donderdag 2 april 2026

José Saramago • 3 april 1996

• De Portugese schrijver (en Nobelprijswinnaar) José Saramago (1922-2010) hield vijf jaar lang, van 1993 tot en met 1997, een dagboek bij dat gepubliceerd werd onder de titel Cadernos de Lanzarote. Een keuze daaruit werd (vertaald door Harrie Lemmens) gepubliceerd in Bzzletin.

11 augustus 1993
We hebben een hond in huis, god weet waarvandaan. Ineens was hij er, uit het niets, alsof hij op zoek was naar een baasje en dat ten slotte had gevonden. Hij gedraagt zich niet als een zwerfhond, is piepjong en je kunt zien dat hij goed is afgericht. Hij doemde op bij de keukendeur toen we zaten te lunchen. Op de drempel bleef hij zitten kijken, langzaam zijn kop heen en weer bewegend, zoals alleen honden dat kunnen: een ware verhandeling over de als nederigheid vermomde verleiding. Ik ben geen hondenkenner, zeker niet als het gaat om minder gangbare rassen, maar dit lijkt me een kruising tussen een poedel en een foxterriër. Als zijn eigenaar niet komt opdagen (het kan ook dat hij moedwillig achtergelaten is, dat gebeurt zo vaak in de vakantietijd), moeten we met hem naar de dierenarts om hem te laten onderzoeken, inenten en registreren. En hij moet een naam krijgen: Pepe heb ik al geopperd, het Spaanse verkleinwoord voor José... Morgen wordt hij gewassen en ontluisd. Hij blaft, voorlopig tenminste, zachtjes, alsof hij niet wil storen, maar hij lijkt duidelijke ideeën te hebben omtrent zijn bedoelingen: dit is mijn huis, ik ga hier niet meer weg.

7 november 1995
Gisteravond, toen ik aan de telefoon de gelukwensen van een vriend in ontvangst nam [voor de toekenning van de Prémio Camões, de hoogste literaire onderscheiding in de Portugeestalige wereld - HL], hoorde ik een vrouw op het braakliggend veld naast het huis gillen: ‘Een dolle hond, een dolle hond!...’ Zo gauw ik vrij was haastte ik me naar de tuin, maar Pilar was me al voor. Aan haar voeten zag ik een donkere vlek die verdacht veel op een hond leek... Dat was het ook, maar van hondsdolheid vertoonde het arme beestje geen kenmerken. De gillende vrouw was gewoon geschrokken, meer niet. De hond kwispelde langzaam met zijn staart en hief zijn kop op, smekend om hulp. Hongerig, dorstig, vuil, zoals iedere zwerfhond. We namen hem mee naar binnen en zetten hem water en eten voor, maar zoals altijd in dat soort gevallen verlamde de angst hem. Pepe gromde, niks blij met de indringer. De vacht van de nieuwkomer, dik en wollig, had grijstinten, een tikkeltje zwart, grauw en bruin, hier en daar wat vaal geel en, als onverwacht sierlijk toefje, een witte vlek op de borst, als een stropdas. Op het eerste gezicht zou je zeggen een poedel, vanwege de vacht, maar zijn stevige kop, zijn brede kaken, zijn scheve ogen en ook de lengte van zijn poten deden eerder denken aan een Canarische jachthond. Pilar stelde de vraag die voor de hand lag: ‘Houden we hem?’ Het was duidelijk van wel, dat we hem zouden houden, en ze voegde eraan toe: ‘Hij is opgedoken op de dag van je prijs, laten we hem Camões noemen.’ Op het moment dat ik dit schrijf lijkt Camões al een ander: hij is naar de dierenarts geweest, gewassen, getrimd, vrijgemaakt van parasieten. Ongetwijfeld wordt dit het huis waar de naam van de dichter dagelijks het vaakst wordt uitgesproken. Dat zou gebrek aan respect zijn als we niet wisten dat hij vele malen slechter is behandeld dan een hond...

3 april 1996
Camões is gegroeid, hij is volwassen geworden. Zijn tanden, die toen hij hier vijf maanden geleden kwam aanwaaien niet meer waren dan een fijne zaag, zijn veranderd in machtige wapens, en zijn hoge stelten, die eerder niet allemaal tegelijk dezelfde kant op leken te kunnen lopen, hebben geleerd hard en trefzeker uit te halen, in staat om welke tegenstander ook te verslaan. Hij kruipt niet meer onder het bed wanneer Pepe last krijgt van zijn Oteliaanse* jaloezie. Nu bijt hij van zich af en hun ruzies zijn vreselijk. Pepe wil zijn gezag van primus occupans niet verliezen en naar het zich laat aanzien wil Camões dat gezag opeisen, hoewel hij er als laatste bijgekomen is. Camões is groter, Pepe is robuuster. Alleen heeft Pepe de gewoonte zijn kop wat scheef te houden onder het vechten en dat is slecht voor hem. Bovendien betekent het, als het handboek gelijk heeft, een eerste teken van zwakte: als een karateka met zwarte band deelt Camões bliksemende trappen uit die Pepe al meer dan eens hebben verwond aan zijn rechteroog. Het is moeilijk ze uit elkaar te halen wanneer ze vechten, het lijkt alsof ze alle woede van de wereld in zich hebben verenigd. Ik word bijna wanhopig van de pogingen ze aan het verstand te brengen dat er voor iedereen plaats is in dit huis.


* Othelliaans? Of misschien verwijst dit naar Otelo Saraiva de Carvalho.

woensdag 1 april 2026

Jean Cocteau • 2 april 1952

Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in hte Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar.

2 april
Lunch met de Pagnols en de Simenons. Je kunt je niet drie meer van elkaar verschillende mannen voorstellen dan wij drie ten aanzien van het werk, van wat ons bezighoudt, en van onze gewoonten. Maar we hebben één eigenschap gemeen, dat we ons nooit bemoeien met andermans zaken en nergens jaloers op zijn. Dat is de basis van onze verstandhouding, die altijd volmaakt is en zich koestert in een vriendschappelijke warmte die verre uitstijgt boven belangen.
Simenon zegt: 'Het is wonderlijk dat wij hier met zijn drieën de enigen zijn aan wie Amerika zou bieden wat we vragen. Ik pieker me suf, maar ik kan geen anderen bedenken.'
Waarop ik heb geantwoord dat ik er weinig van merkte en dat mijn financiën er bar slecht voor stonden. Pagnol weet me te vertellen dat de Société des Auteurs me al drie jaar een jaarlijkse toelage van zeshonderdduizend frank schuldig is. Dat hoor ik voor het eerst.


dinsdag 31 maart 2026

Sonja Paardekooper • 1 april 1945

• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek.

1 April Paaschzondag.
Pasen met heerlijk weer. Met lekker eten ( droge rijst met bruine bonen en een stukje vlees van ongeveer 40 gram, met koekjes, drie de persoon). Iedereen is blij en tevreden. Ik had de hele ochtend vrij, omdat ik van 1 tot 4 dienst had. Toen heb ik gebaad en mijn haren gewassen met een hele teil. Vandaag werkt alles mee, het weer, het water, het hout. Vanochtend was er poppekast voor de kinderen en om 1 uur kregen ze van 2 tot 12 een stukje kwetalem. 't Was zoo leuk bedacht en toch gaf zelfs dit aanleiding tot kankeren. Mevrouw van Ham vond, dat haar dochter van 14 ook wel wat mocht hebben. Flauw he? Maar 't is een echt fijne dag, want ik vergat nog, dat we ieder een eendenei krijgen, dat volgens de leiding 40 ct kost, maar dat je kunt gedekken* voor 25 ct.

3 April (Dit stuk is door mijn moeder geschreven).
Voor de vierde keer hebben we nu vorige maand mijn verjaardag en voor de vierde keer pappie's verjaardag "gevierd" zonder elkaar en verlangen naar ons gewone leven, ons huis en alle gezellige dingen wordt hoe langer hoe grooter. Ik heb eindeloos recepten overgeschreven en stel me dan voor hoe we al die heerlijkheden weer samen zullen verorberen aan een goed gedekte tafel met een smaakvol servies, tafelzilver en glazen en geen etensbakken, geen blikjes om uit te drinken en voer, dat je toebedeeld wordt, zooals 't de nip en de leiding goeddunkt. Je vraagt je dagelijks af, of 't nog weer goed kan komen en hoe alles geregeld moet worden, 't duurt zoo eindeloos lang. Maar eerst pappie weer bij ons, dan komt alles wel goed.

* het gedek was de bamboe schutting rond het kamp, waar je dingen kon ruilen met de buitenwereld.

maandag 30 maart 2026

Louis Tas (Loden Vogel) • 31 maart 1945

Louis Tas (1920-2011) publiceerde onder het pseudoniem Loden Vogel Dagboek uit een kamp, over zijn ervaringen in Bergen-Belsen. Na de oorlog werd hij een bekende Amsterdamse psychoanalyticus, die veel kunstenaars en acteurs onder zijn clientèle had. Interview.

