• De Oostenrijker Stefan Zweig (1861-1942) – bekend van zijn Schachnovelle – was in het interbellum een van de beroemdste schrijvers ter wereld. Uit: De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan (vertaald door Willem van Toorn).
28 februari 1933
Al tijdens de eerste dagen van het nieuwe regime had ik zonder het te weten een soort oproer veroorzaakt. Er draaide toen namelijk in heel Duitsland een film die gemaakt was naar mijn novelle Brandend geheim en daar ook de titel van droeg. Niemand nam daar ook maar de minste aanstoot aan. Maar op de dag na de Rijksdagbrand, die de nationaal-socialisten tevergeefs de communisten in de schoenen probeerden te schuiven, begonnen de mensen zich op straat te verzamelen voor de bioscoopborden en affiches van Brandend geheim, elkaar knipogend aan te stoten en te lachen. De mannen van de Gestapo begrepen al gauw waarom er gelachen werd. En nog dezelfde avond raasden er agenten op motoren rond, de voorstellingen werden verboden, van de volgende dag af was de titel van mijn novelle uit alle krantenadvertenties en van alle aanplakzuilen spoorloos verdwenen. Maar een enkel woord dat ze stoorde verbieden, ja zelfs het verbranden en vernietigen van al onze boeken, was nog een betrekkelijk eenvoudige zaak geweest. Maar in één bepaald geval konden ze mij niet treffen zonder tegelijk de man te schaden die ze juist in deze kritieke periode voor hun prestige in de wereld absoluut nodig hadden, de grootste, de beroemdste levende componist van Duitsland, Richard Strauss, met wie ik net de samenwerking aan een opera had afgerond.
donderdag 27 februari 2020
dinsdag 25 februari 2020
Clara • 26 februari 1819
• Uit: Bladen uit Clara's dagboek. Fictief dagboek, geschreven door Erna. Dit is het laatste blad. Clara heeft haar man teruggewonnen nadat haar huwelijk door toedoen van ene Lucie ernstig in gevaar is gebracht.
26 Februari.
Het is vier uur in den nacht, maar toch moet ik nog even mijne gedachten uitspreken op het geduldige papier; dit boek bevat het verhaal mijner droefheid, laat het ook dat van mijn herkregen geluk bevatten. Ja, de strijd is beslist; ik heb het van avond gezien op het bal, waar ik met niemand dan Han dansen mocht. Hij zeide, dat hij jaloersch zou worden als een ander zijn vrouwtje in zijn arm had.
Lucie vertrekt overmorgen, maar het zou mij onverschillig zijn, al bleef ze voor goed hier; ik vrees haar invloed niet meer.
Op den terugweg in het rijtuig, terwijl tante indommelde, fluisterde hij mij in:
‘Mijn lieveling, kan je mij vergeven?’
‘Wat?’ vroeg ik op verwonderden toon.
‘Alles van den laatsten tijd; ik wil het je uitleggen, zoodat...’
Maar ik sloot met mijne lippen de zijne. Hij behoefde mij niets uit te leggen; ik begreep hem geheel.
‘Neen man’ zei ik, ‘ik wil niets hooren; je houdt immers van mij, dat is genoeg.’
‘Mijn eenige lieveling, mijn schat, mijn gelukszonnetje!’
Dat zijn de woorden, die voortklinken in mijn hart, ik zou ze jubelend willen herhalen, telkens weer, en ze dan weer van hem hooren. Zijn gelukszonnetje, ja, dat wil ik zijn, dat blijven, ons leven lang.
26 Februari.
Het is vier uur in den nacht, maar toch moet ik nog even mijne gedachten uitspreken op het geduldige papier; dit boek bevat het verhaal mijner droefheid, laat het ook dat van mijn herkregen geluk bevatten. Ja, de strijd is beslist; ik heb het van avond gezien op het bal, waar ik met niemand dan Han dansen mocht. Hij zeide, dat hij jaloersch zou worden als een ander zijn vrouwtje in zijn arm had.
