zaterdag 8 december 2018

Soetan Sjahrir -- 9 december 1934

• Soetan Sjahrir (1909-1966), was een Indonesisch politicus en de eerste premier van dat land. Hij speelde een grote rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In 1934 werd hij gerarresteerd. Hij doet verslag van zijn gevangenschap en verbanning in een dagboek, dat is gepubliceerd als Indonesische overpeinzingen.

29 Maart 1934.
- Al een maand zit ik nu achter de tralies, maar ik ben nog steeds even wijs: ik weet nog steeds niet, waarvoor ik eigenlijk in hechtenis ben gesteld. Ze hebben het mij bij de inhechtenisneming niet verteld. Het enige wat ik weet is dat het iets met de P.N.I. [Pendidikan Nasional Indonesia]) te maken heeft, maar wàt is voorlopig nog een geheim voor mij.
[...]

9 Dec. 1934.
- Het besluit, gedateerd 16 November, is gevallen: Digoel. Dus toch Digoel. Het heeft mij een beetje verrast, maar dat ligt natuurlijk aan mijn naïeveteit. De conclusie luidt: ‘Wegens haatzaaien en gevaar voor de openbare rust en orde krachtens Art. 37 Indische Staatsregeling en in overeenstemming met den Raad van Indië aangewezen tot verblijfplaats de hoofdplaats van de tijdelijke onder-afdeeling Boven-Digoel, afdeeling Amboina, Gouvernement der Molukken’. Er is dus geen concrete beschuldiging, geen spreek- of pers-delict; iets feitelijks hebben ze me niet ten laste kunnen leggen. Ik had dan ook gedacht, dat ik hoogstens een ‘derde klassen’-verbanning waard zou zijn, bijvoorbeeld naar Timor of iets dergelijks. Maar onder de vijf anderen, die tegelijk met mij zijn verbannen naar Digoel, zijn er zeker wel twee, die het nog minder hebben verdiend dan ik. Het is dus nu beslist en het heeft een einde gemaakt aan de periode van twijfel en innerlijke worsteling of dit alles wel verantwoord was tegenover hen, die ik nu achter moet laten.

Het besluit heeft mij als het ware geholpen om weer boven het persoonlijke uit te komen, tot het grotere. Waarvoor dient dit alles, waarom het leed dat ik hun die ik lief heb, moet berokkenen? Alleen, omdat ik mijn volk wilde dienen. Zo het als een fout ten opzichte van mijn gezin moet worden beschouwd is het alleen, omdat ik mijzelf in staat achtte aan beide eisen te voldoen, die van het werken voor mijn volk en die, welke mijn gezin stelde. Aan de twijfel, de ellende, die mij dit deze laatste twee jaren heeft gekost, is nu een eind gekomen, nu wil en mag ik er niet meer over denken. Het was alsof ik aan mijn volk herinnerd werd, toen ik het verbanningsbesluit ontving, aan alles wat mij aan het lot, het leed van dit millioenenvolk bindt. Is onze persoonlijke smart ten slotte niet maar een heel klein deel van dat grote, algemeene leed, is niet juist dit leed onze innigste, sterkste band? Juist nu ik misschien voor goed afstand zal moeten doen van het liefste en mooiste wat er voor mij op deze wereld bestaat, juist nu voel ik mij hechter verbonden aan mijn volk, heb het meer lief dan ooit. Wij hebben elkaar zo vaak niet begrepen, dat volk en ik. Ik was voor mijn volk vaak te abstract, te ‘westers’, buiten zijn bevattingsvermogen, en zij waren voor mij vaak te traag, maakten mij wanhopig door hun onwil en wanbegrip, kwaad en ongeduldig door hun kleine gebreken. Zij vervulden mij soms zelfs met bitterheid, maar hun lot en mijn levensdoel zijn één; wij waren en blijven verbonden. Nu dit - de ontbinding, verwoesting van mijn persoonlijk geluk, afstand van de mijnen - voor dit volk van mij geëist wordt, nu verdwijnen al mijn grieven, nu blijft alleen nog mijn gevoel van saamhorigheid en mijn verbondenheid aan dit diepgezonken volk van mij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten