donderdag 7 mei 2026

Marga Minco • 8 mei 1983

• Marga Minco (1920) is een Nederlandse schrijfster. In 1983 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Zondag [8 mei]
Droomde vannacht dat ik terug was in mijn ouderlijk huis in Breda. Ik keek naar buiten en zag dat de voortuin geheel bedekt was met donkergrijze tegels. Alleen in de hoek bij het raam stond een kale struik waarin een vogel rondhipte. De volgende dag ontdekte ik in de tuin een laag okerkleurig zand. In het midden waren van hetzelfde zand en ongeveer 20 cm hoog, vier hakenkruisen geboetseerd. De dag daarop bleek de voortuin opnieuw veranderd; er lag zwarte aarde in, keurig bijgeharkt. Tussen de sporen van de hark kwamen (weer), heel duidelijk, vier hakenkruisen op. B. vraagt welk foefje ik gebruik om mijn dromen te onthouden. 'Geen foefjes,' zeg ik, 'je moet ze 's morgens meteen noteren.' 'Tegen dat ik daar aan toe ben, zijn ze bij mij al onder de bordewisser verdwenen,' zegt hij.

Maandag [9 mei]
Ronald Sweering, die een foto van me komt maken, in dezelfde serrestoel waarin hij me tien jaar geleden fotografeerde, roept bij het weggaan: 'Nou, tot over tien jaar dan maar weer, hè?' Wat heb ik al die jaren gedaan, behalve veel schrijven en weinig publiceren? Ver over de honderd lezingen gegeven. Door het land getrokken met mijn mapje, als een vertegenwoordiger met zijn aanbieding. Vragen beantwoord, zoals: 'Had u voor de oorlog ook Nederlandse vriendjes en vriendinnen?' 'Wanneer gaat u weer terug naar Israël?' 'Kunt u mij ook zeggen hoe het komt dat joden zo anders zijn en anders doen?' Dan dacht ik: het kan geen kwaad om er nog even mee door te gaan. Ik zoek de foto uit '73 op. Wat mij betreft hadden ze die weer mogen gebruiken, want wanneer ben je het echt? Bert B. zei me eens: 'Ze zouden alleen foto's van schrijvers moeten afdrukken die gemaakt zijn in de periode van hun debuut.' Daar zal ik het zeker mee eens zijn tegen de tijd dat Ronald zich voor de derde keer met zijn camera in de serre komt vervoegen.

woensdag 6 mei 2026

Mensje van Keulen -- 7 mei 1976

Mensje van Keulen (1946) is schrijver. In 1976 hield ze een dagboek bij dat is gepubliceerd als Alle dagen laat (2006).

7 mei
Hoeveel tijd verstreek? Ik schrijf aan de opnieuw gelakte, ronde, ijzeren tafel bij het licht van een nieuwe buitenlamp. Het moet een uur of twee zijn en het is nog steeds warm. Ik dronk mijn glas pils leeg, rookte. Ik weet niet hoe ik het op moet schrijven. Al 4 dagen niet.
Een nieuwe fles bier halen. Dat eerst.

