• Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar (vertaald door Joop van Helmond).
1 augustus [1953]
Vliegtuig tussen Madrid en Nice.
Snelheid van de reis. Ik moest denken aan Chopin en de naargeestige reis naar Majorca met dat mens van Sand. Het zou interessant zijn om het ware verhaal te publiceren over deze reis en die naar Venetië. De aankomst van Musset-Sand*. Dit vreemde koppel bestaande uit een vrouw met een baard en een man in rokken, en de gevolgen van dit misverstand, gevolgen die niets van doen hebben met de amoureuze romantiek waarmee de onwetendheid over seksuele problemen het aandikt. Pagello* die tussen deze vrouwelijke toeristen terechtkomt. De pederastische dame die verkikkerd raakt op Pagello na haar lesbische teleurstelling met een onechte vrouw met een blonde baard. En dit trio dat niets begrijpt van wat hen overkomt.
Hetzelfde geldt voor Chopin*. Het komt vaak voor dat het soort donkerharige, zelf zo mannelijke vrouwen, dat zichzelf als normaal beschouwt omdat het op zoek is naar mannen, maar alleen zoals mannen onderling met elkaar omgaan, kiest voor vrouwelijke mannen die inspelen op hun mannelijke instincten en hen doen geloven dat ze echte vrouwen zijn die houden van echte mannen. Terwijl deze vrouwelijke mannen worden aangetrokken door een mannelijke vrouw en deze mannelijke vrouw omdat ze homoseksueel is bij hen geen enkele bevrediging vindt. Zelfs Freud heeft zich nooit aan een dergelijke studie gewaagd.
* De negentiende-eeuwse Franse schrijvers George Sand en Alfred de Musset hadden een stormachtige en veelbesproken relatie met elkaar. Pagello was De Mussets arts, met wie Sand op een gegeven moment ook een verhouding kreeg. Enige jaren daarna werd Sand de minnares van het Poolse pianowonder Frédéric Chopin.179-2017>
woensdag 31 juli 2024
dinsdag 30 juli 2024
Hector Berlioz • 31 juli 1830
• Hector Berlioz (1803-1869) was een Franse componist. Als 27-jarige maakte hij de Parijse opstand mee. Zie ook Mijn leven (vertaald door W. Scheltens).
31 juli 1830
Het palais de l’Institut, dat door talrijke families bewoond werd, bood toen een merkwaardige aanblik; geweerkogels gingen dwars door de gebarricadeerde deuren heen, kanonskogels deden de voorgevel op zijn grondvesten schudden, vrouwen slaakten kreten, en op de momenten van stilte tussen de schoten door hervatten de zwaluwen hun vrolijk lied dat talloze malen onderbroken was. En ik schreef, ik schreef ijlings de laatste bladzijden van mijn orkestpartituur, onder het droge en doffe geluid van de verdwaalde kogels, die na een parabool beschreven te hebben boven de daken, vlak naast mijn ramen platsloegen tegen de muur van mijn kamer. De negenentwintigste was ik eindelijk vrij, en kon ik uitgaan en tot de volgende dag, met het pistool in de vuist, Parijs afschuimen samen met het heilig Gepeupel.
Ik zal nooit vergeten hoe Parijs eruitzag tijdens die beroemde dagen; de dolle moed van de straatjongens, het enthousiasme van de mannen, de razende woede van de hoeren, de sombere berusting van de Zwitsers en de koninklijke garde, de eigenaardige trots van de arbeiders omdat zij, zeiden zij, meester over de stad waren en niets stalen; en de verbluffende opschepperij van enkele jongelui die, na van echte onverschrokkenheid blijk te hebben gegeven, kans zagen die belachelijk te maken door de manier waarop zij hun heldendaden vertelden en de groteske manier waarop zij de waarheid opsmukten. Zo geloofden zij dat ze verplicht waren, omdat ze niet zonder grote verliezen de cavaleriekazerne in de rue de Babylone hadden ingenomen, te zeggen met een ernst, de soldaten van Alexander de Grote waardig: Wij waren bij de inname van Babylon. De zin die ze eigenlijk moesten zeggen was te lang; die werd trouwens zo vaak herhaald dat men niet meer buiten de kortere versie kon. Hoe ronkend en met wat een lang aangehouden o werd dat woord Babylon uitgesproken! O Parijzenaars!... grootse zotten, zo men wil, maar ook zotten in het groot!... En dan de muziek, de liederen en de hese stemgeluiden waarvan de straten weergalmden, men moet ze gehoord hebben om er zich een voorstelling van te maken!154-2017>
31 juli 1830
Het palais de l’Institut, dat door talrijke families bewoond werd, bood toen een merkwaardige aanblik; geweerkogels gingen dwars door de gebarricadeerde deuren heen, kanonskogels deden de voorgevel op zijn grondvesten schudden, vrouwen slaakten kreten, en op de momenten van stilte tussen de schoten door hervatten de zwaluwen hun vrolijk lied dat talloze malen onderbroken was. En ik schreef, ik schreef ijlings de laatste bladzijden van mijn orkestpartituur, onder het droge en doffe geluid van de verdwaalde kogels, die na een parabool beschreven te hebben boven de daken, vlak naast mijn ramen platsloegen tegen de muur van mijn kamer. De negenentwintigste was ik eindelijk vrij, en kon ik uitgaan en tot de volgende dag, met het pistool in de vuist, Parijs afschuimen samen met het heilig Gepeupel.
Ik zal nooit vergeten hoe Parijs eruitzag tijdens die beroemde dagen; de dolle moed van de straatjongens, het enthousiasme van de mannen, de razende woede van de hoeren, de sombere berusting van de Zwitsers en de koninklijke garde, de eigenaardige trots van de arbeiders omdat zij, zeiden zij, meester over de stad waren en niets stalen; en de verbluffende opschepperij van enkele jongelui die, na van echte onverschrokkenheid blijk te hebben gegeven, kans zagen die belachelijk te maken door de manier waarop zij hun heldendaden vertelden en de groteske manier waarop zij de waarheid opsmukten. Zo geloofden zij dat ze verplicht waren, omdat ze niet zonder grote verliezen de cavaleriekazerne in de rue de Babylone hadden ingenomen, te zeggen met een ernst, de soldaten van Alexander de Grote waardig: Wij waren bij de inname van Babylon. De zin die ze eigenlijk moesten zeggen was te lang; die werd trouwens zo vaak herhaald dat men niet meer buiten de kortere versie kon. Hoe ronkend en met wat een lang aangehouden o werd dat woord Babylon uitgesproken! O Parijzenaars!... grootse zotten, zo men wil, maar ook zotten in het groot!... En dan de muziek, de liederen en de hese stemgeluiden waarvan de straten weergalmden, men moet ze gehoord hebben om er zich een voorstelling van te maken!154-2017>
maandag 29 juli 2024
Multatuli • 30 juli 1863
• Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) schreef zijn liefdesbrieven in twee lichtingen – in 1845-1846 aan zijn eerste vrouw, Everdine van Wijnbergen, en in 1862-1863 aan zijn (op dat moment nog toekomstige) tweede vrouw, Mimi Hamminck Schepel. Uit: Liefdesbrieven (bezorgd door Paul van ’t Veer).
30 juli 1863
Ik beken dat het katholicisme een oud verrot gebouw is geworden (eenmaal was ’t schoon en stevig, hoewel 't slecht bewoond werd, of bewoond door slecht volk), maar ’t protestantisme is 'n huis zonder rez-de-chaussee [benedenwoning].
Wie de onfeilbaarheid van de paus in twijfel trekt, heeft regt het heele gebouw, daarop gegrond, te verlaten, maar dat te willen behouden, zonder dien basis, is gekheid.