Lucie vertrekt overmorgen, maar het zou mij onverschillig zijn, al bleef ze voor goed hier; ik vrees haar invloed niet meer.
Op den terugweg in het rijtuig, terwijl tante indommelde, fluisterde hij mij in:
‘Mijn lieveling, kan je mij vergeven?’
‘Wat?’ vroeg ik op verwonderden toon.
‘Alles van den laatsten tijd; ik wil het je uitleggen, zoodat...’
Maar ik sloot met mijne lippen de zijne. Hij behoefde mij niets uit te leggen; ik begreep hem geheel.
‘Neen man’ zei ik, ‘ik wil niets hooren; je houdt immers van mij, dat is genoeg.’
‘Mijn eenige lieveling, mijn schat, mijn gelukszonnetje!’
Dat zijn de woorden, die voortklinken in mijn hart, ik zou ze jubelend willen herhalen, telkens weer, en ze dan weer van hem hooren. Zijn gelukszonnetje, ja, dat wil ik zijn, dat blijven, ons leven lang.
maandag 24 februari 2020
Valentin Boelgakov • 25 februari 1910
• De Rus Valentin Boelgakov (1886-1966) was de persoonlijk secretaris van de grote schrijver Lev Tolstoj in diens (veelbewogen) laatste levensjaar, en hield in die periode een dagboek bij. Later werd hij de biograaf van de grote Russische schrijver. Uit: Het laatste levensjaar van L.N. Tolstoj (vertaald door Charles B. Timmer).
25 februari
Tijdens de thee begon Sofja Andrejevna [Tolstojs echtgenote] gedichten van Tjoettsjev te declameren. Tolstoj viel haar bij, zei haar bepaalde regels voor en declameerde soms zelf. ’Een gedicht is goed,’ zei hij, ‘als ieder woord erin op de juiste plaats staat.’
Zij haalden persoonlijke herinneringen aan de dichter Tjoettsjev op, want behalve Ljev Nikolajevitsj en Sofja Andrejevna had ook Soechotin hem gekend.
‘Ik heb vandaag de krant eens van a tot z doorgelezen,’ ging Tolstoj verder, ‘en daar de conclusie uit getrokken dat de belangrijkste gebeurtenissen in de hele wereld nu zijn de dood van de toneelspeelster Komissarzjevskaja en het jubileum van de toneelspeelster Savina. Dat zijn, zeggen ze, twee uitzonderlijk grote vrouwen... Verschrikkelijk! De taal die bestemd is om gedachten weer te geven op zo’n manier misbruikt te zien...!
Frappant zijn soms de zogenaamde ‘bedelbrieven’ aan Tolstoj. Vandaag vraagt een zekere juffrouw honderd roebel voor haar huwelijk, want zij was een ‘officiersdochter en de tradities in officierskringen stellen zekere eisen aan je...’ Verder wilde een jongeman ook honderd roebel van hem hebben om zich te kunnen voorbereiden op de examens voor beroepsofficier.
25 februari
Tijdens de thee begon Sofja Andrejevna [Tolstojs echtgenote] gedichten van Tjoettsjev te declameren. Tolstoj viel haar bij, zei haar bepaalde regels voor en declameerde soms zelf. ’Een gedicht is goed,’ zei hij, ‘als ieder woord erin op de juiste plaats staat.’
Zij haalden persoonlijke herinneringen aan de dichter Tjoettsjev op, want behalve Ljev Nikolajevitsj en Sofja Andrejevna had ook Soechotin hem gekend.
‘Ik heb vandaag de krant eens van a tot z doorgelezen,’ ging Tolstoj verder, ‘en daar de conclusie uit getrokken dat de belangrijkste gebeurtenissen in de hele wereld nu zijn de dood van de toneelspeelster Komissarzjevskaja en het jubileum van de toneelspeelster Savina. Dat zijn, zeggen ze, twee uitzonderlijk grote vrouwen... Verschrikkelijk! De taal die bestemd is om gedachten weer te geven op zo’n manier misbruikt te zien...!
