zondag 29 december 2024

Ilse Wentholt • 31 december 1946

• Ilse Wentholt (1922-2012) woonde in 1946 in Makassar op Celebes en leidde daar een vrolijk leven. Kort na onderstaande passage (uit Hollands Maandblad) kreeg ze verkering met Raymond Westerling, precies in de periode dat hij zijn oorlogsmisdaden beging. Toelichting door J.J. Peereboom.

31 December 1946. Vandaag de laatste dag van het jaar.
Wat zal dit nieuwe jaar me brengen? Ik ga het vol verwachting in, best tevreden met mijn leventje op dit moment.
Vanavond is er natuurlijk weer galabal in de soos. Ik ga in dat lange zwarte geval. En ik ga met Ray Westerling. Weet je dat hij Raymond heet?
Ik wou dat ik op de e.o.a. manier informaties over hem in kon winnen. Moet dat toch zien uit te vinden, of alles wat hij me vertelt waar is en first of all of hij niet al getrouwd is.
Ik ben erg achterdochtig, na Henk vertrouw ik mannen niet meer zo gauw, neem alles met een korreltje zout.
Als Ray volkomen te goeder trouw is, hoop ik dat ik erg veel van hem zal gaan leren houden. Hij is iemand waar je in alle opzichten trots op kan zijn, voor de buitendingen tenminste, outward appearance. Maar toch maak ik me ongerust over zijn wreedheid. Hoe is zo iemand in het huwelijk?
Weet je, dat de extremisten in Sumatra een prijs van f 250.000 op zijn hoofd hebben gezet, dood of levend? Dit is geen flauwe kul, het staat in onze krant; maar ik vraag me af hoe die extremisten zo rijk kunnen zijn dat ze dat kunnen betalen? Hieruit zie je maar weer, hoe het hier nog een rotzooi is.
De extremisten hier in Celebes schieten op het ogenblik met gloednieuwe wapens uit Australië. Bij wijze van spreken net van de lopende band af. Hier binnengesmokkeld door de Manoora, en de Kanimbla naar alle waarschijnlijkheid. Leve de Aussies!!!!

Ernst Heldring • 30 december 1939

• Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de DBNL.

30 december 1939.
[...] Colijn [voormalig premier en op dat moment minister] is van meening, dat wij behalve ten gevolge van een coup de désespoir, geen inval van Duitschland te wachten hebben. Het zou een te groote strategische domheid zijn. Het Duitsche leger zou in den nijptang komen. Ook is onze defensie niet meer zoo zwak als in den beginne. Gemakkelijk komen ze er niet door heen. Dien indruk heb ik ook. Helaas vergist Colijn zich soms deerlijk. Vóór den oorlog tusschen Duitschland en Polen voorspelde hij de Duitsche nederlaag wegens de uitmuntende qualiteit van het Poolsche leger.

Irun Scheifes • 29 december 1994

• Irun Scheifes (1957) is een Nederlandse schrijver. Het fragment hieronder is afkomstig uit Manisch dagboek, waarvan gedeeltes in de DBNL zijn terug te vinden.

Breda, donderdag 29 december / 01:51
Opgesloten in de keuken van een komfortabele woning in een betrekkelijk nieuwe wijk. Met katten. Rechts en links van mijn masjiene liggen opengescheurde vuilniszakken, een stapel kranten wacht op mijn verdelende hand, zware voorwerpen wachten op hun door mij gewezen plek. Een veertienjarig inkontinent monster met halfblinde ogen en grijze snorharen sleept zijn lichaam om mijn stoel heen. Ik heb mogen meemaken dat de oude dame bij de lurven werd gepakt, de bek losgetrokken. Het kleine pilletje dat in het keelgat werd gestoken werd overtuigd uitgespuugd. De oude dame wil niets weten van ongevraagde hulp. Om haar argumenten kracht bij te zetten pist ze een stevige straal op de keukenvloer, op de schoenen van de hulpverlener. Nu zit ze - ver van de andere katten - op een stoel tegenover me en staart me verwachtingsvol aan. Alsof ik haar kan verlossen van haar angsten, haar lijden, haar vitaliteit, haar kracht. Ik kan het niet, ze helpt zichzelf al: ze brult zonder geluid, ze neemt een loopje met haar natte werkelijkheid. Ik schud krachtig het hoofd. Tant pis. Lekker nie. Wat moet ik met angst en eenzaamheid?
 
Ik schenk mezelf een borrel in. Thuis gebotteld: whisky in een zwanger ouzoflesje. Zelf meegebracht. Ik heb nauwelijks nog de behoefte om mezelf te beheersen. Mijn laatste angst is de ander. Wat de anderen vinden, hoe ze reageren. Ik wil niet meer. Ik wil mezelf laten gaan, een inkontinent beest worden, een gevoelige bruut, ein Mann ohne Eigenschaften, een getergd schrijver, een brave Henkie. Ik heb geleerd te kijken door de ogen van anderen, en nu leer ik een oog te zijn. In de verte ik en de anderen.

