20 februari 1919
Mijn geliefde vrouw bracht de nacht hier door en ging 's morgens terug naar Brighton. 'Voel je mijn hart op mijn lippen?' 'Lief, ik houd van je,' en haar tranen druppelden in mijn baard.
Twee arme mensenkinderen, in de greep van een groot verdriet. Ze trilde door de pijn van het moment, deinsde even terug en wierp zich toen weer aan mijn borst. Ik zat bewegingloos in mijn stoel. Bij de gedachte aan mijn sterven voegt zich altijd het verlangen te weten wat er daarna gebeurt. Ik wil op mijn eigen begrafenis zijn, zien wie erbij aanwezig zijn, zien wie er bedroefd zijn, zien of ze een traan plengen, zien wat voor uitvaartdienst het wordt etc. O, wat zou ik graag dood zijn, en vergeten.
W.N.P. Barbellion (1989-1919) was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings, een Britse natuurvorser. Hij overleed aan multiple sclerose. Zijn dagboeken worden nog steeds gelezen.
Vertaling: Harry Oltheten
donderdag 20 februari 2014
zondag 16 februari 2014
P.J.M. Aalberse -- 17 februari 1921
donderdag 17 februari 1921
Welk een drukke dagen en weken heb ik achter den rug! Gelukkig gaat alles naar wensch. Elken dag drie of vier conferenties, de interpellatie-Van den Tempel in de Tweede Kamer, de behandeling der woningwetten in de Eerste Kamer, enz.
Donderdag 10 februari mijn eerste diner bij de koningin gehad. ’t Was groot gala. In ’t geheel 38 gasten, de ministers, de voorzitters van den Raad van State, Eerste en Tweede Kamer, Rekenkamer, Hoogen Raad, commissaris der koningin in Zuid-Holland, burgemeester van ’s-Hage, de procureur-generaal van den Hoogen Raad en verder heeren en dames van de hofhouding. Tegen zeven uur kwamen we binnen. We werden ontvangen door eenige heeren en dames der hofhouding. Toen we compleet waren, kwamen de koningin en de prins binnen. We stonden in de officieele volgorde. Koningin en prins gaven allen de hand, met een ‘Goedenavond, meneer die of die.’ Toen gingen de koningin en de prins gearmd voorop en wij volgden. Het diner was in de galerijzaal. De tafel zag er schitterend uit, met drie groote koperstukken, gevuld met prachtige dubbele roode tulpen. Ik zat schuin tegenover de koningin. Links van mij König, rechts De Savornin Lohman, voorzitter van den Hoogen Raad; tegenover mij graaf Dumonceau en een der hofdames. Als me ooit iets is meegevallen, dan dit diner. De toon was ongedwongen, het diner en de wijnen waren uitstekend. Na het diner werd in de roode zaal de koffie met likeuren gediend. De koningin bewoog zich ongedwongen onder haar gasten. Eerst sprak ze Van Karnebeek aan. Toen liep ze dwars de zaal door en kwam op mij af.
‘U hebt ’t druk in de Kamer gehad … o neen ik vergis me, de minister van Koloniën is er deze week geweest.’
‘Zeker, majesteit, maar ik krijg ’t druk: morgen heb ik een interpellatie over de werkloosheid; ik zal dan nog eens repeteeren, wat ik voor eenige dagen Uwe Majesteit meedeelde over den toestand; ik heb sindsdien nog nadere gegevens gekregen.’
‘Dat is een goed idee. Ik zal morgenavond ’t kort verslag goed lezen, om eens te zien, wat u gezegd hebt.’
