zondag 30 april 2017

Arthur Japin -- 29 april 2004

Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2000-2007 zijn gepubliceerd als Zoals dat gaat met wonderen.

April 2004
‘Het enige waar ik weleens een boek voor gebruik,’ zegt de jongen die onze nieuwe boekenkasten schildert, ‘is om mijn reet mee af te vegen als mijn wc-papier op is.’ Hij bedoelt het niet onvriendelijk, hij meent het. Hij is een van die mensen die hun leven rond hun vijfentwintigste voltooid hebben. Ze weten wat ze van alles vinden en het geeft hun rust te denken dat alles nu een plaats heeft en een waarde en dat daaraan nooit meer getornd zal hoeven worden. Onze jonge schilder is bang voor boeken en alles waar ze voor staan. Hij voelt zich erdoor geïntimideerd en vraagt zich af wat hij misdaan heeft om deze klus te krijgen in een huis vol schrijvers en uitgevers. Zijn ongemak bezweert hij met een grapje over toiletpapier. Ik zeg hem dat hij bij nader inzien toch niet kan volstaan met het gronden en schilderen van iedere plank, maar dat hij ze daarna ook nog eens stuk voor stuk zal moeten aflakken, alle drieëntachtig.

vrijdag 28 april 2017

Albert Helman -- 28 april 1955

Albert Helman (1903-1996) was een Nederlandse schrijver. In 1955 trok hij naar de binnenlanden van Suriname. Zijn reisjournaal van die tocht is gepubliceerd als Het eind van de kaart.

