• In Dagboek Majdan geeft Andrej Koerkov (Leningrad, 1961) een inkijkje in zijn dagelijks leven als schrijver tijdens ‘Euromajdan’ – de protesten die eind 2013 uitbraken toen bekend werd dat Oekraïne het associatieverdrag met deEU niet zou ondertekenen. Oekraïners trokken massaal naar het Onafhankelijkheidsplein (de Majdan) in hartje Kiev om maandenlang te demonstreren.
31 maart
Het vliegtuig naar Londen genomen. Gisteren heeft Liza bij de datsja uien gepoot, maar er is nog veel dat de grond in moet. De tijd die we op de datsja doorbrachten - voor de jongens bijna een week en voor Liza en mij vier dagen - waren echte feestdagen, gevuld met arbeid en agrotoerisme. Ik was er graag nog wat langer gebleven: de natuur loopt uit, 's ochtends zingen de vogels, de hanen kraaien, blijven zich met hun gekraai maar verheugen over de zon, zelfs om tien uur 's ochtends. Maar tegen vieren waren we alweer thuis in Kiev. 's Avonds liepen we naar Podil, naar Eric Tosatti, waar we champagne met granaatappelsap, Koktebel-cognac en korianderblaadjes proefden - een door de hartelijke gastheer bedachte cocktail, genaamd 'Crimea Libre'. Voor die cocktail moet je eigenlijk Krim-champagne gebruiken, maar die hadden we niet. We moesten het met Franse doen. We waren daar met Sergej en Alla Maslobojsjtsjikov en documentairemaker Sveta Zinovjeva. Drie uur lang haalden we herinneringen op aan Majdan, aan voorvallen, enz. Na middernacht kwamen we met de taxi thuis. Om zeven uur 's ochtends nam ik de taxi naar het vliegveld. De chauffeur foeterde op Tymosjenko en prees Porosjenko. Hij had het over gerechtigdheid. Hij vertelde dat hij in de nacht van de schietpartijen - van 18 op 19 februari - een aantal ritjes had gehad, en dat hij overduidelijk criminele jeugd, die niet uit Kiev afkomstig was, langs de duurste restaurants en clubs had gereden.
Sergej Maslobojsjtsjikov vertelde dat hij op de hoek van de Volodymyr- en de Grote Zjytomyrstraat, bij de wachttoren, vlak voordat Vésri-journalist Veremi werd vermoord, langs enkele honderden titoesjki met honkbalknuppels was gelopen. Hij droeg geen Oekraïense vlaggetjes of andere Majdan-tekens op zijn kleding en daarom lieten ze hem ongemoeid. In de Rylskydwarsstraat kwamen hem vier jonge Zelfdefensieleden tegemoet. Ze vroegen in het Oekraïens: 'Waar zijn die titoesjki?' Ze gingen daar wel even korte metten mee maken. Hij hield ze tegen, zei dat er honderden van die titoesjki waren, en de Zelfdefensie-leden besloten hun plan te wijzigen en terug te gaan naar de Schutterstraat. Drie minuten later kwamen er nog eens tien Zelfdefensieleden dezelfde kant op. Maslobojsjtsjikov hield ook hen tegen en legde de situatie uit. Ze vroegen naar het eerste viertal, en hij stuurde ze achter hen aan. Naar de Schutterstraat. Later hoorde hij dat journalist Veremi de titoesjki vanuit een taxi had geprobeerd te fotograferen en dat ze hem daarom uit de taxi hadden gesleurd, in elkaar hadden geslagen en vervolgens in de borst geschoten.
donderdag 30 maart 2017
dinsdag 28 maart 2017
Willem Hendrik de Beaufort -- 29 maart 1918
• Willem Hendrik de Beaufort (1845-1918)) was een Nederlandse liberale staatsman. Zijn dagboeken zijn te lezen bij Historici.nl.
29 MAART 1918
De berichten omtrent den uitslag van de Duitsche overwinning zijn nog niet eenparig. De juiste slotsom is nog niet te trekken. Het doel kan geweest zijn om het Engelsche leger van het Fransche af te scheiden. Hiervoor zoude pleiten het voortdurend in het oog houden van Amiens als de plaats waartegen de slag vooral gericht is, doch men kan nog niets met zekerheid zeggen. De Duitschers hebben zeker een schitterend bewijs van krijgsbeleid en dapperheid gegeven. Of zij er de vruchten ten volle van zullen plukken is nog niet te zeggen.