Toen vroeg ik of zij ’t bericht al had gelezen, dat ik, wegens heerschen van vlektyphus in Weenen, de komst van kinderen nu stop had kunnen zetten. Toen keek ze mij heel ondeugend aan en zei: ‘Wat zult u nu blij zijn, dat u eindelijk uw zin hebt gekregen!’ Lachend maakte zij een buiging en ging toen naar een ander. Zoo kreeg ieder zijn beurt. Ook de prins praatte geruimen tijd met mij, als naar gewoonte zeer sjoviaal. Hij begon: ‘U zult me nu wel niet meer zoo’n vervelende kerel vinden, ik ben in geen jaar meer bij u geweest om iemand aan te bevelen!’ Ik zei lachend, dat ik hem nooit zóó gevonden had en dat ’t mij ’n eer zou zijn, hem in mijn eigen departement te mogen ontvangen. Hij zou eens komen kijken. (Den volgenden dag belde hij me al op: ‘Nu moet ik u toch weer plagen!’ Hij moest weer iemand aanbevelen!)
Om half tien was ik weer thuis. Ik verkleedde me spoedig, want twee tasschen met gegevens stonden op me te wachten, voor mijn rede ter beantwoording van de interpellatie. Ik heb tot over eenen zitten werken, en toen was mijn rede klaar.
Vrijdag 11 februari de interpellatie-Van den Tempel. Ik sprak ruim anderhalf uur. Daarna lieten zich dertien sprekers inschrijven. Zaterdag heb ik in Den Bosch een vergadering van de Katholieke Illustratie bijgewoond. De trein was meer dan een uur te laat. ’t Was half twaalf toen ik thuis kwam! Zondag kon ik weer aan de interpellatie werken; maandag was ik geheel bezet; en dinsdag één uur stond ik weer in de Tweede Kamer. ’t Duurde tot ’s nachts over twaalf! Dat was wel zielig: toen ’t twaalf uur was, keek ik op de klok: mijn Liesje werd 50 jaar, en … ik was niet thuis! Even half een kwam ik thuis. Gauw naar boven om haar te feliciteeren!
Om half tien moest ik naar mijn departement, want om elf uur moest ik in de Eerste Kamer zijn, waar de vier woningwetten aan de orde waren. Ik heb bijna geen tijd gehad, me daar eenigszins op te prepareeren. Toch is ’t goed gegaan.
Vandaag heb ik een goed uur gesproken. Van de felle oppositie in de voorloopige verslagen was maar een zwakke weerklank te hooren geweest. Ik was goed op dreef, niettegenstaande we gisteren Lize’s verjaardag goed gevierd hadden! – ’t Debat is nog niet afgeloopen, morgen voortzetting.
Vandaag de sterfdag van onze lieve Gukie! Ik kon vanmorgen niet naar de kerk gaan, maar morgen zullen we dat doen ter harer intentie. ’t Is ’n drukke tijd, maar aan Gukie denk ik toch!
Piet Aalberse (1871-1948) was een Nederlandse katholiek politicus. Hij hield van 1891-1947 een dagboek bij.
Welk een drukke dagen en weken heb ik achter den rug! Gelukkig gaat alles naar wensch. Elken dag drie of vier conferenties, de interpellatie-Van den Tempel in de Tweede Kamer, de behandeling der woningwetten in de Eerste Kamer, enz.
Donderdag 10 februari mijn eerste diner bij de koningin gehad. ’t Was groot gala. In ’t geheel 38 gasten, de ministers, de voorzitters van den Raad van State, Eerste en Tweede Kamer, Rekenkamer, Hoogen Raad, commissaris der koningin in Zuid-Holland, burgemeester van ’s-Hage, de procureur-generaal van den Hoogen Raad en verder heeren en dames van de hofhouding. Tegen zeven uur kwamen we binnen. We werden ontvangen door eenige heeren en dames der hofhouding. Toen we compleet waren, kwamen de koningin en de prins binnen. We stonden in de officieele volgorde. Koningin en prins gaven allen de hand, met een ‘Goedenavond, meneer die of die.’ Toen gingen de koningin en de prins gearmd voorop en wij volgden. Het diner was in de galerijzaal. De tafel zag er schitterend uit, met drie groote koperstukken, gevuld met prachtige dubbele roode tulpen. Ik zat schuin tegenover de koningin. Links van mij König, rechts De Savornin Lohman, voorzitter van den Hoogen Raad; tegenover mij graaf Dumonceau en een der hofdames. Als me ooit iets is meegevallen, dan dit diner. De toon was ongedwongen, het diner en de wijnen waren uitstekend. Na het diner werd in de roode zaal de koffie met likeuren gediend. De koningin bewoog zich ongedwongen onder haar gasten. Eerst sprak ze Van Karnebeek aan. Toen liep ze dwars de zaal door en kwam op mij af.