31 maart.
Gisteren zilveren bruiloft ouders. Ik was naar Hanke geweest en had — ongelooflijk fraaie buit — een hele kuch [brood] gekregen. Het was een trieste regendag, en ondanks de kuch, en alle verzekeringen van het tegendeel, hadden we honger. Er komt nu alleen brood op dagen zonder soep, dus twee of drie keer per week. Het kwam er dus op neer dat we niet, als anderen, tekortkwamen. Hoe men daarop kan blijven werken? Gisteren viel het eerste slachtoffer van de epidemie, die daarmee officieel begonnen is. Krankzinnige prikkeldraadversperringen maken een doolhof van ons kampje. Alleen tegen de luizen (het Altersheim met name is totaal verluisd) wordt niets gedaan. (Men kan niets verlangen van mensen die zo slecht gevoed worden.) Ik was bang, nu twee collega's hier zijn komen wonen, dat het met mijn lange uitslapen afgelopen zou zijn. Gelukkig begint één van hen ook al lui te worden. De ander wordt wel ziek.
Als ik Hemingway lees meen ik onder mijn vrienden terug te zijn. Gesteld dat ik een dagboek kon schrijven, zo overwegend uit dialoog bestaande als Farewell to Arms... maar dat zou ook Hemingway, die later aan zijn eigen techniek te gronde is gegaan, niet gekund hebben.
Ik ontdekte vier weken geleden in het hemd van een verluisde patiënt, dat ik van zijn lijf geknipt en weggegooid had, een gouden speld met briljanten, een week geleden herinnerde ik mij dat, en vroeg de patiënt of hij de speld verkopen wilde. De laatste dagen was ik verwikkeld in onderhandelingen over tientallen kuchen, zonder zelf een boterham te hebben. Doordat het kamp in quarantaine is, gaat de zaak niet door, zoals ik wel gedacht had.
Luza heeft de zogenaamde Dauerliste klein gekregen, met als resultaat dat het personeel van het ziekenhuis voortaan vaak melk zal krijgen.
Ik had de urine niet kunnen ophouden, en toen ik met natte broek langs het prikkeldraad van de Häftlingen strompelde, waarachter ellendige gedaanten nog rondhobbelden of al dood neerlagen, voelde ik mij een van hen. Zo zal het ook ons gaan, misschien is exanthematicus dan nog beter.

zondag 29 maart 2026

Max de Jong • 30 maart 1948

Max de Jong (1917-1951) was een Nederlandse dichter. Zijn dagboek is in 2015 door Van Oorschot gepubliceerd.

Di 23 maart.
Marijke groette me niet en vertrok. Jaap Hijmans was nukkig en zwijgzaam, krijgt zeker een beetje tabak van me. En dan Gonnie, wou dat kamertje in dit huis eventueel wel hebben, voor korte tijd, tja, dat is nou ook een vraag. Ik heb haar naar de hospita verwezen, maar ze heeft het adres niet eens goed in zich opgenomen. En zo besteden we de tijd, die ons rest, tot Hilletje terug komt om ons hoofdpijn te bezorgen.

Vrij 26 maart.
Kwitanties Vereniging van Letterkundigen onbetaald terug gestuurd.

Za 27 maart.
Om een uur of twee wakker en gek geworden van het nieuwste: gesnurk naast me, de vader van dat flikkertje slaapt er. Zo heb ik nog nooit horen snurken. Het is of er een olifant met een psychische afwijking woont. Hij schijnt een maand te blijven. Hun huis wordt verbouwd. Zien te bereiken dat de moeder er komt te liggen, die ijlt, maar dat is altijd minder erg dan dit.

Di 30 maart.
Die snurkende vent naast me volkomen onverwacht weer afgereisd. God bestaat dus toch!

J.H. Leopold • 29 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

29 Maart.
[...]
's Middags zijn we naar Buffalo Bill geweest en zijn Cowboy's en Roodhuiden. Dit maakte een sterken indruk op mij. En het zien der Roodhuiden, laatste telgen van een stam die uitstierf, maar ook de personen der veroveraars, de gespierde lichamen, de onverschillige gezichten, de krasse stukjes in het rijden, de mensch in een nauwere betrekking met bedreigende natuurmachten, met een zwaar, bedreigd leven, dat geen tijd geeft voor verfijnd genoten verweekelijking. Minder trof Buffalo Bill, op en top een romanheld, een ‘mooie man’, een gezicht geschikt om zich het leven in het verre westen zoo opgesmukt voor te stellen als in de boeken, in werkelijkheid docht het mij een reeks van eentonige dagen van zware arbeid, en nu en dan een oogenblik van doodsgevaar, niet lang, verheffend, treffend, maar kort, brutaal en beestachtig en bitter ernstig.

Simon Vinkenoog • 28 maart 1964

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In 1963/'64 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte.

zaterdag 28 maart 1964
[de tweeëndertigste dag]
[...]
‘Ik geloof niet in God,’ Huub vanmiddag, ‘wel in 'n duivel: de zwaartekracht. Als ik op m'n hoofd ga staan, tart ik de duivel, hef ik 'm op, raak ik in 'n toestand die high genoemd wordt, dat mag je voor mijn part God noemen.’

*

Ik heb Jan H. jaren geleden gekwetst (vertelt hij me) door op te merken toen iemand 'n toeval kreeg, en languit op de grond lag: ‘Waarom zou 'n mens niet 's mogen gaan liggen?’
Ik heb het, ook toen, niet ‘kwaad’ bedoeld; intuïtief weten dat liggen goed is, vanzelfsprekend leefde ik met het slachtoffer in deze benarde situatie mee. Dat doe ik ook als ik hoor hoe met het meisje M., dat ook bij tijd en wijle afwezig is, gesold werd op 'n feestje. Ze hebben haar aan de haren door de kamers gesleept, haar met het hoofd in de bak van de w.c. gehouden, haar in een auto naar huis gebracht, bonk-bonk-bonk trap af, trap op haar met zich mee voerende.

*

Jetty onder invloed van stramonium. Als alle gewrichten, spieren, fysiologische kommunikatieschakels, ganglions, etc. (wetenschappelijke uiteenzetting binnen handbereik, nu 2) dienstweigeren. Slechts Mel hield zich in stand, een wonder.
Zijn geest wist 'n bovenmenselijke beheersing over het lichaam op te brengen, de taksichauffeur was alleen maar bang dat zij zou gaan overgeven op z'n bekleding. Ze mompelden niet-verstaanbare klanken - ik heb er meer in deze toestand gezien.
Ik durf niet eens m'n eigen stramonium-ervaringen op Ibiza, waar we gevieren het bittere, afschuwelijk bittere, plantenthee-drankje slikten, een verschrikkelijke ervaring, in te zien.

[...]

donderdag 26 maart 2026

Frederik van Eeden • 27 maart 1917

Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.

dinsdag 27 maart
N.O. wind - maar wat zon. ▫ Gister het ouderwetsche ganzebord gespeeld met de kinderen.
De papoea's interesseeren mij zeer, zooals ook de menschapen mij interesseeren. Hun leeven dat al eeuwen en eeuwen zoo voortgezet is - hun kinderlijkheid, vroolijkheid en blijmoedigheid, hun kracht en handigheid - en dan hun ongevoeligheid, - wat is dat alles leerrijk en merkwaardig. Het zijn eigenlijk weezens van vóór het paradijs, of liever vóór den zondenval, want ook de schaamte kennen ze niet of nauwelijks. ▫ Daarom is ook de weetenschappelijke belangstelling in hen zoo groot.

vrijdag 30 maart
Buyig en koud. ▫ Het ging mij weer bitter slecht. Ik sprak in Rotterdam voor een groote zaal vol menschen. Maar ik had met van Vrieslant gegeeten in een duur restaurant en onder mijn reede voelde ik mij verlaten en verward. Met moeite kwam ik weer op dreef. Ik was zeer ontevreeden op mezelf. En gisteren kwam bericht dat Bertha zich niet meer beschikbaar stelt. Dus zijn we van onze vrienden afgesneeden, nog eer de twijfel geheel is vernietigd. Het is een droeve tijd. Mijn arme lieve vrouw is er zoo bedroefd onder. Ze schreide in den nacht. Het was voor haar zulk een steun. En wij weeten niet hoe we op nieuw contact zullen krijgen. ▫ Van de ‘helpers’ bemerken wij nog niets. Wat is het alles vreemd en raadselig.

woensdag 25 maart 2026

Sir Walter Scott • 26 maart 1826

• Sir Walter Scott (1771-1832) was een Schots dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans, zoals Ivanhoe. Van 1825 tot 1832 hield hij een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

March 26.— Here is a disagreeable morning, snowing and hailing, with gleams of bright sunshine between, and all the ground white, and all the air frozen. I don't like this jumbling of weather. It is ungenial, and gives chilblains. Besides, with its whiteness, and its coldness, and its glister, and its discomfort, it resembles that most disagreeable of all things, a vain, cold, empty, beautiful woman, who has neither mind nor heart, but only features like a doll. I do not know what is so like this disagreeable day, when the sun is so bright, and yet so uninfluential, that

"One may gaze upon its beams
Till he is starved with cold."

No matter, it will serve as well as another day to finish Woodstock. Walked out to the lake, and coquetted with this disagreeable weather, whereby I catch chilblains in my fingers and cold in my head. Fed the swans.

Finished Woodstock, however, cum tota sequela of title-page, introduction, etc., and so, as Dame Fortune says in Quevedo,

"Go wheel, and may the devil drive thee."




Ongecorrigeerde vertaling doorChatGPT:
26 maart.— Hier is een onaangename ochtend, met sneeuw en hagel, afgewisseld door flitsen van felle zonneschijn, terwijl de hele grond wit is en de lucht ijzig koud. Ik houd niet van deze warboel van weer. Het is onvriendelijk en bezorgt je wintertenen. Bovendien lijkt het, met zijn witheid, zijn kilte, zijn glinstering en zijn ongemak, op het meest onaangename van alles: een ijdele, kille, lege, mooie vrouw, die noch verstand noch hart heeft, maar alleen gelaatstrekken als een pop. Ik weet niet wat zo lijkt op deze onaangename dag, waarop de zon zo fel schijnt en toch zo weinig invloed heeft, dat

"Men kan naar haar stralen staren
Tot men van de kou verhongert."

Maar goed, deze dag zal net zo geschikt zijn als elke andere om Woodstock af te maken. Ik heb een wandeling naar het meer gemaakt en geflirt met dit onaangename weer, waardoor ik wintertenen aan mijn vingers en verkoudheid in mijn hoofd heb opgelopen. De zwanen gevoerd.
Toch Woodstock voltooid, inclusief alles wat erbij hoort — titelpagina, inleiding, enzovoort — en dus, zoals Vrouwe Fortuna zegt bij Quevedo:

"Draai maar rond, en moge de duivel je voortdrijven."

dinsdag 24 maart 2026

Stijn Streuvels • 25 maart 1917

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

25 maart 1917
Nu is 't de prikdraad die aangeslegen wordt - met 't gebod erbij dat al wie er in eigendom heeft, moet inleveren - d.w.z. dat de boeren hun werk mogen laten staan - de draad waarmede hun weiden afgesloten zijn - losmaken, in rollen van 25 kilo opwinden en op gestelde datum naar 't gemeentehuis brengen. Ik ben nieuwsgierig of ze 't doen zullen.
De kolennood stijgt en het vriest altijd maar voort al is het al lente op de almanak. En nu worden al de bomen ook al aangeslagen door 't Duits bestuur. Geen kolen dus en geen hout.

