• Rita Rahman (1952) is diplomaat in ruste. Het fragment komt uit Uit het dagboek van een padvindster.
Woensdagavond 30 augustus 1975 •
Ik heb maar een paar dagen overgeslagen. Ik was jou helemaal vergeten want het waren echt gezellige dagen. De ontwikkelingen van vandaag hebben me terug geworpen in je armen of natuurlijk omgekeerd; ze hebben jou teruggeworpen in mijn armen.
Ongelooflijk: Ik ben ontgroend!
Maar... ik voel me niet gelukkig, zelfs diep ontgoocheld. Eerlijk, het is zo moeilijk om het te begrijpen. Ik zal maar bij het begin starten:
Vanmorgen zijn we al om vijf uur van de kampeerplaats vertrokken.
We moesten lopen van Zanderij naar Berlijn. In padvindsterstermen heet dat hiken. Alles verliep vlot, we kwamen om half tien te Berlijn aan, hebben daar gekookt en zijn om twee uur aan de terugweg begonnen.
Neen, dat was het ergste niet. Het was zelfs prettig. Het begon pas toen we om half zes in het kamp terugkeerden. Een van de senioren (een padvindster die al meer kampervaring heeft) deed de mededeling dat alle nieuwelingen zich moesten verzamelen op het open veld rondom de vlaggestokken.
Hier zou ons een verrassing wachten omdat wij vandaag hadden getoond echte padvindsters te zijn die met gemak twintig kilometers heen en terug konden lopen. Een van de nieuwelingen fluisterde enthousiast:
‘We krijgen stokbrood.’ Dit is een kampgerecht bestaande uit geroosterd brooddeeg gevuld met jam. We waren daarom vol verwachting. De terugweg had ons uitgehongerd. Maar.... het was geen stokbrood. Plotseling kwamen ze aangerend. Van alle kanten werden we omsingeld door leidsters en senioren. In hun handen hadden ze emmers die gevuld waren met modder en water, opgelost tot een smerige pap. Dit werd over onze hoofden uitgestort. Ze gilden erbij: ‘Ontgroening!’ Er ontstond paniek.
Alle nieuwelingen probeerden weg te rennen. Maar dat ging niet. De senioren en leidsters waren in de meerderheid. We werden in het zand gesmeten.
Het gebeurde allemaal razend snel. Modder over je hoofd, zand in je kleren, zand in je mond, in je haar, in je ogen. Wie tegenstribbelde kreeg het moeilijker. Je kleren werden van je lijf gerukt en de senioren amuseerden zich kostelijk. Er werd met lege emmers gesmeten en uit angst voor een kapwond hield ik me koest. Het leek alsof een duivel in enkele senioren was gekropen. Ze haalden tandpasta, tomatenketchup, shiling oil, zout en jam. Als ze je eenmaal goed vast hadden, werden al deze spullen nog in je mond gedaan. Ik hoorde gillen, smeken
en lachen en ik dacht maar steeds: ‘Doorbijten, je bent op proef.’
Eindelijk, ik zat met een mond vol zand en tandpasta, mijn bloes was alle knopen kwijt en de modder droop in klodders van mijn haar, was het voor mij voorbij. Ze lieten me los en ik mocht naar de badkamer. Snel sprong ik op en haastte me naar de achterkant van de barak. Toen.... stond ik tegenover háár. Een van de leidsters van wie ik gemerkt had dat ze me net zo weinig kon verdragen, als ik haar. Zulke dingen voel je gewoon aan. Haar ogen glommen kwaadaardig. Ze riep: ‘Er is nog eentje hier, wie komt me helpen?’ Er kwam een senior aangesneld, die me gelijk vastgreep. Ik werd weer op de grond gesmeten en ik kreeg nu poederzeep in mijn mond.
Ik zei steeds tegen me zelf:
‘Niet huilen, het is een proef.’ En ik was vast van plan deze proef te doorstaan, ook al zag ik haar ogen een beetje gemeen glinsteren.
Terwijl uit mijn mond en neus de zeepbellen tevoorschijn kwamen, hoorde ik haar lachen.
Maar er kwam redding, al was het in een andere vorm dan ik verwacht had. Iemand riep:
‘Guido (dat is de roepnaam voor een leidster) moet ook ontgroend worden.’
‘Ze is ook voor het eerst in het kamp.’
Ze kwamen op haar af, drie senioren.
Guido werd vastgegrepen en ze verzette zich hevig. Ze vroeg:
‘Geen zand in mijn haar alstjeblief,’ Ze schreeuwde:
‘Geen modder!’ Maar..... er werd wel zand op haar gesmeten; klodders zand op haar haar, in haar mond, overal waar het kon. Ik stond ernaar te kijken en ik vond het leuk, tot ze boos werd.
Heel boos, haar ogen bliksemden.
Dat was op het ogenblik dat er tandpasta in haar gezicht gesmeerd werd.
Ze sloeg haar hand uit, het leken klauwen en ze greep beet; precies in de vlechten van een magere senior. Het meisje met de vlechten gilde.
Ik stond daar en keek en in gedachten hoorde ik steeds de mededeling van de hoofdleidster:
‘Jullie zullen opgenomen worden in de grote liefdeketen van alle padvindsters over de gehele wereld. Toon je verdraagzaamheid.’
Ik stond daar, en ik zag dat zij, de leidster verschrikkelijk onverdraagzaam was. Ik werd er misselijk van. Ik keerde me met een ruk om en ging in een vlucht naar de badkamers. Daar stonden verschillende nieuwelingen op hun beurt te wachten. Eén huilde, maar de meerderheid kon een glimlach tevoorschijn toveren. Ze hadden de proef dus allemaal goed doorstaan. Ik kon niet lachen. Het beeld van die leidster bleef me bij en ik had het gevoel dat alles schijn was. Zijn alle mensen zo?
Beste biologieschrift, ik zit nu weer in mijn hoekje in de slaapzaal en ik voel me een beetje ongelukkig. Ik zou je een vraag willen stellen maar jij kunt me toch geen antwoord geven.
Geloven ze er zelf in, wanneer ze praten over de grote verdraagzaamheid of is het slechts schijn?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten