donderdag 16 juli 2026
Virginia Woolf • 17 juli 1935
Woensdag 17 juli • Ik heb zo juist voor de eerste keer alles lukraak uitgetikt en ben tot de ontdekking gekomen dat het boek [Flush] 740 bladzijden gaat beslaan: dat betekent 148.000 woorden; ik geloof echter dat ik nog wat kan inkorten: het laatste deel is nog volkomen rudimentair en er moet flink aan geschaafd worden, maar ik ben te moe in mijn hoofd om dat nu serieus onder handen te nemen. Niettemin geloof ik wel dat ik het terug kan brengen: en dan —? Goeie hemel, ik begin te begrijpen waarom ik na The Waves mijn toevlucht heb genomen tot Flush. Na zoiets wil je niets liever dan aan de waterkant zitten en steentjes gooien. Ik wil ook wel weer eens vrij en onbevangen lezen. Zodat de rimpels weer gladtrekken. Susie Buchan, Ethel en daarna Julian — dat komt neer op praten van 4.30 tot 1 uur in de ochtend, met maar twee uurtjes onderbreking waarin ik heb gegeten en niets heb hoeven zeggen.
Ik geloof dat ik tot de ontdekking begin te komen dat het laatste hoofdstuk moet worden opgebouwd rond de toespraak van N. • het moet veel formeler worden opgezet; en ik geloof dat ik zie hoe ik interludia kan inlassen — ik bedoel ruimtes van stilte, en poëtische stukken en tegenstelling.
Vrijdag 19 juli • Nee. De hoofdpijn blijft terugkomen steeds op het moment dat ik wil beginnen. Het heeft geen zin om in de laatste paar dagen dat we nog hier zijn door het slot heen te jakkeren, want dat moet een soort milde bries worden die door de zware olmen voert: inderdaad, een wind die waait door bomen beladen met groene bladeren. Want het slot moet zowel beweging als gewicht hebben, iets dat door de bries moet worden verlicht.
woensdag 15 juli 2026
Andy Warhol • 16 juli 1978
Zondag 16 juli 1978 • Barbara Allen belde mij 's morgens om naar Forest Hills te gaan naar de tennismatches. Ik stond op het punt te gaan, maar zag toen hoe mistig en grijs het was, zodat ik besloot om het op de TV te volgen en thuis wat te werken. Maar ik ging naar de kerk, en keek na mijn thuiskomst naar de wedstrijden op de TV. Het was Nastase tegen Vitas Gerulaitis. Ik was voor Vitas en hij won. Daarna belden Barbara en Bob om te zeggen dat Vitas iedereen uitnodigde om te komen eten in het Rivet Café in Brooklyn, op de boot, en haalden mij over om te komen. Zij zouden mij komen ophalen. Zij waren er om 10 uur. Barbara liet ons de ring zien die Nastase haar heeft gegeven. Toen kwam Nastase binnen met een pracht van een meid, een fotomodel, en Barbara liep naar boven en barstte in tranen uit. Richard Weisman zei hoe dom het van Barbara was om zo overstuur te zijn, hoewel zij wist dat Nastase getrouwd is en kinderen heeft, enz. Truman zei dat hij een echte rijke vent kende voor Barbara, en dat zij dan drie vliegtuigen en al het geld in de wereld en een huis in Mexico zou hebben. Daar knapte zij wat van op.
dinsdag 14 juli 2026
Ursula von Kardorff • 15 juli 1944
15 juli 1944
Toen ik tussen de middag thuiskwam om gauw wat voor mezelf te koken, zat Fritzi op mijn sofa. [...] Hij vertelde dat een van hun belangrijkste mannen het slachtoffer van een spion was geworden en op 5 juli gearresteerd was. Zijn vrouw, Annedore Leber, had zich teruggetrokken in een ziekenhuis bij het Stettiner Bahnhof, en omdat ik door niemand verdacht word, aangezien ik in hetzelfde bedrijf werk als zij, verzocht hij mij een boodschap over te brengen. [...] Toen fietste ik naar het ziekenhuis. Kwam ongehinderd langs de balie en vond de kamer zonder moeite. In bed lag een jonge vrouw met voor zich een tekenbord met modeschetsen. Ze keek me verbaasd aan. Toen ik uitlegde wie ik was en wie me gestuurd had, zei ze enigszins aarzelend: 'Neemt u me alstublieft niet kwalijk, maar kunt u zich op de een of andere manier legitimeren?' Ik liet haar mijn persoonsbewijs zien. 'U hebt er geen idee van hoe voorzichtig ik moet zijn,' zei ze verontschuldigend. De ban was gebroken, ik kon mijn bericht doorgeven. Ze hoorde het beheerst aan, hoewel ze al zo wit zag dat ze moeilijk nog meer had kunnen verbleken.
Toen verzocht ze me aan Fritzi mee te delen dat de huiszoeking bij haar niets had opgeleverd, de Gestapo-mensen waren onverrichterzake weer vertrokken, afgezien van twee flessen schnaps die ze hadden gestolen. Haar had men voor een verhoor meegenomen. [...] Later had men haar, wonder boven wonder, weer laten gaan.540-2020>
maandag 13 juli 2026
Thomas Mann • 14 juli 1955
Donderdag 14 juli 1955
Maandag, 's morgens 11 uur bij de koningin [Juliana]. De Engels sprekende adjudant met vangsnoeren. Met haar in de tuin, koffie. Uitblijven van haar teken om op te stappen, zodat we babbelend 1 1/4 uur zaten. Haar manier van doen eenvoudig en waardig. K. mocht geen kniebuiging maken. Ik zei vaak 'u'. Krantebericht van het bezoek. Ieder weet ervan. Daarna koffie-tafel bij de Meyers, met wier wagen wij reden. Voortreffelijk. Liet het me smaken. De Hollanders drinken koffie op elk uur van de dag, 's morgens, weer om 11, bij de lunch, 's middags en zo mogelijk ook 's avonds. Helemaal naar mijn zin, en het vochtige klimaat staat het toe.
Het bezoek van de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955) aan koningin Juliana lag in het verlengde van zijn onderscheiding als commandeur in de orde van Oranje-Nassau, die hem op 1 juli ten deel was gevallen. Een week na het bezoek bleek hij ernstig ziek. Mann overleed op 12 augustus.290-2017>
zondag 12 juli 2026
Søren Kierkegaard • 13 juli 1837
13 juli
Dat ik me op dit moment zo voor Justinus Kerner interesseer, is omdat ik bij hem, hoewel hij een veel groter genie is, dezelfde artistieke onproduktiviteit bespeur als bij mezelf. Tevens zie ik dat er iets aan gedaan kan worden, ook al ontbreekt de feitelijke continuïteit; deze kan alleen maar compleet gemaakt worden door de continuïteit van de gemoedstoestand, waarvan ieder ideetje een bloempje, een soort novellistisch aforisme, een plastische studie is. Terwijl zijn eigen Dichtungen heel veel voortreffelijke, fantastische ideeën bevatten, zijn zijn berichten aus dem Nachtgebiete der Natur zo gortdroog dat je alleen daaruit al het indirecte bewijs voor de waarheid ervan zou kunnen aanvoeren.
13 juli
* Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo'n grote afkeer heb van het maken van losse notities; hoe beter ik sommige grote mannen leer kennen in wier geschriften men geen kaleidoscopische opeenstapeling van ideeën aantreft (misschien dat Jean Paul me in dit opzicht door zijn voorbeeld voortijdig huiverig heeft gemaakt), en hoe meer ik me herinner dat een zo'n verfrissend schrijver als Hoffmann notities maakte en dat Lichtenberg adviseerde het te doen, hoe meer ik erachter wil komen waarom een op zich onschuldige bezigheid me zo tegen de borst stuitte, ja me bijna afkeer inboezemde. Ongetwijfeld omdat ik aan een eventuele publikatie dacht, wat inhoudt dat ik ze nader uit zou moeten werken, iets waar ik me maar niet toe kan zetten en, uitgeput door een dergelijke, abstracte mogelijkheid (een zekere literaire oprisping en walging), vervluchtigde het aroma van mijn inval en stemming. Ik denk echter wel dat het goed zou zijn door vaak notities te maken, mèt de navelstreng van de eerste stemming, gedachten te laten opkomen en het plan ze ooit te gebruiken zoveel mogelijk uit mijn hoofd te zetten, omdat ik er toch nooit toe zou komen wat ik geschreven heb te raadplegen; wel zou ik, door uit te hoesten zoals je in een brief aan een goede vriend doet, mezelf althans gedeeltelijk de kans geven op zelfkennis op een later tijdstip, op een soepele schrijfstijl, op de vaardigheid me schriftelijk uit te drukken, iets waar ik tot op zekere hoogte mondeling toe in staat ben, op het aanleren van een arsenaal aan kleine trekjes, waaraan ik tot nu toe slechts vluchtig aandacht heb geschonken en ten slotte, als wat Hamann zegt ook elders van toepassing is, op het profiteren van invallen die iemand maar één keer in zijn leven krijgt. Dit soort oefenen achter de schermen is voor iedereen, die niet zo begaafd is dat zijn ontwikkeling zich in het openbaar voltrekt, zonder twijfel noodzakelijk.
In de marge:
* Besluit gedateerd 13 juli 1837 en genomen in onze studeerkamer des middags om 6 uur. 339-2016>
Ernst Jünger • 12 juli 1942
Vertaling onderaan.
Paris, 12, Juli 1942
Mit einer Frau in einem Laden, in dem es eßbare Schlangen zu kaufen gab. Der Händler zog eine Lade auf und griff achtlos hinein, um dann die Tiere zu präsentieren, die er in der Mitte des Leibes anfaßte. Bevor et sie aushändigte, setzte er ihnen einen kleinen Maulkorb auf, aus dem die Vipernhörnchen wie Fühler zitterten. Wir zahlten für ein mittelgroßes Stück zwölf oder vierzehn Mark. Nach dem Erwachen zerbrach ich mir den Kopf darüber, wer denn die Frau gewesen war. Solche Erscheinungen sind unbestimmt vertraut; oft drängen mehrere Wesen wie Schwester, Frau und Mutter sich in ihnen zusammen wie unter einem Tuch — dem Urstoff der Weiblichkeit. Im blinden Gewebe fühlen, doch kennen wir uns nicht.
Nachmittags bei Valentiner — bevor ich bei ihm eintrat, wühlte ich am Quai noch in den Auslagen herum. Ich nahm die 1520 gedruckte >Doctrina Moriendi< mit, die laut einer handschriftlichen Eintragung von Jean Gerson, dem Kanzler der Kirche von Paris, im 14. Jahrhundert verfaßt wurde. Eine weitere Eintragung von Baluze, dem Bibliothekar von Colbert, weist aus, daß dieses Exemplar in der Bibliotheca Colbertina gestanden hat.
Dann mit der Doctoresse im Louvre, Skulpturen zu be-sehen. Wir aßen zusammen zu Abend bei heiterer Plauderei.
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
Ik was met een vrouw in een winkel waar eetbare slangen te koop waren. De handelaar trok een lade open en greep er achteloos in. Vervolgens liet hij ons de dieren zien, die hij halverwege hun lichaam vasthield. Voordat hij ze aan ons meegaf, deed hij hun een klein muilkorfje om, waaruit de hoornachtige uitsteeksels van de adders trillend als voelsprieten naar buiten staken. Wij betaalden voor een middelgroot exemplaar twaalf of veertien mark.
Na het ontwaken piekerde ik erover wie die vrouw eigenlijk was geweest. Zulke verschijningen zijn op een onbepaalde manier vertrouwd; vaak lijken meerdere personen – zuster, echtgenote en moeder – erin samen te vloeien, als onder één sluier, tot de oerstof van het vrouwelijke. In dat blinde weefsel voelen wij elkaar wel, maar kennen wij elkaar niet.
's Middags ging ik naar Valentiner. Voordat ik bij hem binnenging, snuffelde ik nog wat tussen de boeken die langs de kade waren uitgestald. Ik kocht de in 1520 gedrukte Doctrina Moriendi, die volgens een handgeschreven aantekening afkomstig zou zijn van Jean Gerson, de kanselier van de Kerk van Parijs, en in de veertiende eeuw zou zijn geschreven. Een tweede aantekening, van Baluze, de bibliothecaris van Colbert, vermeldt dat dit exemplaar zich ooit in de Bibliotheca Colbertina heeft bevonden.
Daarna bezocht ik met de doctoresse het Louvre om beeldhouwwerken te bekijken. We aten vervolgens samen en voerden daarbij een opgewekt gesprek.
Sylvia Plath • 11 juli 1950
11.
Emile. There it is; his name. And what can I say? I can say he called for me at nine Saturday night, that I was still weak from having two wisdom teeth out that morning. I can say that we went on a double date dancing at Ten Acres, that I drank five glasses, in the course of the evening, to the bottom, of sparkling tawny gingerale, while the others drank beer. But that's not it. Not at all. This is how it was. I dressed slowly, smoothing, perfuming, powdering. I sat upstairs in the moist gray twilight, with the rain trickling down outside, while the family talked and laughed with company down on the porch. This is I, I thought, the American virgin, dressed to seduce. I know I'm in for an evening of sexual pleasure. We go on dates, we play around, and if we're nice girls, we demure at a certain point. And so it goes. We walked into the bar and sat down, two by two. E. and I had the initial strangeness to rub off. We began to talk - about the funeral he went to this morning, about his twenty year old cousin who broke his back and is paralyzed for life, about his sister who died of pneumonia at twelve years. "Good lord, we're morbid tonight," he shuddered. And then, "You know something I've always liked ... I mean wanted to like? Dark eyes and blonde hair." So we talked about little things, how words lose their meaning when you repeat them over and over; how all people of the Negro race look alike until you get to know them individually; how we always liked the age we were at best. "I pity Warrie," he said, nodding at the other boy. "He's twenty-two, out of Amherst, and he has to work the rest of his life. When I figure ... only two more years of college."
"I know, I've always dreaded birthdays."
"You don't look as young as you are."
"I don't see," I said, "how people stand being old. Your insides all dry up. When you're young you're so self-reliant. You don't even need much religion."
"You're not by any chance a Catholic?" He asked as if it were quite unlikely.
"No. You?"
"Yes." He said it very low.
There was more small talk, more laughing, sidelong glances, more of the unspoken physical friction that makes each new conquest so delightful. In the air was the strong smell of masculinity which creates the ideal medium for me to exist in. There was something in Emile tonight, a touch of seriousness, a chemical magnetism, that met my mood the way two pieces of a child's puzzle fit together. He has a fine face, dark hair, and eyes with enormous black pupils; a straight nose, a one-sided flashing grin, a clean-cut chin. He is neatly made, with small, sensitive hands. I knew it would be the way it was. On the dance floor he held me close to him, the hard line of his penis taut against my stomach, my breasts aching firm against his chest. And it was like warm wine flooding through me, a sleepy, electric drowsiness. He nuzzled his face in my hair; kissed my cheek. "Don't look at me," he said. "I've just come out of a swimming pool, hot and wet." (God, I knew it would be like this.) He was looking at me intently, searchingly, and our eyes met. I went under twice; I was drowning; and he flicked his gaze away. On the way to Warrie's at midnight, Emile kissed me in the car, his mouth wet and gentle on mine. At Warrie's, more gingerale, more beer, and dancing with the dim light from the porch, Emile's body warm and firm against mine, rocking back and forth to the soft, erotic music. (Dancing is the normal prelude to intercourse. All the dancing classes when we are too young to understand, and then this.) "You know," Emile looked at me, "we ought to sit down." I shook my head. "No?" he said. "How about some water, then. Feel all right?" (Feel all right. Oh, yes. Yes, thank you.) He steered me out to the kitchen, cool, smelling of linoleum, with the sound of the rain falling outside. I sat and sipped the water he brought me, while he stood looking down, his features strange in the half-light. I put the glass down. "That was quick," he said. "Should I have taken longer?" I stood up and his face moved in, his arms about me. After a while I pushed him away. "The rain's rather nice. It makes you feel good inside, elemental, just to listen." I was backed against the sink; Emile was close, warm, his eyes glittering, his mouth sensuous and lovely. "You," I said deliberately, "don't give a damn about me except physically." Any boy would deny that; any gallant boy; any gallant lier. But Emile shook me, his voice was urgent, "You know, you shouldn't have said that. You know? You know? The truth always hurts." (Even clichés can come in handy.) He grinned, "Don't be bitter; I'm not. Come away from the sink, and watch." He stepped back, drawing me toward him, slapping my stomach away, he kissed me long and sweetly. At last he let go. "There," he said with a quiet smile. "The truth doesn't always hurt, does it?" And so we left. It was pouring rain. In the car he put his arm around me, his head against mine, and we watched the streetlights coming at us, blurred and fluid in the watery dark. As we ran up the walk in the rain, as he came in and had a drink of water, as he kissed me goodnight, I knew that something in me wanted him, for what I'm not sure: He drinks, he smokes, he's Catholic, he runs around with one girl after another, and yet ... I wanted him. "I don't have to tell you it's been nice," I said at the door. "It's been marvelous," he smiled. "I'll call you. Take care." And he was gone. So the rain comes down hard outside my room, and like Eddie Cohen, I say, "... fifteen thousand years - of what? We're still nothing but animals." Somewhere, in his room, Emile lies, about to sleep, listening to the rain. God only knows what he's thinking.283-2015>
donderdag 9 juli 2026
Roel van Duyn • 10 juli 1971
zondagmiddag 10 juli [briefje]
Lieve Rik, gisteravond heb ik je opgebeld en hoewel je niet thuis was heeft het gesprek dat ik had mijn bewustzijn over de oorsprong van de dingen verscherpt. Iemand nam op en zei dat hij zou kijken of je er was. Toen hoorde ik een tijdje niets. Ik luisterde gekonsentreerd naar dit kostelijke niets. Daarna hoorde ik het piepen van open-gaande deuren op de achtergrond. Het was alsof ik de stilte van het niets zichzelf hoorde binnentreden. De leegte die erop volgde duurde een spannende tijd. Weer hoorde ik het geknars van deuren en het niets. Het niets was door het niets gegaan en was er herboren uit tevoorschijn gekomen. Ik voelde me alsof de dood in me gestorven was. Tenslotte sprak een onbetaalbare stem tot me: 'Er is niemand.' Ik was verheerlijkt en zei dan ook: 'Goedenavond.' Ik had het gevoel dat ik in een onmetelijk diepe put gekeken had en dat de cent die ik erin gegooid had als een gouden tientje in mijn hand teruggesprongen was. • • •
woensdag 8 juli 2026
Ernst Jünger • 9 juli 1942
Vertaling onderaan.