Boven liggen Ilse en Ester rustig te slapen. Tussen de kinderen van mijn zus. Ik heb er zeven (zussen), maar toch is dit mijn zus. Ze denkt niet, al doet ze voortdurend moeite om te denken. Ze kombineert een diepe affektiviteit met een - uit de rationaliteit geboren - preek. Dat herken ik. Ik herken het spel, ik herken de familietraditie.

De oude kat springt van de stoel op de tafel. Zal ze alles nu laten lopen? Ik laat haar, zij laat mij. Autisties zit ze daar, haar kop gaat ritmies op en neer. De oren hoog, nog steeds wil ze alles meemaken. Ik kijk naar de krant, ik wil tussen de letters lezen of ze haar sluitspieren beheerst. Ik weet dat ze in paniek raakt als ik mijn arm in haar richting gooi, ze raakt verkrampt, en vreemd genoeg komt dan de zooi. Ik doe niets. Laat haar daar maar zijn en langzaam zoeken naar de dood. Laat haar daar maar vallen, laat haar daar maar langzaam opgaan in de zee die uit haar stroomt. Ze ligt, waakzaam, als een leeuw in de buurt van een prooi. Ze wil er nog steeds zijn, nog steeds wil ze niet slapen, ze laat haar beelden gaan, ze verzint nieuwe. Zo graag wil ze er helemaal wezen. Zo graag wil ze alles bevatten. Zo graag wil ze tenonder gaan aan de totaliteit.

Ik sluit af, pak mijn spullen in. Ik schik de opengescheurde zakken, de kranten, de zware dingen. Een andere kat steekt van onder het gordijn zijn kop en kijkt mij aan met de ogen van de jeugd. Ik onderdruk een lach. De onbevangenheid. Als ik even niet kijk is de kop verdwenen. Waar is die dekselse kat? Zo mobiel kan een mens niet zijn. Behalve in zijn kop. Daar heerst het labyrint dat in een notedop niet past. Altijd last.

Lodewijk van Deyssel • 28 december 1891

• Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een Nederlandse schrijver. Hieronder een fragment uit een lange brief die hij schreef aan Arnold Ising jr.

• Portret: Jan Veth.

Bergen-Op-Zoom, 28 December 1891
[...] Die pelsjas, is voor mij van eene uitnemende beteekenis en van buitengewone waarde in den winter. Ik beschut mij daarin voor de levenskoude en trek er mij in terug als een konijn in zijn heidehol. Ik weet niet of ik je er al vroeger van verteld heb. Het groote gebrek van mijn studeerkamer, waarmeê ik anders boven beschrijving ben ingenomen, is de tochtigheid (op de hoek van een kruispunt van twee straten) van zijn drie vensters en twee deuren. Eerst was mijn stelsel om de tocht af te sluiten zóo dat de geheele kamerruimte daarvan vrij bleef, namelijk door lardeering, zoo als gij zegt, van de kieren en reten, maar daarvan ben ik teruggekomen, om dat de tocht ook op onnaspeurbare plekken door het behangsel komt en er geen uitscheiden is. Ik maak dus nu een tochtvrij vertrekje van kleeding dat onmiddelijk om mijn lijfje sluit en uit de volgende bestanddeelen bestaat. 1e Een winter-Jaeger-onderbr. en borstrok; 2e een onderbroek en borstrok van iets dikker goed; 3e Een flanellen overhemd; 4e twee paar dikke sokken; 5e Een paar zeer dikke pantoffels; 6e een oud pak van mijn vader (jas, vest en broek); 7e een doek om mijn hoofd; 8e een fluweelen mutsje van mijn vader op met lange afhangende kwast; 9e de pelsjas in questie; 10e een rooye ceintuur, waarmeê hij vastzit; 11e een katoenen deken (gewatteerd) waarin ik mijn beenen stop; 12e een wollen deken om mijn voeten daarover heen; 13e een warm waterstoof, binnen in de dekens geborgen; 14e een kachel op een meter afstand. Zoo zit ik ten minste warm en voel geen tocht, maar je wordt op die manier verschrikkelijk vatbaar om koû te vatten, dat doe ik dan ook successievelijk in mijn wenkbrauwen, in mijn neus, in mijn oor, in mijn keel, in mijn maag, in mijn hoofd, in mijn beenen, enz. Als een muis in een meelpakhuis zwerft de gevatte kou telkens op andere plekken, waar hij begrensd en lokaal blijft, door mijn lichaam. [...]

donderdag 26 december 2024

Anne Frank • 27 december 1943

• Anne Frank (1929-1945) was een Joods meisje dat bekend is geworden door het dagboek dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam.

