• Schrijver Michel van der Plas (1927-2013) bracht in 1976 een bezoek aan Ierland, en hield toen een dagboek bij dat later is gepubliceerd in Zo'n beetje wat ik voel ...
ZONDAG
Bij Marten Toonder in Greystones, dat is negenenvijftig bushaltes verwijderd van het centrum van Dublin. Een rustige badplaats. Tien jaar geleden vestigde hij er zich. 'Ik was van het land gaan houden'; zo eenvoudig was dat. We praten over het verschijnsel Finbarr Nolan [handoplegger]. Hij zegt er zeker van te zijn dat Finbarr in de ogen van veel Ieren hoog spel speelt: hij zou zo langzamerhand iets dat hem zeer dierbaar is, moeten offeren: aan een 'fairy ring'. Als hij dat niet doet, zou het wel eens gauw kunnen gebeuren dat hij, hoewel de zevende zoon van een zevende zoon, zijn helende kracht verliest. Ik bedenk dat Finbarr dan zijn Jaguar binnen zo'n tovercirkel zou moeten rijden. Toonder zegt dat hij daar in alle eeuwigheid zou blijven staan, omdat niemand hem zal durven aanraken. Overal op het platteland, zegt hij, kun je die tovercirkels zien, nu eens door bomen, dan weer door stenen gemarkeerd. Niemand mag die betreden. Je komt ze op de gekste plaatsen tegen, midden in vruchtbaar land of in een grazige weide, vaak op de top van een heuvel. Alles bloeit en groeit er wild op. Natuuronderzoekers zijn er dol op, vanwege de zeldzame gewassen die ze er vaak kunnen aantreffen.
Nog maar een jaar geleden drongen vreemde geruchten door tot de bisschop van het noordwestelijke diocees onder welks competentie Achill Island berust (Heinrich Böll bezit daar al vele jaren een boerderij) dat de pastoor aldaar lijdzaam toekeek bij vreemde heidense praktijken die daar opeens weer de kop hadden opgestoken. De mensen brachten er weer offers in tovercirkels. De verontruste bisschop zond een priester op visitatie. Diens verslag was even realistisch als genadeloos: 'Ja, monseigneur, men doet het allemaal weer.' De bisschop riep de pastoor ten snelste terug. Zijn vervanger heeft de christelijke orde hersteld. Maar voor hoelang? Toonder: 'Geen boer in de westelijke randgebieden, of hij kent wel ergens een heilige steen, een heilige boom, een heilige terp of een heilige bron. Het parool is: niet aanraken. In een grote boog omheen lopen. In ieder geval, voor alle veiligheid, in ere houden.'
Eet vanavond dan toch maar eens 'Irish Stew'. Als ik het gerecht bestel, zegt de ober: 'Ik hoop dat u honger hebt.' Tien minuten later krijg ik een enorm soepbord voor mij. Wat er inzit, is hetzelfde als hutspot, ik bedoel peen-en-uien, — behalve dan dat het vlees geen rundvlees is maar lamsvlees, en dat het gerecht als een soort soep wordt opgediend, met andere woorden dat de aardappelen niet 'gehutst' zijn. (Ik realiseer mij dat deze met zoveel uitzonderingen gepaard gaande vergelijking verdacht veel lijkt op een van de al te vele regels van vroeger met betrekking tot de geslachten der woorden in de Nederlandse taal: 'Alle seizoenen zijn vrouwelijk, behalve de winter, de zomer en de herfst.') Maar het moet ooit, in dit aardappelen-land, 'het feestmaal van de armen' geweest zijn, denk ik. En terwijl ik ervan smul, herinner ik me een scène uit het boek 'Afke's tiental', waarin het arme gezin van Afke een feestmaal heeft wanneer een van de meisjes uit de stad wat zwoerd heeft meegenomen, dat in de pot kan. Toen ik dat voor de eerste keer las, sprongen de tranen van ontroering mij in de ogen. Dat op dit moment van de 'Irish Stew' te verlangen, zou overdreven zijn.
woensdag 31 augustus 2022
dinsdag 30 augustus 2022
Henk Knol • 31 augustus 1999
• Henk Knol (1955) is jeugdhulpverlener en dichter. Schrijversdagboek.