‘U hebt ’t druk in de Kamer gehad … o neen ik vergis me, de minister van Koloniën is er deze week geweest.’
‘Zeker, majesteit, maar ik krijg ’t druk: morgen heb ik een interpellatie over de werkloosheid; ik zal dan nog eens repeteeren, wat ik voor eenige dagen Uwe Majesteit meedeelde over den toestand; ik heb sindsdien nog nadere gegevens gekregen.’
‘Dat is een goed idee. Ik zal morgenavond ’t kort verslag goed lezen, om eens te zien, wat u gezegd hebt.’
Toen vroeg ik of zij ’t bericht al had gelezen, dat ik, wegens heerschen van vlektyphus in Weenen, de komst van kinderen nu stop had kunnen zetten. Toen keek ze mij heel ondeugend aan en zei: ‘Wat zult u nu blij zijn, dat u eindelijk uw zin hebt gekregen!’ Lachend maakte zij een buiging en ging toen naar een ander. Zoo kreeg ieder zijn beurt. Ook de prins praatte geruimen tijd met mij, als naar gewoonte zeer sjoviaal. Hij begon: ‘U zult me nu wel niet meer zoo’n vervelende kerel vinden, ik ben in geen jaar meer bij u geweest om iemand aan te bevelen!’ Ik zei lachend, dat ik hem nooit zóó gevonden had en dat ’t mij ’n eer zou zijn, hem in mijn eigen departement te mogen ontvangen. Hij zou eens komen kijken. (Den volgenden dag belde hij me al op: ‘Nu moet ik u toch weer plagen!’ Hij moest weer iemand aanbevelen!)
Om half tien was ik weer thuis. Ik verkleedde me spoedig, want twee tasschen met gegevens stonden op me te wachten, voor mijn rede ter beantwoording van de interpellatie. Ik heb tot over eenen zitten werken, en toen was mijn rede klaar.
Vrijdag 11 februari de interpellatie-Van den Tempel. Ik sprak ruim anderhalf uur. Daarna lieten zich dertien sprekers inschrijven. Zaterdag heb ik in Den Bosch een vergadering van de Katholieke Illustratie bijgewoond. De trein was meer dan een uur te laat. ’t Was half twaalf toen ik thuis kwam! Zondag kon ik weer aan de interpellatie werken; maandag was ik geheel bezet; en dinsdag één uur stond ik weer in de Tweede Kamer. ’t Duurde tot ’s nachts over twaalf! Dat was wel zielig: toen ’t twaalf uur was, keek ik op de klok: mijn Liesje werd 50 jaar, en … ik was niet thuis! Even half een kwam ik thuis. Gauw naar boven om haar te feliciteeren!
Om half tien moest ik naar mijn departement, want om elf uur moest ik in de Eerste Kamer zijn, waar de vier woningwetten aan de orde waren. Ik heb bijna geen tijd gehad, me daar eenigszins op te prepareeren. Toch is ’t goed gegaan.
Vandaag heb ik een goed uur gesproken. Van de felle oppositie in de voorloopige verslagen was maar een zwakke weerklank te hooren geweest. Ik was goed op dreef, niettegenstaande we gisteren Lize’s verjaardag goed gevierd hadden! – ’t Debat is nog niet afgeloopen, morgen voortzetting.
