maandag 23 maart 2026

C. Buddingh' • 24 maart 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

24-3
De eerste lentedag van het jaar. Eindelijk eens zon en een blauwe hemel. En een acceptabele temperatuur. De bomen zijn nog wel bijna volkomen grauw, op een enkele treurwilg na waar een groen waas over ligt, maar de struiken staan volop in knop en overal in de tuinen zie je bossen crocussen en sneeuwklokjes (die overigens al weer op hun eind lopen). Plus het eerste geel van de forsythia's. Mijn winterjas zelfs voor m'n regenjas verwisseld; hoed en wollen sjaal nog wel op en om gehouden: men moet ook weer niet gaan overdrijven! Stientje en de jongens zijn in de eend (waar we allemaal nog zeer trots op zijn) naar de midget-golfbaan in Heerjansdam; ik was graag meegegaan maar ik heb het zo waanzinnig druk deze weken dat ik ook deze zondagmiddag naar Pictura ben gefietst. Het is er nog rustiger dan door de week: de enige geluiden die ik hoor zijn het pruttelen van de kachelvlam en af en toe het geronk van een brommer op de Voorstraat. En het kraken van mijn stoel (eigenlijk: een stoel van Otto), die ik nodig moet laten repareren of door een andere vervangen, wil ik er vandaag of morgen niet plotseling doorzakken. Aan één kant zijn beide dwarslatjes tussen de poten eruit en de rieten zitting is zó ingezakt, dat ik de ontstane kuil met een stapel kranten heb moeten opvullen. Ik zit nu op: ‘Nederlands gunstige schaatspositie. Sterke top boven een brede basis van jong talent.’ Dat moet een krant van vorig jaar zijn. Inderdaad: de Sport en Sportwereld van 22 februari 1966.

Nadat ik er, eergisteren, het ‘onbewoonde eiland’ bijgehaald had, lopen nadenken over de negen andere boeken die ik meenemen zou. Na veel gepeins en gewik en geweeg tot de volgende gekomen (waarbij ik me de vrijheid heb gegund bij elkaar horende delen voor één boek te rekenen): Shakespeare (natuurlijk), Auden en Norman Holmes Pearson: Poets of the English Language (5 dln; dit is geloof ik het boek dat ik meenemen zou als ik mijn keuze tot één enkel boek moest beperken), Hazlitt: Selected Essays (The Nonesuch Hazlitt), Tsjechow: Verhalen (dat houdt dus in de eerste vijf delen van de Van Oorschoteditie), Apollinaire: Oeuvres Complètes (de Pléiade-uitgave, ook al vind ik de posthuum gepubliceerde verzen bepaald minder dan Alcools en Calligrammes), Lucebert: Gedichten 1948-1963, Tartakower en Du Mont: 500 Master Games of Chess (+ een schaakbord en stukken), Boswell's Life of Samuel Johnson en tenslotte Kafka's Tagebücher. Het zal aardig zijn om over een jaar, of twee jaar, nog eens zo'n keuze te maken en te kijken of die dan verschilt van deze en waar.

Vorige week hoorde ik van Fluks (van Nilsson en Lamm), dat ze, sinds ze in Engeland met een computer werken voor de facturering, alle Penguins zes weken later in huis krijgen dan voor die tijd. Ach ja: de techniek is ongetwijfeld iets moois. Maar men moet er zich ook weer niet op verkijken.

Even een glas sinaasappelsap ingeschonken, wat ik overdag graag drink, maar 's avonds niet of nauwelijks door mijn keel kan krijgen. Ik vraag me af welke processen in ons lichaam voor dergelijke sterke schommelingen in onze smaak verantwoordelijk zijn. En of er wel eens een onderzoek naar is ingesteld.

Gisterochtend lag er in mijn bus een catalogus van een Amsterdams antiquariaat, over ‘Nederlandse Letteren, Erotica en Nederlandse Schilderkunst.’ Moet me ongetwijfeld zijn toegestuurd omdat ik in de al in Tirade gepubliceerde dagbladnotities het tweede van de drie onderwerpen af en toe ter sprake heb gebracht, in de veronderstelling, althans de hoop, dat daar in Dordt een potentiële koper van erotica zat. Helaas voor hen: ze vergissen zich. D.w.z. natuurlijk ben ik wel in pornografie geïnteresseerd, maar niet meer (eerder minder zelfs) dan in boeken over cricket of schaken. En dan toch wel in de eerste plaats als literair genre. De vele boeken over zedengeschiedenis bijv. die in de catalogus prijken: Sittengeschichte des Orients, Darstellungen aus der Sittengeschichte Roms in der Zeit von August bis zur Ausgang der Antonine, Liebe und Ehe in Griechenland II en Sittengeschichte des Proletariats, boezemen mij maar heel weinig belang in: dat geloof ik bij voorbaat wel. Ook erotische prentkunst kan me niet erg veel schelen: ik zou het best aardig vinden om een goede collectie eens een keer door te kijken (zou misschien nog informatief zijn), maar om er vele honderden of zelfs duizenden guldens voor neer te tellen, in evenzovele honderden en duizenden jaren nog niet. Wat ik wel zou kopen, als ik geld in overvloed had, is een eerste druk van Multatuli's Max Havelaar. Of (nog liever) een eerste druk van Piet Paaltjens' Snikken en Grimlachjes (beide in de catalogus vermeld, en niet eens zo erg duur, resp. f 100 en f 85, valt mij erg mee). Dat lijkt me nu leuk, om die te bezitten in de vorm waarin de toen nog niets vermoedende wereld er voor de eerste maal mee kennis gemaakt heeft. Maar eigenlijk staat er maar één item in deze hele catalogus, dat mij echt de keel afbijt: Du Perrons Boozige Boekje. Maar daar vragen ze maar eventjes 200 gulden voor. Overigens blijkt ook uit deze lijsten weer, dat je je geld slechter beleggen kunt dan in Nederlandse letteren. Zo vragen ze voor een le druk van Hoorniks Geboorte f 30. (Tenzij ik me heel erg vergis, moet ik het ergens hebben staan). En voor Du Perrons Blocnote klein formaat maar twee kwartjes minder. (Deed ik nog niet voor het zesvoudige weg). Maar het aardigste vind ik nog, dat Van Ostayens De Bende van de Stronk f 22.50 moet opbrengen. Ik heb er, kort voor de oorlog, op de markt in Dordt precies één kwartje voor betaald.

Ik ben een typische sherry-drinker, maar alleen omdat ik geen geld heb om een whisky-drinker te zijn. Zoals ook Mac Baren's Mixture alleen mijn lijftabak is, omdat ik Balkan Sobranie niet kan bekostigen.

Bij de nieuwe bundel van Judith Herzberg: Beemdgras (overigens een zeer ongelukkig gekozen titel): haar beste verzen zijn zo goed, omdat ze volmaakt doorzichtig zijn en toch een heleboel verbergen. Als een mens eenmaal een lijstje maakt, wil hij ook lijstjes blijven maken, het schijnt een soort kriebel in zijn bloed te zijn. Ik heb getracht er weerstand aan te bieden, maar desondanks toch gisteren een groot deel van de avond bezig geweest met piekeren over de tien boeken die ik het liefst zou willen lezen van alle boeken die ik nog niet ken. Tot het volgende resultaat gekomen: Charles [lees verder op 25 maart]

zondag 22 maart 2026

Wim Kan • 23 maart 1981

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de DBNL.

Maandag 23 maart 21.00 uur. Wildwal
Telefoon: Ru! Ziek! Heeft voor de derde maal geen stem en moeilijkheden met slikken. Bang voor longontsteking. Ik verbood hem naar Apeldoorn te komen, waar om half twee vanmiddag de generale repetitie zou plaatsvinden. Paniek bij meneer Van Liempt. Wij stonden zelf om 14.15 uur voor Orpheus: Harry Wich, Frans, Johan. Meneer Van Liempt: allemaal nog druk bezig. Niemand had Ru of ons nog gemist. Welkomstbloemen van Orpheus in de kleedkamer. Prima werksfeer. Prima directeur Stans van wie alles kon en alles mocht. Om ongeveer half vier stonden Ol en ik op de anderhalve meter hoge praktikabel te zingen: ‘Want samen zijn wij 150 lentes oud’. Klaar voor het changement van ‘Silhouetten’ naar zichtbare figuren. Op tijd trokken ze het witte silhouettendoek omhoog. Dat bleef haken aan de onderkant van de praktikabel en voor iemand begreep wat er precies gebeurde, viel Ol achterover van het podium, op haar rug!!! Ik probeerde haar nog te grijpen, maar doordat de hele praktikabel achterover kiepte, vielen wij allebei en had ik geen schijn van kans. Einde van de voorstelling flitste het door mij heen, einde van onze carrière. In zestig seconden ongeveer stond al wat in de schouwburg werkte om ons heen. Ik denk niet dat ik dit beeld van Ol in feestjurk met feesthoed op haar rug op de grond liggend ooit zal vergeten. Binnen vijf minuten begreep ik wel dat ze niets gebroken had in elk geval. Ol weer als een rubberpoppetje en niet de bijna tachtigjarige vrouw met een gebroken heup. Stuitje bezeerd, spierpijn. Een kwartier later stonden wij weer samen op diezelfde praktikabel... ‘want samen zijn wij 150 lentes oud’... te zingen en de generale repetitie zonder Ru ging ‘rustig’ verder.