30 maart 1917
In de uchtend komen een bende soldaten op de gemeente - verdelen zich in groepjes en beginnen een stelselmatige huiszoeking in al de boerenhoven. Ik krijg er hier twee die de zolders doorsnuffelen zonder iets te vinden en in de kelder de wijn in beslag nemen. Tegen de avond is 't dorp vol van de gevaarten [gebeurtenissen] en elk is aan 't vertellen hoe 't bij hen of bij de gebuurs afgelopen is. Er zijn jammerlijke gebeurtenissen - o.a. bij geringe lieden waar men 't laatste stukje vlees en de enige voorraad tarwe gevonden heeft - en die arme lieden zijn verplicht het aangeslagen goed zelf naar 't gemeentehuis te brengen. Tegen de avond is de plaats [dorpsplein] vol - boeren en kortwoners [kleine pachters] die met hun gespan of handwagens hun vrachtje brengen en de koer van 't gemeentehuis is opgestapeld [vol gestapeld}.

maandag 23 maart 2026

C. Buddingh' • 24 maart 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

24-3
De eerste lentedag van het jaar. Eindelijk eens zon en een blauwe hemel. En een acceptabele temperatuur. De bomen zijn nog wel bijna volkomen grauw, op een enkele treurwilg na waar een groen waas over ligt, maar de struiken staan volop in knop en overal in de tuinen zie je bossen crocussen en sneeuwklokjes (die overigens al weer op hun eind lopen). Plus het eerste geel van de forsythia's. Mijn winterjas zelfs voor m'n regenjas verwisseld; hoed en wollen sjaal nog wel op en om gehouden: men moet ook weer niet gaan overdrijven! Stientje en de jongens zijn in de eend (waar we allemaal nog zeer trots op zijn) naar de midget-golfbaan in Heerjansdam; ik was graag meegegaan maar ik heb het zo waanzinnig druk deze weken dat ik ook deze zondagmiddag naar Pictura ben gefietst. Het is er nog rustiger dan door de week: de enige geluiden die ik hoor zijn het pruttelen van de kachelvlam en af en toe het geronk van een brommer op de Voorstraat. En het kraken van mijn stoel (eigenlijk: een stoel van Otto), die ik nodig moet laten repareren of door een andere vervangen, wil ik er vandaag of morgen niet plotseling doorzakken. Aan één kant zijn beide dwarslatjes tussen de poten eruit en de rieten zitting is zó ingezakt, dat ik de ontstane kuil met een stapel kranten heb moeten opvullen. Ik zit nu op: ‘Nederlands gunstige schaatspositie. Sterke top boven een brede basis van jong talent.’ Dat moet een krant van vorig jaar zijn. Inderdaad: de Sport en Sportwereld van 22 februari 1966.

Nadat ik er, eergisteren, het ‘onbewoonde eiland’ bijgehaald had, lopen nadenken over de negen andere boeken die ik meenemen zou. Na veel gepeins en gewik en geweeg tot de volgende gekomen (waarbij ik me de vrijheid heb gegund bij elkaar horende delen voor één boek te rekenen): Shakespeare (natuurlijk), Auden en Norman Holmes Pearson: Poets of the English Language (5 dln; dit is geloof ik het boek dat ik meenemen zou als ik mijn keuze tot één enkel boek moest beperken), Hazlitt: Selected Essays (The Nonesuch Hazlitt), Tsjechow: Verhalen (dat houdt dus in de eerste vijf delen van de Van Oorschoteditie), Apollinaire: Oeuvres Complètes (de Pléiade-uitgave, ook al vind ik de posthuum gepubliceerde verzen bepaald minder dan Alcools en Calligrammes), Lucebert: Gedichten 1948-1963, Tartakower en Du Mont: 500 Master Games of Chess (+ een schaakbord en stukken), Boswell's Life of Samuel Johnson en tenslotte Kafka's Tagebücher. Het zal aardig zijn om over een jaar, of twee jaar, nog eens zo'n keuze te maken en te kijken of die dan verschilt van deze en waar.

Vorige week hoorde ik van Fluks (van Nilsson en Lamm), dat ze, sinds ze in Engeland met een computer werken voor de facturering, alle Penguins zes weken later in huis krijgen dan voor die tijd. Ach ja: de techniek is ongetwijfeld iets moois. Maar men moet er zich ook weer niet op verkijken.

Even een glas sinaasappelsap ingeschonken, wat ik overdag graag drink, maar 's avonds niet of nauwelijks door mijn keel kan krijgen. Ik vraag me af welke processen in ons lichaam voor dergelijke sterke schommelingen in onze smaak verantwoordelijk zijn. En of er wel eens een onderzoek naar is ingesteld.

Gisterochtend lag er in mijn bus een catalogus van een Amsterdams antiquariaat, over ‘Nederlandse Letteren, Erotica en Nederlandse Schilderkunst.’ Moet me ongetwijfeld zijn toegestuurd omdat ik in de al in Tirade gepubliceerde dagbladnotities het tweede van de drie onderwerpen af en toe ter sprake heb gebracht, in de veronderstelling, althans de hoop, dat daar in Dordt een potentiële koper van erotica zat. Helaas voor hen: ze vergissen zich. D.w.z. natuurlijk ben ik wel in pornografie geïnteresseerd, maar niet meer (eerder minder zelfs) dan in boeken over cricket of schaken. En dan toch wel in de eerste plaats als literair genre. De vele boeken over zedengeschiedenis bijv. die in de catalogus prijken: Sittengeschichte des Orients, Darstellungen aus der Sittengeschichte Roms in der Zeit von August bis zur Ausgang der Antonine, Liebe und Ehe in Griechenland II en Sittengeschichte des Proletariats, boezemen mij maar heel weinig belang in: dat geloof ik bij voorbaat wel. Ook erotische prentkunst kan me niet erg veel schelen: ik zou het best aardig vinden om een goede collectie eens een keer door te kijken (zou misschien nog informatief zijn), maar om er vele honderden of zelfs duizenden guldens voor neer te tellen, in evenzovele honderden en duizenden jaren nog niet. Wat ik wel zou kopen, als ik geld in overvloed had, is een eerste druk van Multatuli's Max Havelaar. Of (nog liever) een eerste druk van Piet Paaltjens' Snikken en Grimlachjes (beide in de catalogus vermeld, en niet eens zo erg duur, resp. f 100 en f 85, valt mij erg mee). Dat lijkt me nu leuk, om die te bezitten in de vorm waarin de toen nog niets vermoedende wereld er voor de eerste maal mee kennis gemaakt heeft. Maar eigenlijk staat er maar één item in deze hele catalogus, dat mij echt de keel afbijt: Du Perrons Boozige Boekje. Maar daar vragen ze maar eventjes 200 gulden voor. Overigens blijkt ook uit deze lijsten weer, dat je je geld slechter beleggen kunt dan in Nederlandse letteren. Zo vragen ze voor een le druk van Hoorniks Geboorte f 30. (Tenzij ik me heel erg vergis, moet ik het ergens hebben staan). En voor Du Perrons Blocnote klein formaat maar twee kwartjes minder. (Deed ik nog niet voor het zesvoudige weg). Maar het aardigste vind ik nog, dat Van Ostayens De Bende van de Stronk f 22.50 moet opbrengen. Ik heb er, kort voor de oorlog, op de markt in Dordt precies één kwartje voor betaald.

Ik ben een typische sherry-drinker, maar alleen omdat ik geen geld heb om een whisky-drinker te zijn. Zoals ook Mac Baren's Mixture alleen mijn lijftabak is, omdat ik Balkan Sobranie niet kan bekostigen.

Bij de nieuwe bundel van Judith Herzberg: Beemdgras (overigens een zeer ongelukkig gekozen titel): haar beste verzen zijn zo goed, omdat ze volmaakt doorzichtig zijn en toch een heleboel verbergen. Als een mens eenmaal een lijstje maakt, wil hij ook lijstjes blijven maken, het schijnt een soort kriebel in zijn bloed te zijn. Ik heb getracht er weerstand aan te bieden, maar desondanks toch gisteren een groot deel van de avond bezig geweest met piekeren over de tien boeken die ik het liefst zou willen lezen van alle boeken die ik nog niet ken. Tot het volgende resultaat gekomen: Charles [lees verder op 25 maart]

zondag 22 maart 2026

Wim Kan • 23 maart 1981

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de DBNL.

Maandag 23 maart 21.00 uur. Wildwal
Telefoon: Ru! Ziek! Heeft voor de derde maal geen stem en moeilijkheden met slikken. Bang voor longontsteking. Ik verbood hem naar Apeldoorn te komen, waar om half twee vanmiddag de generale repetitie zou plaatsvinden. Paniek bij meneer Van Liempt. Wij stonden zelf om 14.15 uur voor Orpheus: Harry Wich, Frans, Johan. Meneer Van Liempt: allemaal nog druk bezig. Niemand had Ru of ons nog gemist. Welkomstbloemen van Orpheus in de kleedkamer. Prima werksfeer. Prima directeur Stans van wie alles kon en alles mocht. Om ongeveer half vier stonden Ol en ik op de anderhalve meter hoge praktikabel te zingen: ‘Want samen zijn wij 150 lentes oud’. Klaar voor het changement van ‘Silhouetten’ naar zichtbare figuren. Op tijd trokken ze het witte silhouettendoek omhoog. Dat bleef haken aan de onderkant van de praktikabel en voor iemand begreep wat er precies gebeurde, viel Ol achterover van het podium, op haar rug!!! Ik probeerde haar nog te grijpen, maar doordat de hele praktikabel achterover kiepte, vielen wij allebei en had ik geen schijn van kans. Einde van de voorstelling flitste het door mij heen, einde van onze carrière. In zestig seconden ongeveer stond al wat in de schouwburg werkte om ons heen. Ik denk niet dat ik dit beeld van Ol in feestjurk met feesthoed op haar rug op de grond liggend ooit zal vergeten. Binnen vijf minuten begreep ik wel dat ze niets gebroken had in elk geval. Ol weer als een rubberpoppetje en niet de bijna tachtigjarige vrouw met een gebroken heup. Stuitje bezeerd, spierpijn. Een kwartier later stonden wij weer samen op diezelfde praktikabel... ‘want samen zijn wij 150 lentes oud’... te zingen en de generale repetitie zonder Ru ging ‘rustig’ verder.