4 mei, omstreeks 1 uur: Loesberg belde en vroeg of hij me die dag af en toe mocht bellen.
Natuurlijk Loes, waarom?
Er was een treinongeluk gebeurd, bij Schiedam, en Carry was niet op haar werk en hij had nog niets van haar gehoord. Haar vader had dit om 11 uur aan de telefoon verteld.
Hij zei: ‘Ik heb hetzelfde gevoel als de keer dat ik écht zelfmoord wilde plegen.’
‘Ach Loes, de treinen erna zullen ook vertraagd zijn, misschien zat ze daarin, misschien kan ze je niet bellen, is het een chaos.’
Misschien. Paniek om het hart.
‘Twintig doden. Tot nu toe.’
Ik smeekte hem zich te concentreren op het verkrijgen van een kalmeringsmiddel en beloofde niet te bellen. (De telefoon als moordenaar. Neem niet op en er gebeurt je niks.)
In een roes, misselijk, reed ik naar de Hobbemakade waar ik een afspraak met Dory had om een huis te zien. Te klein. Driehoog. We dronken thee. Dory belde de heer M., schakel in de woningbouwvereniging. We gingen langs. Dezelfde praatjes van M. over mooie meiden, de maat van borsten, hoeren op zolders, etc. Hij streek met zijn vingertop over die andere top onder de rand van zijn broek, zei dat hij me misschien een 8-kamerwoning met tuin kon aanbieden.
Loesberg, god jezus Loesberg. Voortdurend ging het door me heen.
Ik bracht een defecte cassetterecorder naar Duivendrecht, reed met het gevoel van honderd ongelukken.
L. belde niet.
Ik belde weer het ANP. Het nieuws over de ramp was nauwelijks gewijzigd. De telefoonnummers voor mensen die de namen van de slachtoffers wilden horen, werden niet meer genoemd.
Hij belde kwart voor 6. Een huilend wrak.
‘Ze is dood! Ze is dood!’
Alles wat ik zou zeggen, zou fout zijn. Alles wat ik niet zou zeggen, zou fout zijn. Hij liet de hoorn los, onder geschreeuw: ‘Ik snijd m'n polsen door! Ik verbrand alles! Het moet er nu dan maar eens van komen!’
Loes! Loes! Loes! schreeuwde ik aan één stuk.
Hij kwam terug. Wanhoop, kalmer, wanhoop, kalm, kil.
‘Ik ben nog nooit gelukkig geweest, idioot. Het is zo banaal, zo... o god, was het dan maar een dronken automobilist geweest.’
Banaal. Wat overkomt een schrijver die de banaalste rottigheid zo sec en weergaloos beschrijft en ridiculiseert?
Een briefje op de keukentafel waarin zijn vriendin schrijft dat ze later thuis komt omdat ze niet, zoals anders, van en naar Rotterdam meerijdt in de auto van een collega. Liefs, Carry. Twee kaartjes voor Parijs, de avond ervoor gekocht. Ze gingen nooit met vakantie, waren in een juichende stemming, hij zou een verhaal verifiëren (een van de verhalen die hij me zojuist had toegestuurd). En 4 mei. Dodenherdenking. Wanneer houdt dat eens op? Gedenk dan alle oorlogen, iedere dag, en er is nooit meer een normale dag.
‘Haal niet dat toppunt van banaliteit in je hoofd, Loes. Nog niet, asjeblieft.’
‘Ja ja, tijd heelt.’
‘Hebben de poezen eten gehad?’
‘Houden jij en Lon van me?’
‘Natuurlijk Loes, ja.’
‘Ik moet een spuit om te slapen.’
‘Ik stuur iemand. Beloof dat je opendoet.’
Hij beloofde het. Ik belde R. in Den Haag en kreeg een antwoordapparaat: ‘Dokter Blom is tot tien mei afwezig, voor dringende... etc.’
De bank trilde, alles trilde. Ik belde H. Die ging en gaf hem een spuit. Hij werd agressief benaderd, maar kreeg L. uiteindelijk in bed. Gewend als hij is met labiele patiënten om te gaan, zag hij weinig reden tot ongerustheid: ‘Geen suïcidaal type.’
O, psychiater! Direct nadat je de hoorn had neergelegd, belde L's buurman om te zeggen dat L. almaar aan het rondstommelen was.

dinsdag 5 mei 2026

Fernando Pessoa • 6 mei 1920

• De enige liefde van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) was de twaalf jaar jongere Ophélia Queiroz, die bij hem op kantoor werkte. Hij schreef haar een groot aantal liefdesbrieven. Uit: Mijn droom is van mij. Brieven, dagboeken, beschouwingen (vertaald door Harrie Lemmens).

