• Kunstenaar Siet Zuyderland (1942) tekende strandvondsten na, en hield daarvan een dagboek bij.
Maandag 2 februari
Vanmorgen langs het strand gelopen, richting Egmond en een deksel van een plastic kist meegenomen. Beige met kleine nopjes, ongeveer mijn werk-papierformaat (50/65 cm).
Misschien te gebruiken voor een tekening, anders wel interessant in de serie ‘locks’ om er een schilderijtje van te maken.
Gewerkt aan ‘krat iv’, de gehele dag bezig geweest met het aanbrengen van kleur en het weer uitgummen daarvan.
Aan het begin van de avond gestopt, totaal niet opgeschoten, het ziet er zo flodderig uit. Morgen maar eens van de kleurpotloden afblijven.
Dinsdag 3 februari
Vandaag gewerkt met een 2H-potlood om de vorm strakker en vloeiender te maken, weer veel uitgegumd.
Als de tekening morgen hopelijk af is, eens proberen de krat doormidden te breken, de eigenlijke vorm in deze positie is te plat.
Vanmorgen even op het strand geweest, door de storm van afgelopen nacht is het grootste deel van de door mij getekende en weer op het strand teruggeworpen vondsten verdwenen, alleen van krat iii steekt nog een puntje boven het zand uit.
's Avonds naar Amsterdam.
Woensdag 4 februari
Vandaag de 2H-potlood-tekening afgemaakt, het is wat te grijs geworden; aan het eind van de middag met groen een toon over een groot deel aangebracht. Het ziet er iets beter uit, toch ben ik er niet tevreden over, op de één of andere manier krijg ik het flodderige er niet uit.
Morgen het groen afmaken en de schaduwen met een zachter zwart dieper maken.
zondag 1 februari 2026
Edmond de Goncourt • 1 februari 1877
• Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.
Woensdag 1 februari
Een Engelsman kwam bij Renan binnen:
‘Mijnheer Renan?’
‘Die staat hier voor u, mijnheer.’
‘Wel, mijnheer, weet u of volgens de bijbel de haas een herkauwend dier is?’
‘Om u de waarheid te zeggen, neen, mijnheer, dat weet ik niet... Maar we zullen het even nakijken.’ Renan pakte een Hebreeuwse bijbel, keek bij de Mozaïsche geboden: ‘Ge moogt geen... Ge moogt geen haas eten, want hij is herkauwend.’
‘Ja, dat is geheel juist, de bijbel zegt dat het een herkauwend dier is.’
‘Ik ben heel tevreden!’ zei de Engelsman, die erg slecht Frans sprak.
‘Ik ben geen sterrenkundige en ik ben geen geoloog! Dingen waar ik geen verstand van heb, daar blijf ik af... Ik ben bioloog. Dus, aangezien de bijbel zegt dat het een herkauwend dier is en aangezien dat een vergissing is, is de bijbel geen geopenbaard boek... Ik ben heel tevreden!’ En daarop verdween hij weer door de deur, in één klap van zijn godsdienstige overtuiging bevrijd. Typisch Engels!234-2018>
Woensdag 1 februari
Een Engelsman kwam bij Renan binnen:
‘Mijnheer Renan?’
‘Die staat hier voor u, mijnheer.’
‘Wel, mijnheer, weet u of volgens de bijbel de haas een herkauwend dier is?’
‘Om u de waarheid te zeggen, neen, mijnheer, dat weet ik niet... Maar we zullen het even nakijken.’ Renan pakte een Hebreeuwse bijbel, keek bij de Mozaïsche geboden: ‘Ge moogt geen... Ge moogt geen haas eten, want hij is herkauwend.’
‘Ja, dat is geheel juist, de bijbel zegt dat het een herkauwend dier is.’
‘Ik ben heel tevreden!’ zei de Engelsman, die erg slecht Frans sprak.