Frappant zijn soms de zogenaamde ‘bedelbrieven’ aan Tolstoj. Vandaag vraagt een zekere juffrouw honderd roebel voor haar huwelijk, want zij was een ‘officiersdochter en de tradities in officierskringen stellen zekere eisen aan je...’ Verder wilde een jongeman ook honderd roebel van hem hebben om zich te kunnen voorbereiden op de examens voor beroepsofficier.
zondag 23 februari 2020
J. Slauerhoff • 24 februari 1935
• In zijn brieven aan zijn studiegenoot Hans Feriz, met wie hij tot zijn dood bevriend zou blijven, wijdde schrijver-arts Slauerhoff (1898-1936) onder meer uit over de rol die de literatuur in zijn leven speelt en over eventuele mogelijkheden om het schrijven en de medicijnen te verenigen. Uit: Brieven aan Hans Feriz.
24 februari 1935
Je hebt volkomen gelijk dat je je twijfel uitspreekt of ik een specialistische studie door zal zetten. Ik ben geen geboren medicus en dan ben ik psychisch moe door al ‘t vergeefs veranderen. Ik maak het mij misschien te moeilijk – en zou het kalm moeten opnemen en mijn literaire roeping maar heelemaal volgen en zien wat daarvan komt.
Maar als ik zie hoe mijn uitsluitend literaire collega’s – Du Perron-Marsman-Bloem e.v.a. – wat voor of na hun 40e al gâteus [‘half kinds’] worden en oudehoeren, potatoren [drinken] of letterziften, dan slaat mij de schrik om ’t hart, en voel ik het als een kwestie van zelfbehoud, een beroep te hebben datje in actie houdt en onafhankelijk van de schoone letteren.
Werkelijk Hans ik zou varen van ‘t leven aan wal afstand doen en van gezin etc, en van de cultuur als je aan boord fit kon blijven. Maar ook daar wordt je op den duur lui – gâteus dat weet je. En het potatorium –
Daarom streef ik er zoo naar toch in de medicijnen iets vast te houden.
Ik heb geen overdreven illusies – ik weet dat ik zooals ik nu ben althans niet deug voor specialist. Ik ben niet exact en minutieus genoeg. […] Ik geloof dat het meeste bij mij passen zou: een van europeesch standpunt gezien half mislukt arts in een interessant land. Helaas was Marokko niet interessant. Perzië of China trekken mij wel aan. Maar ik durf er niet alleen heen te gaan.
[...]
24 februari 1935
Je hebt volkomen gelijk dat je je twijfel uitspreekt of ik een specialistische studie door zal zetten. Ik ben geen geboren medicus en dan ben ik psychisch moe door al ‘t vergeefs veranderen. Ik maak het mij misschien te moeilijk – en zou het kalm moeten opnemen en mijn literaire roeping maar heelemaal volgen en zien wat daarvan komt.
Maar als ik zie hoe mijn uitsluitend literaire collega’s – Du Perron-Marsman-Bloem e.v.a. – wat voor of na hun 40e al gâteus [‘half kinds’] worden en oudehoeren, potatoren [drinken] of letterziften, dan slaat mij de schrik om ’t hart, en voel ik het als een kwestie van zelfbehoud, een beroep te hebben datje in actie houdt en onafhankelijk van de schoone letteren.
Werkelijk Hans ik zou varen van ‘t leven aan wal afstand doen en van gezin etc, en van de cultuur als je aan boord fit kon blijven. Maar ook daar wordt je op den duur lui – gâteus dat weet je. En het potatorium –
Daarom streef ik er zoo naar toch in de medicijnen iets vast te houden.