Donderdag
[...] Het spreekt vanzelf dat ik de nodige schrammen en steken heb opgelopen. Het was onvermijdelijk. Ik ben echter niet de enige geweest die bij terugkomst in het kamp onze Rode-Kruiskist heeft aangesproken, hoewel pas als vóórlaatste, vóór Bob. Ik ben er nog genadig van afgekomen vergeleken met onze arme Asaprà, een goedlachse slankerd van een bosneger, die door een slang gebeten werd, - het onherroepelijke sein om te stoppen en terug te gaan.
Natuurlijk eerst algemene consternatie midden in het bos. Asaprà, begreep ik, had met een onmiddellijke reflex de slang door zijn ruggewervel gekapt, nog eer hij zich er goed en wel rekenschap van gegeven had dat hij op het vermoedelijk half-slapende ondier getrapt had en door de gestoorde slang in zijn voet gebeten was. Toen ik ze, op het alarmerend luid gepraat af, had ingehaald, had het groepje reeds vastgesteld dat de bijna anderhalve meter lange, nu al aan moten gehakte slang een ‘owroekoekoe-sneki’ [Bothrops atrox, groefkopadder] was. In Suriname weet zelfs een kind dat zijn beet meestal dodelijk is; tenzij er binnen enkele minuten goede maatregelen getroffen worden of... de gewonde in het preventieve bezit is van een ‘koti’, een bezweringsmiddel in je body, aan de twijfelachtige effectiviteit waarvan bijna iedereen hier gelooft, - behalve de doktoren dan en de blanken, de betweters.
Onder de arbeiders was al een dispuut gaande of Asaprà al dan niet een goede ‘koti’ in zijn lijf had, nog betrouwbaar en weet-ik-veel. Want anders... Ik was mij op dat ogenblik er maar al te zeer van bewust wat dit ‘anders’ te betekenen had: met de scherpste houwer (het kapmes) de gebeten plek diep uitsnijden, of als de beet vóór aan de voet is, de getroffen teen radicaal afkappen. Ik kende zelf een paar voorbeelden uit het verleden, verminkte mannen ten gevolge van een slangebeet.
De deliberatie rondom onze wat vaal weggetrokken Asaprà - op de grond gezeten keek hij met een vreemde grijns omhoog - werd bars afgebroken door Bobs commando: ‘Een dik koord of een dunne liaan! Geef hier! Twee stevige stokjes!’
In een oogwenk had hij een tourniquet om het been van Asaprà gelegd en flink aangedraaid. Zowel hem als zijn nu op de ellebogen steunende patiënt stonden dikke zweetdruppels op het voorhoofd. Mal, dat je juist zo'n bijkomstigheid zo duidelijk bijblijft. Net als het strakke gezicht van Bob tijdens deze hele episode.
Wijze woudloper! In een blikken doos die hij uit zijn broekzak haalde, zaten een paar ampullen slangebeetserum en een kleine injectiespuit, - niet langer iets onbekends onder de bosnegers. Ze zijn verzot, zou je kunnen zeggen, op inspuitingen; ze gelóven eraan, meer dan aan tabletjes of capsules.
‘Bak'a koti eh... A go doe boen,’ stelden ze vast. ‘Een “koti” van de blanken... zal vast wel helpen.’ Onderwijl zat de patiënt zwaar te ademen, zonder verder een kik te geven. Hij liet een diepe zucht en leek wat opgelucht na de tweede inspuiting. Bob was het kennelijk ook.
Daarna nog even rust maken, Asaprà een slok uit mijn platte whiskyfles, tourniquet wat losser, - riskeren maar. Het snelverband dat ik hem aanbracht op de getroffen plaatstevoren even met een zakmes ingesneden om het flink te laten uitbloeden - bekeek hij met een skeptische oogopslag alsof hij zeggen wou: ‘Wat doe je nu nog voor overbodigs...’ Maar tegen Bob zei hij wel, toen hij opstond om naar het kamp terug te strompelen: ‘Danki meneri.’
Het was een goede les in ‘beheerste doodsangst’, die hele houding van zo'n in acuut levensgevaar verkerende Djoeka, bedacht ik onderweg. Geen stoïcisme dit, maar denkelijk een uit een nog onbedorven biologische conditie wellende aanvaarding van het noodlot, of liever: een intimiteit met het noodlot. Geen bravoure, geen machismo tegenover de dood, zoals ik in Mexico niet zonder gruwen ben tegengekomen, maar vrees zonder paniek; een hoogst natuurlijke angst, maar zonder verzet. Het is de westerling die zinloos tegenspartelt; ofschoon hij - dat moet ik toegeven - met kennis, met know-how tracht aan te vullen wat hij aan evenwichtige biologische conditionering, aan natuurlijke wijsheid is kwijtgeraakt. Wij zijn allemaal kind van onze prehistorie; ieder op onze beurt hebben wij vandaag elkaar aan te vullen en bij te staan.
Ik liep op de terugweg in de voorhoede, maar toch achter een van de ‘kappers’ aan, en op een gegeven moment hoorde ik hem voor zich uit neuriën: ‘Sonfowroe eh... Aaaai-ai-ai, Sonfowroe koni eh...’ Een tribuut aan Bob en aan zijn ‘koni’ (kennis en kunde).
Met dat al voel ik me vandaag toch ook aardig verfomfaaid. Mijn kleinere ellende bleef gisteravond nog verdrongen door de grotere van Asaprà. De thermometer die we hem onder de tong staken wees toen geen noemenswaardige verhoging aan en vanmorgen evenmin. Integendeel, nu zit hij alweer te praten en te monkelen als altijd. Maar van de weeromstuit voel ik me nu, eerlijk gezegd, ellendig. Met behalve mijn opgezette poten nog iets straks binnen in mijn beide dijen erbij, en nu wél een wat pijnlijk gevoel in de liesstreek; kleine harde kliertjes waar je liever niet op drukken moet. Onzin... dat kan ook komen van al die tot bultjes gezwollen insektebeten boven en beneden mijn knieën. Gebrek aan antistoffen die mijn versteedste lichaam nog moet leren produceren, hoop ik maar. De bosnegers hebben geen last van de duizenden nauwelijks zichtbare ‘seer cleine dierkens’ in het bos, alleen van de onzichtbare, in hun bloedbaan en hun ingewanden. Een troost dat ik in ieder geval geen malaria onder de leden heb, noch filaria of een van die nare tropenziekten.

woensdag 26 april 2017

Friedrich Helms -- 27 april 1945

• Friedrich Helms (1883-1955) was "Bankdirektor bei der Deutschen Bank, Freimaurer, Sozialdemokrat". Aan het eind van de oorlog en de jaren daarna houdt hij een dagboek bij.