31 augustus
Aan de eeuwigheid gemeten haat ik mijn tijd. Als lid van het semi-heilig genootschap der hulpverleners ben ik erfgenaam van de psycho-analyse. Maar wat haat ik de halfzachte quasi-tolerantie en damesbladen-psychologie van een samenleving waarin de politie, om maar eens iets te noemen, opeens mijn vriend is geworden (mijn vrienden pleeg ik zelf uit te zoeken of, vaker en onbegrijpelijker, hebben mij uitgezocht). (Gezien bij het oversteken van een Utrechts zebrapad: een politiewagen met daarop de montere sticker: Team in blue, supporting you!). De ‘Overheid die de zwaardmacht niet tevergeefs draagt’, zoals mijn vader het vroeger in zijn tafelgebed eerbiedig omschreef, is omgetoverd tot een begripvol blauw vriendje, dat zijn aanwezigheid op autosnelwegen haast verontschuldigend aankondigt met een ‘pas op: snelheidscontrole’.
Als onversneden kleinburger ben ik erfgenaam van de democratische revolutie, maar ik haat het management-jargon van een premier die over randstedelijke schooluitvallers praat in termen van menselijk ‘kapitaal’. Emile Bandgeratel is het, libertijnse prietpraat. Ik zal het meemaken dat onze Zaïrese werkster aan het eind van de woensdagochtend achteloos komt melden dat ze de beoogde ‘resultaten’ heeft gehaald en dat ze daar een ‘goed gevoel’ over heeft...
Ik haat Onze Sterren, de mooie jongens en meiden van radio en televisie. Ik haat ze, niet om wie ze zijn (ik ken ze niet, wie wel?) maar om wat ze doen en zeggen in hun gladgeregisseerde, begripvol nivellerende talkpoedershows, waarin het niet om waarheid (die al snel moralisme heet) gaat, maar om Gevoel en Gebabbel in steeds stompzinniger variaties.
En wat haat ik het gemakkelijke succes van de meeste cabaretiers, die het Paulinische al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, (...) bedenkt datzelve schofferen met een wellustig soort platvoersheid, die het publiek bedoelt wakker te schudden uit zijn burgerlijke dommel, maar het tegendeel bereikt. Cabaret shockeert al lang niet meer, maar bevestigt de geknuffelde bestaande orde van een verwend geworden gehoor, dat zich niet eens meer bewust is van zijn allerheiligst taboe: vertel-me-niet-dat-niet-alles-moet-kunnen!
Het is goedverkopend, ongevaarlijk amusement: je lacht je dood, om jezelf, om de ander, om alles. Veel cabaret is stopverf voor de ziel.
Om het maar eens met de psalmist te zeggen: dit alles haat ik met een volkomen haat. En nog veel meer. Soms benijd ik een bouwvakker om zijn arsenaal aan krachttermen. Ik zou ook graag zo'n voorraadje hebben, maar waar vind ik die in mijn moerstaal en hoe leg ik dat uit aan de pupil van Gamaliël?
Misschien ben ik altijd een provinciaal gebleven. (Provinciaal in mijn geval is wellicht het zelfde als romanticus, wat dat dan ook precies moge zijn. Misschien kunnen beide woorden ook gewoon moderne synoniemen zijn voor de christen, die vroeger balling of pelgrim heette).
Ik zie mezelf weer in die Groningse mulo-school lopen met de scheef genaaide leren schooltas die mijn vader voor een prikje bij schoenmaker Zuur in Ten Post kocht: een deerniswekkend provinciaaltje, het arbeidersjoch dat de verkeerde kant van zijn leren afdankertje stijf tegen zijn heup klemde, zodat de stadskinderen de scheef genaaide klep maar niet zouden opmerken. En wat hunkerde ik terug naar de vertrouwde zesde klas bij meester Roorda, wiens model-leerling ik was die tijdens schooltijd voor hem nieuwe sigaren bij de dorpskapper mocht halen. Dezelfde meester Roorda die ik in één van mijn eerste Mulo-weken onverwacht snel terugzag, toen ons dorpsjongenskoortje Dank sei dir, Herr moest zingen bij de geopende kist waarin hij te slapen was gelegd. Vanaf dat moment zag ik in mijn verbeelding de opgestane Lazarus altijd zonder bril en in een gesteven, blauwgestreepte pyama uit het graf komen.