Paris, 9. Juli 1942
Wenn ich die Augen schlieβe, erblicke ich zuweilen eine dunkle Landschaft mit Steinen, Klippen und Bergen am Rande der Unendlichkeit. Im Hintergrund, am Ufer eines schwarzen Meeres, erkenne ich mich selbst, ein winziges Figürchen, das wie mit Kreide aufgezeichnet ist. Das ist mein Vorposten, ganz hart am Nichts — dort unten am Abgrund kämpfe ich für mich.
Die Lindenblüte in diesen Tagen — mir scheint, daβ ich sie niemals so stark und innig roch.
Ich las in der Baudelaire-Übersetzung von Carlo Schmid 'Die Katzen', von denen der zweite Vers besonders gelungen ist:
Nach Wissen gierig und nach tiefen Lüsten,Die beiden letzten Strophen schildern schön nicht nur den Vorrang der Katzen vor den Hunden, sondern der Ruhe vor der Bewegung überhaupt.
Sind ihnen lieb das Schweigen und die Nacht;
Zu Rennern hätte Hades sie gemacht,
Wenn sie der Knechtschaft sich zu beugen wüssten.
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
Parijs, 9 juli 1942
Wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik soms een donker landschap voor me, met stenen, klippen en bergen aan de rand van de oneindigheid. Op de achtergrond, aan de oever van een zwarte zee, herken ik mijzelf: een piepklein figuurtje, dat eruit ziet alsof het met krijt is getekend. Dat is mijn voorpost, pal aan de grens van het niets — daar beneden, aan de afgrond, strijd ik voor mijzelf.
De lindebloesem van deze dagen — het lijkt mij alsof ik haar geur nooit eerder zo sterk en zo intens heb waargenomen.
Ik las in de Baudelaire-vertaling van Carlo Schmid het gedicht 'De katten', waarvan vooral het tweede couplet bijzonder geslaagd is:
Bezig met het vergaren van kennis en gedreven door diepe verlangens,De laatste twee strofen schilderen op fraaie wijze niet alleen de superioriteit van de katten boven de honden, maar ook die van de rust boven de beweging in het algemeen.
houden zij van de stilte en van de nacht.
Hades zou hen tot zijn renpaarden hebben gemaakt,
als zij zich maar aan knechtschap hadden weten te onderwerpen.
Mart Smeets • 8 juli 2012
Zondag 8 juli
's Avonds komt, via via, het bericht door dat Taeke Taekema voor de tweede maal de deur is gewezen is door de coach van de nationale mannenhockeyploeg, Paul van Ass. Ik schrik als ik het lees. Hoewel volger op afstand ben ik licht op de hand van Taekema, een kerel die ik zeer acht. Of hij nou een hockeyspeler of strafcorner-inrammer is, daar ben ik nooit uitgekomen. Ik vond zijn robuuste optreden vaak sympathiek overkomen.
Hoe was het ook alweer? Hij was buiten de deur gezet met die andere veteraan, Teun de Nooijer. Van Ass had ze vergeleken met hoge bomen die ervoor zorgen dat de 'lagere struikgewassen en plantjes' te weinig zon krijgen. Daar kon ik Van Ass nog wel in volgen, hoewel zijn woordkeus komisch was. Ik vroeg daarna aan twee bevriende kenners of Taekema in de Indian Summer van zijn loopbaan was of al in zijn late herfst. Beiden twijfelden. Eerder Indian Summer, meenden ze. Ik vroeg: meenemen naar de Spelen? Beiden zeiden: voor de strafcorner, ja. Maar over de verdediger Taekema hadden ze twijfels. Een moeilijke beslissing dus. Op zeker moment vroeg Van Ass Teuntje en Taeke weer terug. Beiden trainden weer mee. De rimpelingen leken uit de vijver, niemand gooide nog steentjes.
Maar nu, vier weken voor het begin van de Spelen in Londen, mietert Van Ass alsnog Taekema eruit en houdt hij vast aan Teuntje. Ik zit in de Tour en lees de tekst van Taeke. Hij heeft lang getwijfeld of hij zijn gevoel in een soort persbericht moest neerleggen. Hij is boos en zegt in best nette taal wat hij van dit alles vindt. Hij laat het belang van het team voorgaan.
Wie heeft hier gelijk, of bestaat er geen gelijk in zo'n situatie? Ik vind dat de coach soeverein moet kunnen beslissen over zijn selectie. Bij de eerste verwijdering uit de selectie vond ik Van Ass' redenering verkeerd geformuleerd. Ik was best blij toen de twee mastodonten terug konden komen in de trainingsgroep.
Dat Van Ass Taeke er nu weer uit gooit omdat hij 'toch niet in het speltype' past, is moeilijker te begrijpen. Deze selectie speelt al twee jaar op deze manier hockey. Was Taekema wellicht vervelend binnen de ploeg? Had hij sterallures? Zat hij in zijn eentje hamburgers te eten, terwijl de rest van de ploeg aan tafel zat? Was hij asociaal? Nee toch? Of was hij niet meer in staat gaten in de verdediging dicht te lopen of snel op te komen op de zwakke zijde van de tegenstander? Of wil Van Ass de selectie wakker schudden met deze actie? Ik noem maar wat.
Ik heb er ambivalente gevoelens over. Ik vind het niet chique gedaan. Zo ga je niet met mensen om en zeker niet met (voormalige) grote steunpilaren van de nationale ploeg. Maar de coach heeft gekozen en rightly so. Dat is namelijk zijn pakkie-an. Van Ass zal straks in Londen moeten bewijzen dat dit speltactisch de juiste beslissing is geweest.
Ik kijk op een betaalkanaal in mijn hotel naar Federer tegen Murray en zie de Zwitser soeverein winnen. Murray huilt zijn verlies weg. In de koers wint de jonge Fransman Thibaut Pinot. De Franse commentatoren schreeuwen zich een weg naar de finish. 's Avonds zitten Marianne Vos en Annemiek van Vleuten aan tafel. Van Vleuten heeft net haar sleutelbeen gebroken. Vos is als winnares van de Giro voor vrouwen op doorreis naar huis. Voor beiden lonkt Londen. Voor Murray en Federer ook, voor Van Ass evenzo. Voor Taekema dus niet. Dat idee knelt omdat ik niet weet waarom Van Ass zo heeft gehandeld.226-2015>
maandag 6 juli 2026
Friedrich Nietzsche • 7 juli 1862
Gorenzen, 7 juli 1862
Met mij gaat het trouwens, net als met jou mag ik hopen, buitengewoon goed. Ik heb de eerste drie dagen van mijn vakantie in Naumburg doorgebracht, ben in het circus Hinné geweest, ben dan vrijdag naar Gorenzen doorgereisd en heb daar heel prettige dagen gehad. Gisteren ben ik naar een feest op slot Rammelsburg geweest. In de slotzaal werd een concert gegeven; de freule zong heel aardig, een gouvernante piepte heel jammerlijk door de genade-aria heen; over het geheel genomen echt dilettantisch. Het werd half zeven; er stonden zwarte wolken aan de hemel. In een fabrieksgebouw waarin we toevlucht hadden gezocht, werden we verrast door een geweldig onweer, met bliksem, onweer en bakken regen; toen dit voorbij was gingen we (mama en ik) weer op weg en baggerden door een vreselijke modder en verveelden ons, totdat we plotseling door een nieuw onweer werden overvallen en arm in arm, door de felste bliksem belicht, door en door nat werden. We zagen er echt belachelijk uit; de hele geschiedenis was trouwens niet van alle levensgevaar gespeend, hetgeen me toch weer goede zin gaf. Mama zal je de rest wel vertellen. [...]545-2020>
zondag 5 juli 2026
Gustave Flaubert • 6 juli 1852
Croisset, dinsdag 6 juli 1852
Vilgot Sjöman • 5 juli 1962
Donderdag 5 juli 1962
De voorbereidingen voor de mixage gaan voort. Rol na rol wordt nagekeken.
Het ene geluidseffect wordt dertig seconden naar achteren verschoven (beter zo). Een ander wordt eruit gelicht (mooi). Sommige rollen zijn merkwaardig gemakkelijk, die zijn vlug klaar. Andere zijn tegen de draad in en veroorzaken een klein soort hersenbloeding. Voor de geluidsafdeling een aanvaardbare klokslag van een plattelandskerk geleverd had, heeft IB [Ingmar Bergman] zijn geduld al vier maal verloren. De hond die blaft in de schemering op visser Perssons erf ('en dat moet niet het een of andere schoothondje zijn, maar een soort wolf') is al even moeilijk te vinden. Keer op keer wordt zijn stem dof van ongeduld:
- Dat is een echte archiefhond. Die kunnen we niet gebruiken! Evald zoekt in het geluidsarchief en vindt een andere hond die misschien wat beter is.
