• Journalist (en verzetsman) H.M. van Randwijk (1909-1966) schreef over "De Nederlands-Indonesische tragedie". Hij citeerde daarin ook een dagboek: "Maar bladerend in oude papieren kwam mij een dagboek in handen van een eenvoudige Hollandse soldaat in Indië. Zijn naam ben ik vergeten [...] Hij was een doodgewone jongen, van christelijke huize, een tuinderszoon, die gedwongen werd de beschaving in deze verre contreien te verdedigen. Hij gaf mij zijn dagboek. [...] Ik citeer er enkele gedeelten uit die spelen in de winter van 1946/47. Er was een wapenstilstand gesloten, er werd onderhandeld en er was afgesproken dat de troepen binnen bepaalde grenzen zouden blijven."
Zondag, 6.10.1946
Vannacht werd er alarm geblazen. De C.P. kwam binnen en meldde dat buiten om Tjikalong gefloten werd. Dat zouden dan seinen zijn geweest. De C.P. heeft vanmiddag een gevangene gemaakt, ‘Pelopportje’, naar men zegt. Het is een ventje van naar schatting 16 jaar. Ze hebben hem vanavond voor de officiershut aan een paal gebonden. Het deed me denken aan de Indianen...
De C.P. heeft zich eerst over de gevangene ontfermd. Zijn gezicht droeg duidelijk sporen van mishandeling. Vannacht heeft hij op een stoel gezeten voor de paal met een ketting om zijn nek vast...
Woensdag, 30.10.1946
Opnieuw zijn er gevangenen gemaakt, vier stuks. Zij zouden Europeanen hebben doodgeschoten. Ik vraag me af of het waar is en of het bewezen kan worden. Als dat niet kan, dan zullen zij ze wel stiekem wegwerken. De I.D. zei tegen de C. ‘neem ze mee terug, werk ze weg en vermeld er niets van in de rapporten’, dat was het laatste bescheid. Vanavond werden ze bij ons aan een paal vastgebonden. Er was een klein jongetje bij. Het kind zou voor ordonnans gespeeld hebben.
Donderdag, 31.10.1946
Lt.T. durft de verantwoordelijkheid niet op zich te nemen en heeft de gevangenen weer teruggestuurd naar de I.D. Het doet me denken aan Jezus, die van Pilatus naar Herodes gestuurd werd en omgekeerd. Waarom niet de rechte weg bewandeld? Waarom deze stiekeme, laffe manier? Het antwoord zal wel gelijk met de slachtoffers het graf in gaan.
Zaterdag, 2.11.1946
De gevangenen zijn door de I.D. weer naar ons teruggestuurd. S. had besloten om van de beste onder hen een contra-spion te maken. Hij liet hem bij Allah zweren. Toen de man op vrije voeten kwam nam hij de benen. Verontwaardigd over zoveel trouweloosheid nam S. direct zijn maatregelen en liet de overige twee, waaronder ook het kind, neerschieten. Zij liggen nu in de kali...
donderdag 29 oktober 2020
woensdag 28 oktober 2020
Vincent van Gogh • 29 oktober 1888
• Vincent van Gogh (1853-1890) was een Nederlandse schilder. De Franse schilder Paul Gauguin arriveerde op 23 oktober 1888 bij Vincent van Gogh in Arles in Zuid-Frankrijk. Tien weken lang beukten de temperamentvolle kunstenaars op elkaar in. Van Gogh schreef in brieven over Gauguin: het eerste fragment is uit een brief aan Emile Bernard, het tweede en het derde uit brieven aan zijn broer Theo. De eerste twee fragmenten zijn van eind oktober. Het derde van een paar weken later.
... Gauguin interesseert me enorm als man - enorm.
Al lang komt het me voor dat wij, in ons rottige beroep van schilder, de grootst mogelijke behoefte hebben aan mannen met de handen en de magen van werklieden. Met een natuurlijkere smaak - liefdevollere en barmhartigere temperamenten - dan de decadente boulevardiers in Parijs. Welnu, hier bevinden wij ons zonder enige twijfel in de aanwezigheid van een maagdelijk wezen met woeste instincten. Bij Gauguin hebben bloed en geslacht de overhand op ambitie. ...
