Arcachon, 7 april [1902].
Gisteren bij toeval het eerste deel van mijn Dagboek opengeslagen, en vond dat zulke vreemde en ontroerende lektuur dat ik urenlang ben blijven lezen. — Wie weet of ik niet nog een paar jaar te leven heb; en als dat zo is, zou ik er spijt van hebben niet een doorlopend verslag van mijn leven te hebben. Dus besluit ik om weer mijn dagboek bij te gaan houden, na bijna een jaar onderbreking. (...)’
28 december 1903 stierf Gissing in St. Jean de Luz. (Zijn laatste dagboekaantekening dateert van 8 november 1902, en beschrijft een uitstapje over de grens in Spanje.)
Ik ben mij ten volle bewust dat ik de schrijver Gissing weinig recht doe met een keuze uit deze dagboeken - hoe futiel!, zal menig lezer zeggen. Maar het leven van een groot schrijver bestaat uit dergelijke ongelukkige futiliteiten, en zo heeft Gissing ze willen optekenen. Zijn verbale, bijtende kracht, zijn ideeën, de schoonheid van zijn taalgebruik, zijn maatschappelijke en filosofische stellingname, kortom, zijn hele kunstenaarschap en ambachtelijkheid zijn terechtgekomen in zijn voor publikatie bestemde werken - waarvan minstens een handvol tot de meesterwerken van de wereldliteratuur gerekend kunnen worden. Maar het moet mij van het hart: ook in deze zwakke alledaagsheden is George Gissing mij zeer dierbaar, steun en troost voor wie zelf in dit vak terecht is gekomen - ‘a trade of the damned’, zoals Gissing het noemde tegenover Austin Harrison.
• Geerten Meijsing


Geen opmerkingen:
Een reactie posten