Ik heb geen overdreven illusies – ik weet dat ik zooals ik nu ben althans niet deug voor specialist. Ik ben niet exact en minutieus genoeg. […] Ik geloof dat het meeste bij mij passen zou: een van europeesch standpunt gezien half mislukt arts in een interessant land. Helaas was Marokko niet interessant. Perzië of China trekken mij wel aan. Maar ik durf er niet alleen heen te gaan.
[...]
Albert Camus • 23 februari 1937
• Albert Camus (1913-1960) was een Franse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeknotities 1935-1951 is in het Nederlands uitgegeven onder de titel Dagboek (vertaling Halbo C. Kool)
Februari
De beschaving schuilt niet in een meer of minder hoge mate van verfijning. Maar in een geestesleven waarin heel een volk deelt. En dat geestesleven is nooit verfijnd. Het is zelfs kaarsrecht. De beschaving tot het werk van een elite maken, is haar gelijk stellen met de kultuur, die heel iets anders is. Er bestaat een mediterrane kultuur, Maar er bestaat ook een mediterrane beschaving. Anderzijds beschaving en volk niet verwarren.
Februari
De beschaving schuilt niet in een meer of minder hoge mate van verfijning. Maar in een geestesleven waarin heel een volk deelt. En dat geestesleven is nooit verfijnd. Het is zelfs kaarsrecht. De beschaving tot het werk van een elite maken, is haar gelijk stellen met de kultuur, die heel iets anders is. Er bestaat een mediterrane kultuur, Maar er bestaat ook een mediterrane beschaving. Anderzijds beschaving en volk niet verwarren.
donderdag 20 februari 2020
Frederik van Eeden • 21 februari 1913
• Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.
De dood van zijn zoon Paul (hij overleed aan tbc) greep Van Eeden bijzonder aan. Hij schreef er een boek over: Paul's ontwaken.
vrijdag 21 februari
Het teeken is gekoomen. Niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk, zoodat elk het zien moest. ▫ Het verheerlijkte gezicht van mijn lieven jongen in zijn stervensoogenblik. Dat was booven alle twijfel verheeven. Dat moest ieder die zien kon tot geloof brengen. ▫ Hij bad en hij zag. Hij zag iets wonderheerlijks en moois. En in 't gebed steeg hij in 't beetere land. God nam hem tot zich. Tot de laatste seconde bleef hij helder en in contact met ons. Hij zag een oogenblik vizioenen. Toen liet hij mij roepen. Als ik maar in de kamer was, bleeven ze weg. Hij zag ook een vizioen dat de zuster hem plaagde. Toen zei hij op zijn liefste toon: jij mij plagen! ▫ En daarna zei hij dat hij ‘niets meer begrijpen kon’ en ‘niets meer wist’. Toen zei ik hem geduld te hebben. ‘Nu moest het toch koomen’ zei hij ‘nu moet het toch gebeuren!’
En toen gebeurde het. Hij vouwde de krachtelooze handen, de oopen mond ging dicht en preevelde, de oogen gingen wijd oopen en kreegen een uitdrukking van extaze, en verrukking. Toen hield teevens de adem op, en hij gleed oover in het beetere land zonder snik, zonder convulsie. Doodstil, in extaze. ▫ Prachtig was de uitdrukking van zijn gezicht. Martha, Hans en de zuster zeiden allen: nu zijn wij allen blij. Nu is Paul gelukkig.
De lange wacht bij de agonie was vreesselijk. Ik kon het niet meer uithouden. Van Donderdag avond tot Vrijdag namiddag duurde de kamp, misschien nog erger voor ons wachtenden dan voor Paul zelf. Midden in den nacht zei hij: ‘jelui verveelen je zóó. Ik kan het niet helpen dat het zoo lang duurt.’ ▫ En toen het daglicht kwam, zei hij: van avond lig ik nog zoo. ▫ Kort voor zijn verscheiden sprak hij ons allen aan, en zei tot mij op zijn liefste, vleiendste toon ‘lieve, zòete vaatje!’ ▫ O dat zeegenrijke geluid voor me. En ook zijn moesje en Hans kreegen dank en liefde woorden van hem.