- Nog zo'n archiefhond... Nee, jongens, nu moeten jullie me godverdomme een echte hond verschaffen. Zo kunnen we toch niet door blijven gaan.
Olle Jacobsson draait elke rol samen met Evald en Stig tot hij elk effect dat daarin voorkomt beheerst.
Vandaag kunnen we Ingmar ophalen, dan kan hij rol 5 en 7 zien.
Ingmar komt. Rol 7 lijkt klaar: daar is niets op aan te merken. Goed bevonden. Maar rol 5 bevat nog een paar kleinigheden die mooier kunnen. Die wil hij nog eens zien.
De mixer oefent een artistiek handwerk uit en Olle Jacobsson is ook een artiest. Hij studeert elke rol in, zoals een pianist een stuk voor piano; dan voert hij het uit vanachter het klavier van zijn regelpaneel. Soms scheldt hij op zijn eigen slechte spel: het was bij de eerste inzet al mis. Soms voelt hij dat hij goed in vorm is: nergens iets dat hem tegen zat, alles liep vlot - 'nu had Ingmar hier moeten zijn.' Als Ingmar er eenmaal is gaat het spel hem misschien niet zo goed af.
Al dit werk is nog niet de mixage in de eigenlijke betekenis; het zijn enkel maar voorbereidingen. Het mixen begint als Ingmar Olle's hele vertolking van de geluidspartituur goedgekeurd leeft. Dan pas brengt Olle de geluidseffecten van de magnetische geluidsband over op een optische geluidsband (dat is de band die later langs de beeldstrook loopt op de filmrol wanneer deze gereed is.)
169-2013>
Klaartje de Zwarte-Walvisch • 4 juli 1943
4 juli
Aankomst op Westerbork
Hoe een geheel andere aankomst ondervond ik hier in vergelijking met de aankomst destijds in Vught. Op het perron stonden mannen en vrouwen ons op te wachten en dag te zwaaien. Iets wat ons zeer vertrouwelijk aandeed. Mannen en vrouwen tezamen. Dit was iets waaraan wij Vughtenaren niet meer gewend waren. De eerste indruk die ik van Westerbork kreeg, was zeer zeker niet de slechtste. Ik had zelfs het gevoel weer in de bewoonde wereld teruggekeerd te zijn. In werkelijkheid was dat natuurlijk helemaal niet het geval, want ik kwam van het ene kamp in het andere. Maar nooit had ik sterker het gevoel gehad uit een concentratiekamp te zijn gekomen. Geen schreeuwers, geen NSB-sters die ons opjoegen en afsnauwden, maar behoorlijke mensen die heel vriendelijk voor ons waren en onmiddellijk bereid te helpen daar waar het nodig was. We werden nog eens netjes opgesteld in rijen van vijf en toen gingen we naar de registratie. Ik maakte de opmerking ik dat ik nog wel eens geregistreerd wilde worden, want dat zoiets in lange tijd niet gebeurd was. Ik had werkelijk nog succes ook, want de marechaussees die ons begeleid hadden, begonnen erom te lachen. Zij namen hartelijk afscheid van ons en terwijl hij me de hand drukte, wenste hij me een spoedig weerzien in Amsterdam: 'Wat naïef bent u nog,' antwoordde ik. Maar hij zei dat hij het werkelijk meende, 'Dan zal ik u maar geloven,' riep ik nog terug. Gelukkig, de reis was tenminste achter de rug. Einde van de eerste etappe.606-2019>
donderdag 2 juli 2026
Tommy Wieringa • 3 juli 2017
Maandag 3 juli 2017
Op het aanrecht staan kaarten met vosjes en paarden, uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes van de kinderen. Als ouder heb je maar één enkele, pathetische wens: dat je kind populair is. Dat het zich in de gunst van anderen mag verheugen. Je weet maar al te goed hoe het was om niet gevraagd te worden voor partijtjes. Hoe je bij gym als laatste overbleef als de groepjes moesten worden verdeeld. De grimassen van verveling of zelfs weerzin als je je bij het groepje voegde waarbij je door de grillige wil van het ostracisme was ingedeeld. De gedurige afwijzing als een wond waar de korst elke dag weer af getrokken werd.
Je zou een vinger geven om je kind daarvoor te behoeden.
H. wordt afgewezen door M., die plotseling niet meer met haar wil spelen.
H. lijdt, ze probeert op alle mogelijke manieren weer bij M. in de gunst te komen.
M. laat zich pas overhalen als H. haar een plaktatoeage belooft.
H. koopt vriendschap voor een middag en neemt genoegen met het bedrog.
M. schort haar weerzin voor een middag op voor een slangentattoo.
H. en M. lijken beiden tevreden met de transactie.
T. kijkt hoe zijn dochter zich in bochten wringt om geliefd te worden; hij probeert uit alle macht het vriendinnetje niet te haten.
woensdag 1 juli 2026
Jan Siebelink • 2 juli 1997
Woensdag 2 juli
John [Jansen van Galen] belt. Hij heeft onverwacht een afspraak in Rheden. We spreken af in een oud Velps café, onder aan de Bergweg. Ver voor de afgesproken tijd wacht hij me aan de bar op. We zijn beiden mensen die altijd te vroeg komen. We begroeten elkaar met een zoen, bestellen een biertje en dan zegt hij: ‘Ik wil iets met je bepraten.’ Hij kijkt ernstig. Ik schrik, denk dat er iets met zijn gezondheid aan de hand is. ‘Je weet dat HP/De Tijd mij een groot portret van Van Mierlo heeft gevraagd, Tot voor kort zou ik tegen zo'n verzoek niet zo gauw nee zeggen. Groot deftig portret met je naam erbij. Vereerd, want ik ben nog steeds de dorpsjongen die toch maar mag meedoen in de grote wereld. En vanmorgen dacht ik ineens: Waarom eigenlijk een groot portret van Van Mierlo? Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ik ga liever wandelen. Waar ik over inzit? Die onthechting...! Ken jij dat ook?’ Ik geef toe dat mijn geldingsdrang ook minder geworden is. Tot voor kort probeerde ik de Franse en Nederlandse literatuur bij te houden. Nu koop ik alleen nog de debuten, en mijn hond kent die onthechting ook. Vroeger, als hij bij me in de auto zat, blafte hij naar iedere hond. Nu kijkt hij ze alleen maar na en zie ik hem denken: Wat koop ik voor dat geblaf? Ik kan me beter rustig houden.
Gegeten in La Marmite, de Weverstraat, in de oude binnenstad van Arnhem. Eigenaar is de altijd wat nors kijkende Bob Z. Voormalig bokser. Maar de klant wil gestraft worden. Onder het eten vertel ik John dat ik een mooie novelle van Johanna Speltie gelezen heb. Een debuut.
Donderdag 3 juli
Op de racefiets naar Arnhem. Ik passeer het asielzoekerscentrum Arnhem-Noord, gevestigd in hotel Rosarium, het voormalige gebouw van de Rozenkruisers. Tientallen Ghanezen, Senegalezen, Somaliërs, in grote verveling, achter de hoge hekken. Zou ik minister worden, ik gaf ze allemaal, in een soort generaal pardon, een verblijfsvergunning.
dinsdag 30 juni 2026
Jan Siebelink • 1 juli 1997
Dinsdag 1 juli 1997
Vannacht gedroomd dat Jeroen Brouwers met uitgestoken hand op me toekwam, me toen meetroonde naar een stil hoekje van de zaal waar een receptie plaatsvond en met zijn arm over mijn schouder een smakelijk verhaal vertelde. Ik piekerde me suf vanmorgen, maar kon me geen woord herinneren.
Telefoontje van John (Jansen van Galen), even voor achten deze ochtend. Een goede kennis van hem, docent aan de vu, is plotseling overleden. Tijdens een college, terwijl hij achter zijn lessenaar stond. De woorden waren in zijn keel gestokt. Hij was van onze leeftijd. Daarna gepraat over alles wat ons kan overkomen. John loopt de tien km nog in 42 minuten, ik doe er tien minuten langer over. Als ik Johns en mijn eigen gedachten goed ken doen we aan sport omdat we het leuk, spannend en bevredigend vinden. Een goede tijd neerzetten geeft de euforie van drugs of drank en we houden er, als prettig bijproduct, ziekte en dood mee op afstand. We maken een afspraak voor de volgende week. Dit keer kom ik naar Amsterdam. Ik ben nog nooit in Het Paleis op de Dam geweest. Hij, tot zijn eigen verbazing, ook niet.
Ik lees het overlijdensbericht van Karel Reynders, waarbij dit citaat van Leopold:
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn,Met Reynders, estheet en bijna-dandy, heb ik voor het eerst kennis gemaakt op 23 november '78, bij de promotie van Frans Kellendonk. Daarna vaker bij Johan Polak, in villa ‘Flevorama’ te Muiderberg. Zijn dissertatie Couperus bij Van Deyssel verscheen fraai gebonden bij Athenaeum Polak & Van Gennep. Hij was, met Harry Prick, een groot kenner van de Tachtigers. Ik bewonderde vooral zijn studie Onder dekmantel van etiket. Hij is nooit hoogleraar geworden. Volgens Johan omdat hij te mooie boeken schreef.
Kom dan en fluister, fluister iets liefs.’
De kippen verzorgd. Ik bezit sinds enkele jaren sebrights, een zeldzaam Engels ras, in drie kleurslagen. Het zijn tierige beesten, met een strenge pikorde. De laagste in rang heeft het erg moeilijk. Een lord Sebright is er aan het begin van deze eeuw in geslaagd het oude ras terug te fokken. Daar is zijn hele leven mee heengegaan. Lord Sebright fokte een leven lang kippen, mijn vader teelde varens in bijzondere variëteiten. Sommigen schrijven boeken. Anderen recensies.
Met Tikker gerend, mijn beige whippet, een klein soort hazewind. Ik heb hem gekocht op de dag (19 april 1984) dat ik mijn moeder ging begraven. Die ochtend vroeg maakte ik een korte wandeling langs de spoordijk van het kippenlijntje Ede-Amersfoort, passeerde een braakliggend terrein waar mannen met hun fiets aan de hand stonden toe te kijken. Ze waren op weg naar de melkfabriek verderop. Ik zag een stuk of zes ravottende hondjes. Soms verdwenen ze in de mist, laag boven de grond. De teef, een zandkleurige windhond, met zwarte snuit en grote, droeve ogen keek ons bezorgd aan. Ik nam de mooiste, die welke op de moeder leek, in mijn handen. Een moment later was ik eigenaar. Impulsieve, compenserende daad, waar ik nooit spijt van heb gehad. Aan mijn hond, voor ik ze opschrijf, vertel ik mijn verhalen. Van mijn plannen voor mijn roman ‘Vera’ was hij al tijden op de hoogte. Hij is ruim dertien jaar. Met 7 vermenigvuldigd zou 91 zijn mensenleeftijd zijn. Onder het rennen vraag ik me af wat Jeroen Brouwers mij toch had mee te delen.
Brief van Gerrit-Jan Kleinrensink, de biograaf van Brakman. Hij geeft mij het adres van Mallarmés huis in Vulaines s/Seine en schrijft: ‘Ik heb een wandeling gemaakt in wat voor mij de achterkant van Arnhem is, namelijk Monnikenhuizen en de aangrenzende heuvels. Schuin tegenover het Thomas à Kempiscollege, in het dal, heeft tot 1572 het Kartuizer klooster Monnikenhuizen gestaan. Onlangs is de kelder blootgelegd. Daar zou Thomas à Kempis zijn Imitatio Christi hebben geschreven.’ Het was mijn vaders geliefdste boek. Op zijn sterfbed heb ik hem daaruit voorgelezen.
maandag 29 juni 2026
Willem Oltmans • 30 juni 2001
30 juni 2001 [Amsterdam]
Corrupt redeneren is nu blijkbaar geaccepteerd in de vooraanstaande Amerikaanse media. Psychische onverantwoordelijkheid is ook veranderd in onethisch corrupte onverantwoordelijkheid. Het is misselijkmakend dat de regering Bush geprezen wordt voor het internationaal afdwingen van ‘norms of justice’, terwijl Powell of Bush vrolijk zij aan zij staan met de schurk Sharon.
Ik kom net terug van de markt en steeds weer als ik thuiskom, ervaar ik dat als het paradijs.
Ik werd gebeld door Evelyne Oltmans, Indisch, 40 jaar: ‘ik ben echt familie van u’. Ik kon het nauwelijks geloven.
Vanavond was ik gewoon bang op straat. Het wemelde van de agressieve kerels, uit alle landen, met hete pikken. Er hing een gevaarlijke sfeer.
zondag 28 juni 2026
Benno Barnard • 13 februari 2022
Zondag
Buiten de keukendeur ligt iets:een (zodra je je hebt gebukt)uit Darwin gedonderdvan cellen gemaakt onvoltooid ding…
Etty Hillesum • 29 juni 1943
29 juni 1943
Van Leguit kreeg ik een brief die me zeer gegrepen heeft, hij behoort ook tot de mensen, voor wie men z'n best zou willen doen om erdoor te komen, en hem dan later terug te kunnen zien. Hij sloot van dr. Korff in: 'en toch is God liefde'. Ik onderschrijf dit ten volle en het geldt nu meer dan ooit. Mijnheer Leguit schreef me o.a.: 'Het zou me verbazen als u zoveel lenigheid van geest zoudt hebben om meer dan een half oor over te hebben voor wat achter is gebleven.' Ik heb al m'n oren en al m'n aandacht voor jullie over, ik leef met jullie verder net als vroeger en rust af en toe bij jullie uit van al het overstelpende hier. Voor jullie is het moeilijker het gebeuren hier te verwerken dan voor ons. Ik merk dat in iedere situatie, ook in de moeilijkste, de mens nieuwe organen toegroeien, waardoor hij toch weer verder leven kan. Wat dat betreft is God barmhartig genoeg. En voor de rest: verschillende zelfmoorden vannacht voor het transport, met scheermesjes en zo.
Vanochtend, terwijl ik me samen met een collega stond te wassen, zei ik tegen haar uit het diepst van m'n hart ongeveer het volgende: de gebieden van ziel en geest zijn zo groot en oneindig, dat dat beetje lichamelijk ongemak en lijden er toch eigenlijk niet zoveel toe doet, ik heb niet het gevoel dat ik van m'n vrijheid beroofd ben en in wezen kan toch ook eigenlijk niemand mij kwaad doen. Ja kinderen, zo is het, ik heb zo'n merkwaardig soort van bedroefde tevredenheid over me. Als ik jullie wel eens een wanhopige brief geschreven heb, neem hem dan niet al te zwaar, dat was dan maar zo'n ogenblikje, men kan wel lijden, maar daarom hoeft men nog niet wanhopig te zijn. En nu spring ik weer in de diepte en ga naar het ziekenhuis, met een trommeltje onder m'n arm voor m'n dierbare papa en m'n ambtenarenmap onder m'n andere arm. Ik zal vele lege bedden in het ziekenhuis vinden na dit transport. Houden jullie je taai, beste braven! Hoe is het met de neef Wegerif? En Käthe, ben je braaf? En is mijnheer niet al te zwijgzaam? De moeder van Hannes is niet naar Theresienstadt. Een groet aan Adri van Ilse B. Dag!
Etty
Arthur Japin • 28 juni 2009
Juni 2009
Gisteren vond Lex een dode vogel voor de deur. Toen hij hem wilde oppakken, merkte hij dat hij aan de onderkant al helemaal was verworden tot een krioelende hoop wormen. Vies! is je eerste idee. Maar je kunt het ook mooi vinden dat die wormen de rotzooi opruimen en dat karkas keurig schoonmaken. Hierdoor werd ik vanochtend wakker met dit inzicht over de milieuproblemen: wat als we er helemaal verkeerd tegen aankijken en wij juist op aarde zijn om de planeet helemaal leeg te vreten en op te gebruiken als een karkas? De worm op het lijk denkt er niet over zorgvuldig met de grondstoffen om te springen. Die doet gewoon wat hij het beste kan: alles wegwerken. Misschien zijn wij hier neergezet als wormen om die oude planeet kaal op te leveren. De mensheid is een ziekte die zich verspreidt en alles wegvreet. Ik ben een van de bacteriën, maar wel een van de vrolijkste.
André Gide • 27 juni 1937
27 juni
Voelen dat je anders bent; ik snikte van ontsteltenis toen ik dat voor het eerst ontdekte, maar ik moest me erbij neerleggen en ik had het anders-zijn al genoeg geaccepteerd om niet erg verbaasd te zijn toen ik op seksueel gebied hetzelfde moest constateren. Nee, mijn verbazing kwam pas later, toen ik ontdekte dat op dat gebied het uitzonderlijke (ik bedoel: wat men mij als zodanig wijsmaakte) uiteindelijk vrij veelvuldig voorkwam. Het gevoel een uitzondering te zijn ervoer ik toen ik nog heel jong was en constateerde dat ik dikwijls niet zo reageerde als de anderen, als het merendeel van de anderen. En hoe je later ook je best doet jezelf te vernederen, geringschattend over jezelf te doen en graag bij het volk wilt horen, hoezeer je juist geen uitzondering wilt zijn en probeert op te gaan in de massa en je daar prettig bij te voelen — je blijft toch anders. Dat gevoel anders te zijn kan het kind hebben als het nog erg jong is, afgewisseld met droefheid, zelfs met angst, en maar heel zelden met vreugde.
vrijdag 26 juni 2026
Soetan Sjahrir • 26 juni 1936
26 Juni 1936.
- Dat onze nationalisten zoveel met Japan ophebben is geen wonder, vooral waar de laatste tijd de grieven tegen de blanke overheersing steeds toenemen en de druk sterker dan ooit wordt gevoeld, - terwijl Japan zo aanminnig-voorkomend doet en zelfs Korea autonomie schenkt! Dat er bedoeling en lijn ligt in dit sympathie-winnen van de oosterse volkeren ligt nogal voor de hand.
Ik moet mij al heel sterk vergissen, of zij hebben bij onze kleinburgers, middenstanders en ambtenaren bereikt dat die zich de laatste jaren meer en meer naar Japan wenden voor de studie van hun zoons en dochters, evenals voor hun culturele ontwikkeling. Het is de laatste jaren ook mode geworden om met vacantie naar Japan te gaan.
Natuurlijk zien de blanke machthebbers dit alles ook wel, maar die hebben zulk een groot vertrouwen in hun bajonetten, gevangenissen en Digoel [strafkamp] dat ze het niet de moeite waard schijnen te vinden er hiervoor een bepaalde ‘politiek’ op na te houden. ‘Driehonderd jaren hebben wij hier al met klewang en knuppel geregeerd’, zegt Zijne Excellentie De Jonge, ‘en over driehonderd jaar zullen we het nog wel doen’, verzekert hij ons middels den correspondent van de Deli Courant. Hij vertrouwt alleen op zijn hoofdparket, zijn soldaten en... Digoel!
woensdag 24 juni 2026
Nanne Tepper • 25 juni 1997
25 juni 1997
PTT-Groningen: ‘Om u nog beter van dienst te kunnen zijn bezorgen wij de post voortaan enkel als we er echt zin in hebben.’
Van Anil Ramdas moet ik meer allochtonen in mijn werk opnemen en van Van Dis moet ik hun dochters neuken.
Ja ja, en dan motte ze zeker ook allemaal meeëten.
...
Wat, in godsnaam, te denken van het medelijden dat je voelt met de lezer na het schrijven van een onleesbaar fragment?
...
Ik een snob? Dat moet wel, want zelfs mijn wansmaak getuigt van grote klasse.
...
De weinige leden van de lokale intelligentsia die ik ken treuren allen op eendere wijze om de dood van Jeff Buckley: verbeten, en met een immense verachting voor de Voorzienigheid.
...
Fin de siècle: het leven imiteert de kunst van Harry Mulisch.
dinsdag 23 juni 2026
Bep Vuyk • 24 juni 1945
Eind juni 1945
Morgen wordt onze hoeveelheid rijst gehalveerd. Hiermee zijn alle geruchten die de afgelopen drie maanden de ronde deden uitgekomen, zelfs het ene goede gerucht over de Rode-Kruispakketten. Die zijn inderdaad in mei uitgedeeld, nog niet de helft van wat we in mei 1944 kregen. Alleen een stukje kaas, een half blikje jam en een blik corned beef, te delen met vier personen. We zullen ook boengkil moeten gaan eten, zeg ik tegen Rudi. Dan word ik net als de verloren zoon die de draf der zwijnen at.
Ondanks mijn bezorgdheid over hem moet ik toch lachen. Mijn zoontje bezit een soort galgehumor, die soms schokkend is en die ik toch waardeer. In Kota Paris, waar we de eerste ervaring met echte honger opdeden, was een familie die op katten jaagde. Er werd algemeen schande over gesproken, maar Rudi trok de historische parallel: 'Wat leuk, net als bij het beleg van Leiden.' Hij slaapt al, maar ik lig nog wakker en denk na. Boengkil zijn perskoeken van kedele [soja] bonen, die vermengd met veel water aan de varkens worden gegeven. We zullen ze moeten laten gisten om ze verteerbaar te waken, ('t) dan koken. Hoe kook je zonder vuur en zonder pan?
maandag 22 juni 2026
Virginia Woolf • 23 juni 1936
Dinsdag 23 juni
Een goede dag — een kwade dag — zo gaat het maar door. Er kunnen niet veel mensen zijn die zo door schrijven worden gekweld als ik. Alleen Flaubert misschien. Toch zie ik het geheel nu voor me. Ik denk wel dat ik het tot een goed einde kan brengen, als ik maar moed en geduld aan de dag leg. Laat elke scène kalm op je afkomen: componeer: ik geloof dat het best een goed boek kan worden. En daarna — o, als het toch eenmaal af is. Vandaag niet zo helder, want ik ben bij de tandarts geweest en heb daarna gewinkeld. Mijn brein lijkt op een weegschaal: een korrel verstoort het evenwicht. Gisteren was de balans in evenwicht, vandaag is hij doorgeslagen.
zondag 21 juni 2026
Olga Freidenberg • 22 juni 1941
Op 22 juni, een van die mooie zomerdagen, pakte ik de telefoon omdat ik niets te doen had. Het was zondag, rond het middaguur. Ik was verbaasd toen een vrouwenstem antwoordde dat Bobovitsj, die ik belde, niet aan de lijn kon komen.
‘Hij luistert naar de radio.’
Dat verbaasde mij nog meer. Na een korte pauze voegde de vrouwenstem er aan toe: ‘De oorlog met Duitsland is verklaard. De Duitsers hebben ons aangevallen en hebben de grens overschreden.’
Dat was volkomen onverwacht, bijna onwaarschijnlijk, hoewel het met zekerheid was voorspeld. Het was niet de aanval die onwaarschijnlijk was — wie had die niet zien aankomen? Het was ook niet de oorlog met Hitler: onze politiek had niemand vertrouwen ingeboezemd. Het was de ommekeer in ons leven die onwaarschijnlijk was, deze dag die zo plotseling tussen verleden en heden was komen te staan. Die stille zomerdag met openstaande ramen, een aangename rustige zondag, een gevoel van leven in mijn hart, van hoop en verlangen, als iets dat uit zichzelf in mij was gegroeid, of ik wilde of niet; en plotseling: oorlog! Ik kon en wilde het niet geloven.
Maar wie wist niet dat dit het begin was van enorme gebeurtenissen en catastrofes? Ik begreep de theoretische betekenis van het gebeurde. Maar ik nam waar dat het vreselijke nieuws geen enkele indruk op mij maakte, behalve een gevoel van sensatie. Niets van 1914 was er mee te vergelijken. Eigenlijk bleef ik in mijn hart volslagen onverschillig en was ik alleen bang voor het dagelijks bestaan. Welke rampspoed stond ons te wachten?
Het was een mooie zomerdag, een vrije zondag, met open ramen, stille groene bomen. Nee, de voorbereiding was ongemerkt gegaan. De geschiedenis trad naderbij vanuit de verte. En je had het gevoel: o, het is allemaal zo erg nog niet; het komt wel goed; het leven helpt een handje; het is nog veraf; er is heel wat voor nodig voordat de gebeurtenissen ons bereikt hebben en onze dagen uiteenrijten; wat zou het, het was trouwens tijd ook; ‘laat het maar slechter zijn, als het maar anders is’.
[lees verder]536-2019>
Vrouw van gevangene, 38 jaar • 21 juni 1941
Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945.Vrouw van gevangene, 38 jaar — Omgeving Amsterdam
21 Juni 1941
- De langste dag en tot op heden de verschrikkelijkste van mijn leven. Vanochtend waren Puck en Job even op de koffie, erg gezellig. Zwijndregt liep nog even in maar die was ook niet vroolijk. Ik was erg down en belde Dumoulin op. Ik kreeg van Beek die mij vroeg even te komen om twee uur want Dumoulin was er nu niet. Ik ben natuurlijk gegaan en wat ik daar hoorde deed mijn bloed verstijven. Jongen als gebeurt waarvoor zij mij meenden te moeten waarschuwen, als jij er niet meer bent, wat blijft er dan voor mij nog over. Wat hebben wij toch voor kwaad gedaan dat we zoo zwaar getroffen moeten worden. Dumoulin gaf alle hoop nog niet op maar tot nu toe scheen Baanders toch nog niet veel succes gehad te hebben. Ik kan maar steeds niet begrijpen wat je toch voor ergs gedaan hebt, dat je er zóó voor moet boeten. Baanders was van meening, dat je was meegesleept. Er is één klein lichtpuntje en dat is dat jij het nog niet weet. Je was heel rustig en kalm en zag met vertrouwen de toekomst tegemoet.
175-2012>
zaterdag 20 juni 2026
Roel van Duyn • 20 juni 1971
Zondagavond 20 juni
Bella was wijs en verstandig vanavond. Ik liep in kringetjes om haar heen en dacht aan m'n broer in Californië, aan de Deense vertaalster van een boek van me in Uppsala, aan kabouters in Ljubljana, aan studenten die me hebben uitgenodigd om in Schotland lezingen te komen houden, maar ik besefte steeds dat de bruine beuk het middelpunt was waar alles om draait. Ik kan nu ook beter begrijpen waarom ik dat dacht.
Toen in 1884 in de Jordaan het Palingoproer uitbrak omdat de politie de Jordaners op de Lindengracht verbood spelletjes met palingen te doen, die daar toen nog in het grachtenwater zwommen, ging er een golf van paniek door de laatste kabouters van Amsterdam. Als de mensen in staat zijn om palingen te martelen, wat zullen ze dan wel niet doen als ze ons ontdekken, dachten de kabouters, en ze vluchtten de stad uit.
Maar er was er één die dat onzin vond. Het was Gijs, een oude kabouter met een rode baard. Hij voelde dat hij een taak had jegens de planten en bloemen op de plaats waar nu het Westerpark is, omdat hij in de loop der tijd een goede verhouding met hen gekregen had. `Eéns ga je toch dood,' zei hij, en hij bleef alleen achter.
Nog tot in het begin van onze eeuw leefde hij in eenzame vrede temidden van zijn plantaardige vrienden.
In moeilijke omstandigheden was hij steeds een toeverlaat voor planten en vogels, die hij dan met een wijze raadgeving of met een opgewekt woord opbeurde. 'Nog met mijn lijk zou ik de velden willen bemesten om hier meer bomen te doen groeien,' zei hij eens. Toen Gijs op een dag op zijn rug in het gras naar de wolken lag te kijken en een liedje neuriede, stond zijn hart plotseling stil. Van heinde en ver kwamen de vogels om hem met takjes en aarde te bedekken. Niet alleen leeuwerikken, nachtegalen, uilen, roodborstjes, reigers en al die andere soorten die nu in Amsterdam uitgestorven zijn, maar ook mussen, duiven en kraaien.
donderdag 18 juni 2026
Felix Zwanikken • 19 juni 1944
16 juni
`s Morgens naar de kerk: feest van het H. Hart. De oude heren als Benjamins, van Geelen en Rieuwers zijn naar een nieuw deel van het kamp verhuisd; de huisjes langs de renbaan. Het geldt alleen voor mannen boven de 61 jaar en hun zoons. Ze hebben het nu goed, grote kamers, vaste wastafels. Dat nieuwe deel heet blok XII. 's Middags dienst, 's avonds tweede preek van pater van den Hooge.
17 juni
Soep gemaakt van koolstronken met oebi [zoete aardappel]. Ik ben 6 ons aangekomen.
18 juni
's Morgens naar de kerk geweest, daarna stroop gemaakt. Vandaag vieren we Tinekes verjaardag (16 Juni) met een blikje boter.
's Middags dienst. We hebben ter gelegenheid van de Zondag 300 cc koffie gekregen. De vorige Zondag 100 cc gelei en 1/3 brood, dat had ik vergeten op te schrijven. Ik heb cr een hoop van opgespaard, zodat we er nog verscheidene dagen mee kunnen doen. 's Middags extra soep en 's avonds geweldig hete sambal.
19 juni
's Morgens is Hans ziek.
24 juni
De hele dag dienst. Vins heeft een laboe siam [chayote] gejat, we gaan er morgen een fijne soep van koken.
26 juni
's Middags mijn lepel in de sloot laten mieteren.
woensdag 17 juni 2026
Daniil Charms • 18 juni 1937
18 juni 1937. In de kamer van Ilja.
Ik ben volkomen afgestompt. Dat is afschuwelijk. Een in alle opzichten volledige impotentie. Het gebrek aan discipline is zelfs aan m'n handschrift af te lezen.
Maar wat een waanzinnige volhardende neiging naar de ondeugd. Urenlang, dag in dag uit, probeer ik mijn doel te bereiken, maar bereik het niet en toch ga ik door. Dat is pas oprechte belangstelling!
Genoeg gedraaid: Ik heb helemaal nergens belangstelling voor, alleen voor dat ene.
Inspiratie en belangstelling is precies hetzelfde.
Je aan echte inspiratie te onttrekken is net zo moeilijk als aan ondeugd.
Bij echte inspiratie verdwijnt al het andere en blijft alleen de inspiratie zelf over.
Daarom is de ondeugd ook een soort inspiratie.
Aan ondeugd en inspiratie ligt één en hetzelfde ten grondslag. Aan hun basis ligt een echte belangstelling.
Echte belangstelling is het belangrijkste in ons leven.
Een mens zonder belangstelling voor wat dan ook gaat snel ten onder.
Een te eenzijdige en sterke belangstelling verhoogt in buitengewone mate de spanning van een mensenleven; een klein duwtje en hij wordt gek.
Een mens kan niet zijn plicht vervullen, als hij daarvoor niet echte Belangstelling heeft.
Wanneer iemands echte Belangstelling op één lijn ligt met zijn plicht, wordt zo iemand een groot mens.
dinsdag 16 juni 2026
Hans Christian Andersen • 17 juni 1847
Woensdag 16 juni 1847 [van Leiden naar Den Haag]
[...] Om half zes met de omnibus naar het station gegaan, hier hing een plakkaat van De Tijd met mijn naam en foto erop, de mensen keken naar me, zouden ze me herkennen; wat een wonderlijk gevoel! — Voor het eerst in een goed humeur terwijl ik met de trein reisde, ik had wel kunnen zingen; het duurde nog geen halfuur of we waren in Den Haag, in hotel Oude Doelen. Toen ik informeerde naar de groothertog van Weimar, naar de Deense en de Russische gezant, vroeg men me meteen of ik een kamer met ontvangstsalon wilde hebben, maar ik antwoordde dat ik eerst wilde afwachten of ik bezoek kreeg. — Ik heb een kamer met uitzicht op een groot plein met bomen; — ik ben ervan overtuigd dat Verhulst voorbijliep, hij keek omhoog, zou hij gedacht hebben ‘die man daar lijkt op Andersen’? De Nederlanders vormen de overgang van de Denen naar de Duitsers. Het Deens, Nederlands, Duits, Zweeds en Noors zijn nauw verwant, dan volgt waarschijnlijk het Engels. De Nederlanders en de Friezen vormen een overgang naar de Engelsen. Ik voel me zeer tevreden in dit hotel en toch, geen brieven! als er maar niemand overleden is (O, God, nee, ik moet er niet aan denken). — Tussen de bomen dampt de aarde, ik denk aan het elzenmoeras, aan de elfjes, is al dit bekoorlijks niet meer dan een elfjesbetovering. Is het tovenarij!
Donderdag 17 juni 1847 [Den Haag]
[...] Verhulst ontmoet, met hem mee naar huis gegaan, hij woont in een gezellig huis aan de rand van de stad, met uitzicht over de velden en de weilanden. Meegereden naar Van der Vliet, die in hoge mate verrast was me te zien, deed verward, bijna dom; hij heeft twee weken geleden naar Kopenhagen geschreven om te vragen of ik bij hem kwam logeren. De literatoren hier willen een feestje voor me arrangeren; hij schonk me de vertalingen van mijn werken. [...] Nederland is de idylle van Europa! Niet Zwitserland. [...]
Vrijdag 18 juni 1847 [Den Haag]
Vanmorgen bezoek uit Utrecht van de schrijver Nepveu, die mij zijn roman Berthe Coppier heeft geschonken; hij is een tegenstander van Van der Vliet, die er net aankwam en ik ben met hem naar een tentoonstelling gegaan, er waren uitstekende dingen, een van de schilders, ik ben zijn naam vergeten, hij heeft illustraties gemaakt bij Schetsboek zonder schetsen, heb ik daar ontmoet. [...] Ik gebruikte de maaltijd bij Van der Vliet, zijn zoontje Christian is naar mij en naar [de hoofdpersoon van] ’t Was maar een speelman genoemd. Zijn vrouw sprak alleen Nederlands, maar de conversatie verliep toch wel redelijk, ze wilde voortdurend dat ik meer at, schudde met haar hoofd en zei dat het mij kennelijk niet smaakte. — Ze hebben mij in een rijtuig naar huis gebracht. –173-2015>
maandag 15 juni 2026
Anna Achmatova • 16 juni 1962
De Zweed is geweest. Ik was verrast door zijn onvermoeibare belangstelling voor het epos en over het feit dat hij er Schoppenvrouw in terugvond. Bij het afscheid zei hij: 'De zoon van Panova zal het u vertellen.'
Twee dagen later verscheen bij de familie Gitovitsj de zoon van Panova (achtentwintig jaar oud, Boris Borisovitsj - sinoloog). Ik was uitgenodigd om te komen eten. Gitovitsj en zijn gast dronken wodka. Aleksandr Iljitsj was volkomen beschonken en zweefde ergens in zijn eigen wereld. De gast was volledig nuchter. Er werd op mij gedronken, en de gast zei: 'Erik Masterton verzocht mij aan u door te geven dat u dit jaar voor de Nobelprijs bent voorgedragen.' In de hele zaak interesseerde mij maar één ding: waarom heeft Erik mij dit niet zelf verteld?
(Opgeschreven 16 juni)333-2018>
zondag 14 juni 2026
Anneke Hilhorst • 15 juni 1979
Vrijdag 15 juni
Weer op controle geweest. Ik wilde graag precies weten hoe vaak het vruchtwater wordt ververst en hoe dat gaat, want ik had gelezen dat de baby van het vruchtwater drinkt, erin plast en dat het water een keer per etmaal ververst wordt. Er is trouwens nog zoveel meer wat ik wil weten. Bijvoorbeeld: hoe werkt de moederkoek precies? Het schijnt een heel ingenieus orgaan te zijn met veel verschillende functies. Ik lees er wel boeken over, maar hoe meer ik lees, hoe meer ik merk dat het allemaal heel ingewikkeld is. Ik heb Margriet voorgesteld om een vragenavond te organiseren voor een aantal zwangere vrouwen tegelijk, bijvoorbeeld aansluitend bij de zwangerschapsgymnastiek of een moedercursus.