6 mei 1920
Lief klein baby’tje,
Dus mijn baby’tje trok bekken naar me toen ik langskwam? Dus mijn kleintje, die zei dat ze me gisteren zou schrijven, heeft mij niet geschreven? Dus baby’tje houdt niet van Nininho? (Niet vanwege de grimassen, maar vanwege het niet-schrijven.) Kijk, Nininha, en serieus nu: ik vond dat je er vrolijk uitzag vandaag, dat je goedgehumeurd leek. Ook lijkt het of je het leuk vond Ibis [= Pessoa] te zien, maar dat durf ik niet te zweren, uit angst me te vergissen. Drijf je nog veel de spot met Nininho? (A. de C.). Ik weet niet of ik morgen naar Belém ga; hoogst waarschijnlijk wel, zoals ik je al heb gezegd. In ieder geval weet je dat ik na half zeven niet meer kom, zodat je na die tijd niet meer op je Ibis hoeft te wachten. Heb je dat gehoort? [sic] Veel kussen en een arm om het middel van mijn baby.
Altijd en eeuwig jouw Fernando


maandag 4 mei 2026

Edmond de Goncourt • 5 mei 1877

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Zaterdag 5 mei
Gisteren, tijdens het diner ter gelegenheid van het vertrek van Toergenjev naar Rusland, hebben we over de liefde gesproken, over de liefde zoals er in boeken over geschreven wordt.
Ik zei dat tot nu toe de liefde niet wetenschappelijk in een roman was behandeld en dat wij er alleen maar de poëtische kanten van hadden laten zien. Zola, die het gesprek op dit onderwerp had gebracht om ons uit te horen met het oog op zijn nieuwe boek, beweerde dat liefde niet iets bijzonders was, dat de mensen er niet zo totaal door gegrepen werden als men het wel wil doen voorkomen, dat de symptomen die men erin aantreft, ook gevonden worden in vriendschap, in vaderlandsliefde enzovoorts, en dat de grotere intensiteit van het gevoel alleen maar wordt veroorzaakt door het vooruitzicht op de coïtus.
Toergenjev zei dat dat niet waar was, dat liefde een gevoel was met een heel bijzondere kleur en dat Zola zich ernstig vergiste, als hij die kleur, dat kwalitatieve verschil, niet wilde erkennen. Hij zei dat liefde een effect op de mens heeft dat door geen enkel ander gevoel wordt veroorzaakt en dat iemand die echt verliefd is, als het ware van zijn persoonlijkheid wordt beroofd. Hij sprak over een zwaarte in je hart die niets menselijks meer heeft. Hij sprak over de ogen van de eerste vrouw van wie hij gehouden had als over iets volstrekt onstoffelijks, iets wat in het geheel niets meer met de materie te maken had...
Een ongelukkige omstandigheid bij dit alles was dat noch Flaubert, ondanks al zijn opschepperij op dit gebied, noch Zola, noch ikzelf ooit heel zwaar verliefd zijn geweest en dat wij niet in staat zijn de liefde te beschrijven. Alleen Toergenjev zou het kunnen; maar hem ontbreekt nu juist weer de kritische zin die wij zouden kunnen aanwenden, als wij verliefd waren geweest zoals hij het is geweest.

