maandag 8 mei 2017

Klaartje de Zwarte-Walvisch -- 9 mei 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

9 mei
Gisteren was het weer een dag die een stuk geschiedenis voor het jodendom betekent. Het transport naar Westerbork nam een aanvang om half drie en duurde tot laat in de nacht, 's Middags ben ik naar de oudeliedenbarak geweest, maar wat zich daar afspeelde is afschuwelijk. Stokoude vrouwtjes zag ik op de grond zitten en ze mompelden wat tegen zichzelf. Ik bood aan de dekens voor iemand te dragen, maar ik geloof dat die oudjes in alles en iedereen hun vijanden zien. Tenminste ik mocht de dekens niet dragen, want ze was bang dat ik ze niet terug zou brengen. In een andere barak kreeg een vrouw een aanval van waanzin. Ontzettende tonelen speelden zich af. Het afscheid van ouders en kinderen. Het leed van al deze mensen te moeten aanzien was meer dan ik verdragen kon en ik ging maar even terug naar mijn eigen barak, in de hoop dat het daar rustiger zou zijn. Maar hoe kon ik zo naïef zijn om dat te denken. Onder de onzen bevond zich een zielig vrouwtje. Ze had geloof ik tien of twaalf kinderen. Ook zij moest mee met het transport, maar haar kinderen boven de vijftien jaar mocht ze niet meenemen. Die moest ze achterlaten en zelfs toen deze meisjes zich vrijwillig wilden melden, werden ze afgescheept dat er geen vrijwilligers mee mochten. Het gaf een hele scène in de barak, maar dergelijke feiten deden zich in alle barakken voor. Het werd een emotievolle dag, maar deze was nog niet om. Er zou nog meer gebeuren. Het gerucht deed de ronde dat onder de twaalfhonderdvijftig vertrekkenden achtenzeventig waren die zich probeerden schuil te houden. Ik had voor mezelf de overtuiging dat dit absoluut een grove leugen was, want welke jood zou de moed hebben zich trachten te verschuilen, terwijl misschien hun leed niet te peilen zou zijn als ze gevonden werden? Wie zou zich aan de terreur van de barbaren, aan wie wij waren overgeleverd, durven onttrekken? Er werd lang en breed over gesproken, want ze moesten en zouden voor de dag komen. Het was ongeveer acht uur toen de meesten van ons al in bed lagen. We waren allen nogal huiverig en het leek ons maar het beste om een beetje bijtijds naar bed te gaan. De barakleidster kwam binnen en zei dat er uit alle barakken nog enige personen gehaald zouden worden, want het transport moest en zou aan het aantal voldoen. Een hevige schrik beving ons. Stel je voor dat ze dat werkelijk eens zouden doen. We wisten dat het mogelijk was, want op Westerbork was het al herhaaldelijk voorgekomen dat, wanneer er een transport naar Polen zou gaan en het was naar het idee van de 'heren' niet groot genoeg, er dan een razzia op grote schaal werd gehouden. Dan werden de mensen midden in de nacht uit hun bed gehaald en, alsof het even een kwestie van een paar minuten was, mee op transport gesteld.

Aangezien wij nu wisten dat Vught geen Auffanglager, maar een Durchgangslager was geworden, wisten wij dat ons eenzelfde lot te wachten stond. Alles was even triestig. De hele dag een gure koude wind. Hevige hagelbuien en alles kletterde neer op de bagage die buiten de barakken stond. Weer zo op en top het toonbeeld van emigratie. Het kon waarlijk niet demonstratiever. Ik lag hier nog over na te denken, toen plotseling het bevel klonk. Allemaal aantreden voor appel. We konden dit eerst niet geloven. Was het werkelijk mogelijk dat we allemaal ons bed uit moesten en aantreden om uitgezocht te worden? We hielden ons nogal rustig en kleedden ons snel aan zo warm als maar kon. Sommigen dachten dat we gauw weer mochten aftreden en trokken hun jassen aan over hun pyjama's. Met blote voeten in de schoenen. En daar traden we aan in de vinnige koude wind. Grote modderplassen, zodat we moeilijk konden staan in rijen van vijf. Mensen die met hoge koorts de hele week in bed hadden gelegen, moesten eruit. De stemming onder de mensen was dreigend. Weer hoorde ik een massa zegeningen uitstrooien over de hoofden van de barbaren die ons dit aandeden en in gedachte deed ik de mijne erbij. We waren zo ontzettend verbitterd. Drie, vier keer kwamen de 'heren' op de motorfiets aanstormen op de massa en stoven we allen voor- of achteruit door de grote modderplassen heen. Wat hadden ze dan een schik dat ze dit ons joden konden aandoen. Wat voelden ze zich moedig, deze helden, want hier was werkelijk moed voor nodig om weerloze vrouwen te treiteren. Sommigen onder ons die waarschijnlijk nog niet eens beseften hoe diep we in de ellende zaten, lachten er nog om. Hier kon ik niet om lachen. Dat heb ik wel gekund tijdens de ontluizing, maar dit maakte me zo verbitterd door machteloosheid, dat ik hen die erom lachten graag een draai om hun oren had gegeven. Daar stonden we, paars en verkleumd van de kou, en het begon al knap donker te worden. Bijna twee uur lieten ze ons staan. Vanaf half negen tot half elf. Toen mochten we aftreden. Er was geen mens uit de rijen gehaald. Of de achtenzeventig gevonden zijn, weet ik ook niet, alleen wist ik dat we er ellendig aan toe waren. Enkelen waren flauw gevallen. Er zullen wel weer grieplijders van komen, want dit kan niet uitblijven. Daar waren we 's ochtends om vier uur voor opgestaan.