De keizer heeft over het kanon dat op een afstand van meer dan 100 kilometers Parijs beschiet** een heerlijke lofrede uitgesproken. Hij heeft het Duitsche volk ermede gelukgewenscht dat in zijn midden zulke een gezegende uitvinding is gedaan. Geen weldaad aan de maatschappij kon hooger worden gesteld. Hoe is het mogelijk? Een werktuig dat allerlei onschuldige (in oorlogszin) menschen zal dooden en tal van nuttige en schoone voorwerpen zal vernielen, is een vloek voor de maatschappij. Krupp geeft een millioen aan het Roode Kruis, ter eere der nieuwe uitvinding. Hij schijnt nog niet geheel onvatbaar te zijn voor het gevoel van schaamte.
Wat den veldslag zelven betreft is de strekking en de uitslag niet volkomen zeker. De beide laatste dagen wordt er zeer weinig gestreden. De Duitschers hebben niet veel versche soldaten meer - zoo wordt gezegd. Ook zouden de Franschen een linie hebben teruggenomen. Wij zullen spoedig zien of de slag vervolgd wordt dan wel doodbloedt. Dat laatste is een verschijnsel dat bij deze veldslagen zich somtijds vertoont.
31 MAART 1918
Paschen. Het weder is redelijk, in elk geval niet buitensporig koud. De veldslag gaat schijnbaar door, in een zacht tempo. Beide partijen verloren vermoedelijk meer dan zij gevreesd hadden, maar niet genoeg om den strijd heelemaal op te geven. Of een het zoover weer zal kunnen ophalen dat hij de beslissing geeft zullen wij moeten afwachten.
[De Beaufort overleed twee dagen later, op 2 april.]
** Van 23 maart tot 9 augustus werd Parijs beschoten door lange-afstand-kanonnen van 210 en 240 mm.-kaliber, die de bijnaam Dikke Bertha' droegen (naar Bertha Krupp, dochter van de wapenfabrikant; eerder werd dezelfde naam gebruikt voor een mortier van 420 mm-kaliber, in 1914 door de Duitsers bij Antwerpen gebruikt). De kanonnen stonden in stelling op 120 kilometer van Parijs.
29 MAART 1918
De berichten omtrent den uitslag van de Duitsche overwinning zijn nog niet eenparig. De juiste slotsom is nog niet te trekken. Het doel kan geweest zijn om het Engelsche leger van het Fransche af te scheiden. Hiervoor zoude pleiten het voortdurend in het oog houden van Amiens als de plaats waartegen de slag vooral gericht is, doch men kan nog niets met zekerheid zeggen. De Duitschers hebben zeker een schitterend bewijs van krijgsbeleid en dapperheid gegeven. Of zij er de vruchten ten volle van zullen plukken is nog niet te zeggen.
De keizer heeft over het kanon dat op een afstand van meer dan 100 kilometers Parijs beschiet** een heerlijke lofrede uitgesproken. Hij heeft het Duitsche volk ermede gelukgewenscht dat in zijn midden zulke een gezegende uitvinding is gedaan. Geen weldaad aan de maatschappij kon hooger worden gesteld. Hoe is het mogelijk? Een werktuig dat allerlei onschuldige (in oorlogszin) menschen zal dooden en tal van nuttige en schoone voorwerpen zal vernielen, is een vloek voor de maatschappij. Krupp geeft een millioen aan het Roode Kruis, ter eere der nieuwe uitvinding. Hij schijnt nog niet geheel onvatbaar te zijn voor het gevoel van schaamte.
Wat den veldslag zelven betreft is de strekking en de uitslag niet volkomen zeker. De beide laatste dagen wordt er zeer weinig gestreden. De Duitschers hebben niet veel versche soldaten meer - zoo wordt gezegd. Ook zouden de Franschen een linie hebben teruggenomen. Wij zullen spoedig zien of de slag vervolgd wordt dan wel doodbloedt. Dat laatste is een verschijnsel dat bij deze veldslagen zich somtijds vertoont.
31 MAART 1918
Paschen. Het weder is redelijk, in elk geval niet buitensporig koud. De veldslag gaat schijnbaar door, in een zacht tempo. Beide partijen verloren vermoedelijk meer dan zij gevreesd hadden, maar niet genoeg om den strijd heelemaal op te geven. Of een het zoover weer zal kunnen ophalen dat hij de beslissing geeft zullen wij moeten afwachten.