Op een onlangs gekochte cd zingt Aafje Heynis datzelfde Dank sei dir, Herr en direct daarna een lied van Bach:
31 augustus
Aan de eeuwigheid gemeten haat ik mijn tijd. Als lid van het semi-heilig genootschap der hulpverleners ben ik erfgenaam van de psycho-analyse. Maar wat haat ik de halfzachte quasi-tolerantie en damesbladen-psychologie van een samenleving waarin de politie, om maar eens iets te noemen, opeens mijn vriend is geworden (mijn vrienden pleeg ik zelf uit te zoeken of, vaker en onbegrijpelijker, hebben mij uitgezocht). (Gezien bij het oversteken van een Utrechts zebrapad: een politiewagen met daarop de montere sticker: Team in blue, supporting you!). De ‘Overheid die de zwaardmacht niet tevergeefs draagt’, zoals mijn vader het vroeger in zijn tafelgebed eerbiedig omschreef, is omgetoverd tot een begripvol blauw vriendje, dat zijn aanwezigheid op autosnelwegen haast verontschuldigend aankondigt met een ‘pas op: snelheidscontrole’.
Als onversneden kleinburger ben ik erfgenaam van de democratische revolutie, maar ik haat het management-jargon van een premier die over randstedelijke schooluitvallers praat in termen van menselijk ‘kapitaal’. Emile Bandgeratel is het, libertijnse prietpraat. Ik zal het meemaken dat onze Zaïrese werkster aan het eind van de woensdagochtend achteloos komt melden dat ze de beoogde ‘resultaten’ heeft gehaald en dat ze daar een ‘goed gevoel’ over heeft...
Ik haat Onze Sterren, de mooie jongens en meiden van radio en televisie. Ik haat ze, niet om wie ze zijn (ik ken ze niet, wie wel?) maar om wat ze doen en zeggen in hun gladgeregisseerde, begripvol nivellerende talkpoedershows, waarin het niet om waarheid (die al snel moralisme heet) gaat, maar om Gevoel en Gebabbel in steeds stompzinniger variaties.
En wat haat ik het gemakkelijke succes van de meeste cabaretiers, die het Paulinische al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, (...) bedenkt datzelve schofferen met een wellustig soort platvoersheid, die het publiek bedoelt wakker te schudden uit zijn burgerlijke dommel, maar het tegendeel bereikt. Cabaret shockeert al lang niet meer, maar bevestigt de geknuffelde bestaande orde van een verwend geworden gehoor, dat zich niet eens meer bewust is van zijn allerheiligst taboe: vertel-me-niet-dat-niet-alles-moet-kunnen!
Het is goedverkopend, ongevaarlijk amusement: je lacht je dood, om jezelf, om de ander, om alles. Veel cabaret is stopverf voor de ziel.
Om het maar eens met de psalmist te zeggen: dit alles haat ik met een volkomen haat. En nog veel meer. Soms benijd ik een bouwvakker om zijn arsenaal aan krachttermen. Ik zou ook graag zo'n voorraadje hebben, maar waar vind ik die in mijn moerstaal en hoe leg ik dat uit aan de pupil van Gamaliël?
Misschien ben ik altijd een provinciaal gebleven. (Provinciaal in mijn geval is wellicht het zelfde als romanticus, wat dat dan ook precies moge zijn. Misschien kunnen beide woorden ook gewoon moderne synoniemen zijn voor de christen, die vroeger balling of pelgrim heette).
Ik zie mezelf weer in die Groningse mulo-school lopen met de scheef genaaide leren schooltas die mijn vader voor een prikje bij schoenmaker Zuur in Ten Post kocht: een deerniswekkend provinciaaltje, het arbeidersjoch dat de verkeerde kant van zijn leren afdankertje stijf tegen zijn heup klemde, zodat de stadskinderen de scheef genaaide klep maar niet zouden opmerken. En wat hunkerde ik terug naar de vertrouwde zesde klas bij meester Roorda, wiens model-leerling ik was die tijdens schooltijd voor hem nieuwe sigaren bij de dorpskapper mocht halen. Dezelfde meester Roorda die ik in één van mijn eerste Mulo-weken onverwacht snel terugzag, toen ons dorpsjongenskoortje Dank sei dir, Herr moest zingen bij de geopende kist waarin hij te slapen was gelegd. Vanaf dat moment zag ik in mijn verbeelding de opgestane Lazarus altijd zonder bril en in een gesteven, blauwgestreepte pyama uit het graf komen.