... Wat Gauguin over de tropen vertelt lijkt me prachtig. Ongetwijfeld ligt daar een grote renaissance van de schilderkunst. Vraag Uw nieuwe Hollandse vrienden eens of ze er ooit over nagedacht hebben hoe interessant het zou zijn een koloristenschool op Java te stichten. Als ze Gauguins beschrijvingen van de tropische landen zouden horen zouden ze er ongetwijfeld meteen mee beginnen. Niet iedereen bevindt zich in de omstandigheid dat hij zomaar kan emigreren. Maar wat zou daar veel gedaan kunnen worden!
Het spijt me dat ik geen tien of twintig jaar jonger ben, dan zou ik daar zeker naar toegaan. Nu is het zeer onwaarschijnlijk dat ik de kust zal verlaten om de zee op te gaan, en het kleine gele huisje hier in Arles zal een tussenstation blijven tussen Afrika, de Tropen, en de mensen uit het Noorden. ...
... Gauguin interesseert me enorm als man - enorm.
Al lang komt het me voor dat wij, in ons rottige beroep van schilder, de grootst mogelijke behoefte hebben aan mannen met de handen en de magen van werklieden. Met een natuurlijkere smaak - liefdevollere en barmhartigere temperamenten - dan de decadente boulevardiers in Parijs. Welnu, hier bevinden wij ons zonder enige twijfel in de aanwezigheid van een maagdelijk wezen met woeste instincten. Bij Gauguin hebben bloed en geslacht de overhand op ambitie. ...
... Wat Gauguin over de tropen vertelt lijkt me prachtig. Ongetwijfeld ligt daar een grote renaissance van de schilderkunst. Vraag Uw nieuwe Hollandse vrienden eens of ze er ooit over nagedacht hebben hoe interessant het zou zijn een koloristenschool op Java te stichten. Als ze Gauguins beschrijvingen van de tropische landen zouden horen zouden ze er ongetwijfeld meteen mee beginnen. Niet iedereen bevindt zich in de omstandigheid dat hij zomaar kan emigreren. Maar wat zou daar veel gedaan kunnen worden!
Het spijt me dat ik geen tien of twintig jaar jonger ben, dan zou ik daar zeker naar toegaan. Nu is het zeer onwaarschijnlijk dat ik de kust zal verlaten om de zee op te gaan, en het kleine gele huisje hier in Arles zal een tussenstation blijven tussen Afrika, de Tropen, en de mensen uit het Noorden. ...
... Gauguin en ik praten veel over Delacroix, Rembrandt etc. De discussie is van een excessieve elektriciteit, soms komen we er uit met een vermoeide kop als een elektrische batterij die uitgewerkt is. Wij zijn midden in het magische geweest, want zoals Fromentin het zo goed zegt: Rembrandt is bovenal magiër ...
dinsdag 27 oktober 2020
J. Slauerhoff • 28 oktober 1934
• In zijn brieven aan zijn studiegenoot Hans Feriz, met wie hij tot zijn dood bevriend zou blijven, wijdde schrijver-arts Slauerhoff (1898-1936) onder meer uit over de rol die de literatuur in zijn leven speelt – en soms ook gewoon over gezondheidsproblemen. Uit: Brieven aan Hans Feriz.
Eind oktober 1934
Eind oktober 1934
Dank voor je brief. Ik schrijf nu over een ding. Geef mij s.v.p. raad. Ik heb sinds een zes weken een urethritis, nòn gonorhoica – zelfs zeer weinig andere bacteriën – Hoe 't komt is niet duidelijk – Mogelijkheden (ik heb geen contact gehad behalve met Dja [Darja Collin, Slauerhoffs echtgenote] die Augustus hier was, wat ook een mogelijkheid is maar geen groote)
1e opleving v./h. oude proces v. vijf jaar geleden
2e infectie van buitenaf door nonchalance in oostersche omgeving.
Ik behandel sinds een maand zelf met arshcol en injecties nitras etc (zeer zwak geen irritatie!) maar 't schiet niet op. Hier is een arts die ik wel mag, met groote electrische installatie – Poolsche Jood – Zou het te wagen zijn door hem te laten behandelen? Ik ben er huiverig voor. Nil nocere lijkt mij zeer aangewezen. De electrotherapie kan prachtig zijn, maar dan moet je zeker zijn dat het in bekwame handen is – En over hem wordt verschillend geoordeeld. Hij is al 6 jaar in Fez en Marokko – Wil je s.v.p. je mening p.o. schrijven naar Madrid?
maandag 26 oktober 2020
Koos van Zomeren • 27 oktober 2009
• Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. Dit fragment komt uit Naar de natuur, een natuur- en mijmerdagboek ineen.