J.H. Leopold • 22 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

22 Maart.
Vandaag hebben we 's morgens het Palazzo Vecchio bezocht. Hier vonden we weer de oude pracht, ruime zalen, fresco's, gobelins, schilderijen en dezelfde groote afmetingen, eentonig om er weer over uit te weiden, en voorts historische merkwaardigheden, uitvoeriger in Baedeker geboekt. Maar van het bezoeken van al deze gebouwen blijft ten eenent een indruk van groothartige, milde pracht, ten anderen het bewustzijn van de grootheid van het geslacht der Medici, en een eerbied voor dit huis.
Wat trof met nieuwen indruk was de zaal der Lelies. Hier was de zoldering met ongeziene pracht getooid, zwaar vergulde en gesneden caissons getooid met de lelie, het wapen van Florence. En ook van de muren hingen behangen met lelies bedekt. En in deze oude zaal stond een nieuwe versiering; honderden bontkleurige bandelieren en standaarden hingen aan den wand, of stonden in rekken in het ronde. En in het midden stond de blinkend witte, marmeren buste van ‘il divino poeta’. Een treffend gezicht; want daar stond de dichter, een mager fijn gezicht en om den mond waren de wangen ingevallen, als door verdriet of diep nadenken, en om hem heen, om den reinen, strengen, man als neigend voor het goddelijk vernuft, de bonte schaar, die de oogen streelde, goud, purper, de eerbewijzen van alle steden, alle vereenigingen van geheel Italië. Werd ooit een koning omwuifd door meer zege-trofeeën als de dichter, ingesloten door de zegeteekenen van al de verten die zijn geest bedwong?
Dan zagen wij nog vele dingen, een kerk, Santa Maria Novella, met fresco's, en 's middags het Karthuizerklooster, gelegen op een der vruchtbare, wel beplante heuvels ten zuiden van Florence, waar ons een broeder der orde, een dik welvarend heerschap met een stomp, vadzig uiterlijk rondleidde. Hier en daar een wijd uitzicht over de gezegende, rijk begroeide heuvelen en de dalen en wegen, waarlangs voetgangers gingen en karren en rijtuigen voorbij hotsten naar de groote stad achter gindsche heuvelen.
's Middags kreeg ik nog een brief van huis en terwijl ik die dadelijk open brak, en op straat voortgaande, gretig doorlas, moest ik lachen, hoe ik, in deze stad, te midden van de paleizen, de gezichten, die men mij zeker zoo benijdde, geheel weer was in 't oude binnenhuis, bij de oude bekende gezichten en menschen.

Ronald Westerbeek • 21 maart 1998

Ronald Westerbeek (1970) is schrijver, voorganger en theoloog. Rond het verschijnen van zijn boek Kaj en de kunst van het Eendenonderhoud hield hij een dagboek bij. 

Zaterdag 21 maart
De laatste signeersessie en ik heb er geen zin meer in. Wéér een boekhandelaar die er zijn verbazing over zal uitspreken dat het vandaag zo rustig is en dat er anders op deze dag van de week veel meer mensen in de stad zijn. Boekhandel De Bron in Ede, ditmaal. Het wordt toch nog leuk, want in de regio zitten behoorlijk wat Icarus-abonnees (Wageningse studenten, vooral), onder wie enkele bekende.
Een jongen vraagt of ik het leuk vind om te signeren. Ik zeg: hoe zou jij het vinden om in een boekhandel achter een tafeltje te zitten? Als er een rijtje mensen voor je staat, is het wel leuk. De rest van de tijd doe je vooral je best niet voor paal te zitten. Je kan moeilijk HP/De Tijd gaan zitten lezen.
Voor sommige mensen schrijf ik ook een zinnetje uit het boek voorin. Om over na te denken. Zo'n zinnetje waar je makkelijk overheen leest, maar dat wel ergens naar verwijst - aan het slot bijvoorbeeld, dat Kaj zijn hoofd op een steen legt en dat er olie geplengd wordt op een steen. Dat verwijst naar Jakob te Bethel: ‘God, als u me hieruit redt, zal U mij tot een God zijn.’

woensdag 18 maart 2026

Jac van Looy • 20 maart 1886

• Uit de volledige briefwisseling van kunstenaar Willem Witsen (1860-1923). Jac van Looy (1855-1930) was een dubbeltalent: hij schreef en hij schilderde.

Beste Wim,
Gisteren ontving ik je hartelijke en prettige brief. Jongen wat ben je een Robinson Crusoë en wat ruikt je brief lekker naar bosch en heilucht. Ik zal me dat genot nog één jaar lang moeten ontzeggen, en in een vreemde atmosfeer weêr veel moeite en zorgen hebben, luchtjes te zoeken, die wat in mijn smaak vallen. O, maar reizen is heerlijk, gezond, en geeft veerkracht dat verzeker ik je. Ik ben nu 't hospitaal uit, en logeer bij de Consul, blijf hier nog een week of wat langer, om weêr geheel op verhaal te komen. Ik word langzamerhand weêr de oude onvermoeibare Koo. Ik schrijf je dit s'morgens om 8 uur, in een Café. Ik vlieg zoo vroeg uit, omdat ik gisteren avond een briefje kreeg van de Direktrice die me verzocht, mit meiner geschichtliche Stifte, een afbeelding voor haar te komen maken van een doode vrouw, die lang aan een borst ziekte heeft geleden, en aan wie zij zich gehecht heeft. Zoo heb ik dan de tasch weêr omgehangen en ga de hoogte waar het hospitaal ligt weêr beklimmen. Uit Madrid schrijf ik je een brief. Wat kunt jij anders werken dan ik, die alles zoo te hooi en te gras doen moet, maar daarom niet getreurd ... dat ook is goed. Van Cobi kreeg ik een alleraardigste brief met verhalen van kinderen, die in stoelen wagons, op reis waren naar Ewijkshoeve. Ik wou daarop niet antwoorden per briefkaart — zeg haar dat met m'n beste groeten, ook aan Coba.

Verder een hand van
je oude
vLooy.

Genua. 20 Maart 1886

Nico Keuning • 19 maart 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl. Fragmenten daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Vrijdag 19 maart
Van Wim Sanders kopieën ontvangen van zijn interview met Bob den Uyl dat ik met rode oortjes las. Goed dat de jonge Sanders in zijn enthousiasme alles van dat interview heeft opgeschreven. Geweldig dat Den Uyl zich in dit niet-officiële interview zo onbevangen uitspreekt over zijn angsten. Verbazingwekkend hoezeer sommige absurdistische en surrealistische verhalen van Den Uyl leunen op de werkelijkheid. Uit bovengenoemd interview blijkt dat hij tijdens een psychotherapie om van zijn stotteren af te komen (‘Nou, ik stotterde niet, maar ik bleef wel eens haken op een woord, of nee, hoe heet dat, hangen op een woord.’) een angstaanval kreeg. Hij is er zes weken ziek van geweest. Er kwam nog een hartkloppingaanval bij: ‘Het was geen hartkwaal, maar het was... ja, dat kun je niet beschrijven eigenlijk, een enorme angst voor niks. Nou goed, dat heeft zich nog jarenlang voortgesleept. Ik heb allerlei angsttoestanden gehad en dat waren jaren van ellende enzo, dat ik zo'n beetje met iedereen het contact verloor.’
Den Uyl heeft er ook in zijn dagboekaantekeningen 1963/64 over geschreven, waarvan het typoscript zich in de nalatenschap bevindt. Gefundenes Fressen voor een biograaf.
Een verhaal als ‘Het jongetje met het waterhoofd’ uit Vogels kijken, en ‘Brekend glas’ uit Een zachte fluittoon waarin de hoofdpersoon straatvrees heeft, krijgen tegen deze achtergrond een veel diepere, indringender betekenis.
Angst, drank en vrouwen. Zijn belangrijke thema's. In die volgorde.

dinsdag 17 maart 2026

Willem Frederik Hermans • 18 maart 1993

• Het Boekenweekgeschenk 1993 was van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hij schreef over e.e.a. in de WFH-Verzamelkrant.

WFH's Boekenweek van dag tot dag. Deel 1 hier.

donderdag 11 maart
Diverse boekhandels hebben etalages gewijd aan WFH. Lankamp & Brinkman in Amsterdam stelt de kop van WFH tentoon die is gemaakt door Sylvia Willink-Quiël.
Tonnie Luiken van de WFH-verzamelkrant richt een etalage in bij de Athenaeum Boekwinkel. Daar ligt ook een potloodje van WFH tentoongesteld dat door Avenue wordt geveild ten bate van het Letterkundig Museum.
In talrijke boekwinkels in het land staat de speciale door WFH's uitgevers De Bezige Bij, G.A. van Oorschot en De Harmonie geleverde display met zijn boeken opgesteld. Deze bevat onder andere een kleine brochure geschreven door Frans A. Janssen. De CPNB heeft daarnaast twee speciale affiches laten verspreiden.
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in Trouw. Tom van Deel: ‘Een echte Hermans.’

vrijdag 12 maart
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in de Volkskrant en NRC Handelsblad. Arnold Heumakers: ‘Ik ben de CPNB dankbaar.’ Reinjan Mulder: ‘Klein meesterwerkje.’

zaterdag 13 maart
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in Het Parool. Theodor Holman: ‘Meesterwerk.’

zondag 14 maart
De helft van Nederland leest het Boekenweekgeschenk.

maandag 15 maart
De andere helft van Nederland leest het Boekenweekgeschenk.

dinsdag 16 maart
Overal in het land zijn er literaire manifestaties en signeersessies. WFH neemt aan geen enkele activiteit deel.

woensdag 17 maart
Naar aanleiding van het boekje Slechte kritieken gaan nooit verloren, goede ook niet, sinds kort gaat Peter Nijssen in Vrij Nederland in op het vertrek van WFH bij NRC Handelsblad. Kunstchef Lien Heyting in VN: ‘Er waren drie redenen om Hermans' stuk tegen Kets-Vree te weigeren. Die heb ik Hermans allerminst mompelend, maar heel duidelijk en erg uitvoerig uit de doeken gedaan. [...] Feit is dat Hermans dat stuk ongevraagd heeft toegestuurd, terwijl normaal gesproken alle plannen voor bijdragen in overleg worden geschreven. Maar dat was niet de reden om het te weigeren.’ Meer wil Heyting niet zeggen.

donderdag 18 maart
Geen nieuws.

vrijdag 19 maart
In de Volkskrant kraakt Battus (Hugo Brandt Corstius) de kromme zinnen in WFH's Boekenweekgeschenk. ‘Hoe moeten die twee goede zinnen in elkaar geschoven worden? Daar is een aantal manieren voor en taalgrootmeester Hermans heeft nu juist de combinatie gekozen die niet kan. Knap!’
Avenue veilt ten bate van het Letterkundig Museum het schrijfgerei van enkele schrijvers, waaronder eerdergenoemd potloodje van WFH.