Op een onlangs gekochte cd zingt Aafje Heynis datzelfde Dank sei dir, Herr en direct daarna een lied van Bach:
Bist du bei mir, geh'ich mit FreudenMisschien had de onbuigzame Fries Lieuwe Roorda, hoofd van de Groningse gereformeerde School met den Bijbel ‘Timotheüs’, dat wel een nog beter lied gevonden.
zum Sterben und zu meiner Ruh,
zum Sterben und zu meiner Ruh.
Ach wie vergnügt wär' so mein Ende,
es drückten deine schönen Hände
mir die getreuen Augen zu.
maandag 29 augustus 2022
Max de Jong • 30 augustus 1948
• Max de Jong (1917-1951) was een Nederlandse dichter en vertaler. Zijn dagboeken zijn een paar jaar terug gepubliceerd.
Ma 30 aug. Gisteren om twee uur naar bed gegaan. Vanmorgen om acht uur uit mijn slaap gerukt door radiogeweld. Daarna tromgeroffel van het grut beneden en daarna andere radio’s, want [buurman] Engel heeft de nodige helpers. Hard vertalen, dan ben ik het eerst aan een uitbraakpoging toe.
Vanmiddag gaan zwemmen. Eerst het hele Amsterdamse Bos ten zuiden van de Bosbaan verkend. Je mag bijna nergens zwemmen. Alleen in het ondiepe water van die speelwei en dan nog ergens, maar er was ziekte van Weil, dus naar de Nieuwe Meer getogen, een eindje verder is een goed schiereiland, het is alleen te drassig om te liggen, en natuurlijk geen schaduw, och och wat een getob. Ze moesten die Bosbaan vrijgeven. In de Nieuwe Meer me moe gezwommen. Het was er koud.
Biekorff**. Iet Wieringa zat even hardstikke verliefd als een tijdje geleden Gonnie naar Jan P. te kijken, ik keek naar haar, dat zag ze en toen ging ze weg. Greetje Mesdag kwam daarna gezellig met mij praten, wijst wel telkens even op haar vrijer, vertelde me van alles over die film-combinatie, zij is er weggegaan omdat ze er naast stond, Evert-Jan heeft haar weggekeken, heel begrijpelijk. Emile heeft zich deze film laten ontgaan, hij was gevraagd. En Erien Leninga gaat nog voor de winter trouwen met een econoom.
Ja ja. Dat trouwen.
De godganse avond verpest met kijken naar de feestverlichting. En met zwoeligheid, waaraan na de opgedane ervaring geen zin meer te geven is.
Leo Hemelrijk ontmoet, me de telex-machine van het ANP laten kijken. Maar niet meer meegegaan een borrel drinken.
** De Jong zat vaak in eetcafé De Nieuwe Biekorf, dat vlak na zijn dood is opgeheven. Dat etablissement werd voornamelijk bezocht door studenten, journalisten, halve artiesten en aankomende kunstenaars en schrijvers, onder wie de gebroeders Van het Reve, Corneille, Karel Appel en Hanny Michaelis. De laatste noemde De Jong een aartsquerulant, die ’uit God weet uit welk principe van burgermansverachting nooit anders dan met een lepel at, wát er ook op zijn bord lag’.
Ma 30 aug. Gisteren om twee uur naar bed gegaan. Vanmorgen om acht uur uit mijn slaap gerukt door radiogeweld. Daarna tromgeroffel van het grut beneden en daarna andere radio’s, want [buurman] Engel heeft de nodige helpers. Hard vertalen, dan ben ik het eerst aan een uitbraakpoging toe.
Vanmiddag gaan zwemmen. Eerst het hele Amsterdamse Bos ten zuiden van de Bosbaan verkend. Je mag bijna nergens zwemmen. Alleen in het ondiepe water van die speelwei en dan nog ergens, maar er was ziekte van Weil, dus naar de Nieuwe Meer getogen, een eindje verder is een goed schiereiland, het is alleen te drassig om te liggen, en natuurlijk geen schaduw, och och wat een getob. Ze moesten die Bosbaan vrijgeven. In de Nieuwe Meer me moe gezwommen. Het was er koud.