J.H. Leopold • 22 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

22 Maart.
Vandaag hebben we 's morgens het Palazzo Vecchio bezocht. Hier vonden we weer de oude pracht, ruime zalen, fresco's, gobelins, schilderijen en dezelfde groote afmetingen, eentonig om er weer over uit te weiden, en voorts historische merkwaardigheden, uitvoeriger in Baedeker geboekt. Maar van het bezoeken van al deze gebouwen blijft ten eenent een indruk van groothartige, milde pracht, ten anderen het bewustzijn van de grootheid van het geslacht der Medici, en een eerbied voor dit huis.
Wat trof met nieuwen indruk was de zaal der Lelies. Hier was de zoldering met ongeziene pracht getooid, zwaar vergulde en gesneden caissons getooid met de lelie, het wapen van Florence. En ook van de muren hingen behangen met lelies bedekt. En in deze oude zaal stond een nieuwe versiering; honderden bontkleurige bandelieren en standaarden hingen aan den wand, of stonden in rekken in het ronde. En in het midden stond de blinkend witte, marmeren buste van ‘il divino poeta’. Een treffend gezicht; want daar stond de dichter, een mager fijn gezicht en om den mond waren de wangen ingevallen, als door verdriet of diep nadenken, en om hem heen, om den reinen, strengen, man als neigend voor het goddelijk vernuft, de bonte schaar, die de oogen streelde, goud, purper, de eerbewijzen van alle steden, alle vereenigingen van geheel Italië. Werd ooit een koning omwuifd door meer zege-trofeeën als de dichter, ingesloten door de zegeteekenen van al de verten die zijn geest bedwong?
Dan zagen wij nog vele dingen, een kerk, Santa Maria Novella, met fresco's, en 's middags het Karthuizerklooster, gelegen op een der vruchtbare, wel beplante heuvels ten zuiden van Florence, waar ons een broeder der orde, een dik welvarend heerschap met een stomp, vadzig uiterlijk rondleidde. Hier en daar een wijd uitzicht over de gezegende, rijk begroeide heuvelen en de dalen en wegen, waarlangs voetgangers gingen en karren en rijtuigen voorbij hotsten naar de groote stad achter gindsche heuvelen.
's Middags kreeg ik nog een brief van huis en terwijl ik die dadelijk open brak, en op straat voortgaande, gretig doorlas, moest ik lachen, hoe ik, in deze stad, te midden van de paleizen, de gezichten, die men mij zeker zoo benijdde, geheel weer was in 't oude binnenhuis, bij de oude bekende gezichten en menschen.

Ronald Westerbeek • 21 maart 1998

Ronald Westerbeek (1970) is schrijver, voorganger en theoloog. Rond het verschijnen van zijn boek Kaj en de kunst van het Eendenonderhoud hield hij een dagboek bij. 

Zaterdag 21 maart
De laatste signeersessie en ik heb er geen zin meer in. Wéér een boekhandelaar die er zijn verbazing over zal uitspreken dat het vandaag zo rustig is en dat er anders op deze dag van de week veel meer mensen in de stad zijn. Boekhandel De Bron in Ede, ditmaal. Het wordt toch nog leuk, want in de regio zitten behoorlijk wat Icarus-abonnees (Wageningse studenten, vooral), onder wie enkele bekende.
Een jongen vraagt of ik het leuk vind om te signeren. Ik zeg: hoe zou jij het vinden om in een boekhandel achter een tafeltje te zitten? Als er een rijtje mensen voor je staat, is het wel leuk. De rest van de tijd doe je vooral je best niet voor paal te zitten. Je kan moeilijk HP/De Tijd gaan zitten lezen.
Voor sommige mensen schrijf ik ook een zinnetje uit het boek voorin. Om over na te denken. Zo'n zinnetje waar je makkelijk overheen leest, maar dat wel ergens naar verwijst - aan het slot bijvoorbeeld, dat Kaj zijn hoofd op een steen legt en dat er olie geplengd wordt op een steen. Dat verwijst naar Jakob te Bethel: ‘God, als u me hieruit redt, zal U mij tot een God zijn.’

woensdag 18 maart 2026

Jac van Looy • 20 maart 1886

• Uit de volledige briefwisseling van kunstenaar Willem Witsen (1860-1923). Jac van Looy (1855-1930) was een dubbeltalent: hij schreef en hij schilderde.

Beste Wim,
Gisteren ontving ik je hartelijke en prettige brief. Jongen wat ben je een Robinson Crusoë en wat ruikt je brief lekker naar bosch en heilucht. Ik zal me dat genot nog één jaar lang moeten ontzeggen, en in een vreemde atmosfeer weêr veel moeite en zorgen hebben, luchtjes te zoeken, die wat in mijn smaak vallen. O, maar reizen is heerlijk, gezond, en geeft veerkracht dat verzeker ik je. Ik ben nu 't hospitaal uit, en logeer bij de Consul, blijf hier nog een week of wat langer, om weêr geheel op verhaal te komen. Ik word langzamerhand weêr de oude onvermoeibare Koo. Ik schrijf je dit s'morgens om 8 uur, in een Café. Ik vlieg zoo vroeg uit, omdat ik gisteren avond een briefje kreeg van de Direktrice die me verzocht, mit meiner geschichtliche Stifte, een afbeelding voor haar te komen maken van een doode vrouw, die lang aan een borst ziekte heeft geleden, en aan wie zij zich gehecht heeft. Zoo heb ik dan de tasch weêr omgehangen en ga de hoogte waar het hospitaal ligt weêr beklimmen. Uit Madrid schrijf ik je een brief. Wat kunt jij anders werken dan ik, die alles zoo te hooi en te gras doen moet, maar daarom niet getreurd ... dat ook is goed. Van Cobi kreeg ik een alleraardigste brief met verhalen van kinderen, die in stoelen wagons, op reis waren naar Ewijkshoeve. Ik wou daarop niet antwoorden per briefkaart — zeg haar dat met m'n beste groeten, ook aan Coba.

Verder een hand van
je oude
vLooy.

Genua. 20 Maart 1886

Nico Keuning • 19 maart 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl. Fragmenten daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Vrijdag 19 maart
Van Wim Sanders kopieën ontvangen van zijn interview met Bob den Uyl dat ik met rode oortjes las. Goed dat de jonge Sanders in zijn enthousiasme alles van dat interview heeft opgeschreven. Geweldig dat Den Uyl zich in dit niet-officiële interview zo onbevangen uitspreekt over zijn angsten. Verbazingwekkend hoezeer sommige absurdistische en surrealistische verhalen van Den Uyl leunen op de werkelijkheid. Uit bovengenoemd interview blijkt dat hij tijdens een psychotherapie om van zijn stotteren af te komen (‘Nou, ik stotterde niet, maar ik bleef wel eens haken op een woord, of nee, hoe heet dat, hangen op een woord.’) een angstaanval kreeg. Hij is er zes weken ziek van geweest. Er kwam nog een hartkloppingaanval bij: ‘Het was geen hartkwaal, maar het was... ja, dat kun je niet beschrijven eigenlijk, een enorme angst voor niks. Nou goed, dat heeft zich nog jarenlang voortgesleept. Ik heb allerlei angsttoestanden gehad en dat waren jaren van ellende enzo, dat ik zo'n beetje met iedereen het contact verloor.’
Den Uyl heeft er ook in zijn dagboekaantekeningen 1963/64 over geschreven, waarvan het typoscript zich in de nalatenschap bevindt. Gefundenes Fressen voor een biograaf.
Een verhaal als ‘Het jongetje met het waterhoofd’ uit Vogels kijken, en ‘Brekend glas’ uit Een zachte fluittoon waarin de hoofdpersoon straatvrees heeft, krijgen tegen deze achtergrond een veel diepere, indringender betekenis.
Angst, drank en vrouwen. Zijn belangrijke thema's. In die volgorde.

dinsdag 17 maart 2026

Willem Frederik Hermans • 18 maart 1993

• Het Boekenweekgeschenk 1993 was van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hij schreef over e.e.a. in de WFH-Verzamelkrant.

WFH's Boekenweek van dag tot dag. Deel 1 hier.

donderdag 11 maart
Diverse boekhandels hebben etalages gewijd aan WFH. Lankamp & Brinkman in Amsterdam stelt de kop van WFH tentoon die is gemaakt door Sylvia Willink-Quiël.
Tonnie Luiken van de WFH-verzamelkrant richt een etalage in bij de Athenaeum Boekwinkel. Daar ligt ook een potloodje van WFH tentoongesteld dat door Avenue wordt geveild ten bate van het Letterkundig Museum.
In talrijke boekwinkels in het land staat de speciale door WFH's uitgevers De Bezige Bij, G.A. van Oorschot en De Harmonie geleverde display met zijn boeken opgesteld. Deze bevat onder andere een kleine brochure geschreven door Frans A. Janssen. De CPNB heeft daarnaast twee speciale affiches laten verspreiden.
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in Trouw. Tom van Deel: ‘Een echte Hermans.’

vrijdag 12 maart
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in de Volkskrant en NRC Handelsblad. Arnold Heumakers: ‘Ik ben de CPNB dankbaar.’ Reinjan Mulder: ‘Klein meesterwerkje.’

zaterdag 13 maart
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in Het Parool. Theodor Holman: ‘Meesterwerk.’

zondag 14 maart
De helft van Nederland leest het Boekenweekgeschenk.

maandag 15 maart
De andere helft van Nederland leest het Boekenweekgeschenk.

dinsdag 16 maart
Overal in het land zijn er literaire manifestaties en signeersessies. WFH neemt aan geen enkele activiteit deel.