zaterdag 20 maart • Einde van de Boekenweek
In het Avro tv-programma ‘Glamourland’ toont Gert-Jan Dröge beelden van het Boekenbal op 9 maart. Martin Ros (De Arbeiderspers): ‘Hermans heeft de CPNB gewoon verneukt! Hij had het manuscript van het Boekenweekgeschenk in een la liggen!’

maandag 22 maart
NRC Handelsblad meldt dat de belangstelling voor de Boekenweek minder was dan in 1992. Het thema van dit jaar ‘Egodocumenten’ zou een van de oorzaken zijn. Ook het Boekenweekgeschenk was minder in trek dan dat van 1992, geschreven door A.F. Th. van der Heijden.

maandag 16 maart 2026

Luuk Gruwez • 17 maart 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 17 maart 1996
Ieper, omstreeks 1915. Hier heeft Knor de eerste stille film gezien, in de openlucht. Hier heeft hij de eerste auto gezien en daarvoor zelfs de eerste fiets: ‘een tuig des duivels’, volgens de pastoor. Als knaapje had Knor glazen benen voor politieagenten. Hun kantoor was in de Lakenhallen gevestigd. Als daar een agent buiten stond, liep hij er in een wijde boog omheen en hij zocht bescherming in de rokken van zijn moeder, die hij aanbad. Ik begrijp dat ontzag en die angst voor uniformdragers. In elke man herken ik de beul. En ook ik dicht de redding aan vrouwen toe. Zelfs onder dit dak heb ik dat altijd gedaan: bij Liesje. Ik moet tot mijn zeer grote spijt vaststellen dat mannen, vooral mannen in mijn leven mijn idolen zijn geweest. Een enkele keer waren zij ook onderwerp van mijn haat. Er is nauwelijks één vrouw die mijn idool is geweest, maar van vrouwen heb ik altijd gehouden. Ik verwelkom in hen de betere helft van de mensheid. Zoals mijn grootvader hier elke dag zit te sidderen voor zijn nakende einde, kan het niet anders of hij stelt zich ook de dood in uniform voor. Knor en ik: allebei zijn wij bange jongetjes gebleven.

zondag 15 maart 2026

Lizzy van Dorp • 16 maart 1900

Lizzy van Dorp (1872-1945) was de eerste vrouwelijke rechtenstudent van Nederland, later econome en politica. Haar studentendagboek staat hier online.

Eerste reis naar Parijs. Veel genoten, maar ik houd niet van Parijs. 't Is vies, een rommel, onecht. De Franse geest is mij vreemd. Er is niets [?] in, alles nageaapt. Wel mooi soms, maar 't mooiste eigenlijk, de schilderijen, die ze van ons en de Italianen gestolen hebben. [Dan volgt een opsomming van de toeristische hoogtepunten, zoals een bezoek aan het Paleis van Versailles; Van Dorp vindt het paleis vervelend, net als de tuinen.]

Winter. Verging onder gestadig werken . Een nieuwe professor, Visser, heel knap , en heel laag bij de grond en heel vervelend! Prof. Drucker afgetreden als prof. omdat hij lid van de [Tweede] Kamer is en - wel eens minister worden zal. - gaf als privaatdocent heel prettige colleges. Verder Oppenheim, als altijd genoeglijk, en Van der Hoeven - veel diners - meest vervelend. Eind januari van 17-22 was ik pleegmoeder van de kinderen Veit, We hadden 'r erg genoeglijk, sedert is het dikke vriendschap. De ouders brachten me uit Parijs mijn Gioconda [Mona Lisa] mee in kooldruk - heerlijk!
De onzalige oorlog van Engeland tegen Transvaal begon 10 okt. In het begin hoopten we allen het beste, nu (1900) begint ieder te wanhopen - ik nog niet. Als ze de guerrilla maar volhouden, kan Engeland 't niet uithouden. Hoe schandelijk Engelands hele houding is, alle bladen staan er vol van. Heel Europa staat aan de zijde van de Boeren. Maar de regeringen houden alles tegen . Wat hebben we aan 't nieuwe regiem, de zogenaamde democratie?
Wanhopige wereld. Alle recht met voeten getreden. God, God, is dat vooruitgang? Veel kunst genoten van 't winter. O.a. een Bosboomtentoonstelling en een Hoytema dito . Ik heb zo graag 't werk van één. Men heeft dan een geheel iets levends voor zich.
Goddelijk schaatsen gereden op de Kaag. 't Prachtigste ijs. Echt Hollands; hele dorpen op 't ijs en overal kraampjes. Nu eerst begrijp ik die oud Hollandse ijsgezichtjes, Schelfthout en anderen.
Op prof. Tieles verjaardag werd ik op een intiem dineetje gevraagd, grote eer. Marie Krantz kwam met Kerstmis Hoyer presenteren . Hij viel erg in de smaak. Er kwam een meisjesstudentenclub tot stand, waar ik per se praeses van moest worden, evenals van de afdeling Leiden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.

17 maart. Zaterdag. Een interessante tentoonstelling van Van Gogh. Jammer, jammer, dat die man zo jong gestorven is, en niet de tijd heeft gehad, op een andere manier uit te drukken wat er in hem leefde. Want dat was groot. Die goddelijke liefde voor licht en zon en bloei!

21 maart. Met de Vreedes naar een mooi Diligentia concert. De koningin was er, maar ze zag er lelijk uit en verveelde zich. Ze houdt niet van muziek, de arme, en moet er toch heen.

26 maart. Debating. Heel aardig. Wij meisjes zijn daar van 't winter voor 't eerst lid van.

27 maart. Een prachtlezing van Treub over socialisme. Een harde eerzuchtige man, maar een redenaar van Gods genade en klaar en helder als een Zwitserse bergbeek. Er zit Zwitsers bloed in hem.

Jan van Riebeeck • 15 maart 1654

Jan van Riebeeck (1619–1677) was een Nederlands chirurgijn en koopman in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1652 stichtte hij de eerste Europese handelspost in Zuid-Afrika. De nederzetting met Fort de Goede Hoop bij Kaap de Goede Hoop zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika. Dagboek 1652.

Omzetting in modern Nederlands onderaan.

15en do.
Noch al ongestuyme harde Z.Z. Ooste winden, met stijve valbuyen over den Taeffelbergh, ende extreme droochte.

16en, 17en ende 18en do
stille heete sonneschijn. Heden is bij resolutie goet gevonden, alle de oyen van onse schapen op 't Robben-eylandt te setten ende de rammen hier te houden, om voor de aencomende schepen te slachten, behalven 3 à 4, dieder altijt van de beste tot de voorteelinge gelaeten sullen worden, vermits doch bemercken, dat se daer seer treffelijck aerden ende beter voort setten als hier in de Taeffelvaley, daer se door 't overvloedige water veel tijts gellich ofte ongans worden, ende vrij meer versterven alsse aenteelen cunnen, behalven die ons oock dagelicx veel van 't wilt gediert, hoe nau daerop laten passen, verscheurt worden. Ende opdat sich niemant ende verstoute (gelijck sommige van de aencomende Comps schepen wel hebben derven dreygen) daer bij nacht off ontijden eenich aff te haelen, is oock verstaen 4 à 5 man aldaer te laten om wacht te houden, ende met eenen van de weynige robben aldaer vallende, oock de vellen ende traen op te gaderen. Om alle 't welcke in treyn te brengen, den bouchouder Fredrick Verburgh is gelast mede te gaen, om oock te speculeren, offer geen bequame gront is te besayen, ende een waterputh als op 't Dassen-eylant te maecken, mitsgaders een bequame loots voor 't volcq ende schaepen om 's nachts in te verschuylen, waertoe riedt ende houdt uyt bos wert bij der handt gehaelt, om ten dien eynde mede te geven.

Vertaling door ChatGPT

Heldere, warme zonneschijn.
Vandaag is bij besluit goedgevonden alle ooien van onze schapen naar Robbeneiland te brengen en de rammen hier te houden om voor de aankomende schepen te slachten, behalve drie of vier, die altijd van de beste voor de voortplanting zullen worden gehouden. Want we merken dat de schapen daar zeer goed gedijen en zich beter voortplanten dan hier in de Tafelvallei, waar zij door het overvloedige water vaak ziek of ongezond worden en er duidelijk meer sterven dan er worden geboren. Bovendien worden er hier, hoe goed we ook opletten, dagelijks veel door het wilde gedierte verscheurd.

En om te voorkomen dat iemand zich zou verstouten — zoals sommigen van de aankomende Compagniesschepen wel hebben durven dreigen — om daar ’s nachts of op ongelegen tijden schapen weg te halen, is ook besloten daar vier of vijf mannen te laten om de wacht te houden en tegelijk, van de weinige robben die daar worden gevangen, ook de huiden en de traan (robbenolie) te verzamelen.
Om dit alles in orde te brengen, is de boekhouder Fredrick Verburgh opgedragen mee te gaan, en tevens te onderzoeken of er geschikte grond is om te bezaaien en om een waterput te maken zoals op Dasseneiland, alsmede een geschikte loods voor het volk en de schapen om zich ’s nachts in te verschuilen. Daarvoor wordt alvast hout uit het bos gehaald om mee te geven voor dat doel.

Marcel Jouhandeau • 14 maart 1964

Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek

14 maart 1964
Ik denk af en toe aan onze vrienden, zij die twaalf jaar lang Céline bij ons hebben gekend, en haar behandelden als onze dochter. Van de ene dag op de andere, omdat ze bij Elise uit de gratie is, of misschien omdat ze een onge­huwde moeder werd, kent men haar niet meer.
Behalve Monsieur Kern en ik, gaat niemand haar ooit opzoeken.
Een van onze intimi, die ik mijn zoon noemde en die Céline aansprak als 'mijn zusje' heeft, ondanks het feit dat we elkaar via haar leerden kennen, het lef gehad mij tot aan de poorten van het ziekenhuis te rijden waar ze net was bevallen, zonder de moeite te nemen om mee naar binnen te komen, onder het voorwendsel van een andere afspraak.
Ik geloof dat wat in eerste instantie meespeelt de angst voor Elise is. Door samen met haar Céline links te laten liggen, vleit men haar.
In dit soort situaties, waarbij mensen in ongenade val­len, zoekt niemand het gelijk. Men is er slechts op uit de sterkste partij te vriend te houden.