[De Beaufort overleed twee dagen later, op 2 april.]
** Van 23 maart tot 9 augustus werd Parijs beschoten door lange-afstand-kanonnen van 210 en 240 mm.-kaliber, die de bijnaam Dikke Bertha' droegen (naar Bertha Krupp, dochter van de wapenfabrikant; eerder werd dezelfde naam gebruikt voor een mortier van 420 mm-kaliber, in 1914 door de Duitsers bij Antwerpen gebruikt). De kanonnen stonden in stelling op 120 kilometer van Parijs.
Caroline Cowles Richards -- 28 maart 1858
• Caroline Cowles Richards (1842-1913): Village Life in America 1852-1872, Including the period of the American Civil War as told in the diary of a school-girl.
March.—There is a great deal said about spirits nowadays and a lot of us girls went into one of the recitation rooms after school to-night and had a spiritual seance. We sat around Mr. Chubbuck’s table and put our hands on it and it moved around and stood on two legs and sometimes on one. I thought the girls helped it but they said they didn’t. We heard some loud raps, too, but they sounded very earthly to me. Eliza Burns, one of the boarders, told us if we would hold our breath we could pick up one of the girls from the floor and raise her up over our heads with one finger of each hand, if the girl held her breath, too. We tried it with Anna and did it, but we had such hard work to keep from laughing I expected we would drop her. There is nothing very spirituelle about any of us. I told Grandmother and she said we reminded her of Jemima Wilkinson, who told all her followers that 97the world was to come to an end on a certain day and they should all be dressed in white and get up on the roofs of the houses and be prepared to ascend and meet the Lord in the air. I asked Grandmother what she said when nothing happened and she said she told them it was because they did not have faith enough. If they had, everything would have happened just as she said. Grandmother says that one day at a time has always been enough for her and that to-morrow will take care of the things of itself.
March.—There is a great deal said about spirits nowadays and a lot of us girls went into one of the recitation rooms after school to-night and had a spiritual seance. We sat around Mr. Chubbuck’s table and put our hands on it and it moved around and stood on two legs and sometimes on one. I thought the girls helped it but they said they didn’t. We heard some loud raps, too, but they sounded very earthly to me. Eliza Burns, one of the boarders, told us if we would hold our breath we could pick up one of the girls from the floor and raise her up over our heads with one finger of each hand, if the girl held her breath, too. We tried it with Anna and did it, but we had such hard work to keep from laughing I expected we would drop her. There is nothing very spirituelle about any of us. I told Grandmother and she said we reminded her of Jemima Wilkinson, who told all her followers that 97the world was to come to an end on a certain day and they should all be dressed in white and get up on the roofs of the houses and be prepared to ascend and meet the Lord in the air. I asked Grandmother what she said when nothing happened and she said she told them it was because they did not have faith enough. If they had, everything would have happened just as she said. Grandmother says that one day at a time has always been enough for her and that to-morrow will take care of the things of itself.
zondag 26 maart 2017
Achilles Cools -- 27 maart 2004
• Achilles Cools (1949) is een Belgische kunstenaar die zijn inspiratie vindt in de biologie. Uitgebroed. Dagboek van een beeldenmaker.
27 maart 2004
Een gelukkig halfuur. Ik geniet des te meer van deze momenten als ze langzaam verdwijnen. Niet vaak ben ik me bewust van het levende heden. Het zijn de schaduwen van vergane dingen die mij het dierbaarst zijn. De tijd speelt met mij een vreemd spel. ïk lijk hem een moment vast te leggen en te bewaren. Maar een moment laat zich niet vastleggen. Ieder moment is uniek en onherhaalbaar, het is een beeld van het moment waarmee de toekomst in het heden inbreekt en er verleden van maakt.
Mijn rondje om speelt zich af op enkele vierkante meters. Het grote leven komt op gang. Zodra de temperatuur het toelaat willen voorjaarsplanten ondergrondse krachten opslaan, om nu als de wiedeweerga uit te lopen. Om te overleven op het groene slagveld, moet je als plant vroeg opstaan. Weldra begint het ellebogenwerk. Ieder voor zich en de zon voor ons allen. Rap hoogte winnen om zich te verzekeren van een plek in het licht.