27. April 1945
Frühlingsmäßig war schon die Nacht, warm & heiter bricht der Freitag herein (27/4). Die Bäume und Sträucher blühen in vollster Pracht, der Pfirsichbaum kennt keine Grenzen & doch fiehlen alle seine zarten Rosablüten wenige Tage später dem Nachtfrost zum Opfer. Warum schützt die Natur nicht ihr eigenes Gebilde? Warum zerstört sie, was sich sie vorzeitig entstehen ließ? An der Gartenpforte standen plötzlich 2 verwegen aussehende Männer, die sich aber als harmlose & freundliche Kollegen uns[eres] Kindes aus der F[irma] Hell erwiesen und mit Freuden zum Teller Hafersuppe gebeten wurden. Sie kamen aus der Gegend hinter Potsdam, fest im Schuhwerk, ein großes Brot unterm Arm und derbes Zeug auf dem Leibe. Ihre Absicht war, den Russen aus dem Wege zu gehn, sich zum Westen durchzuschlagen und lieber den, wie sie meinten, anrückenden Amerikanern zu begegnen. Wir haben, glaube ich, redlich geschwankt, ob Hermann [Helms’ Tochter Elisabeth (Liesel; 1925-2004); sie wird fast ausnahmslos »Hermann« genannt] mitziehen sollte, aber eine ruhige Überlegung ließ diesen »Treck« nicht zu. So zogen die beiden heiter von dannen, wir haben häufig an sie gedacht. Das Plündern in der Nachbarschaft hält an. Gerüchte aller Art schwirren umher, teilweise mit fester Bestimmtheit {&} ich glaube nur, was ich selbst sehe & erlebe. Darüber muß sich aber einjeder klar sein: der Krieg ist verloren und kann auch nicht mehr durch die anscheinend in weiterer Umgegend immer noch kämpfenden kleineren Trupps gerettet werden. Also doch! Aus ist es [mit] meinem Wort: »Diesen Krieg verlieren wir nicht«. Es hat mich in Tagen der Krisen gestützt, um jetzt doch seine Wahrheit vollends zu verlieren. Das Wetter schlägt um. Beim Wasserholen am Sonnabend erfahre ich, daß auf dem Friedhof in einem Massengrab die neun deutschen Soldaten, die in der vorletzten Nacht bei der Notlandung eines großen Flugzeugs auf einem Wohnhaus in nächster Nachbarschaft ihr Leben verloren. Auch das 8jähr[ige] Kind einer zugereisten Hausbewohnerin kam dabei um. Nun liegen die 10 Leichen notdürftig mit {dem?} weißen Stoff von Fallschirmen im strömenden Regen auf dem Friedhof. Gemeinschaftlich hoben wir ein großes metertiefes Grab aus. Ich belege die Sohle mit grünem Kieferreisicht und dann geht es an die Bestattung der Soldatenleichen, unter denen auch die von 2 Offizieren sind. Insgesamt sollen in dem Flugzeug 19 Insassen gewesen, ein Teil geriet an Ort & Stelle verwundet in russ[ische] Gefangenschaft, ein Teil ist geflohen. Einige Leichen sind arg durch Verwundung entstellt. Ich helfe, jeden der einzelnen Toten über den Rand des Grabes hinüber in das Grab zu heben, decke über jeden Krieger Zweige, ziehe die Seide der Fallschirme darüber und dann schaufeln wir das Grab zu. Der anwesende kathol[ische] Geistliche spricht ein Gebet, wir wenden uns zu dem inzwischen beendeten Kindergrab, das in die Leiche des kleinen {Le…wald} aufgenommen hat & verharren auch hier im stillen Gebet. Dann lassen wir die Toten und ihren Hügel allein, während neue Wasserholer heranklappern, die Pumpe rastlos aufstöhnt und mancher kaum merkt, was sich hier in der letzten Stunde im Hintergrund der Gräberreihen abgespielt hat. Trübe wie der Tag begann, ging er zu Ende. Was in der Welt, was in Deutschland, ja in der nächsten Umgebung geschehen ist: wir wissen nichts. Wohl ziehen unsere Gedanken immer wieder weit hin zu all unseren Lieben, sie kreisen um den alten Kirchturm von Uelzen, aber keine Mitteilung, kein Lebenszeichen kommt von dort. Nur die Hoffnung nur das Vertrauen auf ein gütiges Geschick bleibt uns. Noch einen langen Blick sende ich durch die schöne Birkenallee des Friedhofs, den der abendliche Regen einlullt:
Über den Gräbern ruht es wie Segen,
Hüllend die Hügel in dünstigen Hauch,
Ruhe für viele, die schon am Ziele,
Drüben das Heldengrab Frieden fand auch.
Eine Woche des zwangsweisen Nichtstuns ist vorüber, der Sonntag hat seinen Reiz verloren.