* Alleen, voor de spiegel, heb ik mijzelf meer wellust ver­schaft dan met wie ook.

* Doorgaan met leven in een goede verstandhouding met mensen wier onwaardigheid en stupiditeit onomstotelijk vaststaan is niet alleen bijzonder moeilijk maar ook ver­standig. Dat is mijn lot, sinds bijna jaar en dag, iedere dag opnieuw. Als ik afstand had genomen van alle mensen die mij teleurgesteld hebben, of mij niet wisten te behagen, wat zou mijn eenzaamheid dan groot zijn!


donderdag 12 maart 2026

John H. Smith • 13 maart 1875

John Henry Smith (1848-1911) was een Amerikaanse geestelijke en politicus. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

Vertaling onderaan

Saturday, March 13, 1875 - Chasetown and Litchfield
We rested very well and we got up at 7:30 a.m. and went to Bro. J. Ashtons to breakfast. We had some ham and bread and our usual suply of warm water and sugar. At 9 a.m. we started for Litchfield where we arrived at 10 a.m., the distance is five miles. We went to Bro. J. Wright and they received us very kindly. At 11 a.m. we visited the Cathedral and spent an hour in listning to the music which was very good, the praying to us seaming to be a mockery.

Sunday, March 21, 1875 - Wolverhampton
We had a good bed and rested well and we got up at 9:30 a.m. had breakfast and walked to Priestfield and changed our clothes and then walked to Bro. Hands at Coppice. Shortly after our arrival Bro. Morris came in & we had a good shake of the hands and then went to the Temperance Hall. There was about a dozen persons present. Bro. Halliday spoke 15 minutes, I then talked 30 minutes on faith, and Bro. Morris asked the people to come in the evening and bring their friends with them. A man in the audience asked Bro. Morris how many wives he had, and Bro. Morris told him enough to leave his neighbors alone.

At 6:30 p.m. we again met, and Bro. Morris spoke 40 minutes and I 10 minutes. We had a very good attendance. After meeting we walked to Great Bridge & took train and we reached 26 Tenby St. [Birmingham] at 10:30. I received two letters from Father and 1 from sister Sarah telling me of the death of my sister Marys son John Henry Wimmer, and also that my son Don Carlos had been very sick but was a little better.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT

Zaterdag 13 maart 1875 – Chasetown en Litchfield Wij hebben goed gerust en stonden om 7.30 uur op en gingen naar broeder J. Ashton om te ontbijten. We hadden wat ham en brood en onze gebruikelijke hoeveelheid warm water met suiker. Om 9 uur vertrokken we naar Litchfield, waar we om 10 uur aankwamen; de afstand is vijf mijl. We gingen naar broeder J. Wright en zij ontvingen ons zeer vriendelijk. Om 11 uur bezochten we de kathedraal en brachten een uur door met luisteren naar de muziek, die zeer goed was; het bidden leek ons echter een schijnvertoning.

Zondag 21 maart 1875 – Wolverhampton
We hadden een goed bed en hebben goed gerust; we stonden om 9.30 uur op, ontbeten en liepen naar Priestfield om ons om te kleden, en liepen daarna naar broeder Hands in Coppice. Kort na onze aankomst kwam broeder Morris binnen en we gaven elkaar hartelijk de hand, waarna we naar de Temperance Hall gingen. Er waren ongeveer een dozijn mensen aanwezig. Broeder Halliday sprak 15 minuten, daarna sprak ik 30 minuten over geloof, en broeder Morris vroeg de mensen om ’s avonds terug te komen en hun vrienden mee te brengen. Een man in het publiek vroeg broeder Morris hoeveel vrouwen hij had, waarop broeder Morris antwoordde dat hij er genoeg had om zijn buren met rust te laten.
Om 18.30 uur kwamen we opnieuw bijeen, en broeder Morris sprak 40 minuten en ik 10 minuten. We hadden een zeer goede opkomst. Na de bijeenkomst liepen we naar Great Bridge en namen de trein; we bereikten 26 Tenby Street [Birmingham] om 22.30 uur. Ik ontving twee brieven van vader en één van zuster Sarah, waarin zij mij vertelden over het overlijden van mijn zuster Mary’s zoon, John Henry Wimmer, en ook dat mijn zoon Don Carlos erg ziek was geweest maar inmiddels iets beter.

woensdag 11 maart 2026

J.H. Leopold • 12 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

12 Maart.
Dezen dag was ik geheel van streek en in groote verwarring. Want gisteren waren de kennissen uit Nice gekomen; tot mijn zondige blijdschap, want het was beter geweest, dat wij elkaar maar ontloopen waren. Nu was ik den geheelen dag weer aan 't malen en tobben, en wist niet waar ik het vinden zou. Het gevolg was, dat ik natuurlijk weer allerlei gekke dingen deed, onbevredigd 's avonds een paar vreemde versjes half afmaakte en bitter bedroefd naar bed ging. — En 't mooiste is, dat dat alles kwam door een nietigheid, die wellicht alleen in mijn fantasie bestaat en dat ik goed nijdig ben op mijzelf en mijn soezen. —

dinsdag 10 maart 2026

Frits Bolkestein • 11 maart 1998

• Politicus Frits Bolkestein (1933-2025) schreef in 1998 een verslag van de verkiezings- en formatieperiode, samen met journaliste Margriet Brandsma, onder de titel Haags duet.

Woensdag 11 maart
Vandaag rijden wij terug naar Amsterdam. In de auto luisteren wij naar de Zeven Doodzonden van Bertolt Brecht en Kurt Weill, gezongen door Gisela May. Het gaat over twee zusters die allebei Anna heten, Anna und Anna. De ene wordt uitgebuit door de andere. De tekst staat op naam van Brecht. Hij woonde toen (1932) in Parijs - waar ook Kurt Weill verbleef - met Margarethe Steffin, die hij uit een Zwitsers sanatorium had laten overkomen. Dus hoeveel van Brecht is en hoeveel van Steffin, is onduidelijk. Brecht maakte veel gebruik van zijn vrouwen - Elisabeth Hauptmann, Ruth Berlau, zijn echtgenote Hélène Weigel en deze Steffin - zonder dat hij iets voor hen terugdeed. In Het Parool heb ik hem dan ook een literaire pooier genoemd. Zijn honderdste geboortedag is net herdacht. Veel loftuitingen, weinig kritiek op de uitbuiting van zijn vrouwen, noch op het feit dat hij zich liet misbruiken door de propagandamachine van een onmenselijk systeem, of op de vette bankrekeningen in Zwitserland van deze gewiekste en gewetenloze onderhandelaar (lees The Life and Lies of Bertolt Brecht door John Fuegi, een zeer gedetailleerd onderzoek, waar Femke zich doorheen heeft geploegd).

Het nadeel van vakantie is de stapel kranten en post die je moet verorberen voor je weer aan de slag kunt gaan. In de Volkskrant van 28-2-1998 lees ik een portret van Hans Wiegel door Kees Fens. Hij schrijft: ‘Wiegel heeft zijn leven lang nog nooit iets oorspronkelijks gezegd, laat staan oorspronkelijke taal gebruikt. (...) Die onoorspronkelijkheid is de verklaring van zijn grote succes.’ Heel juist opgemerkt. Oorspronkelijke politici graven hun eigen graf. Daarom falen echte intellectuelen in de politiek ook altijd. Herhaling is de moeder van de politiek. Dat is ook een van de redenen waarom Mario Vargas Llosa het heeft afgelegd tegen ‘el Chinito’ Fujimori. Vargas Llosa kon zich er niet toe brengen steeds hetzelfde te zeggen. Margaret Thatcher kon dat wel. Zij had succes. Blair is haar zoon. Kok kan dat ook.

maandag 9 maart 2026

Willem Frederik Hermans • 10 maart 1993

• Het Boekenweekgeschenk 1993 was van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hij schreef over e.e.a. in de WFH-Verzamelkrant.

WFH's Boekenweek van dag tot dag

dinsdag 2 maart 1993
Aan de vooravond van de Boekenweek verschijnt nummer 6 van de WFH-verzamelkrant met onder andere al een eerste overzicht van de autobiografische achtergronden van WFH's Boekenweekgeschenk.

woensdag 3 maart
De Groene Amsterdammer brengt een special over ‘de creatieve woede’ van WFH. Van Rein Bloem verschijnt een interview met WFH (71) dat eerder door de brt Radio is uitgezonden: ‘Niets slijt!’

donderdag 4 maart
Wim Zaal interviewt WFH in Elsevier. ‘Ik bèn vervolgd en ik wòrd vervolgd.’ Elsevier publiceert bovendien een bewerkte versie van wfh's toespraak bij de presentatie van het Boekenweekgeschenk op 1 februari 1993: ‘Mijn herinneringen aan ruim veertig boekenjaren.’
Nieuwe Revu brengt een ‘portret’ van WFH: ‘Wie denkt W.F. Hermans wel dat hij is?’

vrijdag 5 maart
In de Volkskrant heeft Michel Maas een paginagroot gesprek met WFH. Zowel in de interviews in De Groene en in Elsevier als in dat in de Volkskrant gaat WFH in op de autobiografische elementen in zijn Boekenweekgeschenk.
Columnist Battus (Hugo Brandt Corstius) kraakt in de Volkskrant WFH's zojuist verschenen boekje Slechte kritieken gaan nooit verloren, goede ook niet, sinds kort: ‘Moet elke Nederlandse schrijver die de zestig passeert een belachelijke paranoïde figuur worden [...]?’