Biekorff**. Iet Wieringa zat even hardstikke verliefd als een tijdje geleden Gonnie naar Jan P. te kijken, ik keek naar haar, dat zag ze en toen ging ze weg. Greetje Mesdag kwam daarna gezellig met mij praten, wijst wel telkens even op haar vrijer, vertelde me van alles over die film-combinatie, zij is er weggegaan omdat ze er naast stond, Evert-Jan heeft haar weggekeken, heel begrijpelijk. Emile heeft zich deze film laten ontgaan, hij was gevraagd. En Erien Leninga gaat nog voor de winter trouwen met een econoom.
Ja ja. Dat trouwen.
De godganse avond verpest met kijken naar de feestverlichting. En met zwoeligheid, waaraan na de opgedane ervaring geen zin meer te geven is.
Leo Hemelrijk ontmoet, me de telex-machine van het ANP laten kijken. Maar niet meer meegegaan een borrel drinken.
** De Jong zat vaak in eetcafé De Nieuwe Biekorf, dat vlak na zijn dood is opgeheven. Dat etablissement werd voornamelijk bezocht door studenten, journalisten, halve artiesten en aankomende kunstenaars en schrijvers, onder wie de gebroeders Van het Reve, Corneille, Karel Appel en Hanny Michaelis. De laatste noemde De Jong een aartsquerulant, die ’uit God weet uit welk principe van burgermansverachting nooit anders dan met een lepel at, wát er ook op zijn bord lag’.
zondag 28 augustus 2022
Franz Kafka • 29 augustus 1914
• Franz Kafka (1883-1924) was een Tsjechische schrijver. Zijn dagboeken 1910-1923 zijn in het Nederlands vertaald door Nini Brunt.
21 augustus. Met zoveel hoop begonnen en door alle drie de verhalen teruggestoten, vandaag het ergste. Misschien is het juist, dat aan hor Russische verhaal altijd alleen maar na het 'Prozess' gewerkt mocht worden. In deze belachelijke hoop, die klaarblijkelijk alleen op een mechanische fantasie berust, begin ik weer met het 'Prozess'. - Helemaal nutteloos was het niet.
29 augustus. Slot van een hoofdstuk mislukt, een ander mooi begonnen hoofdstuk zal ik nauwelijks, of veeleer heel zeker, niet zo mooi kunnen voortzetten, terwijl het mij toen, 's nachts, zeker was gelukt. Maar ik mag niet verzaken, ik ben absoluut alleen.
30 augustus. Koud en leeg. Ik voel de grenzen van mijn kunnen al te zeer die, als ik niet geheel en al geïnspireerd ben, zonder twijfel slechts nauwe grenzen zijn. En ik geloof zelfs bij inspiratie alleen binnen deze enge grenzen te worden getrokken, die ik dan weliswaar niet voe omdat ik getrokken word. Toch is binnen deze grenzen ruimte om te leven en daarom zal ik ze zeker tot in het verachtelijke toe gebruiken.
Kwart voor twee 's nachts. Aan de overkant huilt een kind. Plotseling spreekt in dezelfde kamer een man, zo dichtbij alsof hij voor mijn raam stond. Tk spring liever uit het raam dan dat nog langer aan te horen. Hij bromt nog iets van zenuwachtigheid, de vrouw probeert zwijgend, alleen met sussende geluiden, het kind weer in slaap te brengen.
1 september. In totale hulpeloosheid nauwelijks twee bladzijden geschreven. Ik ben vandaag erg achteruitgegaan, hoewel ik goed had geslapen. Maar ik weet dat ik niet mag toegeven, als ik over het diepste lijden van het reeds door mijn overige levenswijze onderdrukte schrijven de grotere vrijheid wil bereiken, die mij misschien wacht. De oude apathie heeft mij nog niet geheel losgelaten, zoals ik merk, en de koude van mijn hart zal mij misschien nooit verlaten. Dat ik voor geen enkele vernedering terugschrik, kan evengoed wanhoop betekenen als hoop geven.
21 augustus. Met zoveel hoop begonnen en door alle drie de verhalen teruggestoten, vandaag het ergste. Misschien is het juist, dat aan hor Russische verhaal altijd alleen maar na het 'Prozess' gewerkt mocht worden. In deze belachelijke hoop, die klaarblijkelijk alleen op een mechanische fantasie berust, begin ik weer met het 'Prozess'. - Helemaal nutteloos was het niet.