Vandaag de sterfdag van onze lieve Gukie! Ik kon vanmorgen niet naar de kerk gaan, maar morgen zullen we dat doen ter harer intentie. ’t Is ’n drukke tijd, maar aan Gukie denk ik toch!
Piet Aalberse (1871-1948) was een Nederlandse katholiek politicus. Hij hield van 1891-1947 een dagboek bij.
Virginia Woolf -- 16 februari 1941
Sunday 16 February
In the wild grey water after last weeks turmoil. I liked the dinner with Dadie best. All very lit up & confidential. I liked the soft grey night at Newnham. We found Pernel in her high ceremonial room, all polished & spectatorial. She was in soft reds & blacks. We sat by a bright fire. Curious flitting talk. She leaves next year.
Then Letchworth — the slaves chained to their typewriters, & their drawn set faces, & the machines — the incessant more & more competent machines, folding, pressing, glueing & issuing perfect books. They can stamp cloth to imitate leather. Our Press is up in a glass case. No country to look at. Very long train journeys. Food skimpy. No butter, no jam. Old couples hoarding marmalade & grape nuts on their tables. Conversation half whispered round the lounge fire. Eth Bowen arrived two hours after we got back, & went yesterday; & tomorrow Vita; then Enid; then perhaps I shall re-enter one of my higher lives. But not yet.
Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij.
In the wild grey water after last weeks turmoil. I liked the dinner with Dadie best. All very lit up & confidential. I liked the soft grey night at Newnham. We found Pernel in her high ceremonial room, all polished & spectatorial. She was in soft reds & blacks. We sat by a bright fire. Curious flitting talk. She leaves next year.
Then Letchworth — the slaves chained to their typewriters, & their drawn set faces, & the machines — the incessant more & more competent machines, folding, pressing, glueing & issuing perfect books. They can stamp cloth to imitate leather. Our Press is up in a glass case. No country to look at. Very long train journeys. Food skimpy. No butter, no jam. Old couples hoarding marmalade & grape nuts on their tables. Conversation half whispered round the lounge fire. Eth Bowen arrived two hours after we got back, & went yesterday; & tomorrow Vita; then Enid; then perhaps I shall re-enter one of my higher lives. But not yet.
Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij.
Cornelis Rijnsdorp -- 15 februari 1941
15 februari 1941
‘Sometimes I'm up, sometimes I'm down’ (negro-spiritual); of laat ik iets vollediger citeren:
Sometimes I'm up, sometimes I'm down,
Oh yes Lord,
Sometimes I'm nearly to the ground,
Oh yes Lord.
De gemoedsstemmingen van een jonge bekeerling, magistraalprimitief weergegeven. De poëzie zit in de feiten. Wanneer de poëzie de feitelijke basis loslaat, vervalt ze in het absurde. Men kan ook zeggen dat de dichter moet spreken uit een grote overvloed. Ze lichten een tipje van de sluier op en dat werkt ongelofelijk suggestief. De overvloed kan zó groot zijn, dat de schaarse woorden vanzelf de magische kracht van poëzie aannemen. De enorme spanning heeft de woorden poëtisch geladen. Hoe arm lijkt daartegenover stemmings-poëzie, die uit duizend kleine stukjes is samengesteld.
De romanticus maakte capriolen in de onderbewuste zekerheid, dat de wereld in rust bleef. Tegenover een wereld die capriolen maakt, dient men onromantisch rustig te blijven.
Als de mens goed is, moet God wel boos zijn.
Er zijn twee dingen die mij troosten: dat de tijd voortgaat buiten en in mij.
Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) was een Nederlands schrijver en recensent. Van 1940 t/m 1950 hield hij een 'literair dagboek' bij.
‘Sometimes I'm up, sometimes I'm down’ (negro-spiritual); of laat ik iets vollediger citeren:
Sometimes I'm up, sometimes I'm down,
Oh yes Lord,
Sometimes I'm nearly to the ground,
Oh yes Lord.