zaterdag 6 maart
In Het Parool geven Matthijs van Nieuwkerk en Theodor Holman tientallen uitspraken van WFH weer rondom een paginagrote karikatuur van Paul van der Steen. ‘Ik heb altijd ruzie!’
Bob Polak stelt in het avondblad een reeks vragen in quizvorm over het Boekenweekgeschenk. ‘Waarom gaat Madelon niet voor behandeling naar tandarts Van S.?’

zondag 7 maart
In HP/De Tijd op zondag brengen Jan Zandbergen en tekenaar Joep Bertrams een paginagrote strip met WFH als hoofdfiguur. ‘Hermans: “Ik ben de schrijver die u zoekt!”’
In het tv-programma ‘Ziggurat’ van de brt heeft Freddy de Vree een interview met WFH.

maandag 8 maart
Elegance beschrijft ‘alles wat u altijd al wilde weten over Willem Frederik Hermans’. Daartoe hoort onder andere een fotoreportage die WFH in 1986 in Parijs voor Elegance maakte van ‘topmodel’ Linda Spierings in couturekleding.

dinsdag 9 maart • Boekenbal in de Stadsschouwburg in Amsterdam
WFH laat verstek gaan in verband met een gebroken pols. Het NOS tv-programma ‘Nova’ geeft enkele beelden van het Bal.
Voor de NOS Televisie heeft Wim Hazeu een interview met WFH.

woensdag 10 maart • Begin van de Boekenweek
WFH's Boekenweekgeschenk In de mist van het schimmenrijk: Fragmenten uit het oorlogsdagboek van de student Karel R. verschijnt in een oplage van 582.000 exemplaren, een record voor een eerste druk. De oplage is 34.000 exemplaren hoger dan vorig jaar. De lezers ontvangen het boekje gratis bij aankoop van ƒ 19,50 aan boeken.
Ook is vandaag voor het eerst het boekje Willem Frederik Hermans en de cpnb 1950-1993 te koop, samengesteld door de redactie van de WFH-verzamelkrant.
In Vrij Nederland heeft J. van Tijn een interview met wfh: ‘W.F. Hermans' ballingschap.’ VN publiceert daarnaast een licht-positieve recensie van het Boekenweekgeschenk. Carel Peeters: ‘Het is allemaal wat minder en milder.’

zondag 8 maart 2026

John H. Smith • 9 maart 1900

John Henry Smith (1848-1911) was een Amerikaanse politicus. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

[Friday, March 9, 1900 - Salt Lake City]
I was working most of the day on my father’s history.

My sons Winslow, Nicholas, Nathaniel, Joseph and myself plowed up my garden. The horses were quite nervious.

My wife Sarah and I went to the Theatre. The play was The Rivals.


Jules Renard • 8 maart 1891

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.
• De dagboeken van de Franse schrijver Jules Renard (1864-1910) zijn vanwege de hoeveelheid ‘faits divers’ en anekdotes wel eens omschreven als ‘de documentatie’ bij À la recherche du temps perdue van Marcel Proust. De Rodin in het fragment is uiteraard de fameuze beeldhouwer.

8 maart [1891] In Rodins atelier, een openbaring, een verrukking, die Porte de l’Enfer, dat kleine werk, niet groter dan een hand, l’Éternelle idole: een man, met zijn armen op zijn rug, overwonnen, kust een vrouw onder haar borsten, drukt zijn lippen op haar huid, en van de vrouw gaat zo’n droefheid uit. Met moeite maak ik me ervan los. Een oude vrouw in brons, iets gruwelijk moois, met haar platte borsten, haar geteisterde buik en haar gezicht dat nog mooi is. Verder lichamen met elkaar verweven, armen in elkaar verstrengeld, en le Péché originel, de vrouw die zich aan Adam vastklampt, hem met heel haar wezen naar zich toe trekt, en de Sater, die een vrouw in zijn armen klemt en in haar wroet, één hand tussen haar dijen, de tegenstelling tussen mannenkuiten en vrouwendijen. Heer, maak dat ik de kracht heb om dat alles te bewonderen!
Op de binnenplaats wachten blokken marmer om tot leven te worden gewekt, vreemd door hun vorm en, zo lijkt het, door hun verlangen om te leven. Vermakelijk: ik doe alsof ik de man ben die Rodin heeft ontdekt.
Rodin, een soort dominee, de beeldhouwer van de genots-pijn, stelt Daudet naïeve vragen en wil van hem weten welke naam hij aan zijn verbazingwekkende scheppingen moet geven. Zelf vindt hij stereotiepe namen, die hij aan de mythologie bijvoorbeeld ontleent. Een voorstudie van Victor Hugo, naakt... volstrekt grotesk overigens.
[...]

9 maart
Bij Rodin had ik het gevoel dat mijn ogen plotseling openbraken. Tot op dat ogenblik had ik de beeldhouwkunst net zo interessant gevonden als het bewerken van koolraap.

Schrijven zoals Rodin beeldhouwt.

Wanneer iemand me een tekening laat zien, kijk ik net lang genoeg om te bedenken wat ik ervan zal zeggen


Sofia Tolstoj • 7 maart 1898

Sofja Andrejewna Tolstaja (1844-1919) was de echtgenote van de Russische schrijver Leo Tolstoj. Gedeeltes uit haar dagboeken zijn gepubliceerd in Dagboek (vertaling Ton Eekman).

7 maart 1898
Vanochtend had ik een onaangenaam gesprek met Lev Nikolajevitsj [Tolstoj]. Hij wil steeds maar aanvullingen aan zijn artikel toevoegen, maar ik ben bang dat de censuur aanmerkingen op die aanvullingen zal hebben, zodat het de verschijning van het boek weer zal vertragen; ik wil het in dertigduizend exemplaren laten drukken. Van het ene woord kwam het andere, we smeten elkaar verwijten naar het hoofd; ik betichtte hem ervan dat hij mij mijn vrijheid ontneemt, dat hij me niet naar St. Petersburg laat gaan; en hij mij dat ik zijn boeken te gelde maak; waarop ik antwoordde dat ik geen profijt van dat geld heb, maar zijn kinderen in de eerste plaats, die hij aan hun lot heeft overgelaten, die hij niet heeft opgevoed en geen vak heeft laten leren. Daar voegde ik aan toe dat ik hem zijn rijpaard, zijn fruit en asperges, zijn liefdadigheid, zijn fietsen enzovoort enzovoort verschaft had van dat geld, en dat ik er zelf het minst van allen van profiteerde. Dat zou ik hem niet gezegd hebben als hij niet geroepen had dat ik te ver ging en dat hij me kon verbieden die boeken te verkopen. Ik zei: daar zal ik erg blij om zijn, verbied het me maar, dan ga ik voor mezelf werken, als lerares, correctrice of zo. Ik houd van werken en heb een hekel aan mijn huidige leven, dat zo heel anders ingericht is dan mijn smaak zou zijn, door de inertie en door mijn gezin – mijn man en kinderen.

• In haar dagboeken beschrijft Sofia Tolstoj haar 48 jaar durende huwelijk met Lev Tolstoj (1828-1910). Hoewel ze een sterke en artistieke persoonlijkheid was (ze schreef en fotografeerde), stelde ze haar leven volledig in dienst van de grote schrijver met al zijn nukken.

donderdag 5 maart 2026

Søren Kierkegaard • 6 maart 1850

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Uit: Kierkegaard. Een keuze uit zijn dagboeken (vertaald door H.A. van Munster).

Maart 1850
Zoals het een vrouw juist met betrekking tot haar ware geliefde kan overkomen, dat zij — juist omdat zij al te sterk door die ene gedachte vastgehouden wordt — plotseling bijna een afschuw krijgt van de geliefde, die toch werkelijk de geliefde is, zo is er ook een godsdienstige aanvechting, die men ook door oude schrijvers beschreven vindt, waarbij men een hekel krijgt aan het godsdienstige, terwijl dit toch de hoogste werkelijkheid voor de aangevochten mens blijft; maar hij heeft er zich te veel mee bezig gehouden. Hier kan men niets anders doen dan geduld en stilte beoefenen, dan komt de zaligheid weer terug en des te sterker.

woensdag 4 maart 2026

Honoré Blijdenstijn • 5 maart 1941

• Op vrijdag 10 mei 1940 begon de 57-jarige directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, Honoré Blijdenstijn, in een eenvoudig schriftje, dagelijks te noteren wat hem bezighield. Vijf jaar en 23 schriftjes later hield hij daar mee op.

5 maart 1941 (woensdag)
Een brief van Linneweber, een rector, verbonden aan ’t Dept. v. Opv. W. en C. en inspirator voor Duitse ideeën „an höchster Stelle”. Gerard had hem over mij gesproken als man die van de opleiding wat af wist. Ik had G. gezegd, dat ik graag eens met hem zou willen spreken. Nu kondigt hij mij zijn komst aan of, juister gezegd, vraagt mij mij in de Kweekschool te kunnen bezoeken tussen 10 en 15 Maart „Besuch rein privater Art und daher Bedenken politischer Art so gut wie ausgeschlössen”.

Natuurlijk is zo iets nooit mijn bedoeling geweest. Bij de tegenwoordige stemming tegen de Duitsers, die door de gebeurtenissen te Amsterdam tot kookhitte is gestegen, kan men een bezoek van een Duitser niet goed praten; in mijn functie zou ik in ieders ogen een landverrader zijn.

Evenwel er is nog een andere reden, die de kennismaking belet. De Secretaris-generaal V Dam heeft een paar weken geleden zijn reorganisatie - plan der Kweekscholen bekend gemaakt. Ik mag nu alleen nog in ambtelijk verband handelen. Ik heb Linneweber in dien geest geschreven; ik hoop, dat hij het inziet. Wij leven snel; 3 maanden geleden was loyale samenwerking nog iets, waarover gesproken kon worden.

Albert en Greet Polak komen bridgen. Zij vertellen: „De Kattenburgers in Amsterdam voegden de Duitsers toe: Wat jullie met je eigen joden doet, moet je zelf weten, maar van onze smousjes blijf je af.” Dat tekent de gevoelens van ’t ogenblik; als men er maar niet uit concludeert, dat de Amsterdammers thans pro-semiet zijn!

dinsdag 3 maart 2026

Frances D'Arblay • 4 maart 1789

Frances d'Arblay (1752-1840) was een Britse schrijfster. Haar dagboeken zijn gepubliceerd als The Diary and Letters of Madame D'Arblay.