woensdag 17 maart
Naar aanleiding van het boekje Slechte kritieken gaan nooit verloren, goede ook niet, sinds kort gaat Peter Nijssen in Vrij Nederland in op het vertrek van WFH bij NRC Handelsblad. Kunstchef Lien Heyting in VN: ‘Er waren drie redenen om Hermans' stuk tegen Kets-Vree te weigeren. Die heb ik Hermans allerminst mompelend, maar heel duidelijk en erg uitvoerig uit de doeken gedaan. [...] Feit is dat Hermans dat stuk ongevraagd heeft toegestuurd, terwijl normaal gesproken alle plannen voor bijdragen in overleg worden geschreven. Maar dat was niet de reden om het te weigeren.’ Meer wil Heyting niet zeggen.

donderdag 18 maart
Geen nieuws.

vrijdag 19 maart
In de Volkskrant kraakt Battus (Hugo Brandt Corstius) de kromme zinnen in WFH's Boekenweekgeschenk. ‘Hoe moeten die twee goede zinnen in elkaar geschoven worden? Daar is een aantal manieren voor en taalgrootmeester Hermans heeft nu juist de combinatie gekozen die niet kan. Knap!’
Avenue veilt ten bate van het Letterkundig Museum het schrijfgerei van enkele schrijvers, waaronder eerdergenoemd potloodje van WFH.

zaterdag 20 maart • Einde van de Boekenweek
In het Avro tv-programma ‘Glamourland’ toont Gert-Jan Dröge beelden van het Boekenbal op 9 maart. Martin Ros (De Arbeiderspers): ‘Hermans heeft de CPNB gewoon verneukt! Hij had het manuscript van het Boekenweekgeschenk in een la liggen!’

maandag 22 maart
NRC Handelsblad meldt dat de belangstelling voor de Boekenweek minder was dan in 1992. Het thema van dit jaar ‘Egodocumenten’ zou een van de oorzaken zijn. Ook het Boekenweekgeschenk was minder in trek dan dat van 1992, geschreven door A.F. Th. van der Heijden.

maandag 16 maart 2026

Luuk Gruwez • 17 maart 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 17 maart 1996
Ieper, omstreeks 1915. Hier heeft Knor de eerste stille film gezien, in de openlucht. Hier heeft hij de eerste auto gezien en daarvoor zelfs de eerste fiets: ‘een tuig des duivels’, volgens de pastoor. Als knaapje had Knor glazen benen voor politieagenten. Hun kantoor was in de Lakenhallen gevestigd. Als daar een agent buiten stond, liep hij er in een wijde boog omheen en hij zocht bescherming in de rokken van zijn moeder, die hij aanbad. Ik begrijp dat ontzag en die angst voor uniformdragers. In elke man herken ik de beul. En ook ik dicht de redding aan vrouwen toe. Zelfs onder dit dak heb ik dat altijd gedaan: bij Liesje. Ik moet tot mijn zeer grote spijt vaststellen dat mannen, vooral mannen in mijn leven mijn idolen zijn geweest. Een enkele keer waren zij ook onderwerp van mijn haat. Er is nauwelijks één vrouw die mijn idool is geweest, maar van vrouwen heb ik altijd gehouden. Ik verwelkom in hen de betere helft van de mensheid. Zoals mijn grootvader hier elke dag zit te sidderen voor zijn nakende einde, kan het niet anders of hij stelt zich ook de dood in uniform voor. Knor en ik: allebei zijn wij bange jongetjes gebleven.

zondag 15 maart 2026

Lizzy van Dorp • 16 maart 1900

Lizzy van Dorp (1872-1945) was de eerste vrouwelijke rechtenstudent van Nederland, later econome en politica. Haar studentendagboek staat hier online.

Eerste reis naar Parijs. Veel genoten, maar ik houd niet van Parijs. 't Is vies, een rommel, onecht. De Franse geest is mij vreemd. Er is niets [?] in, alles nageaapt. Wel mooi soms, maar 't mooiste eigenlijk, de schilderijen, die ze van ons en de Italianen gestolen hebben. [Dan volgt een opsomming van de toeristische hoogtepunten, zoals een bezoek aan het Paleis van Versailles; Van Dorp vindt het paleis vervelend, net als de tuinen.]

Winter. Verging onder gestadig werken . Een nieuwe professor, Visser, heel knap , en heel laag bij de grond en heel vervelend! Prof. Drucker afgetreden als prof. omdat hij lid van de [Tweede] Kamer is en - wel eens minister worden zal. - gaf als privaatdocent heel prettige colleges. Verder Oppenheim, als altijd genoeglijk, en Van der Hoeven - veel diners - meest vervelend. Eind januari van 17-22 was ik pleegmoeder van de kinderen Veit, We hadden 'r erg genoeglijk, sedert is het dikke vriendschap. De ouders brachten me uit Parijs mijn Gioconda [Mona Lisa] mee in kooldruk - heerlijk!
De onzalige oorlog van Engeland tegen Transvaal begon 10 okt. In het begin hoopten we allen het beste, nu (1900) begint ieder te wanhopen - ik nog niet. Als ze de guerrilla maar volhouden, kan Engeland 't niet uithouden. Hoe schandelijk Engelands hele houding is, alle bladen staan er vol van. Heel Europa staat aan de zijde van de Boeren. Maar de regeringen houden alles tegen . Wat hebben we aan 't nieuwe regiem, de zogenaamde democratie?
Wanhopige wereld. Alle recht met voeten getreden. God, God, is dat vooruitgang? Veel kunst genoten van 't winter. O.a. een Bosboomtentoonstelling en een Hoytema dito . Ik heb zo graag 't werk van één. Men heeft dan een geheel iets levends voor zich.
Goddelijk schaatsen gereden op de Kaag. 't Prachtigste ijs. Echt Hollands; hele dorpen op 't ijs en overal kraampjes. Nu eerst begrijp ik die oud Hollandse ijsgezichtjes, Schelfthout en anderen.
Op prof. Tieles verjaardag werd ik op een intiem dineetje gevraagd, grote eer. Marie Krantz kwam met Kerstmis Hoyer presenteren . Hij viel erg in de smaak. Er kwam een meisjesstudentenclub tot stand, waar ik per se praeses van moest worden, evenals van de afdeling Leiden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.

17 maart. Zaterdag. Een interessante tentoonstelling van Van Gogh. Jammer, jammer, dat die man zo jong gestorven is, en niet de tijd heeft gehad, op een andere manier uit te drukken wat er in hem leefde. Want dat was groot. Die goddelijke liefde voor licht en zon en bloei!

21 maart. Met de Vreedes naar een mooi Diligentia concert. De koningin was er, maar ze zag er lelijk uit en verveelde zich. Ze houdt niet van muziek, de arme, en moet er toch heen.

26 maart. Debating. Heel aardig. Wij meisjes zijn daar van 't winter voor 't eerst lid van.

27 maart. Een prachtlezing van Treub over socialisme. Een harde eerzuchtige man, maar een redenaar van Gods genade en klaar en helder als een Zwitserse bergbeek. Er zit Zwitsers bloed in hem.

Jan van Riebeeck • 15 maart 1654

Jan van Riebeeck (1619–1677) was een Nederlands chirurgijn en koopman in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1652 stichtte hij de eerste Europese handelspost in Zuid-Afrika. De nederzetting met Fort de Goede Hoop bij Kaap de Goede Hoop zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika. Dagboek 1652.

Omzetting in modern Nederlands onderaan.

15en do.
Noch al ongestuyme harde Z.Z. Ooste winden, met stijve valbuyen over den Taeffelbergh, ende extreme droochte.

16en, 17en ende 18en do
stille heete sonneschijn. Heden is bij resolutie goet gevonden, alle de oyen van onse schapen op 't Robben-eylandt te setten ende de rammen hier te houden, om voor de aencomende schepen te slachten, behalven 3 à 4, dieder altijt van de beste tot de voorteelinge gelaeten sullen worden, vermits doch bemercken, dat se daer seer treffelijck aerden ende beter voort setten als hier in de Taeffelvaley, daer se door 't overvloedige water veel tijts gellich ofte ongans worden, ende vrij meer versterven alsse aenteelen cunnen, behalven die ons oock dagelicx veel van 't wilt gediert, hoe nau daerop laten passen, verscheurt worden. Ende opdat sich niemant ende verstoute (gelijck sommige van de aencomende Comps schepen wel hebben derven dreygen) daer bij nacht off ontijden eenich aff te haelen, is oock verstaen 4 à 5 man aldaer te laten om wacht te houden, ende met eenen van de weynige robben aldaer vallende, oock de vellen ende traen op te gaderen. Om alle 't welcke in treyn te brengen, den bouchouder Fredrick Verburgh is gelast mede te gaen, om oock te speculeren, offer geen bequame gront is te besayen, ende een waterputh als op 't Dassen-eylant te maecken, mitsgaders een bequame loots voor 't volcq ende schaepen om 's nachts in te verschuylen, waertoe riedt ende houdt uyt bos wert bij der handt gehaelt, om ten dien eynde mede te geven.

Vertaling door ChatGPT

Heldere, warme zonneschijn.
Vandaag is bij besluit goedgevonden alle ooien van onze schapen naar Robbeneiland te brengen en de rammen hier te houden om voor de aankomende schepen te slachten, behalve drie of vier, die altijd van de beste voor de voortplanting zullen worden gehouden. Want we merken dat de schapen daar zeer goed gedijen en zich beter voortplanten dan hier in de Tafelvallei, waar zij door het overvloedige water vaak ziek of ongezond worden en er duidelijk meer sterven dan er worden geboren. Bovendien worden er hier, hoe goed we ook opletten, dagelijks veel door het wilde gedierte verscheurd.