Nu steekt het eerste geel de kop op: het geelste geel heet speenkruidgeel. Maar doorgewinterde citroenvlinders komen op bezoek: een lenteverrassing waar zelfs de paashaas bij verbleekt, zo fleurig. Geel is de kleur van de lente. Geel is immers de modekleur van de ontwakende natuur. Winter-akonietjes, klein hoefblad, speenkruid, dotterbloem, narcis, paardebloem, sleutelbloem. Sleutelbloem schijnt ook een oud huismiddel te zijn, hoewel sommigen er de kriebels van krijgen. Maar giftig - nee. Onschuld is in de meerderheid bij het maartse groen. Zoals de bundels bloemen met die stengels opkomen, lijken ze inderdaad wat op een sleutelbos. Is het de sleutel tot de lente misschien? Op één bloem leunt slaapdronken een hommelgast. Een koningin. Ze klampt zich moeizaam vast. Als ik ze in mijn handpalm zet, vliegt ze niet op. Hier in de schaduw is ze nog verstijfd van de kou. Ik sluit ze op tussen mijn holle palmen en blaas wat warmte tussen mijn duimen door. Haar harig lijf begint te trillen, de ragfijne vleugeltjes bewegen. Ik blaas nog een paar keer, en ja hoor: ze stijgt op en zoemt zich nu zelf op temperatuur. Hommels zijn iets geks. Volgens de wetten van de thermiek en de zwaartekracht kunnen ze niet vliegen en toch doen ze dat.
Ik speur en spied en wrord beloond. Daar is ze dan: de dotter der dotters. De spindotter. Eerst nog een bescheiden plukje, maar een stukje verderop een hele kluit. Knalgeel! In haar gele glorie staat ze te koukleumen in het ijs-van-één-nacht. Toch weet ze het klaar te spelen om haar kop boven te houden. De glanzende bloemen werken als een kleine zonne-oven; in hun botergele schaal is het warmer dan in de openlucht. Het kroontje van de dotter glanst als een bolle spiegel. Al die verblindende schittering heeft de niet veel nobelere bedoeling dan het glitterpakje van een nachtclubdanseres. Ja, seks, daar draait het om. Lokkertjes. Het idee dat de meeldraden en stampers er als uitroeptekens van voortplantings-drift uitsteken. Al geef ik het toe: ik vind het overdreven om naar een dotterbloem te kijken als naar een geslachtsorgaan. Onder de struiken spreiden zich plakkaten uit: speenkruid, het kleine nichtje van de dotterbloem, heeft een grote truc achter de oksel. Waar het blad aan de steel is aangehecht, is vaak een bolletje met een knop erop. Dit valt af en gaat aan de groei. En is zo subiet gespeend van zijn speenkruidmoeder. Het speenkruid doet nog wat bloot en rillerig aan en krijgt af en toe een ijskoude douche over zich uitgestort.
Grillige mostapijten hebben zich vol fris water gezogen. Het laddermos steekt zijn sporendoosjes op steeltjes omhoog. Je kunt die rode snaveltjes niet over het kopje zien. De bol moet vol! Dat is het motto waaronder ook de narcis opereert om volgend jaar weer bij de tijd te kunnen zijn.
27 maart 2004
Een gelukkig halfuur. Ik geniet des te meer van deze momenten als ze langzaam verdwijnen. Niet vaak ben ik me bewust van het levende heden. Het zijn de schaduwen van vergane dingen die mij het dierbaarst zijn. De tijd speelt met mij een vreemd spel. ïk lijk hem een moment vast te leggen en te bewaren. Maar een moment laat zich niet vastleggen. Ieder moment is uniek en onherhaalbaar, het is een beeld van het moment waarmee de toekomst in het heden inbreekt en er verleden van maakt.
Mijn rondje om speelt zich af op enkele vierkante meters. Het grote leven komt op gang. Zodra de temperatuur het toelaat willen voorjaarsplanten ondergrondse krachten opslaan, om nu als de wiedeweerga uit te lopen. Om te overleven op het groene slagveld, moet je als plant vroeg opstaan. Weldra begint het ellebogenwerk. Ieder voor zich en de zon voor ons allen. Rap hoogte winnen om zich te verzekeren van een plek in het licht.
Nu steekt het eerste geel de kop op: het geelste geel heet speenkruidgeel. Maar doorgewinterde citroenvlinders komen op bezoek: een lenteverrassing waar zelfs de paashaas bij verbleekt, zo fleurig. Geel is de kleur van de lente. Geel is immers de modekleur van de ontwakende natuur. Winter-akonietjes, klein hoefblad, speenkruid, dotterbloem, narcis, paardebloem, sleutelbloem. Sleutelbloem schijnt ook een oud huismiddel te zijn, hoewel sommigen er de kriebels van krijgen. Maar giftig - nee. Onschuld is in de meerderheid bij het maartse groen. Zoals de bundels bloemen met die stengels opkomen, lijken ze inderdaad wat op een sleutelbos. Is het de sleutel tot de lente misschien? Op één bloem leunt slaapdronken een hommelgast. Een koningin. Ze klampt zich moeizaam vast. Als ik ze in mijn handpalm zet, vliegt ze niet op. Hier in de schaduw is ze nog verstijfd van de kou. Ik sluit ze op tussen mijn holle palmen en blaas wat warmte tussen mijn duimen door. Haar harig lijf begint te trillen, de ragfijne vleugeltjes bewegen. Ik blaas nog een paar keer, en ja hoor: ze stijgt op en zoemt zich nu zelf op temperatuur. Hommels zijn iets geks. Volgens de wetten van de thermiek en de zwaartekracht kunnen ze niet vliegen en toch doen ze dat.
Ik speur en spied en wrord beloond. Daar is ze dan: de dotter der dotters. De spindotter. Eerst nog een bescheiden plukje, maar een stukje verderop een hele kluit. Knalgeel! In haar gele glorie staat ze te koukleumen in het ijs-van-één-nacht. Toch weet ze het klaar te spelen om haar kop boven te houden. De glanzende bloemen werken als een kleine zonne-oven; in hun botergele schaal is het warmer dan in de openlucht. Het kroontje van de dotter glanst als een bolle spiegel. Al die verblindende schittering heeft de niet veel nobelere bedoeling dan het glitterpakje van een nachtclubdanseres. Ja, seks, daar draait het om. Lokkertjes. Het idee dat de meeldraden en stampers er als uitroeptekens van voortplantings-drift uitsteken. Al geef ik het toe: ik vind het overdreven om naar een dotterbloem te kijken als naar een geslachtsorgaan. Onder de struiken spreiden zich plakkaten uit: speenkruid, het kleine nichtje van de dotterbloem, heeft een grote truc achter de oksel. Waar het blad aan de steel is aangehecht, is vaak een bolletje met een knop erop. Dit valt af en gaat aan de groei. En is zo subiet gespeend van zijn speenkruidmoeder. Het speenkruid doet nog wat bloot en rillerig aan en krijgt af en toe een ijskoude douche over zich uitgestort.
Grillige mostapijten hebben zich vol fris water gezogen. Het laddermos steekt zijn sporendoosjes op steeltjes omhoog. Je kunt die rode snaveltjes niet over het kopje zien. De bol moet vol! Dat is het motto waaronder ook de narcis opereert om volgend jaar weer bij de tijd te kunnen zijn.
Margaret Smell -- 26 maart 1913
• Margaret Smell (?-?) was op bezoek in Dayton, Ohio, toen daar de overstroming plaatsvond. Dagboek.
Oh! what a sad, sad sight met our eyes on Wednesday morning when daylight appeared with the mad water almost touching the floor of the second story of the house we were lodged in, with all kinds of furniture floating down the street, pianos included. Towards noon relief parties came by boat to rescue those in perilous positions, and bringing food to the rest of us we were seeking safety in the attics around. As the water had now reached its highest point in the memorable morning of March 26th at one o’clock AM and was now at a standstill. For many hours our food was handed to us from boats through the windows of the second stories. Never shall we forget the brave heroic efforts on the part of the more fortunate ones to get food and sustenance to those imprisoned by the deep water and what a problem it must of been to immediately procure cooked food sufficient to feed thousands of people. But thanks be to God and to the great and noble Mr. Patterson and numbers of other unselfish blessed ones who so nobly responded to the aid of the suffering people until outside aid from other cities could come with their generous donations.
Oh! the loving noble work of people many, many miles away who had heard of the desperate conditions the people were subjected to in all the flooded districts. Now we know they worked with might and main so valiantly to reach us with necessities of life after the terrible raging waters had subsided so that boats could not float and with the thousands of horses drowned. We wondered how aid could be brought but were not long kept in suspense when large express wagons with large stout horses driven by larger hearted drivers through the mud and slush they came to our aid with well filled baskets of ready prepared provisions, good homemade sandwiches, boiled potatoes and eggs, cookies and apples. Each basket containing bottles of fresh water which was highly appreciated. Oh! how our hearts did turn to the bountiful giver of all good, who touched and tendered the hearts of so many dear people to work so valiantly and tirelessly to send food and aid to the suffering many.
Oh! what a sad, sad sight met our eyes on Wednesday morning when daylight appeared with the mad water almost touching the floor of the second story of the house we were lodged in, with all kinds of furniture floating down the street, pianos included. Towards noon relief parties came by boat to rescue those in perilous positions, and bringing food to the rest of us we were seeking safety in the attics around. As the water had now reached its highest point in the memorable morning of March 26th at one o’clock AM and was now at a standstill. For many hours our food was handed to us from boats through the windows of the second stories. Never shall we forget the brave heroic efforts on the part of the more fortunate ones to get food and sustenance to those imprisoned by the deep water and what a problem it must of been to immediately procure cooked food sufficient to feed thousands of people. But thanks be to God and to the great and noble Mr. Patterson and numbers of other unselfish blessed ones who so nobly responded to the aid of the suffering people until outside aid from other cities could come with their generous donations.
Oh! the loving noble work of people many, many miles away who had heard of the desperate conditions the people were subjected to in all the flooded districts. Now we know they worked with might and main so valiantly to reach us with necessities of life after the terrible raging waters had subsided so that boats could not float and with the thousands of horses drowned. We wondered how aid could be brought but were not long kept in suspense when large express wagons with large stout horses driven by larger hearted drivers through the mud and slush they came to our aid with well filled baskets of ready prepared provisions, good homemade sandwiches, boiled potatoes and eggs, cookies and apples. Each basket containing bottles of fresh water which was highly appreciated. Oh! how our hearts did turn to the bountiful giver of all good, who touched and tendered the hearts of so many dear people to work so valiantly and tirelessly to send food and aid to the suffering many.
zaterdag 25 maart 2017
Alice Lingo Conger -- 25 maart 1913
• Alice Lingo Conger (?-1929) schreef in haar dagboek over de overstroming in Dayton, Ohio, van 1913.
March 23, 1913. Easter Sunday. Rained all morning.
Monday, March 24, 1913 — [...] in the evening the rain simply poured down during the evening, waited half an hour for it to stop, but finally had to go in it.
Tuesday, March 25 — About 8 a.m. we began to hear reports of a flood. The Fifth Street Bridge reported washed away…water was up to High Street at Fifth and Eagle and McLean. Men were rescuing people from buildings, where the water was getting into the second stories. Saw people out on the roofs of houses. Some were shooting guns to attract the rescuers…we could see water as far as possible to see, could see a fire blazing, supposed to be Bauman’s bakery. It rained most of the afternoon and all night. After dark we could see fires in different parts of the city. The stockyards all under water. No mail or papers.
Wednesday, March 26 — (Noon) it has begun to rain again. People are being taken care of in the churches. Hundreds of people are reported drowned. This evening we were warned not to use the natural gas. It’s rained hard all afternoon, still raining at 10 p.m. Mrs. Frank, across the street, has heard nothing from her husband since yesterday morning. We can see the light in the sky now from a fire. Gov. Cox has sent three carloads of the state militia, they landed at Fifth and Huffman. Xenia and Springfield have raised money and sent in carloads of provisions. On Tuesday the cash register (NCR) made boats, turned out one every five minutes.
Thursday, March 27—Cold and snow in the early morning - went out to the fairgounds - saw buildings in the street. Houses and all kinds of rubbish floating in the water. Saw men rescuing people in boats everywhere. On our return…we were met with cries of “To the hill, the water is coming” and people running. I got my children, came in our house and grabbed a pocketbook and started for the hill…there was a steady stream of people going up the hill carrying babies, bundles of every discription, automobile loads, wagon loads, buggies, horses, heavy wagons, people with quilts around them, sick people being carried and hauled, hysterical women, I think myself included. In a few minutes, it was decided it was a false alarm and (we) started back down the hill.
Friday, March 28—Temperature about 50 degrees. Sunshine. Went to church, helped to get meals for refugees…No one is allowed to pass through the flood district without a pass. The city is under martial law. Supplies are coming in from other cities. People came to the church all day inquiring about people who have been separated from them by the flood… Mr. Gayer said this evening that he helped get out eight dead bodies at the Wayne Avenue Market House and…helped get out 10 from a lumber pile.
[...]
Sunday, March 30—Sunshine, temperature about 68 degrees. Heard the bugle call about 5:30 a.m., went to sleep again and was awakened in about an hour by soldiers trotting past the house, two abreast; they turned into the schoolyard, where they are stationed. The streets and the city are full of soldiers.
We started downtown…were stopped twice after we reached the flooded district, by soldiers, and asked where we were going…Commercial Street looks like the bed of the river, some parts were washed out. Fifth Street was filled with all kinds of debris, frame buildings were washed into the street…great piles of lumber were in the streets and the black slimey mud was everywhere…the asphalt streets are torn up in places and sidewalks are bulging. The rubbish in the street is so covered with mud it’s impossible to tell what most of it is.
[...]
I can’t begin to describe all we saw, but on Main Street we saw the building that collapsed, and bodies will surely be found where it is cleared away…saw many dead horses that had battled for their lives as they were bruised and bleeding; there were eight in one place on South Jefferson Street…Everybody tells of seeing horses trying to save themselves by swimming, some managed to get into buildings…a mother gave birth to a baby in (a rescuer’s) boat, and mother and child both died. We hear of many such cases, many babies have been born at the NCR.
[...]
Tuesday, April 1—Sunshine, windy, warm. We walked downtown and went to Susan’s. They had two front rooms hung full of sheets and towels that had been in the water and they had to wash them several times to get the mud out. We get two deliveries of mail a day now.
Sunday, April 6 — [...] The river is quite low again, one would hardly imagine it had wrought the destruction evident on every hand.
March 23, 1913. Easter Sunday. Rained all morning.
Monday, March 24, 1913 — [...] in the evening the rain simply poured down during the evening, waited half an hour for it to stop, but finally had to go in it.
Tuesday, March 25 — About 8 a.m. we began to hear reports of a flood. The Fifth Street Bridge reported washed away…water was up to High Street at Fifth and Eagle and McLean. Men were rescuing people from buildings, where the water was getting into the second stories. Saw people out on the roofs of houses. Some were shooting guns to attract the rescuers…we could see water as far as possible to see, could see a fire blazing, supposed to be Bauman’s bakery. It rained most of the afternoon and all night. After dark we could see fires in different parts of the city. The stockyards all under water. No mail or papers.
Wednesday, March 26 — (Noon) it has begun to rain again. People are being taken care of in the churches. Hundreds of people are reported drowned. This evening we were warned not to use the natural gas. It’s rained hard all afternoon, still raining at 10 p.m. Mrs. Frank, across the street, has heard nothing from her husband since yesterday morning. We can see the light in the sky now from a fire. Gov. Cox has sent three carloads of the state militia, they landed at Fifth and Huffman. Xenia and Springfield have raised money and sent in carloads of provisions. On Tuesday the cash register (NCR) made boats, turned out one every five minutes.
Thursday, March 27—Cold and snow in the early morning - went out to the fairgounds - saw buildings in the street. Houses and all kinds of rubbish floating in the water. Saw men rescuing people in boats everywhere. On our return…we were met with cries of “To the hill, the water is coming” and people running. I got my children, came in our house and grabbed a pocketbook and started for the hill…there was a steady stream of people going up the hill carrying babies, bundles of every discription, automobile loads, wagon loads, buggies, horses, heavy wagons, people with quilts around them, sick people being carried and hauled, hysterical women, I think myself included. In a few minutes, it was decided it was a false alarm and (we) started back down the hill.
Friday, March 28—Temperature about 50 degrees. Sunshine. Went to church, helped to get meals for refugees…No one is allowed to pass through the flood district without a pass. The city is under martial law. Supplies are coming in from other cities. People came to the church all day inquiring about people who have been separated from them by the flood… Mr. Gayer said this evening that he helped get out eight dead bodies at the Wayne Avenue Market House and…helped get out 10 from a lumber pile.
[...]
Sunday, March 30—Sunshine, temperature about 68 degrees. Heard the bugle call about 5:30 a.m., went to sleep again and was awakened in about an hour by soldiers trotting past the house, two abreast; they turned into the schoolyard, where they are stationed. The streets and the city are full of soldiers.