Vertaling onderaan

AN AIRING AND ITS CONSEQUENCES.
Wednesday, March 4.-A message from Mrs. Schwellenberg this morning, to ask me to air with her, received my most reluctant acquiescence; for the frost is so severe that any air, without exercise, is terrible to me; though, were her atmosphere milder, the rigour of the season I might not regard.

When we came to the passage the carriage was not ready. She murmured most vehemently; and so bitterly cold was I, I could heartily have joined, had it answered any purpose. In this cold passage we waited in this miserable manner a full quarter of an hour; Mrs. Schwellenberg all the time scolding the servants, threatening them with exile, sending message after message, repining, thwarting, and contentious.

Now we were to go, and wait in the king's rooms—now in the gentlemen's—now in Dr. Willis's—her own—and this, in the end, took place.

In our way we encountered Mr. Fairly. He asked where we were going. "To my own parlour!" she answered.

He accompanied us in; and, to cheer the gloom, seized some of the stores of Dr. Willis,—sandwiches, wine and water, and other refreshments,—and brought them to us, one after another in a sportive manner, recommending to us to break through common rules, on such an occasion, and eat and drink to warm ourselves. Mrs. Schwellenberg stood in stately silence, and bolt upright, scarce deigning to speak even a refusal; till, upon his saying, while he held a glass of wine in his hand, "Come, ma'am, do something eccentric for once—it will warm you," she angrily answered, "You been reely—what you call—too much hospital!"

Neither of us could help laughing. "Yes," cried he, "with the goods of others;—that makes a wide difference in hospitality!" Then he rattled away upon the honours the room had lately received, of having had Mr. Pitt, the Chancellor, Archbishop of Canterbury, etc., to wait in it. This she resented highly, as seeming to think it more honoured in her absence than presence.

At length we took our miserable airing, in which I was treated with as much fierce harshness as if I was being conveyed to some place of confinement for the punishment of some dreadful offence!

She would have the glass down on my side; the piercing wind cut my face; I put my muff up to it: this incensed her so much, that she vehemently declared "she never, no never would trobble any won to air with her again but go always selfs."—And who will repine at that? thought I.

Yet by night I had caught a violent cold, which flew to my face, and occasioned me dreadful pain.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

EEN LUCHTJE SCHEPPEN EN DE GEVOLGEN ERVAN

Woensdag 4 maart. — Vanmorgen ontving ik een boodschap van mevrouw Schwellenberg met het verzoek met haar een luchtje te gaan scheppen; met de grootste tegenzin stemde ik toe, want de vorst is zo streng dat elke blootstelling aan de buitenlucht, zonder beweging, voor mij verschrikkelijk is; al zou ik de strengheid van het seizoen wellicht minder erg vinden als haar stemming milder was.
Toen wij in de gang kwamen, was de koets nog niet gereed. Zij mopperde uiterst heftig; en zo bitter koud had ik het, dat ik van harte had kunnen meedoen, als het enig nut had gehad. In deze koude gang wachtten wij op deze ellendige wijze een vol kwartier; mevrouw Schwellenberg al die tijd de bedienden berispend, hen met verbanning dreigend, de ene boodschap na de andere zendend, klagend, tegensprekend en twistziek.
Nu zouden wij gaan en wachten in de vertrekken van de koning — dan weer in die van de heren — dan weer in die van dr. Willis — haar eigen vertrek — en uiteindelijk gebeurde dit laatste.
Onderweg kwamen wij meneer Fairly tegen. Hij vroeg waar wij heengingen.
“Naar mijn eigen salon!” antwoordde zij.
Hij vergezelde ons naar binnen en nam, om de somberheid te verdrijven, wat van de voorraden van dr. Willis — sandwiches, wijn met water en andere versnaperingen — en bracht ze ons één voor één op speelse wijze, waarbij hij ons aanraadde om bij zo’n gelegenheid de gewone regels eens te doorbreken en te eten en te drinken om ons te verwarmen. Mevrouw Schwellenberg stond in statige stilte, kaarsrecht, nauwelijks waardig zelfs een weigering uit te spreken; tot hij, terwijl hij een glas wijn in de hand hield, zei: “Kom, mevrouw, doe eens iets excentrieks voor één keer — het zal u verwarmen,” waarop zij boos antwoordde: “U bent werkelijk — wat u noemt — al te gastvrij!”
Wij konden allebei niet nalaten te lachen.
“Ja,” riep hij, “met andermans goederen — dat maakt een groot verschil in gastvrijheid!” Vervolgens ratelde hij door over de eer die de kamer onlangs had genoten doordat meneer Pitt, de kanselier, de aartsbisschop van Canterbury enzovoort er hadden gewacht. Dit nam zij hem zeer kwalijk, alsof hij wilde suggereren dat de kamer in haar afwezigheid meer eer genoot dan in haar aanwezigheid.
Eindelijk maakten wij ons ellendige tochtje, waarbij ik met zo’n felle hardheid werd behandeld alsof ik naar een plaats van opsluiting werd gebracht ter bestraffing van een verschrikkelijk misdrijf!
Zij liet aan mijn kant het raam zakken; de snijdende wind geselde mijn gezicht; ik hield mijn mof ervoor. Dat maakte haar zo kwaad dat zij heftig verklaarde dat zij “nooit, nee nooit meer iemand lastig zou vallen om met haar een luchtje te scheppen, maar voortaan altijd alleen zou gaan.” — En wie zou daarover klagen? dacht ik.
Toch had ik tegen de avond een zware verkoudheid opgelopen, die naar mijn gezicht trok en mij hevige pijn bezorgde.

maandag 2 maart 2026

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski • 3 maart 1886

• De Russische componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) hield onregelmatig een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

Wednesday 19 February/3 March 1886*
Slept very little. Woken by [petekind] Boris. Sent a telegram to S. M. Tretyakov to say that I would not be coming. [Beschermeling] Votya Sangursky's sketches. Departure. Priests in the railway carriage. From Podsolnechnaya to Klin there was a pretty woman from the bourgeoisie. Home. Dinner. Paced about the room. Slept. Tea. Out of sorts. Anguish and vacillation regarding the journey. Almost to the point of despair. Wrote letters. Went into the kitchen. Cards. Supper. Organised supper for the guests. Wrote in my diary after many days.

Thursday 20 February/4 March 1886
The wind is howling through the trees worse than ever; how can one believe that spring is so near. The frost was sharp. After a splendid night's sleep I felt more cheerful today, and decided, come what may, to go as intended. Strolling, composed Mackar's piece [een stuk in opdracht]. [Bediende] Alyosha brought letters from N. D. Kondratyev in Nizy, amongst others. I read the newspaper. Some pancakes instead of dinner. Even these were difficult to obtain. Straight after dinner, despite the cruel wind, I walked to the railway station to telegraph Laroche and tell him not to come. I was exhausted, but then my digestion was eased. I was drowsy all the time before and after tea. However, I still wrote six letters and worked a little. After supper I played Nero [opera van Anton Rubinstein]. The impudence of the author is worthy of astonishment, but not of imitation.

* De Russische kalender liep toen nog dertien dagen achter.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Woensdag 19 februari / 3 maart 1886
Weinig geslapen. Wakker gemaakt door Boris. Een telegram gestuurd aan S. M. Tretyakov om te zeggen dat ik niet zou komen. Schetsen van Votja Sangurski. Vertrek. Priesters in de treinwagon. Van Podsolnetsjnaja tot Klin zat er een knappe vrouw uit de burgerij. Thuis. Diner. Door de kamer heen en weer gelopen. Geslapen. Thee. Niet in mijn doen. Angst en besluiteloosheid over de reis. Bijna tot wanhoop toe. Brieven geschreven. Naar de keuken gegaan. Kaarten. Avondmaal. Het avondmaal voor de gasten georganiseerd. Na vele dagen weer in mijn dagboek geschreven.

Donderdag 20 februari / 4 maart 1886
De wind huilt erger dan ooit door de bomen; hoe kan men geloven dat de lente zo nabij is. Het vroor scherp. Na een heerlijke nachtrust voelde ik mij vandaag opgewekter en besloot, wat er ook zou gebeuren, te gaan zoals gepland. Tijdens een wandeling Mackars stuk gecomponeerd. Aljosja bracht onder andere brieven van N. D. Kondratjev uit Nizy. Ik las de krant. Enkele pannenkoeken in plaats van een diner. Zelfs die waren moeilijk te verkrijgen. Meteen na het diner ben ik, ondanks de wrede wind, naar het station gelopen om Laroche te telegrammeren dat hij niet moest komen. Ik was uitgeput, maar daarna werd mijn spijsvertering beter. Voor en na de thee was ik voortdurend slaperig. Toch heb ik nog zes brieven geschreven en een beetje gewerkt. Na het avondmaal speelde ik Nero. De onbeschaamdheid van de auteur is verbazingwekkend, maar niet navolgenswaardig.

Adriaan Roland Holst • 2 maart 1910

• Uit de correspondentie die Adriaan Roland Holst (1888-1976), een van de drie Nederlanders die de eretitel ‘prins der dichters’ is toegekend, in de periode 1908-1913 voerde met Marius Brinkgreve, toen nog student klassieke letteren en veelbelovend. Later ging deze het bedrijfsleven in en sloot zich aan bij verschillende fascistische organisaties. Brieven aan Marcus Brinkgreve 1908-1914 (bezorgd door Margaretha H. Schenkeveld).