De gemoedsstemmingen van een jonge bekeerling, magistraalprimitief weergegeven. De poëzie zit in de feiten. Wanneer de poëzie de feitelijke basis loslaat, vervalt ze in het absurde. Men kan ook zeggen dat de dichter moet spreken uit een grote overvloed. Ze lichten een tipje van de sluier op en dat werkt ongelofelijk suggestief. De overvloed kan zó groot zijn, dat de schaarse woorden vanzelf de magische kracht van poëzie aannemen. De enorme spanning heeft de woorden poëtisch geladen. Hoe arm lijkt daartegenover stemmings-poëzie, die uit duizend kleine stukjes is samengesteld.
De romanticus maakte capriolen in de onderbewuste zekerheid, dat de wereld in rust bleef. Tegenover een wereld die capriolen maakt, dient men onromantisch rustig te blijven.
Als de mens goed is, moet God wel boos zijn.
Er zijn twee dingen die mij troosten: dat de tijd voortgaat buiten en in mij.
Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) was een Nederlands schrijver en recensent. Van 1940 t/m 1950 hield hij een 'literair dagboek' bij.
dinsdag 11 februari 2014
Jimmy Carter -- 12 februari 1977
7:19 The President went to his motorcade.
7:19 - 7:21 The President motored from the Carter residence to the Carter Peanut Warehouse.
8:27 - 9:52 The President participated in a walking tour of Plains, Georgia. Note: the President was accompanied by members of the press throughout his tour of Plains, Georgia.
8:27 - 8:31 The President walked from the Carter Peanut Warehouse to Turner's Hardware Store.
8:38 - 8:39 The President walked from Turner's Hardware Store to Walter' Grocery.
8:41 - 8:42 The President walked from Walter's Grocery to Hugh Carter's Antique Store.
9:05 - 9:10 The President walked from Hugh Carter's Antique Store to Plains Pharmacy.
9:20 - 9:21 The President walked from Plains Pharmacy to the U.S. Post Office.
9:28 - 9:33 The President walked from the U.S. Post Office to the Plains Depot.
9:52 - 9:54 The President motored from the Plains Depot to the Carter residence.
11:22 The President was telephoned by Orvill Freeman, U.S. Chairman of the U.S.-India Joint Business Council and former Secretary of Agriculture. The President's Assistant for National Security Affairs, Zbigniew Brzezinski took the call.
11:43 - 11:56 The President talked with Representative James C. Wright (D-Texas).
12:50 - 12:55 P The President talked with: Mrs. Lillian Carter; Chip Carter
1:45 The President and the First Lady went to their motorcade.
1:45 - 1:59 The President and the First Lady motored from the Carter residence to an arrowhead field.
The President and the First Lady looked for arrowheads.
2:47 - 3:08 The President and the First Lady motored from arrowhead field to the Carter farm
3:27 - 4:00 The President and the First Lady walked from the Carter farm to the Carter residence.
Jimmy Carter (1924) was de 39ste president van de USA. Tijdens zijn presidentschap werd er een diary bijgehouden van zijn bezigheden.
7:19 - 7:21 The President motored from the Carter residence to the Carter Peanut Warehouse.
8:27 - 9:52 The President participated in a walking tour of Plains, Georgia. Note: the President was accompanied by members of the press throughout his tour of Plains, Georgia.
8:27 - 8:31 The President walked from the Carter Peanut Warehouse to Turner's Hardware Store.
8:38 - 8:39 The President walked from Turner's Hardware Store to Walter' Grocery.
8:41 - 8:42 The President walked from Walter's Grocery to Hugh Carter's Antique Store.
9:05 - 9:10 The President walked from Hugh Carter's Antique Store to Plains Pharmacy.
9:20 - 9:21 The President walked from Plains Pharmacy to the U.S. Post Office.