Onderwijl ging het transport haar gang. Zieke kindertjes en zieke oudjes stonden aan de poort te wachten op het lot dat ze zouden ondergaan. Weer heb ik enige van mijn kennissen moeten missen. In het mannenkamp lagen de zieken die moesten aantreden op de berm langs de weg. Deze heldendaden wekten een gemoedsstemming die geen grenzen meer kende. Zelfs kinderen hebben moeten aantreden. En dat alles uit louter pesterij, want een andere verklaring heb ik hiervoor niet kunnen vinden.

Om half elf mochten we aftreden, en verkleumd van de kou en met gevoel van vernedering en belediging zochten we onze bedden op.

zondag 7 mei 2017

Erika Mann -- 8 mei 1955

• Schrijfster Erika Mann (1905-1969) was de dochter van Thomas Mann. In Mijn vader, de tovenaar (vertaling Paul van Beers) zijn herinneringen en brieven van haar opgenomen.
• Thomas Mann was in 1955 eregast op de Schiller-herdenking in Oost-Duitsland. Zijn vrouw Katia en zijn dochter Erika vergezelden hem.

8 mei
...Middageten bij de minister-president (dr. Müller). Fraai klein paleis, gebouwd in 1912, met een prachtig gelegen, parkachtige tuin... Eten voortreffelijk. Ik zit naast dr. Werner Schütz, minister van eredienst van Nord-rhein-Westfalen. Schütz verrast me met zijn grondige kennis van Z. 's werk. [Z staat voor Zauberer, de 'tovenaar', zoals Thomas Mann door zijn kinderen werd genoemd.] Maakt me half schertsend een verwijt van mijn bekortingen van de Faustus; weet uit de Entstehung, dat ik 'een hele professor met zijn college en al eruit heb gesmeten'; kan trouwens uit allerlei citeren, hele passages uit de Krull. ... Weerzien - na zesentwintig jaar! - met dr. Neinhaus [dr. Karl Neinhaus, president van de Landdag van Baden-Württemberg], nu eerste burgemeester van Heidelberg, zoals in 1929, toen Z. daar de 'Festspiele' opende (Versuch über das Theater)... Koffie in de tuin. Een poosje bij Heuss gezeten, die in het beste humeur en joviaal was. Z. gelukkig, opgewekt, ogenschijnlijk onvermoeid... 's Avonds Maria Stuart. Een bevredigende opvoering voor de tegenwoordige omstandigheden - maar wat zegt dat? Elisabeth Flickenschildt werkelijk goed. In de pauze samen met Heuss. Daarna gezellig samenzijn in zijn hotelsalon. Zoon (Ludwig Heuss, fabrikant in Lörrach) en schoondochter lunchten in Rottweil aan het tafeltje naast ons. Waarover zouden we toen gepraat hebben? Niets kwaads over Heuss. Maar verder? Gezelschap van vandaag van een zeer Duitse gemoedelijkheid. Heuss vertelt anekdotes. Is blij met zijn populariteit... Trek me vroeg terug, omdat ik morgen vroeg in een vraaggesprek 'voor de band' moet spreken (Zuidduitse Radio: 'De gelukkige jaren twintig - Mythe en werkelijkheid')...