Oxford, 2 maart 1910
Denk verder nóóit dat ik jouw vriendschap verkeerd voor hem [Jaap van Gelder, een gemeenschappelijke vriend] vind. Integendeel, ik weet dat je hem een groote steun bent, hoewel ik ook vind dat jullie twee levens niet bepaald gunstig op elkaar kunnen wisselwerken—maar dat ligt voornamelijk in jullie omgeving, die aan jouw ontwikkeling niet veel schade kan doen, maar aan J.’s heel veel. – Jij bent in je beschouwing van iemand dien je een dichter vindt te veel... … een 80-er! Al dat sentimenteele gezanik van ‘als een dichter maar één vers heeft gemaakt dat mooi is, dan... etc.’ – heeft mij altijd kotserig gemaakt door zijn kwijlerige burgerlijkheid, en juist daarom deed een waarachtig kunstenaarsmilieu als ‘Laren’ mij zoo goed, waar wij ons dikwijls slap lachten om diverse ‘schoonheids’-veréérders, die er wel eens over de vloer kwamen, en waar al dergelijk gekwezel altijd heel hartelijk en prozaïsch wordt de deur gewezen. Ik zeg ’t je zoo ronduit omdat ik weet dat jij er au fond te goed voor bent, en ook omdat je mij toch niet zult beschouwen als een mensch die alleen naar hoeveelheid kijkt.

J.H. Leopold • 1 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.


1 Maart.
Van middag hebben wij een grootere wandeling gemaakt. Eerst den ouden weg, door de stad omhoog naar de Madonna della Costa, de witte kerk op het hoogste punt, waar ik eergisteren ook al was geweest. Deze kerk staat op een groote open plek, langs een hospitaal leidt een glooiende weg, waarvan de keien in mozaiekfiguren zijn geplaveid, er heen. De kerk zelf heeft noch van binnen noch van buiten veel bijzonders. Maar het uitzicht, dat men van het terras er om heen heeft is ver reikend, men overziet er den geheelen ring bergen, die de stad insluit en wegvloeit in de zee. Van hier ziet men meer dan gewoonlijk boven op de zee en heeft het water een licht blauwe kleur.
Terug ging de weg zacht neerwaarts hellend door een dal, eerst aan de zonzijde, dan met een korten draai aan de overzijde terug in de schaduw. Hier was men dadelijk buiten, op het land, een ander land dan het onze, maar hoe vreemd ook, toch overweldigde de schoonheid van het landschap mij en op een oogenblik werd de borst mij beklemd door al het genot, dat ik niet op kon. Want welk een vredige liefelijkheid is er in zulk een dal, dat ik te Nice wel eerder had gezien, maar welks schoon mij van middag sterker trof door den zonneschijn. Er groeien links en rechts olijven berg op, berg af, op kleine terrassen, binnen ruwe steenen muren opgehoogd, en daartusschen citroenboomen vol gele vrucht en achter in omspant een hooge berg met pijnboomen begroeid het dal. Onder de olijven is het donker op het welige gras, waar de vogels slaan, en in de diepte dwaalt over de breede dorre bedding van grijze steenen een karige stroom. Aan de oever staan hier en daar woningen en waterleidingen ter besproeiing der hoven. Vrouwen komen langs den weg met groote takkenbosschen of bundels pijnappels op het hoofd en langs de smalle paden waarover de olijven hangen, klinkt op de steenen het geklikklak van den ezel, op wiens pakzadel vaatjes met wijn zijn vastgesjord.

donderdag 26 februari 2026

Nausicaa Marbe • 28 februari 1998

Nausicaa Marbe (1963) is een Nederlands schrijfster, columniste en journaliste van Roemeense/Griekse komaf. Nadat haar moeder was overleden, bezocht ze het ouderlijk huis in Boekarest.

28 Februari
Een Nederlandse vriendin logeert al een paar dagen in mijn huis. Ze wilde me niet de hele tijd alleen laten in dit land.
Ook kwam ze over om te helpen met het sjouwen van meubels, het sorteren van boeken, partituren en manuscripten, het inpakken van schilderijen en andere kunstwerken. Samen hebben we de afgelopen nacht de werkkamer van mijn moeder leeggehaald. Alles staat netjes in een ander vertrek dat vanaf nu ‘de muziekkamer’ heet. De nieuwe bewoners zullen ervoor zorgen dat daarin geen partituur door ongecrediteerde handen wordt aangeraakt.
Tegen vieren waren we bijna klaar. Doodop. Terwijl we vanochtend om half negen mijn oom zouden ontmoeten bij het familiegraf waar mijn moeder in ligt. Hij zou de sleutel meebrengen, wij de urnen met de as van mijn grootouders van moeders kant. Die had mijn moeder in huis gehaald, na een onplezierig incident met de directie van het crematorium waar ze ooit bewaard werden. De afgelopen dagen hebben mijn vriendin en ik er tevergeefs naar gezocht. Maar vannacht, in de bijna lege kamer, was het raak. Er was slechts een mooie archiefkast overgebleven. Vol papieren, dacht ik. Toen ik de sleutel vond en de deur opende, zag ik de twee bulten onder een antiek Chinees zijden kleed. Daarnaast een piepklein envelopje met het handschrift van mijn oma erop. Ik haalde er twee papiertjes uit. Het een was een korte brief van mijn opa aan zijn vrouw. Een paar woorden van liefde, zo eenvoudig en tegelijk machtig dat ik bijna duizelig werd. Op het andere papier las ik de laatste wens van mijn oma: ‘Leg dit alsjeblieft in mijn kist, samen met een foto van pappa. Opdat ik de herinneringen van geluk met me meeneem!’
Mijn vriendin en ik trokken samen het kleed van de urnen af en aaiden over het koude metaal. Zo'n grote liefde hebben we geen van beiden gekend, toch vult een bizar gevoel van geluk de kale kamer.
We tilden de urnen voorzichtig op, de inhoud rammelde. Zouden er stukjes bot inzitten? We kregen de slappe lach. Van ontroering, van vermoeidheid, van onwetendheid. Moest ik het briefje van oma naast de urn in de vieze, natte graftombe leggen? Had ze dat gewild?
‘Ze zou het fantastisch hebben gevonden om te weten dat het bij jou bleef, als jij niet dicht bij haar graf kon blijven,’ oppert mijn vriendin. Ik geef haar gelijk. Wat maakt die afstand tussen Noord- en Zuid-Europa nog uit?!
Een paar uur later zitten we slaapdronken in de rammelende metro naar de buitenwijk waar de begraafplaats ligt. Bij een zwerfkind hebben we bosjes sneeuwklokjes gekocht. Die leggen we straks in de nis met de urnen. We worden heen en weer geschud op de harde banken. Mijn vriendin houdt opa vast, ik heb oma op schoot. Beiden ingepakt in de enige plastic tassen die we in huis konden vinden: See Buy Fly's van Schiphol. Het is hun eerste reis met de metro, bedenk ik. En hun laatste. Het schiet me te binnen dat mijn boek precies zo eindigt: de dochter des huizes brengt as van haar voorouders naar de laatste bestemming. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het gebeurt echt. Deze keer vind ik het niets griezeligs hebben. Een cirkel is rond.
‘Hoe laat is het?’ vraagt mijn vriendin. We zijn vanochtend beslist niet snel geweest en mijn oom komt, heel on-Roemeens, altijd op de afgesproken tijd.
Ik werp een blik op mijn horloge, we zijn op tijd. Dan kijk ik voor het eerst sinds dagen naar het vakje van de datum: het is 28 februari. Hoe kon ik het in godsnaam vergeten! Vandaag komt in Nederland mijn boek in de winkel te liggen.

Willem Janszoon Verwer • 27 februari 1573

Willem Janszoon Verwer (ca. 1533-ca. 1595) was advocaat en regent van het Weeshuis en van het Leprozenhuis te Haarlem. Van 1572-1581 hield hij een 'Memoriaelbouck' bij van gebeurtenissen te Haarlem, onder meer van het beleg van de stad door de Spanjaarden in 1572-1573.

[27 Februari 1573] Den 27 hebben die galijen an malckanderen geweest. Die van buijten namen de vlucht, zoedat die van der stat weder het gat [4 voet diep en 30 breed], dat sij gedolven ende gemaect hadden ant Veer op die Meer of an die cant, weder gestopt hebben.
Op denselfden dach sijnder veel sceepen met scuijten victalie [levensmiddelen] in de Fuijcke aengecomen.
Op den laesten Februarii hebben die van der stadt smorgens omtrent thuschen 7 ende 8 uuren een duijlvels hol of mijne doen springen, zoedat zij omhooch in den lucht vloogen. Zij daelden needer als molenstenen, die niet en mogen hangen in den lucht.
Onbegrepen den dach stonst een cuijpers huijsvrouwe in haer huijs in die Cruijsstraet met besloten doeren, als die bevresden menschen, met een jonge dochter mij wel beckent, en koutede aen een bierton. Ende daer quam een groote cloot doer die deure ghevlogen thuschen haer beijden doer ende bleeff in de selfste tonne leggen. Zijet hoe wonderlicken, dat God in sijn wercken is, als den prophet seijt, daer dese vrouwen aen stonden, zonder enich van hen beijden ghequest te zijne ofte geracht, anders dan dat die joncxste dochter een stucken van den poste ofte cossijn des deurs op haer hooft viel, sonder gequest te zijne.

woensdag 25 februari 2026

Typiste, 29 jaar - Amsterdam • 26 februari 1945

• Typiste, 29 jaar - Amsterdam. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