‘Ik ben geen sterrenkundige en ik ben geen geoloog! Dingen waar ik geen verstand van heb, daar blijf ik af... Ik ben bioloog. Dus, aangezien de bijbel zegt dat het een herkauwend dier is en aangezien dat een vergissing is, is de bijbel geen geopenbaard boek... Ik ben heel tevreden!’ En daarop verdween hij weer door de deur, in één klap van zijn godsdienstige overtuiging bevrijd. Typisch Engels!234-2018>
Søren Kierkegaard • 31 januari 1850
• Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof.
Januari 1850 — Gebed.
Wij mensen dragen het heilige slechts in broze aarden vaten. Maar U, o Heilige Geest, als U in een mens woont, dan woont U in iets, dat oneindig geringer is; U, Geest van heiligheid, woont bij onreinheid en besmetting; U, Geest van 'wijsheid, bij dwaasheid; U, Geest van waarheid, bij zelfbedrog! 0, blijf wonen! U, die niet voor Uw gemak naar een prettige kamer zoekt - die U trouwens wel tevergeefs zoudt zoeken - maar die scheppend en voortbrengend zelf Uw eigen woning maakt, o, blijf wonen! Misschien dat het eens nog zo ver komt, dat U behagen gaat scheppen in de woning die U Uzelf hebt bereid in mijn besmet, dwaas en bedriegelijk hart. Hoe meer een mens zich er aan went om overal aan deel te nemen, om overal bij te zijn, des te meer stompt zijn geest af - en des te meer geluk zal hij in deze wereld vinden. De fout van Schleiermachers dogmatiek is eigenlijk, dat het godsdienstige voor hem steeds een toestand is, die is; hij stelt alles voor als er zijnde, zoals Spinoza. Hoe de toestand wordt, in de betekenis van ontstaan en in de betekenis van zich in stand houden, daar houdt hij zich eigenlijk niet mee bezig. Daarom kan hij maar zo weinig van de dogmatiek opnemen. Elk christelijk gegeven krijgt zijn ethische bepaling door de richting van het streven. Vandaar vrees en beven, en dat 'gij zult'; vandaar ook de mogelijkheid tot ergernis enzovoorts. Dat alles interesseert Schleiermacher niet bijzonder. Hij behandelt de godsdienstigheid, zoals ze er is.
Januari 1850 — Gebed.
Wij mensen dragen het heilige slechts in broze aarden vaten. Maar U, o Heilige Geest, als U in een mens woont, dan woont U in iets, dat oneindig geringer is; U, Geest van heiligheid, woont bij onreinheid en besmetting; U, Geest van 'wijsheid, bij dwaasheid; U, Geest van waarheid, bij zelfbedrog! 0, blijf wonen! U, die niet voor Uw gemak naar een prettige kamer zoekt - die U trouwens wel tevergeefs zoudt zoeken - maar die scheppend en voortbrengend zelf Uw eigen woning maakt, o, blijf wonen! Misschien dat het eens nog zo ver komt, dat U behagen gaat scheppen in de woning die U Uzelf hebt bereid in mijn besmet, dwaas en bedriegelijk hart. Hoe meer een mens zich er aan went om overal aan deel te nemen, om overal bij te zijn, des te meer stompt zijn geest af - en des te meer geluk zal hij in deze wereld vinden. De fout van Schleiermachers dogmatiek is eigenlijk, dat het godsdienstige voor hem steeds een toestand is, die is; hij stelt alles voor als er zijnde, zoals Spinoza. Hoe de toestand wordt, in de betekenis van ontstaan en in de betekenis van zich in stand houden, daar houdt hij zich eigenlijk niet mee bezig. Daarom kan hij maar zo weinig van de dogmatiek opnemen. Elk christelijk gegeven krijgt zijn ethische bepaling door de richting van het streven. Vandaar vrees en beven, en dat 'gij zult'; vandaar ook de mogelijkheid tot ergernis enzovoorts. Dat alles interesseert Schleiermacher niet bijzonder. Hij behandelt de godsdienstigheid, zoals ze er is.
Abonneren op:
Reacties (Atom)