zondag 3 mei 2026

Edmond de Goncourt • 4 mei 1871

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Donderdag 4 mei [1871]
Vanaf het stadhuis vertrokken om in een van de meer afgelegen wijken Jongkind op te zoeken. Ik ben een van de eersten die de verdiensten van de schilder gezien heeft, maar ik kende de man zelf nog niet.
Stel u voor een blonde reus met blauwe ogen, het blauw van Delfts aardewerk, en een naar beneden getrokken mond, terwijl hij aan het schilderen is in een gebreid vest en met een Hollandse schipperspet op.
Op zijn ezel heeft hij een schilderij van een Parijse voorstad, met een lemige rivieroever van een allerkostelijkste makelij. Hij laat ons schetsen zien van Parijse straten, van de wijk rond de rue Mouffetard, van de omgeving van de Saint-Médard, en het lijkt of daar de apotheose van de grijze en vlekkerige Parijse pleisterkalk, in de glans van de vochtige atmosfeer, door een tovenaar is vastgelegd. Daarna volgen voorstudies, kladjes op papier, fantastische beelden van lucht en water, een vuurwerk van de kleuren van de hemel.
Hij liet het ons allemaal heel goedig zien, terwijl hij een mengeling van Hollands en Frans brabbelde, waarin soms de bitterheid doorklonk van een groot talent dat 3.000 frank per jaar vraagt om te kunnen leven, een bedrag dat hij niet altijd bij elkaar had gekregen, zelfs niet in de tijd dat hij een schilderij van Bonington voor 80.000 frank van de hand had zien gaan. Maar direct daarop bedaarde hij weer en sprak hij met een trieste ondertoon over zijn kunst, zijn strijd en over zijn voortdurende zoeken, waardoor hij, naar zijn zeggen, ‘de ongelukkigste mens was die er rondliep’.
Intussen was er steeds een vrouw in zijn onmiddellijke nabijheid, die zich in woord en gebaar tegenover hem gedroeg zoals een moeder met haar kind omgaat, een vrouw die hem gered had van de honger en de waanzin. Zij was gedrongen en had zilvergrijs haar en een flinke snor; het was een engel van toewijding met het uiterlijk van een bordeelhoudster.
Het bezoek nam geruime tijd in beslag, het bekijken van de portefeuilles duurde verscheidene uren, Jongkind kwam los, hij wond zich op over de politiek van de Commune. Plotseling begon zijn spreken zich te verhollandsen en raakte hij in de war, zijn woorden werden heel vreemd en onsamenhangend. Er was sprake van agenten van Lodewijk XVIII, van afschuwelijke dingen waarvan de schilder getuige zou zijn geweest. Hij sprong ineens op, alsof er een veer in hem losschoot: ‘Daar ging een elektrische stroom vlak langs me heen, zag u wel.’ En met zijn mond deed hij het geluid van een fluitende kogel na. Hij ging weer zitten en begon opnieuw over de geheime politie, over mensen die hem wilden laten verdwijnen, enzovoorts. Het is treurig, het is afschuwelijk om te zien hoe deze talentvolle man, die al een keer uit de afgrond is teruggehaald, wankelend op het punt staat er opnieuw in te vallen bij het eerste het beste gesprek van enige duur, bij de minste prikkeling van zijn zenuwen, bij de minste inspanning van zijn hersenen.

Otto van Lidth de Jeude • 3 mei 1940

Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.

3 Mei 1940
8 uur aankomst T. Pandang, afgehaald door Ir. van Hasselt. Hij deelt mede, dat Ir. van Capelle is ontslagen, omdat hij, evenals zijn vrouw, verwoed N.S.B. is. Ik acht dit een wijs besluit, mede met het oog op de houding van de N.I. Regeering. Mr. Brons te Batavia, waarover ik op 14 Maart schreef, is in dienst gehouden, omdat hij mededeelde, dat hij den N.S.B. had afgezworen en met de mededeeling, dat indien hij zich daarmede te eeniger tijd zou bemoeien, dan onmiddellijk ontslag zou volgen.
In Nederland werd het standpunt ingenomen, dat N.S.B.-neigingen geen reden voor ontslag waren, zoolang daarvan in den dienst geenerlei hinder of nadeel werd ondervonden. Dit standpunt wordt in Ned. Indië, waar met geheel andere omstandigheden is rekening te houden , niet houdbaar geacht en dient een veel strengere maatstaf te worden aangelegd. Zonder hierop uitvoerig in te gaan, wordt eraan herinnerd, dat het bestuur van Nederlandsch-Indië door de Nederlandsche autoriteit ernstig geschaad zou worden, indien daarbij een diepgaand verschil van politiek inzicht tusschen de Nederlanders aan den dag zou treden, terwijl bovendien toelating en doorvoering van totalitaire beginselen weinig goeds voor de inlandsche bevolking voorspelt hetgeen tot vérgaande consequenties zou kunnen leiden.
[...]
Een als steeds voortreffelijke rijsttafel bij Ir. van Hasselt met Van den Broek, Van Kuyk, mej. Bijl, de secretaresse, die Van den Broek uit Holland heeft medegenomen, een beschaafd, bescheiden meisje, de dochter van den gezagvoerder van de Nieuw Amsterdam, die voor de correspondentie en administratie bijzonder nuttig is. Haar zuster is getrouwd met een zoon van Weiter, die in Batavia gevestigd is. Zij is in Den Haag werkzaam op de Billiton Mij en kent dus alle ins and outs van het kantoor, hetgeen voor Van den Broek een groot gemak is, weshalve hij haar ook medegenomen heeft. Na den rijsttafel keeren wij aan boord van het M.S. Siberg terug om 3 uur, teneinde den reis naar Singkep voort te zetten. Aan boord ten afscheid aanwezig Ir. van Lier en Dr. Leeuwenburgh met echtgenoote. Ir. van Hasselt zal ons op den verderen reis vergezellen.