27 oktober 2009
Thomas Mann, De Buddenbrooks. Het moest er ooit van komen. Wat een boek! Wat een personages, wat een verbeeldingskracht, wat een Duitse ironie (is Mann niet de Urheber ervan?). Ik begreep algauw dat ik een heel potlood zou verslijten als ik naar de gebruikelijke maatstaven uitroeptekens ging zetten. Maar bij twee passages kon ik het toch niet laten. 'Niemand belette haar [...] op [...] de weilanden langs de Trave schaatsen te rijden en de ovaties van jonge heren in ontvangst te nemen.' (Dat was rond 1845, half oktober al ijs in de uiterwaarden, over klimaatverandering gesproken).
En over de vismarkt in Lübeck: 'Men kon er zeker van zijn frisse waar te kopen, want de vissen leefden bijna allemaal nog, de vette, gespierde vissen... Enkele hadden het goed. Ze zwommen, wat eng behuisd weliswaar, maar toch welgemoed, in emmers water rond en hadden niets te lijden. Andere echter lagen met vreselijke opengespalkte ogen en zwoegende kieuwen, taai verder levend en onder martelingen op hun plank en sloegen hard en wanhopig met hun staart, tot ze eindelijk werden opgepakt en een scherp, bloedig mes met krakend geluid hun keel stuksneed. [...] Soms trok een sterke bot zich krampachtig samen en sprong in zijn waanzinnige angst ver van de plank weg op de glibberige, door afval verontreinigde straatstenen, zodat zijn eigenares hem moest nalopen en hem onder harde woorden van afkeuring weer aan zijn plicht moest herinneren...' (Compassie met vissen, in die tijd waarschijnlijk nog zeldzamer dan tegenwoordig.)
[...]
27 oktober 2009
Thomas Mann, De Buddenbrooks. Het moest er ooit van komen. Wat een boek! Wat een personages, wat een verbeeldingskracht, wat een Duitse ironie (is Mann niet de Urheber ervan?). Ik begreep algauw dat ik een heel potlood zou verslijten als ik naar de gebruikelijke maatstaven uitroeptekens ging zetten. Maar bij twee passages kon ik het toch niet laten. 'Niemand belette haar [...] op [...] de weilanden langs de Trave schaatsen te rijden en de ovaties van jonge heren in ontvangst te nemen.' (Dat was rond 1845, half oktober al ijs in de uiterwaarden, over klimaatverandering gesproken).
En over de vismarkt in Lübeck: 'Men kon er zeker van zijn frisse waar te kopen, want de vissen leefden bijna allemaal nog, de vette, gespierde vissen... Enkele hadden het goed. Ze zwommen, wat eng behuisd weliswaar, maar toch welgemoed, in emmers water rond en hadden niets te lijden. Andere echter lagen met vreselijke opengespalkte ogen en zwoegende kieuwen, taai verder levend en onder martelingen op hun plank en sloegen hard en wanhopig met hun staart, tot ze eindelijk werden opgepakt en een scherp, bloedig mes met krakend geluid hun keel stuksneed. [...] Soms trok een sterke bot zich krampachtig samen en sprong in zijn waanzinnige angst ver van de plank weg op de glibberige, door afval verontreinigde straatstenen, zodat zijn eigenares hem moest nalopen en hem onder harde woorden van afkeuring weer aan zijn plicht moest herinneren...' (Compassie met vissen, in die tijd waarschijnlijk nog zeldzamer dan tegenwoordig.)
[...]
zondag 25 oktober 2020
Curzio Malaparte • 26 oktober 1947
• Curzio Malaparte (1898-1957) was een Italiaanse schrijver. In 1947-1949 verbleef hij in Parijs. Zijn dagboek over die periode is verschenen als Dagboek van een vreemdeling in Parijs (vertaling Jan van der Haar).