En, die onfeilbaarheid der kerk bestond indedaad voor den denkenden katholiek zoo goed als voor den domme die meende dat de paus nooit zondigde. Dat was 't niet! Vraag eens een matroos of zijn kommandant nooit verkeerde orders gaf? Het staat hem vrij dat te meenen, te betoogen zoo langdradig als hij maar wil. Stel zelfs dat-i gelijk heeft, en juist is de wijze matroos bezig op 't voordek dat bondig te demonstreren, daar klinkt de stem van dien feilbaren kommandant:
30 juli 1863
Ik beken dat het katholicisme een oud verrot gebouw is geworden (eenmaal was ’t schoon en stevig, hoewel 't slecht bewoond werd, of bewoond door slecht volk), maar ’t protestantisme is 'n huis zonder rez-de-chaussee [benedenwoning].
Wie de onfeilbaarheid van de paus in twijfel trekt, heeft regt het heele gebouw, daarop gegrond, te verlaten, maar dat te willen behouden, zonder dien basis, is gekheid.
En, die onfeilbaarheid der kerk bestond indedaad voor den denkenden katholiek zoo goed als voor den domme die meende dat de paus nooit zondigde. Dat was 't niet! Vraag eens een matroos of zijn kommandant nooit verkeerde orders gaf? Het staat hem vrij dat te meenen, te betoogen zoo langdradig als hij maar wil. Stel zelfs dat-i gelijk heeft, en juist is de wijze matroos bezig op 't voordek dat bondig te demonstreren, daar klinkt de stem van dien feilbaren kommandant:
– Reven, alle man óp!Weg is de feilbaarheid! Hij roept: reven! en als er niet gaauw gereefd wordt, is 't schip naar de maan, met den wijzen matroos er bij! Als hij indedaad intelligent is geeft hij een oorveeg aan den nieuweling, die, geschokt door zijn betoog het wagen zou te protesteren tegen 't bevel. Wel kan de kommandant falen, maar geen feil van zijn kant kan zoo nadeelig werken op 't geheel, als 't verlies van den eerbied voor zijn stem.437-2018>
zondag 28 juli 2024
Koos van Zomeren • 29 juli 2009
• Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. Dit fragment komt uit Naar de natuur, een natuur- en mijmerdagboek ineen.
29 juli In Woerden had ik in feite maar één standaardwandeling: Hollandse Kade heen, Hollandse Kade terug. Hier in Arnhem tel ik wel zes standaardwandelingen, en die kun je ook nog eens linksom of rechtsom maken. Toch komt het me voor dat de wandelingen in Woerden gevarieerder waren. Hoe is dat te verklaren?
Het kan zijn dat mijn herinneringen door nostalgie gekleurd worden. Het kan ook zijn dat de leeftijd me parten speelt: met het klimmen der jaren wordt het steeds moeilijker een landschap in te vullen met dagdromen. Maar ik geloof toch dat het landschap zelf de beslissende factor is.
Daar domineerden wolken. Lucht en licht legden een zweem van permanente verandering over de polder. En altijd een verrekijker bij de hand omdat er altijd wat te beleven was met vogels.
Hier domineren bomen, en bomen verspreiden nu eenmaal een sfeer van stilstand. Ik heb al heel wat bijzondere bomen op mijn wandelingen ontdekt, maar een week, een maand, een jaar later zijn het, hoewel nog steeds bijzonder, nog steeds dezelfde bomen. Er valt wel degelijk zoiets als gedrag bij bomen te bespeuren, maar je moet er wel een eeuwigheid de tijd voor nemen.
Beuken. Het is een en al beuk in deze omgeving. Ik heb het niet zo op beuken. Imponerend vaak, maar minstens even vaak deprimerend.
En wat de verrekijker betreft: je hóórt vogels in het bos. Als je alle vogels die je hoort zou willen zien, kwam je nooit meer thuis.
30 juli Een en al beuk, daarmee doe je de Veluwezoom een beetje onrecht. Er zijn ook heidevelden. Er zijn ook lichte bossen, veelal voormalig eikenhakhout met berk en een zee van adelaarsvarens. Hier en daar een verrukkelijk vergezicht. Hier en daar een heerlijk beekje, stromend water - wat me eraan herinnert hoe verstikkend de aanblik van al dat gestolde slootwater kan zijn.
[...] 239-2016>
29 juli In Woerden had ik in feite maar één standaardwandeling: Hollandse Kade heen, Hollandse Kade terug. Hier in Arnhem tel ik wel zes standaardwandelingen, en die kun je ook nog eens linksom of rechtsom maken. Toch komt het me voor dat de wandelingen in Woerden gevarieerder waren. Hoe is dat te verklaren?
Het kan zijn dat mijn herinneringen door nostalgie gekleurd worden. Het kan ook zijn dat de leeftijd me parten speelt: met het klimmen der jaren wordt het steeds moeilijker een landschap in te vullen met dagdromen. Maar ik geloof toch dat het landschap zelf de beslissende factor is.
Daar domineerden wolken. Lucht en licht legden een zweem van permanente verandering over de polder. En altijd een verrekijker bij de hand omdat er altijd wat te beleven was met vogels.
Hier domineren bomen, en bomen verspreiden nu eenmaal een sfeer van stilstand. Ik heb al heel wat bijzondere bomen op mijn wandelingen ontdekt, maar een week, een maand, een jaar later zijn het, hoewel nog steeds bijzonder, nog steeds dezelfde bomen. Er valt wel degelijk zoiets als gedrag bij bomen te bespeuren, maar je moet er wel een eeuwigheid de tijd voor nemen.
Beuken. Het is een en al beuk in deze omgeving. Ik heb het niet zo op beuken. Imponerend vaak, maar minstens even vaak deprimerend.
En wat de verrekijker betreft: je hóórt vogels in het bos. Als je alle vogels die je hoort zou willen zien, kwam je nooit meer thuis.
30 juli Een en al beuk, daarmee doe je de Veluwezoom een beetje onrecht. Er zijn ook heidevelden. Er zijn ook lichte bossen, veelal voormalig eikenhakhout met berk en een zee van adelaarsvarens. Hier en daar een verrukkelijk vergezicht. Hier en daar een heerlijk beekje, stromend water - wat me eraan herinnert hoe verstikkend de aanblik van al dat gestolde slootwater kan zijn.
[...] 239-2016>
Matthijs Vermeulen • 28 juli 1945
• Matthijs Vermeulen (1888-1967) was een Nederlandse componist en muziekcriticus. Toen zijn vrouw in augustus 1944 in het ziekenhuis werd opgenomen, ging hij haar briefjes schrijven, en hij ging daarmee door nadat ze korte tijd daarop overleden was. Ze laten zich lezen als een dagboek en zijn gepubliceerd als Het enige hart.
28 juli 1945
Brief van Thea*, die me inlicht over onze vrienden. Allen zijn behouden. Niemand onder alle mensen met wie ik in sympathische verhouding gestaan heb, is gedeerd. Noch hier, noch in Holland. Alsof de oorlog voor mij niet had plaatsgevonden, in de letterlijkste zin. Ook dat heb ik gewild. Geen dag is voorbijgegaan zonder dat ik in de avond van de dag die wens geuit heb, met de kracht waarover ik beschikte. Je bent mijn getuige. Ik vraag mij opnieuw: Werkelijkheid of onwerkelijkheid? Ik verhoud mij sceptisch genoeg tegenover mijzelf, ik weet te precies hoe vele omstandigheden mij onwaardig maakten om dergelijke macht te bezitten, uit te oefenen, en ik ben genoeg geschokt, gebeukt, bijna ontworteld door de fulgurante ontkenning, door de verpletterende dubbele nederlaag welke ik onderging in jou, in hem, om mij niet te zeggen en toe te sarren: dat is allemaal verbeelding, dwaasheid, eigenwaan.