Beb Vuyk • 2 mei 1945

• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

Begin mei 1945
Vandaag was het broodje bijna niet eetbaar, weinig maïs, veel cassave, zuur en onsmakelijk. Ons dagelijks brood, letterlijk in het zweet ons aanschijns verdiend. ik zeg tegen Rudi dat ik op pay-day ragi [zuurdesem] zal kopen, waarmee we gegiste broodpap kunnen maken. Mijn overbuurvrouw biedt mij een ragi-bolletje aan en ik gebruik mijn laatste schepje suiker om de gisting op gang te brengen.

Het is een ongewone geste in dit milieu, want hoewel we alleen gescheiden door een gangpad van krap drie meter overburen zijn, kennen we zelfs elkaars namen nog niet. We zeggen alleen goedemorgen bij het wakker worden, daar blijft het bij. Tot een gesprek zijn we nog niet gekomen; door mijn tuinwerk ben ik weinig in de hut.

Ze is een wat oudere vrouw, ik schat haar op even in de vijftig, maar daar informeer ik niet naar. Altijd als ik met een van de vele anoniemen praat, stel ik geen persoonlijke vragen. Tenslotte zijn wij net als wrakhout aangespoeld aan een barre kust, met de kans dat een nieuwe golf ons weer uit elkaar drijft.


Deze keer praten we wel nog wat na, terwijl ik de ragi behandel Ze werkt niet want ze heeft een achterlijk dochtertje van een jaar of zestien, een stil introvert kind dat weinig zegt en alleen heel verlegen lacht als ze aangesproken wordt. Ze heeft geen aansluiting bij de meisjes van haar leeftijd, die allemaal werken. De moeder vertelt mij dat zij zelf graag zou willen werken, maar ze durft het kind niet onbeschermd in de hut achter te laten. Ze wandelt veel met haar; beweging hebben ze beiden nodig.

'In de hut praten ze alleen maar over geruchten. De mensen hebben veel te weinig te doen,' klaagt ze. Er zijn een stel oude vrouwen, stakkers, zwak en ziekelijk, en moeders met nog hele kleine kinderen en echte zieken met koorts, maar niet hoog genoeg om naar het hospitaal overgebracht te worden. Geruchten over landingen in alle grote havensteden van Java en Sumatra en over dingen die het kamp onmiddellijk treffen. We zullen nóg minder brood krijgen en kleinere porties rijst. Er is een grote groep nieuwelingen op komst, voor wie we moeten opschuiven. En het allernieuwste: we krijgen Rode-Kruispakketten. Dat is wel het meest onwaarschijnlijk, daar zijn we het over eens. Het vorige jaar hebben wij een keer een Rode-Kruispakket gehad. Dat was in Kareës, toen ik nog tot de kongsi An, Chris, Beb en kinderen behoorde. Dat was in mei dat we ze kregen, precies op Hans' verjaardag, en nu is het weer mei. Hiermee meen ik de oorsprong van het gerucht getraceerd te hebben en ik vertel het mijn buurvrouw. Meimaand, Rode-Kruismaand, zo ontstaat de kampfolklore.