29 augustus. Slot van een hoofdstuk mislukt, een ander mooi begonnen hoofdstuk zal ik nauwelijks, of veeleer heel zeker, niet zo mooi kunnen voortzetten, terwijl het mij toen, 's nachts, zeker was gelukt. Maar ik mag niet verzaken, ik ben absoluut alleen.
30 augustus. Koud en leeg. Ik voel de grenzen van mijn kunnen al te zeer die, als ik niet geheel en al geïnspireerd ben, zonder twijfel slechts nauwe grenzen zijn. En ik geloof zelfs bij inspiratie alleen binnen deze enge grenzen te worden getrokken, die ik dan weliswaar niet voe omdat ik getrokken word. Toch is binnen deze grenzen ruimte om te leven en daarom zal ik ze zeker tot in het verachtelijke toe gebruiken.
Kwart voor twee 's nachts. Aan de overkant huilt een kind. Plotseling spreekt in dezelfde kamer een man, zo dichtbij alsof hij voor mijn raam stond. Tk spring liever uit het raam dan dat nog langer aan te horen. Hij bromt nog iets van zenuwachtigheid, de vrouw probeert zwijgend, alleen met sussende geluiden, het kind weer in slaap te brengen.
1 september. In totale hulpeloosheid nauwelijks twee bladzijden geschreven. Ik ben vandaag erg achteruitgegaan, hoewel ik goed had geslapen. Maar ik weet dat ik niet mag toegeven, als ik over het diepste lijden van het reeds door mijn overige levenswijze onderdrukte schrijven de grotere vrijheid wil bereiken, die mij misschien wacht. De oude apathie heeft mij nog niet geheel losgelaten, zoals ik merk, en de koude van mijn hart zal mij misschien nooit verlaten. Dat ik voor geen enkele vernedering terugschrik, kan evengoed wanhoop betekenen als hoop geven.
Leo Vroman • 28 augustus 1952
• De in de VS woonachtige dichter/schrijver/wetenschapper Leo Vroman (1915-2014) publiceerde onderstaande brief aan Geert van Oorschot in Brieven uit Brooklyn.
[juli-augustus 1952]
[...] Twaalf jaren zijn voorbijgegaan sinds ik zo haastig, droevig en definitief uit Nederland vertrok; het was toen nog een grote tuin, met huisjes en mensjes versierd; de weiden waren licht tegen een donkere lucht, of donker tegen een lichte lucht, of grijs tegen een grijze lucht; mooi, aardig; en netjes op de kinderen na. Nu, na zovele vreemde verhalen, landen en geluiden, weet ik niet of ik droom of wakker word wanneer ik denk aan vroeger; en de weinigen die ons ooit uit Holland komen bezoeken, verschijnen en verdwijnen als visioenen; ze spreken Nederlands met een Nederlands accent en kijk ik met hen door ons raam naar buiten, dan is de Zeister tram juist om de hoek verdwenen, zijn de rails en kinderhoofdjes gladgestreken en alle duizende dames en heren op hun fietsen zijn weggevlucht als spreeuwen. De Hollanders die het dichtst nabij zijn: een Oom, een Tante, die Oom weer, Dola de Jong, de (lieve) Tante, en tenslotte Dola, zijn allen Amerikanen. Als een van hen verdwijnt is voor ons één derde van het Nederlandse volk uitgestorven. Toen de koningin hier was - die ik nog steeds het makkelijkst Prinses noem - had ik wel eens met haar willen praten en Hollands doen, maar dat zou geloof ik tegen de Hofwet der Nederlanden geweest zijn, hoe aardig ze zelf ook is. Ook was ik wat bang dat binnen een cirkel van dertig meter rondom h.m. gekomen, ik weer onder de invloed zou zijn van het Groot-Neerlands Gezag van Vaderstaat en dat ik zou worden gearresteerd door een veldwachter die mij zou inhalen in een subway station, wegens overtreding van artikel 461 Wetboek van Straf kwaad.
[...]