Maandag, 27 December 1943
Lieve Kitty,
Vrijdagavond heb ik voor het eerst van mijn leven iets voor Kerstmis gekregen. De meisjes, Koophuis en Kraler hadden weer een heerlijke verrassing voorbereid. Miep heeft een Kerstkoek gebakken, waar ‘Vrede 1944’ op stond. Een pond boterkoekjes van vooroorlogse kwaliteit verzorgde Elli. Voor Peter, Margot en mij was er een flesje yoghurt en voor de volwassenen elk een flesje bier. Alles was weer zo leuk ingepakt en plaatjes waren op de verschillende pakjes geplakt. De Kerstdagen zijn voor ons verder gauw voorbijgegaan.
Je Anne.

woensdag 25 december 2024

Frits van Egters • 26 december 1946

• De eerste alinea's van hoofdstuk 5 van De avonden van Gerard Reve (1923-2006). Tekening: Dick Matena.

Om negen uur, toen het goed licht was geworden, werd hij wakker. ‘De tweede dag van Christus is aangebroken’, dacht hij. ‘Het is vrijwel zeker’, zei hij hardop, toen hij de hemel boven de huizen bekeek, ‘dat het helder, droog weer wordt. Laat ik niet te lang blijven liggen.’ Om twintig minuten over negen stond hij op.
Terwijl hij zich stond te wassen, kwam zijn vader, geheel aangekleed, de keuken binnen en bleef de wacht houden bij de ketel, waarin het water reeds zong. ‘Goeden morgen, mijn jongen’, antwoordde hij, toen Frits ‘morgen’ had gezegd. Hij deed drie eieren in een leeg pannetje, zette dit op een gasvlam en goot er het water uit de ketel, dat aan de kook was gekomen, in. ‘Wat doe je in godsnaam?’ vroeg Frits’ moeder, die in een roze nachtjapon binnenkwam, ‘kook je eieren? Eieren leg je in het water, als het hard kookt. Dit is geen eieren koken. Nu is het water van de kook en moet je een paar minuten wachten, voor het weer begint. Dan weet je nooit, wanneer ze goed zijn.’ ‘Doe je je witte wollen slipover aan, Frits?’ vroeg ze. Daarna begaf ze zich naar het kloset.
Aan het begin van het ontbijt werd niet gesproken. ‘Het begint goed’, dacht Frits. Zijn vader zuchtte telkens als hij een boterham nam. ‘Alsof het opheffen en inhalen van de arm een zware arbeid is’, dacht Frits. Zijn moeder keek op haar bord en schonk thee in. ‘Hoe lijkt je het weer, vader?’ vroeg Frits. ‘Het lijkt niet zo slecht’, antwoordde de man, een blik naar buiten werpend.
Toen Frits zag, hoe zijn vader langzaam het gepelde ei over zijn brood verdeelde, maar niet wist, waar hij de doppen in de handpalm moest laten en onhandige, hulpeloze gebaren maakte, dacht hij: ‘Ik moet iets doen.’ ‘Waar wacht je op?’ vroeg zijn moeder. Hij stak zijn eigen, nog ongepelde ei in de mond, sloot de lippen en maakte door de neus, steeds luider en sneller, kakelende geluiden. Met opengesperde ogen keek hij zijn ouders om beurten aan en het daarna het ei op zijn bord vallen. Zijn moeder glimlachte, maar zijn vader keek verbaasd, het gezicht vertrekkend als iemand, die tegen de zon inkijkt.
Toen ze gereed waren, stond zijn vader op en liep de gang in. Frits hoorde hem zijn jas van de kapstok nemen, de zijkamer inlopen en op zijn bureau met papier ritselen. Daarna hoorde hij hem weer de gang inkomen, de trapdeur voorzichtig openen en zacht sluiten. ‘Hij is weg’, zei hij. ‘Laat hij in Utrecht maar zijn plezier hebben’, zei zijn moeder, ‘het zal mij een zorg zijn.’ Bij de laatste twee woorden haperde haar stem. ‘Ik ben niet van plan alleen hier de hele dag te blijven zitten’, zei ze, opeens huilend, ‘ik ga naar Den Haag.’ ‘Niemand let je’, zei Frits, ‘God zal je leiden. Je hebt gelijk.’
Ze slikte, kuchte, zette haar bril af, veegde haar ogen uit en zette de bril weer op. Daarna ruimde ze de tafel af en trok haar jas aan. ‘Staat die jas gek bij die muts?’ vroeg ze. ‘God beware ons’, dacht Frits, ‘wat een combinatie.’ ‘Een leuke, eenvoudige dracht’, zei hij, ‘die bij je past. Stemmig en niet opzichtig.’ Ze nam haar leren hengseltas en liep de gang in. ‘Wanneer denk je terug te zijn?’ vroeg hij. ‘Dat weet ik niet’, antwoordde ze hees, zonder om te kijken.
[...]

