14 Oct. 1936 • In vele opzichten is Neira een min of meer ideale samenleving, vergeleken dan met de rest van de wereld. Natuurlijk is zelfs in zulk een paradijs niet alles even mooi, en zo heb je hier ook alle kleine kanten van een dorpssamenleving, alleen minder hevig en minder scherp, omdat Neira een soort van paradijs is. ‘De mensen schijnen hier nauwelijks armoede te kennen’, heb ik eerder geschreven. Dat is maar ten dele waar.
Wel is waar, dat de mensen die in Neira zelf of in de kampong wonen, meestal hun eigen hutje hebben of inwonen bij anderen als personeel en niet ondervoed zijn, ja meestal nog geld over hebben voor mooie kleren en feesten. Maar op de perken zijn de mensen toch wel een beetje ondervoed. Dr Soeribno bijvoorbeeld heeft nu een jongen in huis, die heel erg ondervoed is, hij komt van Goenoeng Api. Die hongerlijders op de perken, op de Goenoeng Api verdienen nauwelijks een dubbeltje per dag, àls ze iets verdienen kunnen.
Velen van hen proberen het met het verbouwen van groenten, maar zonder kapitaal gaat dat natuurlijk ook niet al te best en de vruchtbaarste plekken zijn altijd al eigendomsgronden. In de perken wonen de koelies. Vroeger hebben zij meer verdiend: 40 tot 50 cent per dag, maar nu is het al veel als zij 12 of 15 cent krijgen; deze mensen zien er dan ook over het algemeen heel slecht uit. Toch zijn de perkeniers geen uitbuiters. De meesten kunnen niet meer betalen, omdat de notemuskaat helemaal geen prijzen meer maakt. Vele perkeniers werken met verlies maar ze moeten doorgaan, omdat verwaarlozing van hun perken nog groter verlies zou betekenen.
De rijkaards hier zijn ook geen onsympathieke mensen. Héél rijke lieden heb je hier niet meer, maar zeer gegoede families, die het brengen tot een vermogen van een paar ton en een inkomen van vier of vijfhonderd gulden per maand voor privé-doeleinden, zijn er wel enige. Ook zij leven eenvoudig, versmijten hun geld niet en nemen ook geen geld-aristocratische allures aan. Zij hebben de Bandase verdraagzaamheid en vriendelijkheid.
De landbouwers op Goenoeng Api zijn voor een groot deel afkomstig van Boeton, ten Zuiden van Celebes. Zij komen hierheen in hun zeilscheepjes, bij elkaar gepakt als haringen in een ton, zó dat ze gedurende de gehele reis niet kunnen gaan liggen, terwijl die reis, wanneer de wind niet meewerkt, wel een maand kan duren. Dan eten, slapen, ze doen alles staand of hurkend. Van ongelukken op zee hoor je niet; het moeten wel heel goede zeevaarders zijn.
Ze pakken hier van alles aan en zelfs als ze maar twintig cent per dag verdienen spelen ze het nog klaar om er wat van opzij te leggen. Als ze naar hun mening genoeg gespaard hebben, dat is zo tussen de tien en vijf-en-twintig gulden, stappen ze weer in zo'n zeilscheepje, betalen drie gulden voor de hele reis, die meestal korter duurt dan een week, maar soms, als het tegenvalt, ook wel eens veel en veel langer.
Een luilekkerland is het hier dus niet precies, en men kan hier zien, dat de ‘luie inlander’ levensgevaar trotseert om een paar centjes te kunnen verdienen, waar hij dan bovendien nog voor moet ploeteren. Het verdiende geld is meestal voor de familie, ook wel om een nestje te kunnen bouwen. Al die Boetonnese jongemannen zijn hier ongetrouwd, omdat ze nog geen huishouding op kunnen zetten - nog geen huishouding van tien cent per dag -, daar de kleren van de vrouw te veel kosten.
Hier op Banda heb je dat verschijnsel trouwens ook en men zegt, dat het ook op Java nu zo toegaat. Zo ziet men, dat wat nog geen probleem vormde een tiental jaren geleden - hèt Europese probleem - dat nu ook geworden is voor ons Indonesiërs. Het leven is nu zelfs in dit gemakkelijke land, waar je toch maar zo weinig kleren aan je lichaam nodig hebt, zó geworden dat de mensen vanzelf aan het rekenen moeten gaan, rationeel moeten worden. Niet trouwen, omdat de vrouw hem de helft van zijn bordje rijst - zo hij dit heeft - zou kosten.