‘Zusje hoort er ook bij’ zei hij. En teegen mij: ‘Zul je haar als een dochtertje behandelen? Ze hield veel van me. Ze moet nog eenige dagen in huis blijven.’ ▫ En teegen zuster Obbes zei hij, nog geen uur voor het einde: ‘Je beedelde altijd om die schilderij met de muiltjes van Lizzy Ansingh, nu zul je die hebben.’ ▫ Gister avond dicteerde hij mij alle namen van persoonen aan wie hij een afscheidsgroet wilde zenden. Ik was daarbij nerveus. En dan zei hij zoo rustig: ‘geduld! Het moet langsaam koomen.’ Hij was veel rustiger dan ik.
Van middag zei hij ‘Vader is mijn geest geweest’ en dat herhaalde hij nog eens ‘Vader is mijn geest geweest.’
Ook gaf hij op wat er met zijn eigendom gebeuren moest. Het speelgoed voor mijn kinderen. De boeken mocht ik met Martha naar goedvinden verdeelen.
Eergister al zei Paul dat hij of in Noordwijk wou liggen, bij de zee, of in Bussum, waar moeder bloemen kon planten op zijn graf. Moeder komt zeeker bij me, zei hij. Bij de spoor was het misschien zoo ongezellig, ik moest het maar eens gaan uitzoeken, en moeder laten beslissen. Hij hoefde het niet te weeten. ▫ Er moesten geen bidders of dragers zijn bij de begrafenis. ‘Ik wil door liefde gedragen worden, ik heb vrienden genoeg.’ ▫ Ook geen circulaires met rouwranden. ‘Dan nog liever een gouden rand’ zei hij.
Onbeschrijfelijk aandoenlijk alles met de zachte fluisterstem, de engelachtige glimlach, de krachtelooze gebaren.
In de lange nacht was ik radeloos. Ik kon het gemartel niet langer harden, en vroeg Daelmans er een eind aan te maken. Maar dat mocht die natuurlijk niet doen en dat was goed ook. ▫ Want nu stierf hij volkoomen bij besef, op de eedelste, schoonste wijze, in innig gebed. Zoo duidelijk zag hij verrukkelijke dingen dat wij allen diep getroffen waren. ▫ Alleen als hij me vroeg de vizioenen te verdrijven, dan werd ik rustig. Maar de nacht en dag voelde ik als de duldeloos vreesselijkste van mijn leeven. ▫ Maar toen de verlossing en de verheerlijking kwam zeegende ik den lieven heiligen Paul voor zijn kostbaar geschenk. Hij gaf mij zeekerheid. ▫ ‘Je bent verder dan ik’ zei ik teegen hem in den nacht ‘voor jou is het ergste al geleeden en de schrik al ooverwonnen.’ ▫ Nog niet geheel’ zei hij toen. ▫ Maar het werd geheel. ▫ Ik bad voortduurend zoo goed ik kon. Maar ik was vol onrust en zeer zenuwachtig. Met enkele oogenblikken van genade. En het zalige slot. ▫ Ik voelde eerbied voor Paul, en nu denk ik met eerbied aan hem. Hij is nu heilig en gewijd in mijn gevoel. En hij heeft mij groote zeegen gebracht.