Richard Grayson -- 26 april 1971

• De Amerikaanse schrijver Richard Grayson (1951) houdt al bijna zijn leven lang een dagboek bij. Fragmenten uit de jaren '70 staan hier online.

Monday, April 26, 1971
Neil Lefkowitz was on the Flatbush Avenue bus to BC this morning with me and he talked about the SDS’s own little demonstration in Washington. There are new demonstrations planned: nonviolent civil disobedience and such.

Ray and Lou are driving a van down to D.C. on Saturday, though I think too much of that sort of thing may be counterproductive.

Elspeth wasn’t speaking to me this morning. She had a different story about what went on in Washington than Shelli did, and she was angry that we told Aaron that she was no longer supporting him. I was upset by Elspeth, but as Gary said, consider the source.

Scott and Avis had a fantastic time spending the weekend together. Each of them separately told me that they really liked the other.

In Poli Sci, we discussed the Japanese political structure and the Liberal Democratic Party, and in Russian, Prof. Roberts lectured on Saltykov-Shchedrin. After class, I met Gary, Shelli and Ivan (wearing one of his more outlandish outfits), and we had lunch in the Faculty Dining Room.

Gary said he was stoned at Fort Dix all weekend on National Guard duty, and that Kjell, now that he’s been called up for basic training with the Reserves at Camp Campbell in Kentucky, is really depressed and withdrew from school for the term today. Later, I tried to call Kjell but he wasn’t home.

Ivan was his usual conceited self; even Shelli is getting tired of his attitude. She had to give a speech today, and I walked her to class beforehand. Then Joel collared me and asked me to take minutes at the Finance Committee budget meeting.

Dean Archie MacGregor spoke for the Office of Student Activities; Larry Eisenberg for Kingsman; Fred Horowitz for WBCR; and Bob for Student Government.

Joel and Bob are trying to eliminate the chaos of last term, but whenever you’re dealing with allocating this much money, you’re in trouble.

I couldn’t find Shelli after the meeting, so after I talked with Mason and Mikey, who are wavering in their support of Leon, I went home to do some schoolwork.

Shelli called later, saying she’d spent a miserable afternoon with a talkative Timmy to get campaign leaflets from the printer in Williamsburg. After she came over, we took a drive to Rockaway.

Back in my bedroom, we almost went all the way tonight, but she cried out in pain when I thrusted too deeply. It was still “the best thing we’ve done,” she said, and I agreed.

She’s teasing me by saying she has a crush on Evan now.

maandag 24 april 2017

Cosima Wagner -- 25 april 1878

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner.

25 april 1878 Rond de middag ontvangen we het nieuwe boek van onze vriend Nietzsche [Menschliches, Allzumenschliches; Ein Buch für freie Geister] – ik blader het even door, maar het staat me al meteen tegen. R. meent dat hij de auteur een goede dienst bewijst – waarvoor deze hem later dankbaar zal zijn – als hij het niet leest. Mij dunkt dat er veel woede en verbittering in steekt, en R. moet hartelijk lachen als ik hem zeg dat, als er iemand is die de Geburt der Tragödie niet zou hebben begrepen, dat het dan de in dit werk zo gevierde Voltaire is.

27 april 1878 We hebben ons heilig voorgenomen het boek van Nietzsche niet te lezen, een boek waarvan de curiositeit maar al te pervers in het oog springt.

29 april 1878 Het valt ons zwaar om niet af en toe te praten over het trieste boek van onze vriend N., hoewel we de inhoud op grond van enkele fragmenten eerder vermoeden dan werkelijk kennen!