En om te voorkomen dat iemand zich zou verstouten — zoals sommigen van de aankomende Compagniesschepen wel hebben durven dreigen — om daar ’s nachts of op ongelegen tijden schapen weg te halen, is ook besloten daar vier of vijf mannen te laten om de wacht te houden en tegelijk, van de weinige robben die daar worden gevangen, ook de huiden en de traan (robbenolie) te verzamelen.
Om dit alles in orde te brengen, is de boekhouder Fredrick Verburgh opgedragen mee te gaan, en tevens te onderzoeken of er geschikte grond is om te bezaaien en om een waterput te maken zoals op Dasseneiland, alsmede een geschikte loods voor het volk en de schapen om zich ’s nachts in te verschuilen. Daarvoor wordt alvast hout uit het bos gehaald om mee te geven voor dat doel.

Marcel Jouhandeau • 14 maart 1964

Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek

14 maart 1964
Ik denk af en toe aan onze vrienden, zij die twaalf jaar lang Céline bij ons hebben gekend, en haar behandelden als onze dochter. Van de ene dag op de andere, omdat ze bij Elise uit de gratie is, of misschien omdat ze een onge­huwde moeder werd, kent men haar niet meer.
Behalve Monsieur Kern en ik, gaat niemand haar ooit opzoeken.
Een van onze intimi, die ik mijn zoon noemde en die Céline aansprak als 'mijn zusje' heeft, ondanks het feit dat we elkaar via haar leerden kennen, het lef gehad mij tot aan de poorten van het ziekenhuis te rijden waar ze net was bevallen, zonder de moeite te nemen om mee naar binnen te komen, onder het voorwendsel van een andere afspraak.
Ik geloof dat wat in eerste instantie meespeelt de angst voor Elise is. Door samen met haar Céline links te laten liggen, vleit men haar.
In dit soort situaties, waarbij mensen in ongenade val­len, zoekt niemand het gelijk. Men is er slechts op uit de sterkste partij te vriend te houden.

* Alleen, voor de spiegel, heb ik mijzelf meer wellust ver­schaft dan met wie ook.

* Doorgaan met leven in een goede verstandhouding met mensen wier onwaardigheid en stupiditeit onomstotelijk vaststaan is niet alleen bijzonder moeilijk maar ook ver­standig. Dat is mijn lot, sinds bijna jaar en dag, iedere dag opnieuw. Als ik afstand had genomen van alle mensen die mij teleurgesteld hebben, of mij niet wisten te behagen, wat zou mijn eenzaamheid dan groot zijn!


donderdag 12 maart 2026

John H. Smith • 13 maart 1875

John Henry Smith (1848-1911) was een Amerikaanse geestelijke en politicus. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

Vertaling onderaan

Saturday, March 13, 1875 - Chasetown and Litchfield
We rested very well and we got up at 7:30 a.m. and went to Bro. J. Ashtons to breakfast. We had some ham and bread and our usual suply of warm water and sugar. At 9 a.m. we started for Litchfield where we arrived at 10 a.m., the distance is five miles. We went to Bro. J. Wright and they received us very kindly. At 11 a.m. we visited the Cathedral and spent an hour in listning to the music which was very good, the praying to us seaming to be a mockery.

Sunday, March 21, 1875 - Wolverhampton
We had a good bed and rested well and we got up at 9:30 a.m. had breakfast and walked to Priestfield and changed our clothes and then walked to Bro. Hands at Coppice. Shortly after our arrival Bro. Morris came in & we had a good shake of the hands and then went to the Temperance Hall. There was about a dozen persons present. Bro. Halliday spoke 15 minutes, I then talked 30 minutes on faith, and Bro. Morris asked the people to come in the evening and bring their friends with them. A man in the audience asked Bro. Morris how many wives he had, and Bro. Morris told him enough to leave his neighbors alone.

At 6:30 p.m. we again met, and Bro. Morris spoke 40 minutes and I 10 minutes. We had a very good attendance. After meeting we walked to Great Bridge & took train and we reached 26 Tenby St. [Birmingham] at 10:30. I received two letters from Father and 1 from sister Sarah telling me of the death of my sister Marys son John Henry Wimmer, and also that my son Don Carlos had been very sick but was a little better.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT

Zaterdag 13 maart 1875 – Chasetown en Litchfield Wij hebben goed gerust en stonden om 7.30 uur op en gingen naar broeder J. Ashton om te ontbijten. We hadden wat ham en brood en onze gebruikelijke hoeveelheid warm water met suiker. Om 9 uur vertrokken we naar Litchfield, waar we om 10 uur aankwamen; de afstand is vijf mijl. We gingen naar broeder J. Wright en zij ontvingen ons zeer vriendelijk. Om 11 uur bezochten we de kathedraal en brachten een uur door met luisteren naar de muziek, die zeer goed was; het bidden leek ons echter een schijnvertoning.

Zondag 21 maart 1875 – Wolverhampton
We hadden een goed bed en hebben goed gerust; we stonden om 9.30 uur op, ontbeten en liepen naar Priestfield om ons om te kleden, en liepen daarna naar broeder Hands in Coppice. Kort na onze aankomst kwam broeder Morris binnen en we gaven elkaar hartelijk de hand, waarna we naar de Temperance Hall gingen. Er waren ongeveer een dozijn mensen aanwezig. Broeder Halliday sprak 15 minuten, daarna sprak ik 30 minuten over geloof, en broeder Morris vroeg de mensen om ’s avonds terug te komen en hun vrienden mee te brengen. Een man in het publiek vroeg broeder Morris hoeveel vrouwen hij had, waarop broeder Morris antwoordde dat hij er genoeg had om zijn buren met rust te laten.
Om 18.30 uur kwamen we opnieuw bijeen, en broeder Morris sprak 40 minuten en ik 10 minuten. We hadden een zeer goede opkomst. Na de bijeenkomst liepen we naar Great Bridge en namen de trein; we bereikten 26 Tenby Street [Birmingham] om 22.30 uur. Ik ontving twee brieven van vader en één van zuster Sarah, waarin zij mij vertelden over het overlijden van mijn zuster Mary’s zoon, John Henry Wimmer, en ook dat mijn zoon Don Carlos erg ziek was geweest maar inmiddels iets beter.

woensdag 11 maart 2026

J.H. Leopold • 12 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

12 Maart.
Dezen dag was ik geheel van streek en in groote verwarring. Want gisteren waren de kennissen uit Nice gekomen; tot mijn zondige blijdschap, want het was beter geweest, dat wij elkaar maar ontloopen waren. Nu was ik den geheelen dag weer aan 't malen en tobben, en wist niet waar ik het vinden zou. Het gevolg was, dat ik natuurlijk weer allerlei gekke dingen deed, onbevredigd 's avonds een paar vreemde versjes half afmaakte en bitter bedroefd naar bed ging. — En 't mooiste is, dat dat alles kwam door een nietigheid, die wellicht alleen in mijn fantasie bestaat en dat ik goed nijdig ben op mijzelf en mijn soezen. —

dinsdag 10 maart 2026

Frits Bolkestein • 11 maart 1998

• Politicus Frits Bolkestein (1933-2025) schreef in 1998 een verslag van de verkiezings- en formatieperiode, samen met journaliste Margriet Brandsma, onder de titel Haags duet.

Woensdag 11 maart
Vandaag rijden wij terug naar Amsterdam. In de auto luisteren wij naar de Zeven Doodzonden van Bertolt Brecht en Kurt Weill, gezongen door Gisela May. Het gaat over twee zusters die allebei Anna heten, Anna und Anna. De ene wordt uitgebuit door de andere. De tekst staat op naam van Brecht. Hij woonde toen (1932) in Parijs - waar ook Kurt Weill verbleef - met Margarethe Steffin, die hij uit een Zwitsers sanatorium had laten overkomen. Dus hoeveel van Brecht is en hoeveel van Steffin, is onduidelijk. Brecht maakte veel gebruik van zijn vrouwen - Elisabeth Hauptmann, Ruth Berlau, zijn echtgenote Hélène Weigel en deze Steffin - zonder dat hij iets voor hen terugdeed. In Het Parool heb ik hem dan ook een literaire pooier genoemd. Zijn honderdste geboortedag is net herdacht. Veel loftuitingen, weinig kritiek op de uitbuiting van zijn vrouwen, noch op het feit dat hij zich liet misbruiken door de propagandamachine van een onmenselijk systeem, of op de vette bankrekeningen in Zwitserland van deze gewiekste en gewetenloze onderhandelaar (lees The Life and Lies of Bertolt Brecht door John Fuegi, een zeer gedetailleerd onderzoek, waar Femke zich doorheen heeft geploegd).

Het nadeel van vakantie is de stapel kranten en post die je moet verorberen voor je weer aan de slag kunt gaan. In de Volkskrant van 28-2-1998 lees ik een portret van Hans Wiegel door Kees Fens. Hij schrijft: ‘Wiegel heeft zijn leven lang nog nooit iets oorspronkelijks gezegd, laat staan oorspronkelijke taal gebruikt. (...) Die onoorspronkelijkheid is de verklaring van zijn grote succes.’ Heel juist opgemerkt. Oorspronkelijke politici graven hun eigen graf. Daarom falen echte intellectuelen in de politiek ook altijd. Herhaling is de moeder van de politiek. Dat is ook een van de redenen waarom Mario Vargas Llosa het heeft afgelegd tegen ‘el Chinito’ Fujimori. Vargas Llosa kon zich er niet toe brengen steeds hetzelfde te zeggen. Margaret Thatcher kon dat wel. Zij had succes. Blair is haar zoon. Kok kan dat ook.

maandag 9 maart 2026

Willem Frederik Hermans • 10 maart 1993

• Het Boekenweekgeschenk 1993 was van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hij schreef over e.e.a. in de WFH-Verzamelkrant.