De dood van zijn zoon Paul (hij overleed aan tbc) greep Van Eeden bijzonder aan. Hij schreef er een boek over: Paul's ontwaken.
vrijdag 21 februari
Het teeken is gekoomen. Niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk, zoodat elk het zien moest. ▫ Het verheerlijkte gezicht van mijn lieven jongen in zijn stervensoogenblik. Dat was booven alle twijfel verheeven. Dat moest ieder die zien kon tot geloof brengen. ▫ Hij bad en hij zag. Hij zag iets wonderheerlijks en moois. En in 't gebed steeg hij in 't beetere land. God nam hem tot zich. Tot de laatste seconde bleef hij helder en in contact met ons. Hij zag een oogenblik vizioenen. Toen liet hij mij roepen. Als ik maar in de kamer was, bleeven ze weg. Hij zag ook een vizioen dat de zuster hem plaagde. Toen zei hij op zijn liefste toon: jij mij plagen! ▫ En daarna zei hij dat hij ‘niets meer begrijpen kon’ en ‘niets meer wist’. Toen zei ik hem geduld te hebben. ‘Nu moest het toch koomen’ zei hij ‘nu moet het toch gebeuren!’
En toen gebeurde het. Hij vouwde de krachtelooze handen, de oopen mond ging dicht en preevelde, de oogen gingen wijd oopen en kreegen een uitdrukking van extaze, en verrukking. Toen hield teevens de adem op, en hij gleed oover in het beetere land zonder snik, zonder convulsie. Doodstil, in extaze. ▫ Prachtig was de uitdrukking van zijn gezicht. Martha, Hans en de zuster zeiden allen: nu zijn wij allen blij. Nu is Paul gelukkig.
De lange wacht bij de agonie was vreesselijk. Ik kon het niet meer uithouden. Van Donderdag avond tot Vrijdag namiddag duurde de kamp, misschien nog erger voor ons wachtenden dan voor Paul zelf. Midden in den nacht zei hij: ‘jelui verveelen je zóó. Ik kan het niet helpen dat het zoo lang duurt.’ ▫ En toen het daglicht kwam, zei hij: van avond lig ik nog zoo. ▫ Kort voor zijn verscheiden sprak hij ons allen aan, en zei tot mij op zijn liefste, vleiendste toon ‘lieve, zòete vaatje!’ ▫ O dat zeegenrijke geluid voor me. En ook zijn moesje en Hans kreegen dank en liefde woorden van hem.
‘Zusje hoort er ook bij’ zei hij. En teegen mij: ‘Zul je haar als een dochtertje behandelen? Ze hield veel van me. Ze moet nog eenige dagen in huis blijven.’ ▫ En teegen zuster Obbes zei hij, nog geen uur voor het einde: ‘Je beedelde altijd om die schilderij met de muiltjes van Lizzy Ansingh, nu zul je die hebben.’ ▫ Gister avond dicteerde hij mij alle namen van persoonen aan wie hij een afscheidsgroet wilde zenden. Ik was daarbij nerveus. En dan zei hij zoo rustig: ‘geduld! Het moet langsaam koomen.’ Hij was veel rustiger dan ik.
Van middag zei hij ‘Vader is mijn geest geweest’ en dat herhaalde hij nog eens ‘Vader is mijn geest geweest.’
Ook gaf hij op wat er met zijn eigendom gebeuren moest. Het speelgoed voor mijn kinderen. De boeken mocht ik met Martha naar goedvinden verdeelen.
Eergister al zei Paul dat hij of in Noordwijk wou liggen, bij de zee, of in Bussum, waar moeder bloemen kon planten op zijn graf. Moeder komt zeeker bij me, zei hij. Bij de spoor was het misschien zoo ongezellig, ik moest het maar eens gaan uitzoeken, en moeder laten beslissen. Hij hoefde het niet te weeten. ▫ Er moesten geen bidders of dragers zijn bij de begrafenis. ‘Ik wil door liefde gedragen worden, ik heb vrienden genoeg.’ ▫ Ook geen circulaires met rouwranden. ‘Dan nog liever een gouden rand’ zei hij.
Onbeschrijfelijk aandoenlijk alles met de zachte fluisterstem, de engelachtige glimlach, de krachtelooze gebaren.