Oktober. Lunch bij André Lichtwitz. André is erg onder de indruk van mijn hebbelijkheid om ’s nachts te blaffen. Hij zegt dat het de lever is. Bij de lunch waren een hindoe uit Madagaskar, een jonge ambtenaar uit de koloniën, uit Indochina, Jean-Pierre Aumont, Duhamel, zijn vrouw, en Madame Vallery-Lardot. Iedereen kijkt me heel verbaasd aan. Jean-Pierre Aumont oogt niet verbaasd.
Ik ben over iets anders begonnen. Ik word niet graag voor zonderling versleten. Voor mij is het de gewoonste zaak van de wereld om als je van honden houdt met ze mee te blaffen.
11 november.
Ik was vroeg op om naar het defilé te gaan kijken. Ik ben geen kind meer, maar ik houd nog steeds van soldaten, vlaggen, trompetten. De spahi’s met hun vurige paarden blijven op mijn netvlies gebrand staan, de marine-infanteristen, de infanteristen met hun witte slobkousen, hun geweer stijf tegen de schouder.
Men mag er het zijne van denken, maar ik ben een man en ik houd van oorlog. Ik ben niet zo schijnheilig om te zeggen: ‘Ik houd niet van oorlog.’ Ik houd ervan, zoals elke welgeschapen, gezonde, manmoedige, sterke man van oorlog houdt, zoals elke man die zich stoort aan de mensen en hun wandaden.
De zich verdringende menigte op de Champs-Élysées is aangedaan. Het Franse volk houdt van zijn soldaten. Dit defilé vanmorgen is iets wat het ten diepste raakt. Frankrijk wordt wedergeboren, Frankrijk is niet dood. Om me heen hebben mensen tranen in de ogen. Ook ik ben aangedaan. Toch ben ik maar een vreemdeling, dit schouwspel zou me koud moeten laten. Het is niet mijn land, het zijn niet mijn soldaten. Maar ik ben ook Frans soldaat geweest, ik heb ook gedefileerd op de Champs-Élysées, op een lang vervlogen dag in 1919.
Een vrouw naast me zegt: ‘Is het niet, mijnheer, het is toch een mooi gezicht! Je bent blij om Frans te zijn, is het niet? In 1940 heb ik een zoon verloren. Hij wordt goed gewroken.’ ‘Ja,’ antwoord ik, ‘je bent blij, het is een mooi gezicht.’Ze legt haar arm op de mijne en zegt: ‘Is het niet?
Wat is de vreemdelingenstatus wankel en vernederend! Als ze wist dat ik Italiaan ben, zou ze me de huid vol schelden.
Oktober. Lunch bij André Lichtwitz. André is erg onder de indruk van mijn hebbelijkheid om ’s nachts te blaffen. Hij zegt dat het de lever is. Bij de lunch waren een hindoe uit Madagaskar, een jonge ambtenaar uit de koloniën, uit Indochina, Jean-Pierre Aumont, Duhamel, zijn vrouw, en Madame Vallery-Lardot. Iedereen kijkt me heel verbaasd aan. Jean-Pierre Aumont oogt niet verbaasd.
Ik ben over iets anders begonnen. Ik word niet graag voor zonderling versleten. Voor mij is het de gewoonste zaak van de wereld om als je van honden houdt met ze mee te blaffen.
11 november.
Ik was vroeg op om naar het defilé te gaan kijken. Ik ben geen kind meer, maar ik houd nog steeds van soldaten, vlaggen, trompetten. De spahi’s met hun vurige paarden blijven op mijn netvlies gebrand staan, de marine-infanteristen, de infanteristen met hun witte slobkousen, hun geweer stijf tegen de schouder.
Men mag er het zijne van denken, maar ik ben een man en ik houd van oorlog. Ik ben niet zo schijnheilig om te zeggen: ‘Ik houd niet van oorlog.’ Ik houd ervan, zoals elke welgeschapen, gezonde, manmoedige, sterke man van oorlog houdt, zoals elke man die zich stoort aan de mensen en hun wandaden.
De zich verdringende menigte op de Champs-Élysées is aangedaan. Het Franse volk houdt van zijn soldaten. Dit defilé vanmorgen is iets wat het ten diepste raakt. Frankrijk wordt wedergeboren, Frankrijk is niet dood. Om me heen hebben mensen tranen in de ogen. Ook ik ben aangedaan. Toch ben ik maar een vreemdeling, dit schouwspel zou me koud moeten laten. Het is niet mijn land, het zijn niet mijn soldaten. Maar ik ben ook Frans soldaat geweest, ik heb ook gedefileerd op de Champs-Élysées, op een lang vervlogen dag in 1919.
Een vrouw naast me zegt: ‘Is het niet, mijnheer, het is toch een mooi gezicht! Je bent blij om Frans te zijn, is het niet? In 1940 heb ik een zoon verloren. Hij wordt goed gewroken.’ ‘Ja,’ antwoord ik, ‘je bent blij, het is een mooi gezicht.’Ze legt haar arm op de mijne en zegt: ‘Is het niet?
Wat is de vreemdelingenstatus wankel en vernederend! Als ze wist dat ik Italiaan ben, zou ze me de huid vol schelden.
George Orwell • 25 oktober 1940
• George Orwell (1903-1950) was een Britse schrijver en journalist. Van 1941-1943 werkte hij voor de op India gerichte Eastern Service van de BBC, waardoor hij de politieke en militaire ontwikkelingen op het vasteland op de voet volgde. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Diaries. Gedeeltes eruit zijn hier te lezen. De Nederlandse vertaling (van Nelleke van Maaren) is gepubliceerd in de reeks Privé Domein.
> Orwell and antisemitism
> Antisemitism in Britain
25.10.40.
Onlangs op een avond de massa’s bekeken die schuilen in de stations van Chancery Lane, Oxford Circus en Baker Street. Níét allemaal joden, maar volgens mij wel een hoger percentage dan je normaal gesproken zou zien in een menigte van die omvang. Het vervelende van joden is dat ze niet alleen in het oog lopend zijn, maar ook alle moeite doen om dat te zijn. Een vreselijke joodse vrouw, werkelijk het stripverhaalprototype van een jodin, vocht zich op Oxford Circus de trein uit en deelde rake klappen uit aan iedereen die in de weg stond. Het deed me denken aan vroeger in de Parijse metro.
Was verbaasd dat D., die er uitgesproken linkse opvattingen op na houdt, geneigd is de huidige afkeer van de joden te delen. Hij zegt dat de joden in zakenkringen pro-Hitler aan het worden zijn of dat in elk geval van plan zijn. Dat klinkt bijna ongelooflijk, maar volgens D. bewonderen ze altijd iedereen die tegen hen trapt. Wat ik denk, is dat elke jood, d.w.z. Europese jood, Hitlers sociale stelsel zou prefereren boven het onze, als het niet toevallig zo was dat hij hen vervolgt. Hetzelfde geldt voor bijna iedereen uit Midden-Europa, d.w.z. de vluchtelingen. Ze gebruiken Engeland als toevluchtsoord, maar ze kunnen er niet anders dan de grootste minachting voor koesteren. Dat zie je in hun ogen, ook al zeggen ze het niet openlijk. Het is nu eenmaal zo dat de insulaire en de continentale wereldbeschouwing volstrekt onverenigbaar zijn.
Volgens F. is het echt waar dat buitenlanders tijdens de luchtaanvallen banger zijn dan Engelsen. Het is niet hun oorlog en daarom hebben ze geen enkel houvast. Volgens mij verklaart dat ook het feit – ik ben er vrijwel zeker van dat het een feit is, hoewel je dat niet mag zeggen – dat mensen uit de arbeidersklasse banger zijn dan die uit de middenklasse.
Hetzelfde gevoel van wanhoop wat betreft dreigende gebeurtenissen in Frankrijk, Afrika, Syrië en Spanje – het gevoel dat je voorziet wat er gaat gebeuren en machteloos bent om het te voorkomen, en met totale zekerheid weten dat een Britse regering níét zo kan handelen dat zij de eerste klap uitdeelt.
Luchtaanvallen de laatste dagen aanzienlijk verminderd.
> Orwell and antisemitism
> Antisemitism in Britain
25.10.40.
Onlangs op een avond de massa’s bekeken die schuilen in de stations van Chancery Lane, Oxford Circus en Baker Street. Níét allemaal joden, maar volgens mij wel een hoger percentage dan je normaal gesproken zou zien in een menigte van die omvang. Het vervelende van joden is dat ze niet alleen in het oog lopend zijn, maar ook alle moeite doen om dat te zijn. Een vreselijke joodse vrouw, werkelijk het stripverhaalprototype van een jodin, vocht zich op Oxford Circus de trein uit en deelde rake klappen uit aan iedereen die in de weg stond. Het deed me denken aan vroeger in de Parijse metro.