30 april 1878 R. had een goede nacht. Het beklagenswaardige boek van N. is voor hem een aanleiding mij toe te roepen: ‘Wij blijven elkaar trouw.’

30 mei 1878 Tijdens de koffie komt hij [R. Wagner] terug op prof. Nietzsche en zijn boek, dat hem zo onbeduidend voorkomt, terwijl het gevoel dat eraan ten grondslag ligt, zo boosaardig is.

24 juni 1878 R. leest wat in het boek van Nietzsche en verbaast zich over de pretentieuze alledaagsheid. ‘Ik heb het idee, dat de omgang met Rée hem beter bevalt dan die met mij.’ En als ik opmerk dat dit boek in vergelijking met N.’s eerdere werken slechts reflexen bevat, en dat deze niet van binnenuit komen, zegt hij: ‘Het zijn nu alleen nog maar Réekleckse!’ [letterlijk vertaald Rée-vlekken, woordspeling op reflexe]

25 juni 1878 R. had een goede nacht; hij gaat met de kinderen en de honden in de kasteeltuin wandelen en begeeft zich vervolgens met het boek van prof. Nietzsche, dat hem vanwege zijn laag allooi danig tegen de borst stuit, ter ruste. 26 juni 1878 [...][R.] maakt met de kinderen zijn gebruikelijke wandeling naar de fontein; dan leest hij verder in Prof. N. [...] ’s Avonds grasduinen we wat in het bedroevende boek van N. (‘het is een twijfelachtige eer, ooit door deze man te zijn geprezen!’).

27 juni 1878 Het boek van N. verleidt R. tot de boude bewering: ‘Inderdaad, kunst en religie zijn slechts het overgebleven staartbeen van de aap in de mens, het rudiment van een oude cultuur!’

28 juni 1878 R. ligt te rusten en leest N., terwijl ik de kinderen les geef.

29 juni 1878 De kuur vermoeit hem [R.] zeer, hij klaagt over oorsuizingen. Ik betreur het dat hij niettemin in dat inferieure boek van N. blijft lezen, hoewel hij beweert dat het hem niets doet. [...]

21 juli 1878 R. heeft in alle vroegte onafgebroken aan zijn opstel [‘Publikum und Popularität’] gewerkt, en met veel plezier; hij zegt dat hij Nietzsche onder handen neemt, maar op een zodanige manier dat iemand die niet volledig is ingewijd, er niets van merkt.

zondag 23 april 2017

Augustus Henry Irby -- 23 april 1860

Augustus Henry Irby (1808-1861) was een Britse legerofficier. Hij schreef The Diary of a Hunter from the Punjab to the Karakorum Mountains, over een tocht die hij maakte.

23rd April. To Chungir-ke-Serai—a long and tedious march, the path leading over rocks which hedge in the river, on turning an angle of which I overtook Abdoolah, who had preceded me with the breakfast things, standing gazing back in my direction. I told him it was not yet time for breakfast, supposing that to be his meaning, when he pointed upwards, and, suspended from the projecting limb of a tree, some little way up the hill shutting in the river, hung the still-mouldering body of a man, his lower limbs still in his clothes, the ghastly face denuded of flesh, yet with a matted felt of hair straggling here and there over the glistening bones, grinning horribly down upon us.

This wretch, it appeared, had in the most treacherous, barbarous, and cowardly manner murdered an old man and child, close to the spot where he expiated his crime. Being a sort of rural policeman in the employ of the Maharajah, he was armed with a sword, which, of course, excited no suspicion in his victims, whom he joined on the road as they journeyed from Nowshera, and ascertaining that they possessed a few rupees' worth of property, the miserable caitiff, yielding to the suggestions of the Tempter, cut them down, and threw their bodies into the river. Suspicions followed their disappearance: other circumstances pointed to this man, who was arrested, and confessing his guilt was executed where the bloody deed was committed.

I left this gloomy spot full of reflections of the most depressing nature: but with that rapidly revolving mental process, which so soon exchanges our train of thought, I was soon almost as though the repulsive object had not been met with.

I soon afterwards arrived at a pool, where I proposed stopping to breakfast, and also to fish, having in this pool, when passing last year, whilst occupying a seat on a rock overhanging it, observed some monstrous great fish basking; for it was a scorching hot day, and the sun at high meridian at the time.

I tried the 'atta' bait—merely paste made very adhesive—but without more than one or two nibbles which came to nothing: so knocked off and comforted the inner man. While so employed, came by a 'gent' riding, whom I saluted. I knew him to be in my rear, proceeding to join the Trig. survey party which was before me some days: asked him to dinner, and he accepted.

Arrived at Chungir-ke-Serai, an old Akbar serai, on the top of a hill overhanging the river—a fine view of the snowy range—the features of the country rough, but picturesque. I tried fishing again without success: enjoyed a cool swim: returned and had to wait about three-quarters of an hour for my guest, although he was close at hand, and I sent to him two or three times. But, lo! he at length appeared, got up rather considerably, quite abashing me, who was sitting in a flannel shirt and corresponding nethers. We had a pleasant chat together. He informed me that he had never been out of India, was born in the country, and educated at Landour, whence he was appointed direct to the Survey department. I do not know his name.

zaterdag 22 april 2017

Onno Bosma / Ella Vogelaar -- 22 april 2008

• Ella Vogelaar (1949) was in 2007-2008 Minister voor Wonen, Wijken en Integratie in het kabinet Balkenende IV. Met haar partner Onno Bosma hield ze een soort gezamenlijk dagboek bij, dat later gepubliceerd werd als Twintig maanden knettergek. Ze zal vooral herinnerd worden door haar akkefietje met Rutger Castricum van GeenStijl, zie hieronder.

DINSDAG 22 APRIL 2008 - (GeenStijl)
Het publieke oordeel over je ministerschap wordt snel negatiever. Dat Istha tegen jouw zin is benoemd ter ondersteuning van Jacqueline, sneeuwt helemaal onder. In NRC Handelsblad staat een cartoon in de serie Worst Kees Scenario's in de vorm van een nieuw blad Ella met op het omslag een 'door Istha verzorgde' make-over van je gezicht. Erg mooi gedaan, ik laat de plaat in de copyshop vergroten en hang hem ingelijst aan de muur. Mooi, maar ook tekenend voor de stand van zaken. Verder is er opwinding 'op de Haagse postzegel' (jouw woorden) over een filmpje van GeenStijl. Een ploeg van deze ordisite wachtte je vorige week op tijdens een bezoek aan een park in Utrecht. Je kreeg hatelijke vragen over Istha en koos ervoor geen antwoord meer te geven toen hij bleef doorzuigen, na een paar keer te hebben gezegd dat je geen spindoctor hebt. Je bleef daarbij onbewogen in de lens kijken. Niet op reageren, Lena. Dapper geprobeerd, maar het komt over alsof je helemaal dichtklapt en dus pakt het verkeerd uit. Je krijgt er veel kritiek op. Toen Muike gisteravond thuiskwam begon ze er meteen over: mensen op haar werk en haar zonen, beiden journalist, hadden bezorgd gebeld over 'hoe erg' dit was. Ik zei venijnig dat ik het helemaal niet over deze onzin wilde hebben. Toen ze volhield dat sites als deze tot de jeugdcultuur behoren en dat je je daar als minister mee moet verhouden - wat natuurlijk waar is - werd ik boos. Later hebben we het uitgepraat.

Tijdens de wijkbezoeken, gisteren in Eindhoven, valt er niets te merken van de scepsis: waardering alom. Maar je ervaart er ook hoe stroperig de relaties tussen de instanties zijn die de verbeteringen moeten realiseren. Jarenlang overlast van een groep jongeren, vier of vijf instellingen die het probleem kennen en niet in staat tot een effectieve aanpak. 'Iemand moet dan de kop nemen. En die ontbreekt dan.' Je zegt het vlak voor we inslapen. 'Ik kan dat natuurlijk niet zelf doen. Ik kan alleen maar zeggen dat het moet gebeuren.' Inderdaad El, de wereld is niet erg maakbaar, zelfs niet voor een minister. En dat besef kan zo nu en dan zwaar drukken.