In de lange nacht was ik radeloos. Ik kon het gemartel niet langer harden, en vroeg Daelmans er een eind aan te maken. Maar dat mocht die natuurlijk niet doen en dat was goed ook. ▫ Want nu stierf hij volkoomen bij besef, op de eedelste, schoonste wijze, in innig gebed. Zoo duidelijk zag hij verrukkelijke dingen dat wij allen diep getroffen waren. ▫ Alleen als hij me vroeg de vizioenen te verdrijven, dan werd ik rustig. Maar de nacht en dag voelde ik als de duldeloos vreesselijkste van mijn leeven. ▫ Maar toen de verlossing en de verheerlijking kwam zeegende ik den lieven heiligen Paul voor zijn kostbaar geschenk. Hij gaf mij zeekerheid. ▫ ‘Je bent verder dan ik’ zei ik teegen hem in den nacht ‘voor jou is het ergste al geleeden en de schrik al ooverwonnen.’ ▫ Nog niet geheel’ zei hij toen. ▫ Maar het werd geheel. ▫ Ik bad voortduurend zoo goed ik kon. Maar ik was vol onrust en zeer zenuwachtig. Met enkele oogenblikken van genade. En het zalige slot. ▫ Ik voelde eerbied voor Paul, en nu denk ik met eerbied aan hem. Hij is nu heilig en gewijd in mijn gevoel. En hij heeft mij groote zeegen gebracht.
woensdag 19 februari 2020
Arjen Duinker • 20 februari 2009
• In februari 2009 was dichter Arjen Duinker in Nicaragua voor de vijfde editie van het Festival Internacional de Poesía. Hij hield een dagboek bij dat gepubliceerd is in Awater: Dagboek buitenland. Viva Nicaragua! Viva la poésia!
Vrijdag 20 februari
Ontbijt met Lelawattee uit Trinidad en Tobago. Vandaag lees ik drie keer. De dichters, verdeeld in groepjes van vijf of zes, gaan naar andere plaatsen, de meeste redelijk in de buurt. Ik met Lía en Floriano de Braziliaan en Benjamín en de Taiwanees naar Niquinohomo. Geboorteplaats van generaal Sandino. Een menigte wacht ons op. Muziek alom, mannen, vrouwen, kinderen, klederdracht, bloemen. Burgemeester, loco-burgemeester, fotografen. Toespraak. Gezamenlijk een krans leggen bij het standbeeld van El General de los Hombres Libres. Iedere dichter een meisje als escort, felkleurige pracht, met grote fruitmand waarin voor mij een Nederlands vlaggetje. Door een haag van mensen in langzame optocht naar de befaamde kerk van Santa Ana. Uitleg door de burgemeester, poseren voor foto's. Het meisje naast me bloost, ik vraag hoe ze heet. Karina. De muziek laait weer op, wij naderen nu het parkje voor de lezingen. Publiek beschermd tegen de zon, wij in een soort muziektent. Toespraken. Het Nicaraguaanse volkslied. Overhandiging van een beeldje van Sandino aan de dichters door steeds iemand anders uit het publiek, foto's. Meisje in klederdracht op blote voeten danst voor ons. Dan lezen, ieder drie gedichten. Overhandiging van de fruitmanden aan de dichters, foto's. Tweede keer lezen, ieder een gedicht. Meisje danst opnieuw, stralend. Kinderen uit het publiek lezen gedichten voor ons. Dankwoord door de burgemeester. Volkslied. We lopen naar het cultureel centrum. Drukte van belang, iemand zegt ‘hierheen, hierheen’. Plotseling oog in oog met jonge vrouwen die alleen al opvallen vanwege hun sjerpen. Ik geef de eerste een hand, kus haar, zeg mijn naam. De tweede, derde, vierde, vijfde... de een nog mooier dan de ander. Ik verzwijg drie seconden eeuwigheid met een van hen, de zestien kandidates voor de kroon van Miss Nicaragua. Oef. Fantastische lunch in de tuin, met zang en dans. Bevroren blikje bier. Terug in de bus. Halfuur niks. Dan nog geheel en al duizelig lezen in het Colegio, jongens en meisjes in schooluniform, geestdrift. We krijgen insignes opgespeld. Pret en bier met Torgeir en Ali. Douchen. Naar La Merced voor mijn derde lezing van vandaag, het voorplein vol met mensen, het donker zoemt. Het afsluitende concert hoor ik niet meer. Ik banjer een beetje rond en drink voor het late eten eerst nog een biertje op het terras van het café, de jongens in de bediening daar grijnzen vrolijk, Salah komt erbij zitten, Natalie, Julie, Eduardo, Soledad, Víctor de Cubaan, Mario, Lía, een paar jongens en meisjes van het festival. Gekwetter, gebulder. Onvergetelijke seconden.