9:28 - 9:33 The President walked from the U.S. Post Office to the Plains Depot.
9:52 - 9:54 The President motored from the Plains Depot to the Carter residence.
11:22 The President was telephoned by Orvill Freeman, U.S. Chairman of the U.S.-India Joint Business Council and former Secretary of Agriculture. The President's Assistant for National Security Affairs, Zbigniew Brzezinski took the call.
11:43 - 11:56 The President talked with Representative James C. Wright (D-Texas).
12:50 - 12:55 P The President talked with: Mrs. Lillian Carter; Chip Carter
1:45 The President and the First Lady went to their motorcade.
1:45 - 1:59 The President and the First Lady motored from the Carter residence to an arrowhead field.
The President and the First Lady looked for arrowheads.
2:47 - 3:08 The President and the First Lady motored from arrowhead field to the Carter farm
3:27 - 4:00 The President and the First Lady walked from the Carter farm to the Carter residence.
Jimmy Carter (1924) was de 39ste president van de USA. Tijdens zijn presidentschap werd er een diary bijgehouden van zijn bezigheden.
Carel de Vos van Steenwijk -- 11 februari 1784
Woensdag den 11 Febr
't Was deze dag zeer regenagtig weder. Wij lieten onze wagen die dag de rivier passeeren, alzo de boot maar eens heen en wederom kon gaan. 's Middags aten wij in ons logement. 's Avonds zoude hier een danspartij zijn. De heer Maclaine zond osn een briefje waarin ons verzogt om aldaar te adsisteeren en 's anderendaags bij hem te eeten. Dit laatste refuseerden wij, alzo meenden te vertrekken, dog 't eerste namen wij aan. Toen 't zevn uur was, kwamen er eenige heeren, maar dewijl 't regende konden er geen damers komen, alzo er geen rijtuigen in de plaats waren. De heeren resolveerden om de danspartij tot den volgenden dag uit te stellen en een partijtje te speelen, 't welk gedaan wierd, waarna wij hier iets soupeerden en wagten moesten totdat de heeren zig geretireerd hadden, alzo van onze kamer gebruijk gemaakt moest worden.
Donderdag den 12 Febr
't Weder was even regenachtig en 't waaijde zo sterk dat men de rivier niet konde overvaren. Wij waren dus genootzaakt om hier te blijven. De heer Maclaine liet ons wederom verzoeken van bij hem te dineeren, 't welk wij aannamen. Wij wierden hier niet zeer uijtmuntend onthaalt. Onze hospes, die een Engelsman was, was parentage van ds Maclaine in Den Haag. Deze man scheen hier van de meest gegoedste te zijn. Tegen de nademiddag bedaarde 't weder, zodat de dames op de partij komen konden. De partij w niet extra brillant. Er waren er weijnige die er redelijk wel uijtzagen. Iedereen was tegen ons zeer beleeft. 't Soupé bestond voornamelijk in ham en een soort gebak, waarna tot één uur gedanst wierd, wanneer 't geselschap scheijde.
Carel de Vos van Steenwijk (1759-1830) was een Nederlands staatsman. In 1783-1784 maakte hij een reis door Amerika. Het journaal daarvan is uitgegeven onder de titel Een grand tour naar de nieuwe republiek.
't Was deze dag zeer regenagtig weder. Wij lieten onze wagen die dag de rivier passeeren, alzo de boot maar eens heen en wederom kon gaan. 's Middags aten wij in ons logement. 's Avonds zoude hier een danspartij zijn. De heer Maclaine zond osn een briefje waarin ons verzogt om aldaar te adsisteeren en 's anderendaags bij hem te eeten. Dit laatste refuseerden wij, alzo meenden te vertrekken, dog 't eerste namen wij aan. Toen 't zevn uur was, kwamen er eenige heeren, maar dewijl 't regende konden er geen damers komen, alzo er geen rijtuigen in de plaats waren. De heeren resolveerden om de danspartij tot den volgenden dag uit te stellen en een partijtje te speelen, 't welk gedaan wierd, waarna wij hier iets soupeerden en wagten moesten totdat de heeren zig geretireerd hadden, alzo van onze kamer gebruijk gemaakt moest worden.