Maar uit het diepste van mijn binnenste leven komt mij ook een onafwijsbare stem die mij zegt dat ik juist op dit punt niet mag bezwijken, dat ik juist deze hoedanigheid van mijn Ik, intact moet handhaven, ondanks dat alles, tegen dat vermorzelende alles.
Neen, nimmer zal ik versagen. En nu reeds wil ik, nu reeds zal ik niet meer falen wanneer wij elkaar wederom tegemoet gaan en hervinden op deze aarde, met diezelfde ziel van ons in een betere vorm.
* Thea Diepenbrock (1907-1995), de dochter van componist Alphons Diepenbrock, met wie hij sinds 1939 correspondeerde en die in 1946 zijn tweede echtgenote zou worden.
28 juli 1945
Brief van Thea*, die me inlicht over onze vrienden. Allen zijn behouden. Niemand onder alle mensen met wie ik in sympathische verhouding gestaan heb, is gedeerd. Noch hier, noch in Holland. Alsof de oorlog voor mij niet had plaatsgevonden, in de letterlijkste zin. Ook dat heb ik gewild. Geen dag is voorbijgegaan zonder dat ik in de avond van de dag die wens geuit heb, met de kracht waarover ik beschikte. Je bent mijn getuige. Ik vraag mij opnieuw: Werkelijkheid of onwerkelijkheid? Ik verhoud mij sceptisch genoeg tegenover mijzelf, ik weet te precies hoe vele omstandigheden mij onwaardig maakten om dergelijke macht te bezitten, uit te oefenen, en ik ben genoeg geschokt, gebeukt, bijna ontworteld door de fulgurante ontkenning, door de verpletterende dubbele nederlaag welke ik onderging in jou, in hem, om mij niet te zeggen en toe te sarren: dat is allemaal verbeelding, dwaasheid, eigenwaan.
Maar uit het diepste van mijn binnenste leven komt mij ook een onafwijsbare stem die mij zegt dat ik juist op dit punt niet mag bezwijken, dat ik juist deze hoedanigheid van mijn Ik, intact moet handhaven, ondanks dat alles, tegen dat vermorzelende alles.
Neen, nimmer zal ik versagen. En nu reeds wil ik, nu reeds zal ik niet meer falen wanneer wij elkaar wederom tegemoet gaan en hervinden op deze aarde, met diezelfde ziel van ons in een betere vorm.
* Thea Diepenbrock (1907-1995), de dochter van componist Alphons Diepenbrock, met wie hij sinds 1939 correspondeerde en die in 1946 zijn tweede echtgenote zou worden.
Marie Wassiltchikoff • 27 juli 1944
• Tijdens de oorlog was de in Rusland geboren Marie Wassiltchikoff (1917-1978) in dienst bij het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar raakte ze betrokken bij de samenzwering tegen Hitler, die uiteindelijk op 20 juli 1944 uitmondde in een aanslag op Hitler. De aanloop naar en de nasleep van deze mislukte aanslag beschreef ze van dag tot dag in haar dagboek, dat is gepubliceerd als Berlijns dagboek 1940-1945 (vertaald door Tinke Davids).
Donderdag 27 juli
Vandaag vertelde Judgie Richter me dat de aanklacht tegen Adam Trott er niet best uitziet. De rechercheur die het bewijsmateriaal onderzoekt, heeft tegenover de adjudant van dr. Six bevestigd dat er lijsten zijn gevonden. Adam zou staatssecretaris van Buitenlandse Zaken zijn geworden! Six lijkt nog enigszins geneigd Adam eruit te helpen. Op het ogenblik maakt hij het Adam tenminste niet nog moeilijker. Ze hopen dat een neutrale buitenlandse mogendheid ingrijpt, maar ik denk dat hij daardoor nog meer in gevaar zal komen.
Gottfried Bismarck komt elke dag naar de stad en we ontmoeten elkaar in de ruïnes bij mijn huis. Vandaag was hij nog hoopvol. Hij dacht niet dat ze Adam terecht zouden stellen, maar Helldorf, zegt hij, is ten dode opgeschreven; Hitler is vooral zo razend op hem omdat hij een oude partijveteraan was, een hoge SA-leider. Het gerucht wil dat kwartiermeester-generaal Wagner zelfmoord heeft gepleegd.
Gottfried is van plan morgen per auto naar Reinfeld te gaan, zijn boerderij in Pommeren. Nu er een week is verstreken waarin hij rustig thuis heeft gezeten om te bewijzen dat hij niets te vrezen had, denkt hij dat het gezonder is de stad uit te gaan. Hij wil dat ik en Loremarie Schönburg ook meekomen, maar ik kan niet. Ik moet doorgaan met te doen alsof ik naar kantoor ga, al voer ik daar niets uit.330-2018>
Donderdag 27 juli
Vandaag vertelde Judgie Richter me dat de aanklacht tegen Adam Trott er niet best uitziet. De rechercheur die het bewijsmateriaal onderzoekt, heeft tegenover de adjudant van dr. Six bevestigd dat er lijsten zijn gevonden. Adam zou staatssecretaris van Buitenlandse Zaken zijn geworden! Six lijkt nog enigszins geneigd Adam eruit te helpen. Op het ogenblik maakt hij het Adam tenminste niet nog moeilijker. Ze hopen dat een neutrale buitenlandse mogendheid ingrijpt, maar ik denk dat hij daardoor nog meer in gevaar zal komen.
Gottfried Bismarck komt elke dag naar de stad en we ontmoeten elkaar in de ruïnes bij mijn huis. Vandaag was hij nog hoopvol. Hij dacht niet dat ze Adam terecht zouden stellen, maar Helldorf, zegt hij, is ten dode opgeschreven; Hitler is vooral zo razend op hem omdat hij een oude partijveteraan was, een hoge SA-leider. Het gerucht wil dat kwartiermeester-generaal Wagner zelfmoord heeft gepleegd.
Gottfried is van plan morgen per auto naar Reinfeld te gaan, zijn boerderij in Pommeren. Nu er een week is verstreken waarin hij rustig thuis heeft gezeten om te bewijzen dat hij niets te vrezen had, denkt hij dat het gezonder is de stad uit te gaan. Hij wil dat ik en Loremarie Schönburg ook meekomen, maar ik kan niet. Ik moet doorgaan met te doen alsof ik naar kantoor ga, al voer ik daar niets uit.330-2018>
donderdag 25 juli 2024
Abraham Rutgers van der Loeff • 26 juli 1848
• Abraham Rutgers van der Loeff (1808-1881) was predikant te Noordbroek, Zutphen en Leiden. Zijn dagboeken staan hier online.
maandag 26 juli 1841
Reeds te 5 uur waren wij weder bij den hand ten einde met [Jan] Uniken stadwaarts te rijden. Alles was in de weer om dat de Koning te Groningen verwacht wierd. Ik ging te Zuidbroek uit het rijtuig en huurde daar bij Buning nog een wagen, die Oom en Tante Breukelman 's middags naar Groningen te rijden. Daarop wandelde ik naar Noordbroek en vond de familie regt monter. Zij hadden zich den vorigen dag met visschen geamuseerd en nog al een aardig zoodje gevangen, 't welk wij 's middags aten. Te drie uur kwam het rijtuig. Ik haalde den voerman over om ons over Slochteren en Kolham te brengen. De jongen was gewillig en hoewel de weg zeer slecht was hadden wij toch zeer veel genoegen. Tegen 6 uur kwamen wij in het prachtig versierde Groningen. Het weder was gunstig en de illuminatie schoon. Wij wandelden tot diep in den nacht en verheugden ons over den stillen, beschaafden genoegelijken geest die overal onder de duizenden wandelaars heerschte. Oom en Tante werden overgehaald om nog een dag langer te Groningen te blijven.