WFH's Boekenweek van dag tot dag

dinsdag 2 maart 1993
Aan de vooravond van de Boekenweek verschijnt nummer 6 van de WFH-verzamelkrant met onder andere al een eerste overzicht van de autobiografische achtergronden van WFH's Boekenweekgeschenk.

woensdag 3 maart
De Groene Amsterdammer brengt een special over ‘de creatieve woede’ van WFH. Van Rein Bloem verschijnt een interview met WFH (71) dat eerder door de brt Radio is uitgezonden: ‘Niets slijt!’

donderdag 4 maart
Wim Zaal interviewt WFH in Elsevier. ‘Ik bèn vervolgd en ik wòrd vervolgd.’ Elsevier publiceert bovendien een bewerkte versie van wfh's toespraak bij de presentatie van het Boekenweekgeschenk op 1 februari 1993: ‘Mijn herinneringen aan ruim veertig boekenjaren.’
Nieuwe Revu brengt een ‘portret’ van WFH: ‘Wie denkt W.F. Hermans wel dat hij is?’

vrijdag 5 maart
In de Volkskrant heeft Michel Maas een paginagroot gesprek met WFH. Zowel in de interviews in De Groene en in Elsevier als in dat in de Volkskrant gaat WFH in op de autobiografische elementen in zijn Boekenweekgeschenk.
Columnist Battus (Hugo Brandt Corstius) kraakt in de Volkskrant WFH's zojuist verschenen boekje Slechte kritieken gaan nooit verloren, goede ook niet, sinds kort: ‘Moet elke Nederlandse schrijver die de zestig passeert een belachelijke paranoïde figuur worden [...]?’

zaterdag 6 maart
In Het Parool geven Matthijs van Nieuwkerk en Theodor Holman tientallen uitspraken van WFH weer rondom een paginagrote karikatuur van Paul van der Steen. ‘Ik heb altijd ruzie!’
Bob Polak stelt in het avondblad een reeks vragen in quizvorm over het Boekenweekgeschenk. ‘Waarom gaat Madelon niet voor behandeling naar tandarts Van S.?’

zondag 7 maart
In HP/De Tijd op zondag brengen Jan Zandbergen en tekenaar Joep Bertrams een paginagrote strip met WFH als hoofdfiguur. ‘Hermans: “Ik ben de schrijver die u zoekt!”’
In het tv-programma ‘Ziggurat’ van de brt heeft Freddy de Vree een interview met WFH.

maandag 8 maart
Elegance beschrijft ‘alles wat u altijd al wilde weten over Willem Frederik Hermans’. Daartoe hoort onder andere een fotoreportage die WFH in 1986 in Parijs voor Elegance maakte van ‘topmodel’ Linda Spierings in couturekleding.

dinsdag 9 maart • Boekenbal in de Stadsschouwburg in Amsterdam
WFH laat verstek gaan in verband met een gebroken pols. Het NOS tv-programma ‘Nova’ geeft enkele beelden van het Bal.
Voor de NOS Televisie heeft Wim Hazeu een interview met WFH.

woensdag 10 maart • Begin van de Boekenweek
WFH's Boekenweekgeschenk In de mist van het schimmenrijk: Fragmenten uit het oorlogsdagboek van de student Karel R. verschijnt in een oplage van 582.000 exemplaren, een record voor een eerste druk. De oplage is 34.000 exemplaren hoger dan vorig jaar. De lezers ontvangen het boekje gratis bij aankoop van ƒ 19,50 aan boeken.
Ook is vandaag voor het eerst het boekje Willem Frederik Hermans en de cpnb 1950-1993 te koop, samengesteld door de redactie van de WFH-verzamelkrant.
In Vrij Nederland heeft J. van Tijn een interview met wfh: ‘W.F. Hermans' ballingschap.’ VN publiceert daarnaast een licht-positieve recensie van het Boekenweekgeschenk. Carel Peeters: ‘Het is allemaal wat minder en milder.’

zondag 8 maart 2026

John H. Smith • 9 maart 1900

John Henry Smith (1848-1911) was een Amerikaanse politicus. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

[Friday, March 9, 1900 - Salt Lake City]
I was working most of the day on my father’s history.

My sons Winslow, Nicholas, Nathaniel, Joseph and myself plowed up my garden. The horses were quite nervious.

My wife Sarah and I went to the Theatre. The play was The Rivals.


Jules Renard • 8 maart 1891

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.
• De dagboeken van de Franse schrijver Jules Renard (1864-1910) zijn vanwege de hoeveelheid ‘faits divers’ en anekdotes wel eens omschreven als ‘de documentatie’ bij À la recherche du temps perdue van Marcel Proust. De Rodin in het fragment is uiteraard de fameuze beeldhouwer.

8 maart [1891] In Rodins atelier, een openbaring, een verrukking, die Porte de l’Enfer, dat kleine werk, niet groter dan een hand, l’Éternelle idole: een man, met zijn armen op zijn rug, overwonnen, kust een vrouw onder haar borsten, drukt zijn lippen op haar huid, en van de vrouw gaat zo’n droefheid uit. Met moeite maak ik me ervan los. Een oude vrouw in brons, iets gruwelijk moois, met haar platte borsten, haar geteisterde buik en haar gezicht dat nog mooi is. Verder lichamen met elkaar verweven, armen in elkaar verstrengeld, en le Péché originel, de vrouw die zich aan Adam vastklampt, hem met heel haar wezen naar zich toe trekt, en de Sater, die een vrouw in zijn armen klemt en in haar wroet, één hand tussen haar dijen, de tegenstelling tussen mannenkuiten en vrouwendijen. Heer, maak dat ik de kracht heb om dat alles te bewonderen!
Op de binnenplaats wachten blokken marmer om tot leven te worden gewekt, vreemd door hun vorm en, zo lijkt het, door hun verlangen om te leven. Vermakelijk: ik doe alsof ik de man ben die Rodin heeft ontdekt.
Rodin, een soort dominee, de beeldhouwer van de genots-pijn, stelt Daudet naïeve vragen en wil van hem weten welke naam hij aan zijn verbazingwekkende scheppingen moet geven. Zelf vindt hij stereotiepe namen, die hij aan de mythologie bijvoorbeeld ontleent. Een voorstudie van Victor Hugo, naakt... volstrekt grotesk overigens.
[...]

9 maart
Bij Rodin had ik het gevoel dat mijn ogen plotseling openbraken. Tot op dat ogenblik had ik de beeldhouwkunst net zo interessant gevonden als het bewerken van koolraap.

Schrijven zoals Rodin beeldhouwt.

Wanneer iemand me een tekening laat zien, kijk ik net lang genoeg om te bedenken wat ik ervan zal zeggen


Sofia Tolstoj • 7 maart 1898

Sofja Andrejewna Tolstaja (1844-1919) was de echtgenote van de Russische schrijver Leo Tolstoj. Gedeeltes uit haar dagboeken zijn gepubliceerd in Dagboek (vertaling Ton Eekman).

7 maart 1898
Vanochtend had ik een onaangenaam gesprek met Lev Nikolajevitsj [Tolstoj]. Hij wil steeds maar aanvullingen aan zijn artikel toevoegen, maar ik ben bang dat de censuur aanmerkingen op die aanvullingen zal hebben, zodat het de verschijning van het boek weer zal vertragen; ik wil het in dertigduizend exemplaren laten drukken. Van het ene woord kwam het andere, we smeten elkaar verwijten naar het hoofd; ik betichtte hem ervan dat hij mij mijn vrijheid ontneemt, dat hij me niet naar St. Petersburg laat gaan; en hij mij dat ik zijn boeken te gelde maak; waarop ik antwoordde dat ik geen profijt van dat geld heb, maar zijn kinderen in de eerste plaats, die hij aan hun lot heeft overgelaten, die hij niet heeft opgevoed en geen vak heeft laten leren. Daar voegde ik aan toe dat ik hem zijn rijpaard, zijn fruit en asperges, zijn liefdadigheid, zijn fietsen enzovoort enzovoort verschaft had van dat geld, en dat ik er zelf het minst van allen van profiteerde. Dat zou ik hem niet gezegd hebben als hij niet geroepen had dat ik te ver ging en dat hij me kon verbieden die boeken te verkopen. Ik zei: daar zal ik erg blij om zijn, verbied het me maar, dan ga ik voor mezelf werken, als lerares, correctrice of zo. Ik houd van werken en heb een hekel aan mijn huidige leven, dat zo heel anders ingericht is dan mijn smaak zou zijn, door de inertie en door mijn gezin – mijn man en kinderen.

• In haar dagboeken beschrijft Sofia Tolstoj haar 48 jaar durende huwelijk met Lev Tolstoj (1828-1910). Hoewel ze een sterke en artistieke persoonlijkheid was (ze schreef en fotografeerde), stelde ze haar leven volledig in dienst van de grote schrijver met al zijn nukken.

donderdag 5 maart 2026

Søren Kierkegaard • 6 maart 1850

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Uit: Kierkegaard. Een keuze uit zijn dagboeken (vertaald door H.A. van Munster).

Maart 1850
Zoals het een vrouw juist met betrekking tot haar ware geliefde kan overkomen, dat zij — juist omdat zij al te sterk door die ene gedachte vastgehouden wordt — plotseling bijna een afschuw krijgt van de geliefde, die toch werkelijk de geliefde is, zo is er ook een godsdienstige aanvechting, die men ook door oude schrijvers beschreven vindt, waarbij men een hekel krijgt aan het godsdienstige, terwijl dit toch de hoogste werkelijkheid voor de aangevochten mens blijft; maar hij heeft er zich te veel mee bezig gehouden. Hier kan men niets anders doen dan geduld en stilte beoefenen, dan komt de zaligheid weer terug en des te sterker.

woensdag 4 maart 2026

Honoré Blijdenstijn • 5 maart 1941

• Op vrijdag 10 mei 1940 begon de 57-jarige directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, Honoré Blijdenstijn, in een eenvoudig schriftje, dagelijks te noteren wat hem bezighield. Vijf jaar en 23 schriftjes later hield hij daar mee op.

5 maart 1941 (woensdag)
Een brief van Linneweber, een rector, verbonden aan ’t Dept. v. Opv. W. en C. en inspirator voor Duitse ideeën „an höchster Stelle”. Gerard had hem over mij gesproken als man die van de opleiding wat af wist. Ik had G. gezegd, dat ik graag eens met hem zou willen spreken. Nu kondigt hij mij zijn komst aan of, juister gezegd, vraagt mij mij in de Kweekschool te kunnen bezoeken tussen 10 en 15 Maart „Besuch rein privater Art und daher Bedenken politischer Art so gut wie ausgeschlössen”.