Thomas Mann -- 7 mei 1945

Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald (door Paul Beers) in Duitsland heeft me nooit met rust gelaten. Amerikaans dagboek 1940-1948.

Pacific Palissades, maandag 7 mei 1945
Capitulatie van Duitsland verklaard. [...] Uitgezonderd is het commando van Praag dat rebelleert en de strijd voortzet. Mededeling aan het Duitse volk: Het overwicht van de tegenstander aan mensen en materiaal dwingt tot het neerleggen van de wapens. Duitsland moet rustig blijven en een nieuw leven beginnen. Was dit laatste maar eerlijk gemeend!-De vreugde in Londen en New York moet groot zijn. [...]-Is dit nu de dag, corresponderend met de 15de maart 1933, toen ik deze reeks aantekeningen begon — dus een allerfeestelijkste dag, al ben ik niet echt in een jubelstemming. Natuurlijk is de huidige Duitse regering slechts voorlopig, instrument van de capitulatie, omdat Eisenhower geen Himmler in zijn tent kon laten. Maar overigens zal er niet dit of dat met Duitsland, maar niets in Duitsland gebeuren, en tot nu toe ontbreekt het aan elke verloochening van het nazi-dom, aan elk woord, dat de 'greep naar de macht' een vreselijk onheil was, het toelaten en begunstigen ervan een misdaad van de eerste orde. De verloochening en vervloeking van de daden van het nationaal-socialisme, in binnen- en buitenland, de verklaring te willen terugkeren naar waarheid, recht en menselijkheid-waar zijn ze? De idiote verdeeldheid van de emigratie, de jaloerse haat jegens mij en mijn houding komen erbij om de vreugde te temperen.-Een zekere genoegdoening is het fysieke overleven. Na de val van Frankrijk liet Göbbels mijn dood melden; hij kon zich niet anders indenken. En had ik Hitlers schijnoverwinning als serieus opgevat, dan had me ook wel niets anders gerest dan te sterven. Overleven betekende: overwinnen. Het is een overwinning. Het moge duidelijk zijn aan wie de overwinning te danken is: Roosevelt.-

Schreef dit 's morgens en ging toen verder met hoofdstuk xxvi. Maakte na het scheren een rondje in de buurt. Veel post na tafel te lezen. [...] Truman en Churchill zullen morgen het einde van de Europ. oorlog afkondigen. In Europa, Rome, Oslo, Stockholm, Jeruzalem wordt gejuicht. Maar tegelijk wordt er nog gevochten, zogenaamd omdat de communicatie-verbindingen met de troepen in Duitsland langzaam werken, waarschijnlijk echter omdat de autoriteit van Döniz enjodl zeer twijfelachtig is. [...]

zaterdag 6 mei 2017

Onderwijzer, 38 jaar, Delft -- 6 mei 1945

• Onderwijzer, 38 jaar - Delft. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

Zondag, 6 Mei
- Het is 8 uur in de morgen, 24 uur na de radio capitulatie. Het stormt en felle regenvlagen zwiepen tegen de ruiten De meeste vlaggen in de straat zijn alweer binnengehaald, hetzij voor de regen, hezij omdat de bevrijding nog steeds geen feit is. We zitten bij elkaar en onze stemming is verre van opgewekt. Tegen 10 uur is mijn vriend dK geweest. Hij heeft volgens zijn bewering, zeer belangrijk nieuws, maar nog voor hij het kan uitspreken, leg ik hem het zwijgen op. De gedachte alleen, dat weer iemand me voor de zoveelste maal wil komen vertellen, dat het nu straks toch vrede zal zijn of weet ik wat voor gerucht aan me kwijt wil, maakt me misselijk. Hij dringt er echter niet op aan en dat is zijn geluk, want voor hij vertrekt heeft hij zijn mededeling toch gedaan. Het komt hier op neer, dat vanmiddag om vier uur de capitulatie te Hilversum, door generaal Blaskowitz, commandant der D troepen in Nederland zal worden getekend, dat de Binnenlandse strijdkrachten, door de D zullen worden erkend, dat NSBers de gelegenheid tot ‘onderduiken’ zal worden belet, dat het 49e legercorps Z[uid] H[olland] binnentrekt. Het klinkt allemaal weer heel mooi, net zo als het nu al de hele week geklonken heeft, maar 4 uur zal wel weer 7 uur worden, daarna nog eens 9 uur en daarna verdwijnt het als gerucht bij al zijn voorgangers.

Het loopt nu tegen één uur, de storm is gaan liggen en een waterig zonnetje scheurt de wolken van één.
Zo-even kwam B langs lopen en vertelde me hetzelfde verhaal als s'morgens de K had gedaan.
De deuren gaan weer open, mensen komen weer op straat. Het is of ze het nieuws ruiken. Meer mensen hebben het gehoord en weer herleeft een kleine hoop, dat nu inderdaad de vrede nabij is.
En weer, ondanks de vele teleurstellingen, trekken tegen vier uur, hele drommen naar de markt.
Alvorens me weer eens beet te laten nemen besluit ik op zolder de ‘Oude Jan’ in de gaten te houden of daar de vlag verschijnt. Nauwelijks is het vier uur of ik hoor het galmen van de zware Bourdon-klok. Een vlag zie ik nog niet, maar mijn overbuurman die gunstiger staat ten opzichte van de Nieuwe Kerk schreeuwt me toe dat de vlag uithangt. Als het waar is, besluit ik zelf een kijkje op de Markt te gaan nemen. Het is er ontzettend druk, maar ik heb het geluk boven op een wagen te kunnen staan en heb zo een prachtig overzicht over het hele plein. Bij het standbeeld van Hugo de Groot ontstaat beweging. Als ik scherp tuur bespeur ik er ook de oorzaak van, daar worden twee Moffenmeiden kaal geknipt. Het zijn de eersten van een ongetwijfeld tot onze schande lange rij.
Daar ontstaat beweging op het bordes, er verschijnen een groot aantal personen, waarboven uit ik onzen vroegeren burgemeester met zijn vrouw herken. Hij is omgeven door Binnenlandse Strijdkrachten, de ondergrondse, die nu te voorschijn is gekomen. Ze doen een weinig amateuristisch aan met hun overall en helm. De automatische wapens staan misschien wel flink, maar het is de vraag of ze er al mee weten om te gaan. Ik vraag me af, hoe ze daar aan gekomen zijn.
De burgemeester wenkt om stilte. Hij zal de burgers toespreken. Ik merk wel, dat hij hard schreeuwt, maar van de hele proclamatie, versta ik slechts de woorden ‘Stadgenoten’ en een eind verder ‘Wij zijn vrij’. Wie dichter bij staat kan meer verstaan en wij sluiten ons maar bij het herhaaldelijk spontaan losbarstend gejuich aan Ten slotte zingen we allen geroerd het al oude Wilhelmus en het lijkt of een lang opgekropt gevoel van haat losbarst bij de mensen, als de regel ‘de tyrannie verdrijven’, door de lucht galmt.
Nu is het dan toch echt waar en terwijl ik dit schrijf probeer ik me te realiseren wat het betekent. Het is echter zo moeilijk die betekenis in woorden uit te drukken. Vijf jaar lang onder het juk van een niets ontzienden vijand te hebben geleefd, vallen zo in een paar minuten niet weg. Maar wat ik wel kan beseffen is, dat
- er spoedig voedsel zal komen
- er weer gas, licht en water zal zijn
- er weer brandstof komt
- straks de trein en de tram weer zal rijden
- onze mannen weer uit D terug zullen keren, waar ze nu reeds jaren als dwangarbeiders leven.
- ook onze krijgsgevangenen en studenten zullen terugkeren
- ik op ieder ogenblik van de dag of de nacht de straat op kan
- overal het verduisteringspapier verwijderd kan worden
- ik niet behoef te schrikken, wanneer er een auto door de straat rijdt,
- evenmin wanneer er nog laat in de avond gebeld wordt
- er weer kranten komen,
- naar gelang van ieders smaak, de bioscoop, de dancing de café's de concert-toneel- en variété zalen weer open zullen gaan
- daar waar de marteling geen dodelijke gevolgen gehad heeft de gezinnen weer herenigd zullen worden
- en nooit meer een Westerbork, een Amersfoort, een Vugt voor anderen dan voor D gebouwd mag worden
- de mensheid straks na het verpletteren van Japan de middelen zal vinden om de oorlog nu eens en voor altijd uit te bannen
- ik vrij op de fiets zal kunnen rijden zonder angst voor ‘vordering’
- ik zonder angst vrij naar ieder station van de radio zal kunnen luisteren
- Er weer normale school- en daarmee werktijden zullen komen

Al deze dingen gaan in me om, niet tegelijk, ook niet stuk voor stuk, soms wellen er een aantal in mijn bewustzijn naar boven, blijven even hangen, zakken weer weg tot een andere in een snelle flits door mijn brein schiet.
Zo is dan het einde van deze verschrikkelijke oorlog gekomen. Heel anders dan iedereen wel gedacht zal hebben. Hoeveel krijgsprogramma's zijn er binnenkamers door ‘strategen’ niet opgebouwd en telkens liep het weer anders, dan algemeen de verwachting was. Vreselijk hebben we hier in het Westen geleden van de honger Er zijn mensen met tientallen ponden aan gewicht afgevallen. Men ziet gezichtjes amper twee vuisten groot, die nog slechts caricaturen zijn van de photo's op hun persoonsbewijs. Voor één ding zijn we, God zij dank, gespaard gebleven, het Westen is geen strijdtoneel geworden. Dat had naast de duizenden, die nu door honger stil het toneel verlaten hebben, nog eens duizenden en duizenden mensenlevens gekost.
Ik had gemeend, dit dagboek te kunnen eindigen met een zin als: daar verschijnen de eerste Canadezen, nog besmeurd met kruitdamp, om de hoek van de straat Het is heel anders gelopen. We wachten hun komst, fris en monter, nog steeds af. Ik had gedacht, dat het einde, verlichting zou betekenen, zoiets als het afleggen van een loden pak. Weer is het anders gelopen. Ik kan aan het denkbeeld, nu werkelijk vrij zijn, maar moeilijk wennen. De ogenblikken, dat ik het voel, gaan als een zalige beroering door mijn hart heen, telkens als ik moet bedenken, dat vele dingen, die me steeds angsten hebben bezorgd, nu geheel verdwenen zijn.
Zo nadert het einde van dit dagboek, waarin ik getracht heb weer te geven van wat er in deze laatste oorlogsmaanden in me leefde. Er is geen sprake van objectiviteit, kan geen sprake van zijn. Objectiviteit is een kwestie van tijd, van geschiedenis en van standpunt.
Latere geschiedboeken kunnen, let wel, kùnnen objectief zijn. Maar dit dagboek kan dat onmogelijk. Het is geschreven op het moment van het gebeuren zelf, soms zelfs zonder kennis van de oorzaken, die tot de beschreven feiten aanleiding hebben gegeven, noch van hun plaats in het ruime verband. Hier en daar zullen feiten voorkomen, die in hun motivering wellicht onjuist zijn, maar daarom niet te minder waar zijn gebeurd.
Soms heb ik angst, angst om niet geloofd te worden, omdat latere geslachten eenvoudig niet wensen aan te nemen wat hierin werd beschreven en toch, ik zweer bij alles wat me lief is, er staat geen onware gebeurtenis in. Alles is neergezet ik zou haast zeggen: heet van de naald. Ik heb het pijnlijk voorrecht gehad een ‘totale oorlog’ te hebben mogen beleven. Die is achter de rug. Met alle kracht die in ons zit: op naar een ‘totale vrede’.

donderdag 4 mei 2017

Onderwijzer, 38 jaar, Delft -- 5 mei 1945

• Onderwijzer, 38 jaar - Delft. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

5 Mei 1945
- Het is nu Zaterdagmorgen 3.15. Nog steeds kan ik de slaap niet te pakken krijgen. De gebeurtenissen van de laatste uren hebben me zeker dermate aangegrepen, dat ik over alle vermoeidheid heen toch niet kan rusten. Honderden gedachten daveren als wilde paarden door mijn brein. Hoe ik ook woel en me verdraai, niets baat me. Dan valt mijn besluit: opstaan en mijn gedachten neer zetten. Eerst moet ik het kwijt, dan pas zal ik rust hebben. Het is allemaal ondanks de voorafgegane week, waarin het toch ieder ogenblik zou kunnen gebeuren, nog zo onwezenlijk. Zo ongelooflijk dar nu op vijf dagen na het precies vijf jaar geleden is dat velen hetzij geestelijk hetzij lichamelijk of met beiden tegelijk onder de knoet gingen. Vijf lange jaren van ons korte leven, verloren, verwoest. Nu is de nachtmerrie voorbij. Nu is het dieptepunt bereikt en laat ik hopen dat het voor duizenden en nog eens duizenden niet te laat mag zijn.

Gisteren, Vrijdagavond, even negen uur, ik had juist mijn vriend R op bezoek, werd er hard gebeld en op de deur gebonsd. Opendoende ontwaar ik weer, even als Zondag j.l. een massa mensen op straat. Het is officieel bekend gemaakt DK heeft het zelf door de radio gehoord, de bezetting van Nederland Denemarken en NW Duitsland heeft gecapituleerd. Morgen, Zaterdag, 8 uur gaan de wapens neer. Ook ik had het bericht ook de vorige week reeds gehoord, en het spijt me, zo gauw was ik niet te overtuigen. Ik ren naar mijn vriend K, die zelf een detector heeft. Hij ziet me aan komen, rukt de deur open, en ik zie in zijn grauw vermagerd hongergezicht, het is waar. Ontroerd reiken we elkaar de hand en ik ren, nu ten volle overtuigd terug naar huis. Onderweg zie ik mijn straatgenoten. Ik zie ze van dichtbij, ik schrik. Velen zijn haast onherkenbaar vermagerd. Zo op een afstand is me dat nooit zo sterk opgevallen, maar nu, van dichtbij, het is vreselijk, asgrauwe, ingevallen gezichten, maar in ieder oog straalt de vreugde, de vreugde om de herwonnen vrijheid. Ik voel hoe diep deze laatste maanden de mensen heeft aangegrepen. Er zijn er enkelen, die niet naar buiten kunnen, ze zijn vastgekluisterd aan hun bed, hebben de macht om zich op te heffen niet meer. Eén is er, ik kan geen nadere aanduiding geven, die toch naar buiten is gestrompeld, hij leunt tegen de deur en de tranen rollen hem over de wangen, het was hem te machtig.

Al spoedig wordt het een ware verbroedering. Niemand denkt er meer aan, dat we om negen uur binnen moeten zijn Het gejoel en gejuich vanuit de stad waait naar onze straten over en ik besluit een kijkje in de stad te gaan nemen. Het is al donker, maar voor vele ramen zijn de lampen neergezet. Hoewel voorbarig: wappert hier en daar al het rwb [rood-wit-blauw]. Hoe meer ik het centrum nader, hoe drukker het wordt. Op de H[ippolytus]buurt kom ik een spontaan gevormde optocht tegen van enkele honderden mensen. Ze scharen zich achter een trommel. Er komen meer van die optochten, voorafgegaan door hoorn of harmonica. Naast het Oranje Boven en de Zilvervloot, brult men weer het zouteloze, Van je héla, hola en daarmee verbonden het: lied van de Toffe jongens. Op de markt staat Hugo de Groot, Hij heeft een fakkel in de hand en er voor worden de uit het kringhuis der NSB geroofde portretten van Mussert en Hitler verbrand. Een oorverdovend gejoel stijgt op als de vlammen van alle kanten hoog op laaien.
Thuis zitten buren te wachten We openen een paar flessen wijn, morgenavond vieren we het feest van de bevrijding. Er heerst nu al een uitbundige stemming Al spoedig gaan we uiteen. We willen morgen vroeg op zijn, om acht uur klaar om het feest, waarop we vijf lange jaren hebben gewacht mee te vieren.

Nog slechts enkele minuten scheiden me van acht uur Ik ben naar boven, naar mijn kamer gegaan, om de laatste ogenblikken nog even aan het papier toe te vertrouwen. Buiten op straat, staan slechts weinig mensen. Ze zijn betrekkelijk stil. Overal worden de vlaggen gereed gemaakt. Ook naast mij liggen de Nederlandse, Engelse en Amerikaanse vlag. Straks gaan ze naar buiten. Ook mijn radio, al heb ik dan geen stroom, heb ik voor den dag gehaald Bijna twee jaar heeft hij verborgen gestaan, verborgen voor de nu haast verslagen dwingeland, evenals het koper en het tin. Alles prijkt nu weer op tafel en ik ben blij het nog te bezitten Daar slaat het acht uur. Nu is de oorlog voorbij.

Ik ben de straat opgegaan. Nog nooit zag ik zoveel vlaggen bij elkaar. Met hun heldere kleuren, zeker allen gloednieuw of anders pas gewassen, leveren ze een prachtig schouwspel op. Eén ding ontbreekt en dat is de vlag aan de openbare gebouwen. Toch moet die er zijn, wil het feit van de capitulatie in onze stad officieel vast staan.
Juist wordt er op de hoek een pamflet aangeplakt.
Het is de mededeling van den plaatselijk leider der binnenlandse strijdkrachten, om zich te onthouden van ieder openlijk vreugde betoon, zolang de vlag nog niet aan de openbare gebouwen gehesen is. Er wordt zelfs in gewaarschuwd voor represailles van D[uitse] zijde. Het pamflet komt een beetje als mosterd na de maaltijd, want practisch geen huis of op een of andere wijze wordt aan de vreugde uiting gegeven Daar verspreidt zich het gerucht, dat de D[uitsers] de mensen het dragen van oranje willen beletten. Men voelt het, er is iets niet in orde! Op de Markt is het nog een hele drukte, maar een kennis die ik daar aantrof zegt me, dat tegen acht uur er haast geen plaats was om te staan.
Velen zijn al weer vertrokken. Ik blijf wachten. Ieder ogenblik moet ik nu toch kunnen verwachten dat de deuren van het stadhuis op[en] zullen gaan en de vlag gehesen zal worden. Ik heb mooi wachten, er gebeurt niets en de Markt verwatert zichtbaar. Dan ga ik ook maar weg, kijk naar verschillende aardige etalages, waarin men op één of andere wijze uiting heeft gegeven aan zijn vreugde. Er zijn ook etalageruiten en ruiten van particuliere woningen, die stuk gegooid zijn. Daar wonen NSBers.

Als ik door de Choorstraat loop, wordt daar juist het kringhuis v d NSB gesloopt. De ruiten zijn allang kapot en nu is men bezig de inhoud naar buiten te werken. Ik zie een paar mooie Delfts blauwe vazen de lucht invliegen. Boeken, kranten, alles komt naar buiten, opgeschoten kwajongens lopen met collecte bussen e.d. rond. Het portret van Hitler suist door de lucht en komt ergens met luid gerinkel neer, wordt daar vertrapt. En nog steeds waait de vlag niet van de openbare gebouwen.
Toen ben ik maar naar huis gegaan. De pret was er af.

's Middags, kwamen de geruchten Dat er iets niet in orde was voelde een ieder met de klep van zijn pet. Hier zijn er een paar. Ik geef ze niet om hun geloofwaardigheid, de meeste zijn trouwens zo krankzinnig belachelijk, dat ze alleen daarom al vermelding verdienen De ‘Nederlandse’ SS weigert aan de Grebbe de wapens neer te leggen.
Er wordt in Utrecht gevochten.
De Canadezen zijn tussen Woerden en Gouda gesignaleerd.
Er staan twee kanonnen op Gouda gericht.
De Ortscommandant wil wel capituleren maar de bevelhebber(!) niet. De Canadezen zijn opgehouden, door een technische storing. (Eén maakte er zelfs een radiostoring van).
... In de Wippolder moeten de vlaggen weer weggedaan worden op last van de Feldgendarmerie.
In de Wippolder rukten de D het oranje van de kleren.
In de Wippolder schieten de D op de vlaggen.
In de Wippolder gooien de D met handgranaten door de ramen waar nog vlaggen uithangen.
(Als je een Wippolderbewoner spreekt weet hij van niets)
Alle buitenlandse vlaggen, moeten verdwijnen. Ze worden beschouwd als een demonstratie tegen de D.
Als om vijf uur niet alle oranje verdwenen is, zullen er tien burgers ter dood gebracht worden. (Later werd dit aantal tot twintig verhoogd). Hier zijn een aantal van die geruchten en ik ben overtuigd maar een fractie van hun totaal aantal vermeld te hebben Doch één ding is zeker. Indien de D bezetting in West Nederland gecapituleerd heeft (men begint er zelfs aan te twijfelen) dan moet er in ieder geval een geallieerde autoriteit in de stad komen, die het bestuur of hoe dat dan ook genoemd wordt, van de D over te nemen. Tegenover wien zou de D hier anders kunnen capituleren.

Zo verstrijkt de middag Ook de avond brengt niets nieuws en als het daarbij nog koud wordt ook, kruip ik om negen uur maar onder de wol, overtuigd, dat wat nu geschied is, vast niet ‘volgens de plannen’ gebeurt.

Alma Mahler -- 4 mei 1901

Alma Mahler was in het begin van de twintigste eeuw de it-girl van Wenen. Haar dagboeken over die tijd zijn verschenen als Het is een vloek een meisje te zijn (vertaald door Peter Claessens).

Donderdag 4 mei 1901
Klimt liet zich tijdens het avondeten al een paar nijdige opmerkingen ontvallen, en toen we daarna op het San Marcoplein waren, stond hij plotseling voor me, razend van woede en trillend van opwinding. ‘Ik heb ook wat voor je meegebracht – iets heel moois: hier – heb je je foto terug...’ Toevallig kwam Carl eraan, en hij moest hem weer in zijn zak steken. Ik beet mijn tanden op elkaar en viel bijna flauw. Iedereen ging naar café Florian, en Klimt begon te fluisteren: ‘Alma, hoe heb ik dat nu kunnen doen, ik schaam me.’ Ik antwoordde op gedempte toon: ‘Geeft u mij mijn foto terug.’ ‘Voor geen geld,’ zei hij. ‘Je hebt me de hele namiddag genegeerd, ik houd het niet uit.’
Toen we weer naar buiten gingen, bleef ik mooi naast Carl lopen. Klimt bleef me onophoudelijk achtervolgen. ‘Wees niet meer boos op me, Alma, alsjeblieft...’
Bij thuiskomst kwam Carl naar me toe en zei: ‘Ik weet alles, ik ben van jullie verhouding op de hoogte. Ik weet hoe intiem jullie al met elkaar zijn. Morgen zal ik hem erop aanspreken. Het is een schande. We hebben het er morgen nog wel over, Alma.’
Ik heb mijn bed nog gevonden, maar vraag me niet hoe... de godganse nacht heb ik met open ogen op bed gelegen en heb ik er sterk over gedacht het raam zachtjes te openen en in de lagune te springen.


Nog voor haar huwelijken met Gustav Mahler, Walter Gropius en Franz Werfel, en haar verhouding met Oskar Kokoschka, had it-girl Alma Mahler (1879-1964) al verhoudingen met Gustav Klimt en Alexander von Zemlinsky. Ze schrijft erover in haar dagboeken uit de periode rond 1900.

dinsdag 2 mei 2017

Brigitte Eicke -- 3 mei 1945

• Brigitte Eicke (1927-?, links op de foto) was in 1945 18 jaar oud en woonde in Berlijn. Ze hield van 1942-1945 een oorlogsdagboek bij.

3. Mai 1945
Donnerstag. Früh ging die Plünderei weiter. Die Russen haben das Bekleidungswerk freigegeben. Mit Tante Walli habe ich zwei Pelzmäntel rausgeholt. Dann sind wir zum Alex runter, wir hatten ja wirklich Mut. Bei Reichelt soll es Konserven geben und Büchsenmilch, als wir da ankamen, sagten sie, die Russen sind unten im Keller und wenn Frauen runterkommen, können sie auch mit [nach] oben nehmen, was sie wollen. Vor dem Hochhaus (wo das Kino und Bienenkorb drin ist) lagen in breiten Reihen lauter Tote und in den Trümmern lagen noch tote Soldaten. Wir sind zu Epa rein und bis auf Krimskram war alles schon weg. Knöpfe, Karten und Schnitte haben wir uns mitgenommen. Mutti hatte solche Angst, dass wir gegangen sind. Horst Schramm und Henri Langsieb sind auch schon abgeholt worden.
Es werden viele Mädchen und Frauen vergewaltigt. Ich bin zu Seiferts gegangen, sie leben alle und es ist nichts passiert. Abends habe ich mit Frau Drajewski zusammen geschlafen, wenn jemand gekommen wär, hätte ich mich unters Bett gelegt, es waren nur noch ihre alten Schwestern und Schwager da. Ich habe das erste Mal gut und von abends zehn bis früh neun geschlafen.

4. Mai 1945
Es sind jetzt gar nicht mehr so viel Russen hier. Wenn welche auf den Hof kamen, unseren Aufgang hoch, sind wir durch unsere Wand, die nicht mehr da ist, zu Kaisers rüber und wenn sie da anklopften, dann sind wir zum Seitenflügel wieder raus.
Wir haben uns heute auf die Socken gemacht, Mutti, Tante Walli und ich sind zu Eicks hingelaufen. Es lagen viele Tote auf der Strasse und aufgedunsene Pferdeleiber, es sieht furchtbar aus, am Hain lang. Wir mussten immer Umwege machen, weil die Russen in der Elbinger die Leute aufgehalten haben und man musste mitarbeiten auf der Strasse. Tante Else und Onkel Paul sind auch gut drüber weg gekommen, aber da haben die Russen noch schlimmer gehaust, da sind viele Frauen vergewaltigt worden, weil sie schon viel früher als wir besetzt worden sind. Ich habe dann mit Mutti zusammen geschlafen, aber nur halb ausgezogen, weil wir immer denken, es kommt jemand. Wenn das unser Papa wüsste, was wir so erleben, dass hätte er auch nie und nimmer gedacht. Ob Kurt noch lebt und meine anderen Soldaten?

1-2 mei; 5-8 mei