Was verbaasd dat D., die er uitgesproken linkse opvattingen op na houdt, geneigd is de huidige afkeer van de joden te delen. Hij zegt dat de joden in zakenkringen pro-Hitler aan het worden zijn of dat in elk geval van plan zijn. Dat klinkt bijna ongelooflijk, maar volgens D. bewonderen ze altijd iedereen die tegen hen trapt. Wat ik denk, is dat elke jood, d.w.z. Europese jood, Hitlers sociale stelsel zou prefereren boven het onze, als het niet toevallig zo was dat hij hen vervolgt. Hetzelfde geldt voor bijna iedereen uit Midden-Europa, d.w.z. de vluchtelingen. Ze gebruiken Engeland als toevluchtsoord, maar ze kunnen er niet anders dan de grootste minachting voor koesteren. Dat zie je in hun ogen, ook al zeggen ze het niet openlijk. Het is nu eenmaal zo dat de insulaire en de continentale wereldbeschouwing volstrekt onverenigbaar zijn.
Volgens F. is het echt waar dat buitenlanders tijdens de luchtaanvallen banger zijn dan Engelsen. Het is niet hun oorlog en daarom hebben ze geen enkel houvast. Volgens mij verklaart dat ook het feit – ik ben er vrijwel zeker van dat het een feit is, hoewel je dat niet mag zeggen – dat mensen uit de arbeidersklasse banger zijn dan die uit de middenklasse.
Hetzelfde gevoel van wanhoop wat betreft dreigende gebeurtenissen in Frankrijk, Afrika, Syrië en Spanje – het gevoel dat je voorziet wat er gaat gebeuren en machteloos bent om het te voorkomen, en met totale zekerheid weten dat een Britse regering níét zo kan handelen dat zij de eerste klap uitdeelt.
Luchtaanvallen de laatste dagen aanzienlijk verminderd.
Paul Léautaud • 24 oktober 1902
• De Franse schrijver Paul Léautaud (1872-1956) werd vlak na zijn geboorte door zijn moeder verlaten, en ontmoette haar pas weer toen hij bijna dertig was. Ze begonnen een briefwisseling maar Léautaud's moeder wist niet wat ze met de affectie van haar zoon aanmoest, en brak de briefwisseling af. Uit: Brieven aan mijn moeder (vertaald door Mels de Jong).
Parijs, 24 oktober 1902
Lieve moeder,
Het was zo-even, om half twee vanmiddag, precies een jaar geleden dat u in Calais aankwam bij mijn grootmoeder, een jaar sinds de dag dat ik u terugzag, en het zal vanavond tegen achten een jaar geleden zijn dat u uw lange gesprek met mij had in de kamer van Fanny, toen u naast de schoorsteen zat en ik vlak naast u.
Een jaar! De absurditeit van het bestaan, wat is het snel voorbijgegaan, en wat zou ik er veel voor geven om weer op die 24ste oktober 1901 te zijn, ginds, alleen met u in de keuken, toen u mij omhelsde en mij uw kind noemde. Wat hebben de omstandigheden mij tekortgedaan, ik ben veel te onstuimig geweest, te onnadenkend, te onhandig en spontaan in mijn vreugde u te hebben teruggevonden. Als ik kalmer was geweest, en handiger, dan zou u mij hebben kunnen leren kennen en zouden we zeker niet zijn waar we nu zijn. Ik ben gestraft en word nog steeds zwaar gestraft voor de diepe vreugde die ik heb ondervonden door u terug te zien. Ik had twintig jaar gewacht; hoe lang moet ik nu wachten, en zal ik u überhaupt ooit terugzien?