26 Februari 1945
- ... op die bewuste zwarte Woensdag [zou ik] weer starten, wat toen niet doorging. Ik kreeg toen achter elkaar twee massieve banden, wat me, of beter gezegd Vader, ƒ130.- kostte plus de fooien en extra kosten wel ƒ140-. Dat voor een fiets, die met goede banden tien jaar geleden ƒ55.- kostte. Enfin, ik ging Dinsdag, 20 Febr. op pad, met mijn klompen en Joop z'n kaplaarzen. Het was een zware trap, tegenwind en harde banden. Doodmoe kwam ik aan. De volgende dag ging ik de boer op. Boerderij op, boerderij af. Na enige tijd raakte ik m'n klompen kwijt voor 10 p. tarwe. Bij de Vlaskamp een stukje scheerzeep voor 2 p. bruine bonen. 's Middags de laarzen van Joop die jammer genoeg over 't algemeen te klein waren, voor 40 p. tarwe + 10 p. bruine bonen. Misschien te weinig of zeker te weinig maar ik was blij eindelijk beet te hebben. Jannetje stopte weer 't nodige in mijn rugzak allemaal van die nuttige kleine artikelen, zoals taptemelkpoeder, een zakje tapioca, een pakje koffiesurrogaat (daar gaan de stedelingen de boer mee op!) een klein pakje theesurrogaat, ik weet 't niet eens meer. Donderdag ging ik terug. Eerst kreeg ik van Jannetje een pannetje bruine bonen met flink wat jus en een klont boter er in. En vier boterhammen mee. Er stond een harde tegenwind en moeizaam kwam ik vooruit. Om half 11 startte ik en om half zes was ik thuis. Toen had ik de helft bij me en moest ik dus weer op stap, wat ik gauw wilde doen aangezien ik een offensief van de Geallieerden vreesde en ik dan alles binnen wilde hebben. Bovendien moest ik er meteen weer op uit, want ik heb zowaar weer een baan. Terwijl ik op stap was, kwam Nolten bij me thuis of ik er voor voelde vertegenwoordigster te worden bij een in- en exporteur van zilverwerken en bijouterieën. Salaris .... ± ƒ500.- à ƒ600 - in de maand als ik middelmatig was. Anders kwam ik gauw tot ƒ1000.- De baas was een jongeman van mijn leeftijd, die er wegens de razzia's niet op uit kon en de zaak aan een jonge vrouw moest overlaten, een beschaafde jonge vrouw met flair. En toen dacht Nolten aan mij!! Vleiend. De jongeman in kwestie was een oud-scholier, ik kende hem wel, maar hij noemde geen naam. Ik moest Zaterdag maar eens bij hem komen praten. Dat deed ik. En die oud-scholier bleek Geert Vinkesteyn te zijn. Geertje, een van m'n vijf aanbidders, die melige gedichten op m'n ogen maakte! Hij is nu gelukkig getrouwd. Wie had dat ooit gedacht! Het kan toch grappig gaan in de wereld. Geert heeft 't ver geschopt in die branche nadat hij in de journalistiek in de malaise te weinig verdiende om van te bestaan. Hij is nu steenrijk. Ik 's middags naar Geert, met wien ik 't direct eens werd. ƒ30.- in de week, 5% provisie. Z'n vrouw is z'n compagnon ..... Ik zou Donderdag 1 Maart begonnen. Geert was nog niets veranderd, de gezellige, een beetje melige Geert, dien ik vroeger een beetje spottend op de hak nam. Maar een handige zakenman en dus een waardig leerling van onze Handelsschool. Hij liet me de collectie zien. Pruldingen nu, waaraan ze nu schatten verdienen, maar nog netjes voor deze tijd. En 't zijn toch nog verzilverde koperen wapentjes en leuke speldjes, vooral voor kinderen. Gedachtig aan H. Hugowaard nam ik er direct een paar mee.


[lees verder]

dinsdag 24 februari 2026

Robert Morris • 25 februari 1784

The Papers of Robert Morris 1781-184
* Robert Morris (1734-1806)

February 25, 1784
Genl. Hazen about the Papers left in this Office. Told him the Determination to send Copy of his Complaint against the Pay Master Genl. to that Gentleman and then Copies of it and of his answer to Congress.
Colo. Pickering with an estimate for money.
Wrote a Letter to John Pierce Esqr. Pay master General.
Wrote a Letter to The Honble. Mr. Jefferson Chairman of a grand Committee of Congress.

maandag 23 februari 2026

Michel Leiris • 24 februari 1942

Michel Leiris (1901-1990) was een Franse etholoog, dichter en schrijver. In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989. Vertaling: Michel van Nieuwstadt.

24 februari
Gisteravond in de Opéra Don Giovanni van Mozart gezien, wat ik al heel lang graag wilde zien vanwege de mythe van Don Juan.
Idee (dat nauw te maken heeft met de rampspoed waardoor op dit ogenblik bepaalde van mijn vrienden of kennissen getroffen worden) om mezelf een zekere discipline op te leggen wat betreft het bezoek aan theaters: niet meer gaan kijken naar wat voor mij pure 'ontspanning' vormt; alleen nog maar naar dat soort voorstellingen gaan waarvan aangenomen kan worden dat ze, zo ze niet een mythische betekenis hebben, minstens een diepe emotie losmaken.
(Dit in het genre 'vaste voornemens' waartoe men je het besluit laat nemen als je kind bent en je opvoeding godsdienstig van aard is.)

Gistermiddag kreeg met de slechtst denkbare afloop de historie haar einde die meer dan een jaar geleden op het Trocadéro begonnen was ... [Leiris bedoelt de executie van zeven verzetslieden.]

25 februari
Volgens wat de families erover aan de weet zijn gekomen, heeft eergisteren de executie plaatsgehad, omstreeks 15 uur, of 18 uur (in het laatste geval juist op het moment dat Don Giovanni begon). De veroordeelden zijn met een bus van de gevangenis van Fresnes naar de Mont-Valérien gebracht. Ze werden heel Parijs doorgereden en het traject nam ongeveer een uur in beslag. Er was een aalmoezenier bij. Tijdens de route hebben ze gezongen, vrolijk onder elkaar gepraat over de diverse plekken van Parijs die ze herkenden. Ze hebben ook geweigerd zich te laten blinddoeken.
Ik zou eigenlijk ontsteld moeten zijn dat ik dat in dit cahier zo te boek stel, als was het iets volkomen abstracts...
Anderzijds hebben we gehoord dat D[eborah] L[ifszyc], die door de Franse politie zaterdag de eenentwintigste 's morgens werd gearresteerd, voor zes maanden naar de Tourelles-kazerne zal worden overgebracht.




zondag 22 februari 2026

Albert Camus • 23 februari 1937

Albert Camus (1913-1960) was een Franse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeknotities 1935-1951 is in het Nederlands uitgegeven onder de titel Dagboek (vertaling Halbo C. Kool)

Februari
De beschaving schuilt niet in een meer of minder hoge mate van verfijning. Maar in een geestesleven waarin heel een volk deelt. En dat geestesleven is nooit verfijnd. Het is zelfs kaarsrecht. De beschaving tot het werk van een elite maken, is haar gelijk stellen met de kultuur, die heel iets anders is. Er bestaat een mediterrane kultuur, maar er bestaat ook een mediterrane beschaving. Anderzijds beschaving en volk niet verwarren.

Sjoerd Kuijper • 21 februari 2021

De spanning stijgt bevat gebundelde brieven van Sjoerd Kuyper (1952) uit 2021, met bedenkingen over het leven in coronatijd en de naderende dood.

Bergen, 22 februari 2021
Als je één sprietje in je tuin ziet dat de verkeerde kant op buigt, en je loopt erheen met je schaartje, ben je de rest van de dag kwijt en ligt aan het eind ervan je tuin bezaaid met spul dat de groene bak in moet. Nou, dat kan morgen ook. Maar morgen moet ik in een plastic bekertje pissen en bloed af laten nemen en naar Camperduin fietsen en naar de zee kijken. Nou, de groene bak wordt pas woensdag geleegd. Ik begin weer zenuwachtig te worden, heren, er komt te veel op mijn pad en dat uit zich in — goddank nog kleine — angstaanvallen.
Ik zie het nut van niet drinken totaal niet in. Afgelopen week was kleine Owen drie dagen bij ons. Hij kan nog niet goed praten, maar wel al loepzuiver zingen, je gelooft je oren niet, je slaat er steil van achterover. Als hij al spelend zit te zingen, herken je de liedjes een voor een. Tot nu toe sprak hij zinnen van slechts één woord, zoals 'miw', dat betekent 'meer', of 'ka', en dat betekent 'kaas'. Wij waren erbij toen hij zijn eerste zin van twee woorden sprak: 'Miw ka.' Marianne ging destijds van één woord meteen naar vier. Mmm toot aaie nee.'Mmm' was konijn en 'toot' was dood, het krioelde destijds in het bos van Bakkum van de dode konijnen, de pijp van het myxomatogoïde virus uitgegaan, en die mocht ze van ons niet aaien.
Nu is ze doende haar troep op onze zolder op te ruimen. Die hebben we al die jaren bewaard. Voor dit moment. Ze komt naar beneden met teksten als: 'Jezus, ik heb mails van jullie gevonden, van toen ik dat jaar in Amerika zat. lk was er net vijf dagen en jullie hadden gehoord dat ik in een Jehova-gezin was ondergebracht en jullie konden mij niet bereiken! Hoe hebben jullie dat in godsnaam volgehouden? Ik zou compleet gestoord worden als Owen daar zat, bij Jehova's, en ik kon geen contact met hem krijgen! ik zou meteen op het vliegtuig stappen. Nu. Toen had ik niks door ...' Ha, denken wij dan, ha! Marianne was toen zeventien.
Ik probeer te schrijven maar het gaat met de dag beroerder. Heb vier hoofdstukjes Maantje af, het moeten er twintig worden, dan wordt het tweede deel dubbel zo dik als het eerste. Leek me mooi. Nu vind ik het veel. Papa vecht in dit boek met Sinterklaas en trekt de baard van diens kin maar daar ben ik nog niet, dat is pas in het een na laatste hoofdstuk. Ik stel voor dat we een sticker op het boek plakken - als het ooit af komt - met de woorden: 'Parental warning. This book might shatter your child's belief in the fucking Decembersaint from Spain.' Krijgen we misschien een beetje aandacht. En omdat kerst en Sinterklaas er alle twee in voorkomen, stel ik deze wervende kreet voor Het Ultieme Decemberboek. Eerst maar eens aan hoofdstuk vijf beginnen.

In zak en as

Ik ben mijzelf niet vandaag,
ik ben somber zonder pijn.
Ik denk dat zeker duizend mensen,
desgevraagd,
Sjoerd Kuyper willen zijn.
Dat zou ik ook graag wensen
als ik mijzelf niet was.

Laat ik maar eens proberen om morgen verder te schrijven. Ga ik nu Ajax-Sparta kijken. Als ze maar niet spelen zoals ik schrijf.