dinsdag 27 juli 1841
Wederom een drukke feestelijke dag. Vader en moeder Van der Tuuk kwamen reeds te 9 uur teneinde de plaats te vervangen van Breukelman, doch daar deze nog bleef, werd het aantal logeergasten slechts vermeerderd. Den geheelen voordemiddag besteedden wij, om de stad te bezien die inderdaad zeer fraai gedecoreerd was. Er werd vroeg gegeten en wij gingen naar de harddraverij waar onze plaats echter niet zeer gunstig was om wat te zien. De regen dreef ons dan ook spoedig weer naar huis terug. 'S avonds zagen wij het heerlijke vuurwerk dat van stadswege ter eere van Zijne Majesteit werd afgestoken en tamelijk wel uitviel. Bijzonder waren wij allen over de feestviering voldaan.
woensdag 28 juli 1841
'S morgens vroeg vertrok ik te 8 uur met een volle schuit, had echter nog al aangenaam gezelschap. Ook [predikant Jacob] Bodisco met wien ik te Zuidbroek nog even bij [Idzard] Tinga aanging. Deze was wat neergedrukt, daar hij eene bloedspuwing gehad had. Uit alles kwam het ons echter waarschijnelijk voor dat het eene ongesteldheid van de maag was, nog tengevolge zijner ziekte. Onder een stortregen kwamen wij te Noordbroek aan en hadden natuurlijk aan de vrouwtjes veel te vertellen. 125-2014>
maandag 26 juli 1841
Reeds te 5 uur waren wij weder bij den hand ten einde met [Jan] Uniken stadwaarts te rijden. Alles was in de weer om dat de Koning te Groningen verwacht wierd. Ik ging te Zuidbroek uit het rijtuig en huurde daar bij Buning nog een wagen, die Oom en Tante Breukelman 's middags naar Groningen te rijden. Daarop wandelde ik naar Noordbroek en vond de familie regt monter. Zij hadden zich den vorigen dag met visschen geamuseerd en nog al een aardig zoodje gevangen, 't welk wij 's middags aten. Te drie uur kwam het rijtuig. Ik haalde den voerman over om ons over Slochteren en Kolham te brengen. De jongen was gewillig en hoewel de weg zeer slecht was hadden wij toch zeer veel genoegen. Tegen 6 uur kwamen wij in het prachtig versierde Groningen. Het weder was gunstig en de illuminatie schoon. Wij wandelden tot diep in den nacht en verheugden ons over den stillen, beschaafden genoegelijken geest die overal onder de duizenden wandelaars heerschte. Oom en Tante werden overgehaald om nog een dag langer te Groningen te blijven.
dinsdag 27 juli 1841
Wederom een drukke feestelijke dag. Vader en moeder Van der Tuuk kwamen reeds te 9 uur teneinde de plaats te vervangen van Breukelman, doch daar deze nog bleef, werd het aantal logeergasten slechts vermeerderd. Den geheelen voordemiddag besteedden wij, om de stad te bezien die inderdaad zeer fraai gedecoreerd was. Er werd vroeg gegeten en wij gingen naar de harddraverij waar onze plaats echter niet zeer gunstig was om wat te zien. De regen dreef ons dan ook spoedig weer naar huis terug. 'S avonds zagen wij het heerlijke vuurwerk dat van stadswege ter eere van Zijne Majesteit werd afgestoken en tamelijk wel uitviel. Bijzonder waren wij allen over de feestviering voldaan.
woensdag 28 juli 1841
'S morgens vroeg vertrok ik te 8 uur met een volle schuit, had echter nog al aangenaam gezelschap. Ook [predikant Jacob] Bodisco met wien ik te Zuidbroek nog even bij [Idzard] Tinga aanging. Deze was wat neergedrukt, daar hij eene bloedspuwing gehad had. Uit alles kwam het ons echter waarschijnelijk voor dat het eene ongesteldheid van de maag was, nog tengevolge zijner ziekte. Onder een stortregen kwamen wij te Noordbroek aan en hadden natuurlijk aan de vrouwtjes veel te vertellen. 125-2014>
Abonneren op:
Posts (Atom)