Wanneer zult u uw zwijgen doorbreken en mij schrijven en mij vergeven? Of is het voor altijd? Ach, terwijl u met andere kinderen mijn kinderlijke genegenheid hebt kunnen vervangen, kon ik niet uw moederliefde vervangen en zal dat nooit kunnen. Als u daar een beetje aan zou denken, als u een beetje aan mij zou denken, als u dat ooit hebt gedaan gedurende al die jaren dat ik zonder u leefde, dan zou u weten te vergeven en dat ook doen. U hebt mij beoordeeld op uiterlijke schijn, op mijn buitenkant; je kunt niet in drie dagen iemand leren kennen, net zomin als je op grond van een zo verwarde briefwisseling als de onze tot een definitief oordeel kunt komen. Voor mij is het een beetje alsof dat allemaal niet is gebeurd, en ik denk weer aan u zoals ik aan u dacht voordat ik u terugzag, met een oneindige tederheid. Ach, maar ik ben natuurlijk ook een beetje verbitterd.
Ik had altijd gedacht dat het vooral bij vrouwen hoorde om te vergeven, en nog meer bij een moeder. Een woordje van u zou me zo gelukkig maken, een briefje van tijd tot tijd waarin u me zou zeggen: ‘Het gaat goed met mij, mijn leven is nog hetzelfde, de dagen gaan voorbij...!’ Ik ben toch uw zoon, al ben ik dan nooit uw kind geweest, in de tedere betekenis van het woord. Ik heb u nooit als moeder gehad, ik ken u nauwelijks, moet ik u dan op een dag verliezen, terwijl ik tot het einde toe een vreemdeling voor u ben geweest?
Ik omhels u zeer teder.
P.
Parijs, 24 oktober 1902
Lieve moeder,
Het was zo-even, om half twee vanmiddag, precies een jaar geleden dat u in Calais aankwam bij mijn grootmoeder, een jaar sinds de dag dat ik u terugzag, en het zal vanavond tegen achten een jaar geleden zijn dat u uw lange gesprek met mij had in de kamer van Fanny, toen u naast de schoorsteen zat en ik vlak naast u.
Een jaar! De absurditeit van het bestaan, wat is het snel voorbijgegaan, en wat zou ik er veel voor geven om weer op die 24ste oktober 1901 te zijn, ginds, alleen met u in de keuken, toen u mij omhelsde en mij uw kind noemde. Wat hebben de omstandigheden mij tekortgedaan, ik ben veel te onstuimig geweest, te onnadenkend, te onhandig en spontaan in mijn vreugde u te hebben teruggevonden. Als ik kalmer was geweest, en handiger, dan zou u mij hebben kunnen leren kennen en zouden we zeker niet zijn waar we nu zijn. Ik ben gestraft en word nog steeds zwaar gestraft voor de diepe vreugde die ik heb ondervonden door u terug te zien. Ik had twintig jaar gewacht; hoe lang moet ik nu wachten, en zal ik u überhaupt ooit terugzien?
Wanneer zult u uw zwijgen doorbreken en mij schrijven en mij vergeven? Of is het voor altijd? Ach, terwijl u met andere kinderen mijn kinderlijke genegenheid hebt kunnen vervangen, kon ik niet uw moederliefde vervangen en zal dat nooit kunnen. Als u daar een beetje aan zou denken, als u een beetje aan mij zou denken, als u dat ooit hebt gedaan gedurende al die jaren dat ik zonder u leefde, dan zou u weten te vergeven en dat ook doen. U hebt mij beoordeeld op uiterlijke schijn, op mijn buitenkant; je kunt niet in drie dagen iemand leren kennen, net zomin als je op grond van een zo verwarde briefwisseling als de onze tot een definitief oordeel kunt komen. Voor mij is het een beetje alsof dat allemaal niet is gebeurd, en ik denk weer aan u zoals ik aan u dacht voordat ik u terugzag, met een oneindige tederheid. Ach, maar ik ben natuurlijk ook een beetje verbitterd.
Ik had altijd gedacht dat het vooral bij vrouwen hoorde om te vergeven, en nog meer bij een moeder. Een woordje van u zou me zo gelukkig maken, een briefje van tijd tot tijd waarin u me zou zeggen: ‘Het gaat goed met mij, mijn leven is nog hetzelfde, de dagen gaan voorbij...!’ Ik ben toch uw zoon, al ben ik dan nooit uw kind geweest, in de tedere betekenis van het woord. Ik heb u nooit als moeder gehad, ik ken u nauwelijks, moet ik u dan op een dag verliezen, terwijl ik tot het einde toe een vreemdeling voor u ben geweest?
Ik omhels u zeer teder.
P.
Abonneren op:
Posts (Atom)