Natuurlijk is zo iets nooit mijn bedoeling geweest. Bij de tegenwoordige stemming tegen de Duitsers, die door de gebeurtenissen te Amsterdam tot kookhitte is gestegen, kan men een bezoek van een Duitser niet goed praten; in mijn functie zou ik in ieders ogen een landverrader zijn.

Evenwel er is nog een andere reden, die de kennismaking belet. De Secretaris-generaal V Dam heeft een paar weken geleden zijn reorganisatie - plan der Kweekscholen bekend gemaakt. Ik mag nu alleen nog in ambtelijk verband handelen. Ik heb Linneweber in dien geest geschreven; ik hoop, dat hij het inziet. Wij leven snel; 3 maanden geleden was loyale samenwerking nog iets, waarover gesproken kon worden.

Albert en Greet Polak komen bridgen. Zij vertellen: „De Kattenburgers in Amsterdam voegden de Duitsers toe: Wat jullie met je eigen joden doet, moet je zelf weten, maar van onze smousjes blijf je af.” Dat tekent de gevoelens van ’t ogenblik; als men er maar niet uit concludeert, dat de Amsterdammers thans pro-semiet zijn!

dinsdag 3 maart 2026

Frances D'Arblay • 4 maart 1789

Frances d'Arblay (1752-1840) was een Britse schrijfster. Haar dagboeken zijn gepubliceerd als The Diary and Letters of Madame D'Arblay.

Vertaling onderaan

AN AIRING AND ITS CONSEQUENCES.
Wednesday, March 4.-A message from Mrs. Schwellenberg this morning, to ask me to air with her, received my most reluctant acquiescence; for the frost is so severe that any air, without exercise, is terrible to me; though, were her atmosphere milder, the rigour of the season I might not regard.

When we came to the passage the carriage was not ready. She murmured most vehemently; and so bitterly cold was I, I could heartily have joined, had it answered any purpose. In this cold passage we waited in this miserable manner a full quarter of an hour; Mrs. Schwellenberg all the time scolding the servants, threatening them with exile, sending message after message, repining, thwarting, and contentious.

Now we were to go, and wait in the king's rooms—now in the gentlemen's—now in Dr. Willis's—her own—and this, in the end, took place.

In our way we encountered Mr. Fairly. He asked where we were going. "To my own parlour!" she answered.

He accompanied us in; and, to cheer the gloom, seized some of the stores of Dr. Willis,—sandwiches, wine and water, and other refreshments,—and brought them to us, one after another in a sportive manner, recommending to us to break through common rules, on such an occasion, and eat and drink to warm ourselves. Mrs. Schwellenberg stood in stately silence, and bolt upright, scarce deigning to speak even a refusal; till, upon his saying, while he held a glass of wine in his hand, "Come, ma'am, do something eccentric for once—it will warm you," she angrily answered, "You been reely—what you call—too much hospital!"

Neither of us could help laughing. "Yes," cried he, "with the goods of others;—that makes a wide difference in hospitality!" Then he rattled away upon the honours the room had lately received, of having had Mr. Pitt, the Chancellor, Archbishop of Canterbury, etc., to wait in it. This she resented highly, as seeming to think it more honoured in her absence than presence.

At length we took our miserable airing, in which I was treated with as much fierce harshness as if I was being conveyed to some place of confinement for the punishment of some dreadful offence!

She would have the glass down on my side; the piercing wind cut my face; I put my muff up to it: this incensed her so much, that she vehemently declared "she never, no never would trobble any won to air with her again but go always selfs."—And who will repine at that? thought I.

Yet by night I had caught a violent cold, which flew to my face, and occasioned me dreadful pain.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

EEN LUCHTJE SCHEPPEN EN DE GEVOLGEN ERVAN

Woensdag 4 maart. — Vanmorgen ontving ik een boodschap van mevrouw Schwellenberg met het verzoek met haar een luchtje te gaan scheppen; met de grootste tegenzin stemde ik toe, want de vorst is zo streng dat elke blootstelling aan de buitenlucht, zonder beweging, voor mij verschrikkelijk is; al zou ik de strengheid van het seizoen wellicht minder erg vinden als haar stemming milder was.
Toen wij in de gang kwamen, was de koets nog niet gereed. Zij mopperde uiterst heftig; en zo bitter koud had ik het, dat ik van harte had kunnen meedoen, als het enig nut had gehad. In deze koude gang wachtten wij op deze ellendige wijze een vol kwartier; mevrouw Schwellenberg al die tijd de bedienden berispend, hen met verbanning dreigend, de ene boodschap na de andere zendend, klagend, tegensprekend en twistziek.
Nu zouden wij gaan en wachten in de vertrekken van de koning — dan weer in die van de heren — dan weer in die van dr. Willis — haar eigen vertrek — en uiteindelijk gebeurde dit laatste.
Onderweg kwamen wij meneer Fairly tegen. Hij vroeg waar wij heengingen.
“Naar mijn eigen salon!” antwoordde zij.
Hij vergezelde ons naar binnen en nam, om de somberheid te verdrijven, wat van de voorraden van dr. Willis — sandwiches, wijn met water en andere versnaperingen — en bracht ze ons één voor één op speelse wijze, waarbij hij ons aanraadde om bij zo’n gelegenheid de gewone regels eens te doorbreken en te eten en te drinken om ons te verwarmen. Mevrouw Schwellenberg stond in statige stilte, kaarsrecht, nauwelijks waardig zelfs een weigering uit te spreken; tot hij, terwijl hij een glas wijn in de hand hield, zei: “Kom, mevrouw, doe eens iets excentrieks voor één keer — het zal u verwarmen,” waarop zij boos antwoordde: “U bent werkelijk — wat u noemt — al te gastvrij!”
Wij konden allebei niet nalaten te lachen.
“Ja,” riep hij, “met andermans goederen — dat maakt een groot verschil in gastvrijheid!” Vervolgens ratelde hij door over de eer die de kamer onlangs had genoten doordat meneer Pitt, de kanselier, de aartsbisschop van Canterbury enzovoort er hadden gewacht. Dit nam zij hem zeer kwalijk, alsof hij wilde suggereren dat de kamer in haar afwezigheid meer eer genoot dan in haar aanwezigheid.
Eindelijk maakten wij ons ellendige tochtje, waarbij ik met zo’n felle hardheid werd behandeld alsof ik naar een plaats van opsluiting werd gebracht ter bestraffing van een verschrikkelijk misdrijf!
Zij liet aan mijn kant het raam zakken; de snijdende wind geselde mijn gezicht; ik hield mijn mof ervoor. Dat maakte haar zo kwaad dat zij heftig verklaarde dat zij “nooit, nee nooit meer iemand lastig zou vallen om met haar een luchtje te scheppen, maar voortaan altijd alleen zou gaan.” — En wie zou daarover klagen? dacht ik.
Toch had ik tegen de avond een zware verkoudheid opgelopen, die naar mijn gezicht trok en mij hevige pijn bezorgde.

maandag 2 maart 2026

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski • 3 maart 1886

• De Russische componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) hield onregelmatig een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

Wednesday 19 February/3 March 1886*
Slept very little. Woken by [petekind] Boris. Sent a telegram to S. M. Tretyakov to say that I would not be coming. [Beschermeling] Votya Sangursky's sketches. Departure. Priests in the railway carriage. From Podsolnechnaya to Klin there was a pretty woman from the bourgeoisie. Home. Dinner. Paced about the room. Slept. Tea. Out of sorts. Anguish and vacillation regarding the journey. Almost to the point of despair. Wrote letters. Went into the kitchen. Cards. Supper. Organised supper for the guests. Wrote in my diary after many days.

Thursday 20 February/4 March 1886
The wind is howling through the trees worse than ever; how can one believe that spring is so near. The frost was sharp. After a splendid night's sleep I felt more cheerful today, and decided, come what may, to go as intended. Strolling, composed Mackar's piece [een stuk in opdracht]. [Bediende] Alyosha brought letters from N. D. Kondratyev in Nizy, amongst others. I read the newspaper. Some pancakes instead of dinner. Even these were difficult to obtain. Straight after dinner, despite the cruel wind, I walked to the railway station to telegraph Laroche and tell him not to come. I was exhausted, but then my digestion was eased. I was drowsy all the time before and after tea. However, I still wrote six letters and worked a little. After supper I played Nero [opera van Anton Rubinstein]. The impudence of the author is worthy of astonishment, but not of imitation.

* De Russische kalender liep toen nog dertien dagen achter.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Woensdag 19 februari / 3 maart 1886
Weinig geslapen. Wakker gemaakt door Boris. Een telegram gestuurd aan S. M. Tretyakov om te zeggen dat ik niet zou komen. Schetsen van Votja Sangurski. Vertrek. Priesters in de treinwagon. Van Podsolnetsjnaja tot Klin zat er een knappe vrouw uit de burgerij. Thuis. Diner. Door de kamer heen en weer gelopen. Geslapen. Thee. Niet in mijn doen. Angst en besluiteloosheid over de reis. Bijna tot wanhoop toe. Brieven geschreven. Naar de keuken gegaan. Kaarten. Avondmaal. Het avondmaal voor de gasten georganiseerd. Na vele dagen weer in mijn dagboek geschreven.

Donderdag 20 februari / 4 maart 1886
De wind huilt erger dan ooit door de bomen; hoe kan men geloven dat de lente zo nabij is. Het vroor scherp. Na een heerlijke nachtrust voelde ik mij vandaag opgewekter en besloot, wat er ook zou gebeuren, te gaan zoals gepland. Tijdens een wandeling Mackars stuk gecomponeerd. Aljosja bracht onder andere brieven van N. D. Kondratjev uit Nizy. Ik las de krant. Enkele pannenkoeken in plaats van een diner. Zelfs die waren moeilijk te verkrijgen. Meteen na het diner ben ik, ondanks de wrede wind, naar het station gelopen om Laroche te telegrammeren dat hij niet moest komen. Ik was uitgeput, maar daarna werd mijn spijsvertering beter. Voor en na de thee was ik voortdurend slaperig. Toch heb ik nog zes brieven geschreven en een beetje gewerkt. Na het avondmaal speelde ik Nero. De onbeschaamdheid van de auteur is verbazingwekkend, maar niet navolgenswaardig.