[juli-augustus 1952]
[...] Twaalf jaren zijn voorbijgegaan sinds ik zo haastig, droevig en definitief uit Nederland vertrok; het was toen nog een grote tuin, met huisjes en mensjes versierd; de weiden waren licht tegen een donkere lucht, of donker tegen een lichte lucht, of grijs tegen een grijze lucht; mooi, aardig; en netjes op de kinderen na. Nu, na zovele vreemde verhalen, landen en geluiden, weet ik niet of ik droom of wakker word wanneer ik denk aan vroeger; en de weinigen die ons ooit uit Holland komen bezoeken, verschijnen en verdwijnen als visioenen; ze spreken Nederlands met een Nederlands accent en kijk ik met hen door ons raam naar buiten, dan is de Zeister tram juist om de hoek verdwenen, zijn de rails en kinderhoofdjes gladgestreken en alle duizende dames en heren op hun fietsen zijn weggevlucht als spreeuwen. De Hollanders die het dichtst nabij zijn: een Oom, een Tante, die Oom weer, Dola de Jong, de (lieve) Tante, en tenslotte Dola, zijn allen Amerikanen. Als een van hen verdwijnt is voor ons één derde van het Nederlandse volk uitgestorven. Toen de koningin hier was - die ik nog steeds het makkelijkst Prinses noem - had ik wel eens met haar willen praten en Hollands doen, maar dat zou geloof ik tegen de Hofwet der Nederlanden geweest zijn, hoe aardig ze zelf ook is. Ook was ik wat bang dat binnen een cirkel van dertig meter rondom h.m. gekomen, ik weer onder de invloed zou zijn van het Groot-Neerlands Gezag van Vaderstaat en dat ik zou worden gearresteerd door een veldwachter die mij zou inhalen in een subway station, wegens overtreding van artikel 461 Wetboek van Straf kwaad.
[...]
Matthijs Vermeulen • 27 augustus 1945
• Matthijs Vermeulen (1888-1967) was een Nederlandse componist en muziekcriticus. Toen zijn vrouw Anny in augustus 1944 in het ziekenhuis werd opgenomen, ging hij haar briefjes schrijven, en hij ging daarmee door nadat ze korte tijd daarop overleden was. Ze laten zich lezen als een dagboek en zijn gepubliceerd als Het enige hart.
27 aug. 1945
De geallieerde vloten, varend naar de Japanse kust, hebben terugwaarts moeten stevenen wegens het opstuiven van tyfoons. Jammer dat het de tijd van tyfoons is in de Chinese zeeën. Mijn verstand had dit fenomeen liever toegedicht aan andere oorzaken dan een depressie der luchtlagen. Het ziet met verbazing, met tegenzin, hoe in de duur van een oogwenk, en dat is kon, de psychische substantie van enkele honderdduizenden menselijke wezens kan worden losgemaakt, kan ontploffen als een soortgelijke atomische bom, zonder enig noemenswaardig effect, zonder enige reactie op natuurlijk of bovennatuurlijk gebied. Geen merkbare storing. Alsof er niets gebeurd is. Goethe vermeldt in zijn autobiografie dat hij onder de indruk van de aardbeving van Lissabon (hij was toen zes jaar) zijn geloof aan God verloor. Wat zou hij nu verloren hebben?
27 aug. 1945
De geallieerde vloten, varend naar de Japanse kust, hebben terugwaarts moeten stevenen wegens het opstuiven van tyfoons. Jammer dat het de tijd van tyfoons is in de Chinese zeeën. Mijn verstand had dit fenomeen liever toegedicht aan andere oorzaken dan een depressie der luchtlagen. Het ziet met verbazing, met tegenzin, hoe in de duur van een oogwenk, en dat is kon, de psychische substantie van enkele honderdduizenden menselijke wezens kan worden losgemaakt, kan ontploffen als een soortgelijke atomische bom, zonder enig noemenswaardig effect, zonder enige reactie op natuurlijk of bovennatuurlijk gebied. Geen merkbare storing. Alsof er niets gebeurd is. Goethe vermeldt in zijn autobiografie dat hij onder de indruk van de aardbeving van Lissabon (hij was toen zes jaar) zijn geloof aan God verloor. Wat zou hij nu verloren hebben?
Ik verlies niets. Onontkomelijk dilemma: Of er bestaat geen Gerechtigheid in het Heelal, en het Heelal wordt zinneloze ongerijmdheid; óf onder de duizenden vergruizelde zuigelingen, jonge kinderen, meisjes en knapen van Hiroshima kon en mocht zich niet één onschuldige bevinden. Onafwijsbare consequentie: Of het Heelal is onzin, óf de duizenden kleine kinderen, meisjes en knapen van Hiroshima boetten de schuld van een vorig leven.