Vrijdag 20 februari
Ontbijt met Lelawattee uit Trinidad en Tobago. Vandaag lees ik drie keer. De dichters, verdeeld in groepjes van vijf of zes, gaan naar andere plaatsen, de meeste redelijk in de buurt. Ik met Lía en Floriano de Braziliaan en Benjamín en de Taiwanees naar Niquinohomo. Geboorteplaats van generaal Sandino. Een menigte wacht ons op. Muziek alom, mannen, vrouwen, kinderen, klederdracht, bloemen. Burgemeester, loco-burgemeester, fotografen. Toespraak. Gezamenlijk een krans leggen bij het standbeeld van El General de los Hombres Libres. Iedere dichter een meisje als escort, felkleurige pracht, met grote fruitmand waarin voor mij een Nederlands vlaggetje. Door een haag van mensen in langzame optocht naar de befaamde kerk van Santa Ana. Uitleg door de burgemeester, poseren voor foto's. Het meisje naast me bloost, ik vraag hoe ze heet. Karina. De muziek laait weer op, wij naderen nu het parkje voor de lezingen. Publiek beschermd tegen de zon, wij in een soort muziektent. Toespraken. Het Nicaraguaanse volkslied. Overhandiging van een beeldje van Sandino aan de dichters door steeds iemand anders uit het publiek, foto's. Meisje in klederdracht op blote voeten danst voor ons. Dan lezen, ieder drie gedichten. Overhandiging van de fruitmanden aan de dichters, foto's. Tweede keer lezen, ieder een gedicht. Meisje danst opnieuw, stralend. Kinderen uit het publiek lezen gedichten voor ons. Dankwoord door de burgemeester. Volkslied. We lopen naar het cultureel centrum. Drukte van belang, iemand zegt ‘hierheen, hierheen’. Plotseling oog in oog met jonge vrouwen die alleen al opvallen vanwege hun sjerpen. Ik geef de eerste een hand, kus haar, zeg mijn naam. De tweede, derde, vierde, vijfde... de een nog mooier dan de ander. Ik verzwijg drie seconden eeuwigheid met een van hen, de zestien kandidates voor de kroon van Miss Nicaragua. Oef. Fantastische lunch in de tuin, met zang en dans. Bevroren blikje bier. Terug in de bus. Halfuur niks. Dan nog geheel en al duizelig lezen in het Colegio, jongens en meisjes in schooluniform, geestdrift. We krijgen insignes opgespeld. Pret en bier met Torgeir en Ali. Douchen. Naar La Merced voor mijn derde lezing van vandaag, het voorplein vol met mensen, het donker zoemt. Het afsluitende concert hoor ik niet meer. Ik banjer een beetje rond en drink voor het late eten eerst nog een biertje op het terras van het café, de jongens in de bediening daar grijnzen vrolijk, Salah komt erbij zitten, Natalie, Julie, Eduardo, Soledad, Víctor de Cubaan, Mario, Lía, een paar jongens en meisjes van het festival. Gekwetter, gebulder. Onvergetelijke seconden.
Abonneren op:
Posts (Atom)