ik keer Mij tegen uw toverbanden, waarmee gij de zielen als vogels vangt, Ik zal ze van uw armen rukken, en de zielen vrijlaten, die gij als vogels vangt.”
Ben ik dan misschien een tovenaar geworden zonder het zelf te weten?
Cola Debrot -- 3 juni 1956
• Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.
• Portret: Carel Willink
3.6.1956
- Het Franse woordenboek geeft twee vertalingen voor ‘fontein’: ‘la fontaine’ en ‘le jet d'eau’. Toch bestaat hiertussen een groot verschil. ‘Jet d'eau’ is een waterstraal, die slechts een onderdeel vormt van een fontein. ‘Fontein’ is waterstraal plus haar natuurlijke of kunstmatige omgeving, die zich in het bijzonder leent als zinnebeeld voor alles wat als bron van het volledige leven kan worden beschouwd. ‘Je meurs de soif auprès de la fontaine’, deze prachtige regel van Villon zou niet vervangen kunnen worden met de variatie ‘je meurs de soif auprès du jet d'eau’.
Als ik uit het raam kijk, word ik telkens weer verrast door de fontein van Genève. Het is een waterstraal, die door een installatie aan de linkeroever opgespoten wordt tot een hoogte van honderdwintig meter. Volgens de Guide Bleu zou ik te maken hebben met de hoogste ‘jet d'eau’ in geheel Europa. Ik zou mij bijna verkeerd hebben uitgedrukt en hebben gezegd, dat hij als een waaier terugvalt. Dat zou bepaald een verkeerd beeld zijn geweest. Het gebeurt wel dat een waterstraal aan beide kanten gelijkelijk ombuigt, als een waaier. Met deze ‘jet d'eau’ is dit niet het geval, hij buigt slechts naar één kant om. Hij lijkt meer op een enorme ganzeveder, het schrijfinstrument van een tot over de oren verliefde, reusachtige godin. Hij kan ook met een sluier bij een windvlaag worden vergeleken.
Het is op het ogenblik twaalf uur 's middags, de zonnestralen worden in de sluier opgevangen en vormen er een regenboog, die zich boven een kleurig waterlandschap welft. Het meer is groen met nuances van blauw. Op de boulevard krioelt het van de mensen in fleurige kleding. Op de pier van het Paquis wemelt het van zwempakken in harde elementaire kleuren. De oppervlakte van het meer is druk bevolkt met zeiljachten van verschillende lengte, met zeilen, helwit, maar ook roze, bruin en groen, en uitgerekte raderboten, die de grote lappen van Zwitserse en Franse vlaggen achter zich aanslepen. Mensen en schepen vormen centra van kleur, die zich spiraalsgewijze voortzetten in de trillingen van de lucht. Het is duidelijk een van de eerste mooie zomerdagen.
• Portret: Carel Willink
3.6.1956
- Het Franse woordenboek geeft twee vertalingen voor ‘fontein’: ‘la fontaine’ en ‘le jet d'eau’. Toch bestaat hiertussen een groot verschil. ‘Jet d'eau’ is een waterstraal, die slechts een onderdeel vormt van een fontein. ‘Fontein’ is waterstraal plus haar natuurlijke of kunstmatige omgeving, die zich in het bijzonder leent als zinnebeeld voor alles wat als bron van het volledige leven kan worden beschouwd. ‘Je meurs de soif auprès de la fontaine’, deze prachtige regel van Villon zou niet vervangen kunnen worden met de variatie ‘je meurs de soif auprès du jet d'eau’.
Als ik uit het raam kijk, word ik telkens weer verrast door de fontein van Genève. Het is een waterstraal, die door een installatie aan de linkeroever opgespoten wordt tot een hoogte van honderdwintig meter. Volgens de Guide Bleu zou ik te maken hebben met de hoogste ‘jet d'eau’ in geheel Europa. Ik zou mij bijna verkeerd hebben uitgedrukt en hebben gezegd, dat hij als een waaier terugvalt. Dat zou bepaald een verkeerd beeld zijn geweest. Het gebeurt wel dat een waterstraal aan beide kanten gelijkelijk ombuigt, als een waaier. Met deze ‘jet d'eau’ is dit niet het geval, hij buigt slechts naar één kant om. Hij lijkt meer op een enorme ganzeveder, het schrijfinstrument van een tot over de oren verliefde, reusachtige godin. Hij kan ook met een sluier bij een windvlaag worden vergeleken.
Het is op het ogenblik twaalf uur 's middags, de zonnestralen worden in de sluier opgevangen en vormen er een regenboog, die zich boven een kleurig waterlandschap welft. Het meer is groen met nuances van blauw. Op de boulevard krioelt het van de mensen in fleurige kleding. Op de pier van het Paquis wemelt het van zwempakken in harde elementaire kleuren. De oppervlakte van het meer is druk bevolkt met zeiljachten van verschillende lengte, met zeilen, helwit, maar ook roze, bruin en groen, en uitgerekte raderboten, die de grote lappen van Zwitserse en Franse vlaggen achter zich aanslepen. Mensen en schepen vormen centra van kleur, die zich spiraalsgewijze voortzetten in de trillingen van de lucht. Het is duidelijk een van de eerste mooie zomerdagen.
Abonneren op:
Posts (Atom)