Ik kies de Gerechtigheid. Het heeft stellig geen jaar, misschien geen zes maanden, misschien geen zes weken gescheeld of de Japanners zelf ontdekten de atomische bom. Zij werkten, zij zwoegden erop, zonder de geringste twijfel,met al hun hoogmoed, met al hun haat, hun intelligentie, hun energie. Zij riepen hun goden aan. Zij losten het probleem niet op. En alles zorgvuldig wikkend en wegend (ogenschijnlijk hebben de Japanners zich niets te verwijten: met de grootste precisie pasten zij de methoden toe van het Westen, niet lettend op sommige verschillen van morele waarde), wie zou kunnen, wie zou durven betwisten dat ook die vertraagde ontdekking Gerechtigheid is?
Mechaniek van het fatum, van het Recht: Al het goud dat de Europeanen sedert 1492 roekeloos, rechteloos ontroofden aan Amerika, keerde naar Amerika terug.
Mechaniek van het fatum: Alle Amerikanen die van nu af over Europa zullen heersen, zeer weinigen uitgezonderd, zijn de verworpelingen geweest van Europa. Allen leden in Europa een Onrecht dat zij niet konden dulden. Hetzij om hun religie, hetzij om hun ras, hetzij om een politieke tirannie, hetzij om de afgrijselijker tirannie van een gedwongen armoede. Bijna allen vertrokken uit Europa als haveloze passagiers in de kiel van een schip. Tweehonderd jaren lang waren zij de moedigsten, de meest met energie geladenen van Europa's afkomelingen. Die uitgestotenen, zij keren terug als overwinnaars, als heersers. Ook dit is Gerechtigheid.
Muziek, schoonheid, geest, ziel van Europa zullen nu moeten opwegen tegen die nutteloze stapels goud, tegen de atomische bom.
En dat ook is Gerechtigheid.
Virginie Loveling -- 28 augustus 1914
• Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een Oorlogsdagboek bij.
Vrijdag 28 Augustus '14. 's morgens.
Bombardement van Mechelen.
Nieuwe treinladingen van dakloozen komen in Gent aan; ze zijn ten getalle van ongeveer tweeduizend: van Contich, Duffel, Lier en andere dorpen uit de provincie Antwerpen, er zijn er zelfs bij van Luik en Verviers. Allen worden in het Feestpaleis geherbergd: er was plaats: twaalf honderd Mechelaren hadden het heden verlaten, om naar Eecloo, zes honderd naar Adegem en twee honderd naar Maldegem gestuurd te worden.
Dat Feestpaleis is een hectare groot.
Kwart voor acht uur 's avonds.
Mijn weg voert over het stationsplein van Gent-St.-Pieters. Uit het gebouw is het een nieuwe uitbrokkeling van hulpzoekenden, die in lange reeksen de Albertlaan optrekken naar hun nachtverblijf. Dezelfde moedelooze gestalten, met dezelfde schijnende zakken op den rug; mannen met pakken beladen; sommigen gekromd onder den last; vrouwen en kinderen in overwegende meerderheid.
Is het de halve duisternis, de lantaarnschijn, die dat alles zoo spookachtig voorstelt?
Vrijdag 28 Augustus '14. 's morgens.
Bombardement van Mechelen.
Nieuwe treinladingen van dakloozen komen in Gent aan; ze zijn ten getalle van ongeveer tweeduizend: van Contich, Duffel, Lier en andere dorpen uit de provincie Antwerpen, er zijn er zelfs bij van Luik en Verviers. Allen worden in het Feestpaleis geherbergd: er was plaats: twaalf honderd Mechelaren hadden het heden verlaten, om naar Eecloo, zes honderd naar Adegem en twee honderd naar Maldegem gestuurd te worden.
Dat Feestpaleis is een hectare groot.
Kwart voor acht uur 's avonds.
Mijn weg voert over het stationsplein van Gent-St.-Pieters. Uit het gebouw is het een nieuwe uitbrokkeling van hulpzoekenden, die in lange reeksen de Albertlaan optrekken naar hun nachtverblijf. Dezelfde moedelooze gestalten, met dezelfde schijnende zakken op den rug; mannen met pakken beladen; sommigen gekromd onder den last; vrouwen en kinderen in overwegende meerderheid.
Is het de halve duisternis, de lantaarnschijn, die dat alles zoo spookachtig voorstelt?
Abonneren op:
Posts (Atom)