We started downtown…were stopped twice after we reached the flooded district, by soldiers, and asked where we were going…Commercial Street looks like the bed of the river, some parts were washed out. Fifth Street was filled with all kinds of debris, frame buildings were washed into the street…great piles of lumber were in the streets and the black slimey mud was everywhere…the asphalt streets are torn up in places and sidewalks are bulging. The rubbish in the street is so covered with mud it’s impossible to tell what most of it is.
[...]
I can’t begin to describe all we saw, but on Main Street we saw the building that collapsed, and bodies will surely be found where it is cleared away…saw many dead horses that had battled for their lives as they were bruised and bleeding; there were eight in one place on South Jefferson Street…Everybody tells of seeing horses trying to save themselves by swimming, some managed to get into buildings…a mother gave birth to a baby in (a rescuer’s) boat, and mother and child both died. We hear of many such cases, many babies have been born at the NCR.
[...]
Tuesday, April 1—Sunshine, windy, warm. We walked downtown and went to Susan’s. They had two front rooms hung full of sheets and towels that had been in the water and they had to wash them several times to get the mud out. We get two deliveries of mail a day now.
Sunday, April 6 — [...] The river is quite low again, one would hardly imagine it had wrought the destruction evident on every hand.
woensdag 22 maart 2017
Anna Achmatova -- 23 maart 1962
• Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).
DE GEBOORTE VAN EEN VERSREGEL
De vonk van een stoomtrein
Ik reed in de zomer van 1921 van Tsarskoje Selo naar Petersburg. De voormalige derdeklassewagon zat stampvol, zoals toen altijd het geval was, met allerlei mensen gebogen onder zware tassen, maar het lukte me om een plaats te vinden, ik ging zitten en keek uit het raam naar alles - zelfs wat bekend was. En plotseling, zoals altijd onverwacht, voelde ik het naderen van een paar versregels (een rijm). Ik kreeg een ondraaglijke aandrang om te roken. Ik begreep dat ik zonder sigaret niets zou kunnen verrichten. Ik viste in mijn handtas en vond een of andere gekreukte 'Sappho', maar... geen lucifers. Ik had er geen en de mensen in de coupé hadden er ook geen. Ik ging naar buiten, naar het open balkonnetje. Daar stonden jonge soldaten van het Rode Leger als ketellappers te vloeken. Zij hadden ook geen lucifers - maar dikke, rode, zowaar bijna levende vette vonken van de stoomketel landden op de leuning van het balkon. Ik begon mijn sigaret tegen hen aan te houden (drukken). Ongeveer bij de derde vonk brandde de sigaret. De kerels, die gretig mijn kunstjes hadden gevolgd, waren verrukt. 'Die redt het wel,' zei een van hen over mij. Het gedicht was 'Jij komt niet meer onder de levenden...'. Zie de datum op het manuscript- 16 augustus 1921 (misschien oude stijl).
1962
DE GEBOORTE VAN EEN VERSREGEL
De vonk van een stoomtrein
Ik reed in de zomer van 1921 van Tsarskoje Selo naar Petersburg. De voormalige derdeklassewagon zat stampvol, zoals toen altijd het geval was, met allerlei mensen gebogen onder zware tassen, maar het lukte me om een plaats te vinden, ik ging zitten en keek uit het raam naar alles - zelfs wat bekend was. En plotseling, zoals altijd onverwacht, voelde ik het naderen van een paar versregels (een rijm). Ik kreeg een ondraaglijke aandrang om te roken. Ik begreep dat ik zonder sigaret niets zou kunnen verrichten. Ik viste in mijn handtas en vond een of andere gekreukte 'Sappho', maar... geen lucifers. Ik had er geen en de mensen in de coupé hadden er ook geen. Ik ging naar buiten, naar het open balkonnetje. Daar stonden jonge soldaten van het Rode Leger als ketellappers te vloeken. Zij hadden ook geen lucifers - maar dikke, rode, zowaar bijna levende vette vonken van de stoomketel landden op de leuning van het balkon. Ik begon mijn sigaret tegen hen aan te houden (drukken). Ongeveer bij de derde vonk brandde de sigaret. De kerels, die gretig mijn kunstjes hadden gevolgd, waren verrukt. 'Die redt het wel,' zei een van hen over mij. Het gedicht was 'Jij komt niet meer onder de levenden...'. Zie de datum op het manuscript- 16 augustus 1921 (misschien oude stijl).
1962
Abonneren op:
Reacties (Atom)