Ik heb nu ook aan Henk verteld dat ik de navelstreng zelf wil doorknippen. Want dat is het grote moment van de definitieve scheiding dat niet zomaar routineus afgehandeld moet worden. Het is een plechtige gebeurtenis. Hij vond het goed. Mijn gezondheid is perfect. De bloeddruk mooi laag. Het kind ligt goed; voor een kwart ingedaald.
Jeannette gaf me een zakje thee van anijs, kummel en nog een paar kruiden: 'goed voor het zog.' Het zal wel niet toevallig zijn dat anijszaadjes met wat suiker eromheen, de traditionele roze en witte geboortemuisjes zijn. En als de borstvoeding niet goed op gang komt kan ik de baby volgens Jeannette venkelthee geven, met een theelepeltje; die thee is ook goed voor mijzelf.
Ik ben opgewonden over de komende geboorte en voel het als een initiatie tot het werkelijke grote-mensenleven, vergelijkbaar met de initiatieriten van geslachtsrijpe kinderen bij sommige natuurvolkeren. Ik ben vruchtbaar. Ik voel me ver verheven boven de dagelijkse realiteit. Het is een bovenaards, hemels gevoel, en dat terwijl liet een superaards oergebeuren is.
István Radnai • 14 juni 1914
Belawan 3 uur 's middags 14 juni 1914
Ik zit nu op ‘De Loek’, de kuststoomboot van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij waarmee ik naar Penang vaar. In Penang moet ik nog met de consul mijn thuisreis regelen. Ik heb nu nog tijd over Kuntji Beck te schrijven. Hij is een erg beschaafde Duitser, maar omdat hij al sinds 18 jaar op Sumatra als planter werkt is hij totaal grof geworden. Hij moest hier naar de rechtbank omdat hij enkele klappen aan koelies uitgedeeld zou hebben. We hebben met elkaar kennisgemaakt. Hij dronk enorme hoeveelheden whiskey en Kuntji bier. Kuntji betekent sleutel in het Maleis en dat is ook de merk van een soort exportbier dat erg verbreid is in de hele Oost. Zijn vader in Bremen is trouwens de fabrikant van dit bier.** Hij heeft aan László beloofd een baan voor hem te zoeken omdat László voor anderhalf jaar op Sumatra wil blijven. Misschien kan hij enkele honderden forint sparen. Ik moest aan Beck beloven dat ik een zekere Ernő Berkes zal opzoeken, die bij hen 3 jaar lang assistent was, maar nu is hij tabakhandelaar. Goed! We zullen weer eens flink gaan zuipen! De mensen zuipen hier in de tropen ontzettend veel. Aan den lijve moest ik ervaren hoe belangrijk het is dat je geestelijk en lichamelijk enigszins fit blijft. Binnen enkele jaren kun je het al merken wat voor gevolgen het heeft. Voor mijn vertrek kon ik nog een interessante man leren kennen. Kivits Cornelius is een Nederlander van 55 jaar. Hij heeft in de laatste 35 jaar Sumatra niet verlaten. Thuis was hij knecht, daarna nam hij dienst bij het koloniaal leger, waar hij in enkele bloedige oorlogen heeft gevochten, maar hij was nooit hogerop geklommen dan een gewone soldaat omdat hij lezen noch schrijven kon. Nu is hij assistent op een rubberplantage en hij is een grote jager. Hij heeft al 10 olifanten, 9 tijgers, 15 luipaarden en ontelbare everzwijnen geschoten. Hij was al sinds 4 jaar niet in de stad. Nu is hij naar Medan gekomen, heeft zich ladderzat gezopen en daarna is hij naar de kebon ['tuin', hier: 'plantage'] teruggekeerd. Voor hem is dat het leven, maar niet voor intelligente mensen.
Vandaag om 12 uur 's middags hebben László, Van Hengel en Steenweg, de zogenaamde tweede griffier, me naar het station begeleid. Daar nam ik de trein en reed naar Belawan. Daar stapte ik op deze smerige stoomboot.
** De genoemde heer Beck is waarschijnlijk de zoon van de eigenaar van de beroemde bierbrouwerij Beck's, die in 1826 in Bremen werd opgericht. De sleutel, die tot heden de etiket van de flessen van Beck's bier siert, is ontleend aan het stadswapen van Bremen. Beck's was zo bekend en graag gedronken in de kolonie, dat in 1931 de firma in Batavia en in Singapore een eigen brouwerij liet bouwen.
István Radnai • 13 juni 1914
Medan 13 juni 1914
Ik had het eigenlijk niet gedacht, hoewel het te voorspellen was. Ik ga morgen terug naar Europa. Iedereen zegt dat het juist is. Waarom? Gedurende mijn verblijf van 6 weken heb ik 30-40 planters leren kennen. Sommige van hen zitten hier sinds 7 jaar, weer andere al sinds 18 jaar, maar geen van hun heeft hier een cent kunnen sparen. Het leven hier is erg duur en al ben je tegen alcohol, je raakt vroeg of laat toch aan de drank. En dat gaat duizenden kosten. De planters komen iedere avond bij de ene of de andere samen, bij de zogenaamde ‘makan besar’ [Maleis: 'groot eten'] en vreten en zuipen alles op wat honderden guldens kost. Het is nog goed als je geen schulden maakt. En wat wacht je als je na jaren naar huis gaat? In de tropenjaren bouw je een culturele achterstand op, je wordt steeds dommer omdat in de tropen iedereen zo wordt en je wordt ook een alcoholist. Wat baat het je als je in delirium tremens zonder een cent op zak terugkeert naar Europa? Je kan misschien nog straatveger worden of zo. Als je in een rijke havenstad als handelaar kan werken en na 2-3 jaar met rijke ervaringen naar huis gaat, dat is iets anders. Mijn plan om naar Singapore te gaan, heb ik moeten laten varen. Lövey heeft niet eens geantwoord. Nu ben ik ook nog ziek geworden. Ik heb koorts en hoofdpijn, 's nachts kan ik niet slapen. Ik kan het klimaat niet verdragen. Enkele honderd forint armer, maar rijk aan ervaringen keer ik terug naar Hongarije. Ik heb mijn les geleerd: als het niet hoeft, moet je je vaderland niet verlaten om geld te verdienen. Ik had eigenlijk geen reden om weg te gaan. Ik was eigenlijk door de nieuwsgierigheid gedreven. Wat ik nodig had, had ik tot nu toe altijd gehad en dat zal ik in de toekomst ook hebben. Ik verlangde immers nooit naar een groot vermogen.
Kuntji Beck was naar de rechtbank en daarna hebben we feest gevierd dat je je het moeilijk kan voorstellen. Zuipen, rondkijken (...)
Van de controleur heb ik 14 forint gekregen. Dat is voldoende tot Penang. Van daar zal ik waarschijnlijk met de hulp van de consul verder moeten. Ik ben benieuwd.
Volgers
Blogarchief
-
▼
2026
(198)
-
▼
juli
(16)
- Virginia Woolf • 17 juli 1935
- Andy Warhol • 16 juli 1978
- Ursula von Kardorff • 15 juli 1944
- Thomas Mann • 14 juli 1955
- Søren Kierkegaard • 13 juli 1837
- Ernst Jünger • 12 juli 1942
- Sylvia Plath • 11 juli 1950
- Roel van Duyn • 10 juli 1971
- Ernst Jünger • 9 juli 1942
- Mart Smeets • 8 juli 2012
- Friedrich Nietzsche • 7 juli 1862
- Gustave Flaubert • 6 juli 1852
- Vilgot Sjöman • 5 juli 1962
- Klaartje de Zwarte-Walvisch • 4 juli 1943
- Tommy Wieringa • 3 juli 2017
- Jan Siebelink • 2 juli 1997
-
►
juni
(31)
- Jan Siebelink • 1 juli 1997
- Willem Oltmans • 30 juni 2001
- Benno Barnard • 13 februari 2022
- Etty Hillesum • 29 juni 1943
- Arthur Japin • 28 juni 2009
- André Gide • 27 juni 1937
- Soetan Sjahrir • 26 juni 1936
- Nanne Tepper • 25 juni 1997
- Bep Vuyk • 24 juni 1945
- Virginia Woolf • 23 juni 1936
- Olga Freidenberg • 22 juni 1941
- Vrouw van gevangene, 38 jaar • 21 juni 1941
- Roel van Duyn • 20 juni 1971
- Felix Zwanikken • 19 juni 1944
- Daniil Charms • 18 juni 1937
- Hans Christian Andersen • 17 juni 1847
- Anna Achmatova • 16 juni 1962
- Anneke Hilhorst • 15 juni 1979
- István Radnai • 14 juni 1914
- István Radnai • 13 juni 1914
-
▼
juli
(16)




