Donderdag den 12 Febr
't Weder was even regenachtig en 't waaijde zo sterk dat men de rivier niet konde overvaren. Wij waren dus genootzaakt om hier te blijven. De heer Maclaine liet ons wederom verzoeken van bij hem te dineeren, 't welk wij aannamen. Wij wierden hier niet zeer uijtmuntend onthaalt. Onze hospes, die een Engelsman was, was parentage van ds Maclaine in Den Haag. Deze man scheen hier van de meest gegoedste te zijn. Tegen de nademiddag bedaarde 't weder, zodat de dames op de partij komen konden. De partij w niet extra brillant. Er waren er weijnige die er redelijk wel uijtzagen. Iedereen was tegen ons zeer beleeft. 't Soupé bestond voornamelijk in ham en een soort gebak, waarna tot één uur gedanst wierd, wanneer 't geselschap scheijde.
Carel de Vos van Steenwijk (1759-1830) was een Nederlands staatsman. In 1783-1784 maakte hij een reis door Amerika. Het journaal daarvan is uitgegeven onder de titel Een grand tour naar de nieuwe republiek.
zondag 9 februari 2014
Ernst Heldring -- 10 februari 1938
10 Februari 1938, in Solo.
Na een heerlijk zwembad vroeg in rok en getooid met decoraties naar het huis van den Gouverneur, die vele Europeanen (geen dames) uitgenoodigd heeft, waarbij o.a. Everwijn Lange, burgemeester van Maarn, wiens familie (vorig geslacht) ik te Amsterdam gekend heb, om hem naar den kraton te vergezellen, waar de Soesoehoenan een feest geeft ter gelegenheid van de Grabeg besar (in verband met Nieuwjaar). Mooie schilderachtige plechtigheid. Ik zit naast Boero, die mij alles uitlegt en de verschillende prinsen, broers of zoons van den soenan aanwijst. De meesten spreken Hollandsch. De soenan is dezelfde die mij 40 jaar geleden tezamen met Herman van der Wyck, Ferd. de Beaufort ontving, een kinderlijk man die verzot is op ridderorden. Na afloop worden de Europeesche gasten van elders uitgenoodigd den kraton te bezichtigen, een labyrinth van karakterlooze bouwsels en leelijke meubelen. Wij worden door enkele der pangerans rondgeleid. Overal vrouwen, geen mannen.
Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.
Na een heerlijk zwembad vroeg in rok en getooid met decoraties naar het huis van den Gouverneur, die vele Europeanen (geen dames) uitgenoodigd heeft, waarbij o.a. Everwijn Lange, burgemeester van Maarn, wiens familie (vorig geslacht) ik te Amsterdam gekend heb, om hem naar den kraton te vergezellen, waar de Soesoehoenan een feest geeft ter gelegenheid van de Grabeg besar (in verband met Nieuwjaar). Mooie schilderachtige plechtigheid. Ik zit naast Boero, die mij alles uitlegt en de verschillende prinsen, broers of zoons van den soenan aanwijst. De meesten spreken Hollandsch. De soenan is dezelfde die mij 40 jaar geleden tezamen met Herman van der Wyck, Ferd. de Beaufort ontving, een kinderlijk man die verzot is op ridderorden. Na afloop worden de Europeesche gasten van elders uitgenoodigd den kraton te bezichtigen, een labyrinth van karakterlooze bouwsels en leelijke meubelen. Wij worden door enkele der pangerans rondgeleid. Overal vrouwen, geen mannen.
Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.
Abonneren op:
Posts (Atom)