maandag 23 december 2024

Benedictus van Doninck • 24 december 1918

• Benedictus van Doninck (1858-1940) was een Belgische priester en abt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

Maandag 23 december 1918 (dag 1597)
Regen en stormvlagen.
Om 10 uur zijn er 2 boerkes van Lokeren hier aangekomen en waren overgelukkig hier op onze stal hun koebeest, Paula, terug te vinden en er mee huiswaarts te keren, ze werd 2.000 frank geschat. Wij hebben ze omtrent 2 maanden gevoederd en men zegt dat er voor een koebeest – die geen melk of geen kalf aflegde – 5 frank daags schadevergoeding zal gegeven worden door een daartoe ingestelde commissie.
Victor van ’t Wit Paard is gaan wonen in het huis van Cammaert, naast Bapt.Van den Borre.
Maximumprijs van de patatten 23 frank. Ze worden al aan 10 frank de 100 kilo te koop geboden. Boter per kilo 18 frank, melk 60 cent/liter.
Bij gebrek aan geldtoezegging vandaag geen marken uitwisseling. In de stad moet het strop lopen.

Dinsdag 24 december 1918 (dag 1598)
Deze nacht werd op verschillende plaatsen gestolen o.a. bij Jan Van Assche aan de Kaai een zak graan en zijn 8 eenjarige kippen met de haan. Bij Mich.De Ridder een aantal velobanden, bij Bapt.Van den Borre, snoep, artikels. Bij Eug.Peeters-De Groot sigarenwinkel werd er ook gepoogd de vensterruit uit te breken. De 2 dieven verjaagd, een zakje met modder-zeep achterlatend. Theodoor De Maeyer had van de Duitsers bij hun aftocht een electrische motor op een kamion goedkoop afgekocht. De motor in zijn fabriek geplaatst en de wagen voorlopig hier in de abdij. Deed er aangifte van bij de bevoegde Belgische overheid.
Deze voormiddag 10 ½ kwamen 5 Belgische soldaten met 2 paarden de wagen afhalen om hem en de motor naar Mechelen te brengen.
Om 1 uur komt Dr.Convents van Berchem vernemen hoe het met pater Lips gesteld is. De broer van de doctoor was in 1914 naar Holland gevlucht, bij Lips in ’t Haagse lang gelogeerd, werd herhaaldelijk aangevraagd inlichtingen te bezorgen nopens Pater Lips. De familie erg ongerust zijnde, ze hadden namelijk horen zeggen in Holland dat de abdij (nogmaals?) verwoest was en de paters allemaal op de vlucht waren! Pater Lips ging de heer boodschapper gerust stellen en door hem ook zijn familie.
Om 2 uur gaat pater Lips op assistentie naar Mariekerke.
Er is nog geen Belgisch geld ter uitwisseling van marken gekomen.
In de refter 5 ¾ kregen we 2 boterhammen, deze morgen éénen.
Om 7 uur lezing in ’t kapittel, darna visitatio ssmi – hora 7 ½ Angelus Dei

Woensdag 25 december 1918 (dag 1599)
In de missen waren meer mensen tegenwoordig dan verleden jaar. Vespers om 3 uur gezongen. Een 30-tal mensen tegenwoordig.
Deze middag bracht de post een briefkaart van H.H.Abt aan de Prior dat er vooreerst nog geen reispas naar België wordt gegeven. Dominicus nog bedlegerig, maar is toch aan de beterhand. Onze gewezen vluchteling, Leenknecht, schrijft een brief aan de heren der abdij en een aan broeder Alfons ons bedankend voor de gastvrijheid hier genoten, en dat hij na grote omreizen ter bestemming is aangekomen.
De post gaat geregeld ééns daags, ook ’s zondags.
Deze nacht een weinig vorst.

Donderdag 26 december 1918 (dag 1600)
Mistlucht.
Nog altijd geen Belgisch geld om marken uit te wisselen.
De post brengt een pak "moniteurs des intéréts materiels” in het laatste nummer staat dat de markenuitwisseling te Brussel op 2 januari afgelopen zal zijn, en dat de Belgische bankbriefjes der Soc.Générale gelijkwaardig zijn aan die der Banque Nationale.
Het lijk van officier Mannaert wordt vandaag te Bornem verwacht en zal morgen op ’t kerkhof begraven worden.
Tilley, brancardier, subdiaak van ’t seminarie in ’t jaar 1914, neef van Col.Schutters zaliger, hier op bezoek.
Deze avond kalft onze koe een vaars!