donderdag 31 maart 2022

Loden Vogel • 1 april 1945

• Louis Tas (1920-2011) publiceerde onder het pseudoniem Loden Vogel Dagboek uit een kamp, over zijn ervaringen in Bergen-Belsen. Na de oorlog werd hij een bekende Amsterdamse psychoanalyticus, die veel kunstenaars en acteurs onder zijn clientèle had. Interview.

1 april.
Gisteren kreeg men, in plaats van brood, een knolraap. Mijn transactiehoop laaide gisteren even op, verdween geheel, en stak nog eens het hoofd op: nu schijnt er een andere weg te wezen. Inmiddels was er gisteren een debat over de luizenbestrijding, waarbij defaitisme en laisser aller de boventoon voerden. Komt er iets van een specifieke luizenbestrijding, dan doe ik dát veel liever, dan me hier als luizenspecialist met een uur werk per dag te drukken. Men zou die luizenbestrijders echter niet zonder een ontbijt aan het werk kunnen sturen. Het fraaiste argument tegen de luizenbestrijding kwam van dr. Elte: ‘De mortaliteit van de exanthematicus valt hier zo méé...’ Mams geen verhoging meer, wel pijn in de rug: de urine was gelukkig in orde. Zeer veel ongeloofwaardige oorlogsgeruchten: Paderborn uit de lucht genomen. Erratum: gegrepen.
Wat aten ze lekker in Farewell to Arms... kaas en macaroni en choucroute en ham-and-eggs. Toch vond hij het blijkbaar de moeite van het vermelden waard, wat het ook wás. Al weer een van de door mij ontluisden, de oude Klerk, vannacht gestorven. Ik loop er een ‘lekker vet diner en stevige borrel’ na de oorlog door mis. Waren al mijn patiënten in leven gebleven, dan kon ik met hartvervetting en delirium rekenen. Honger, honger, honger. Ik stelde Paps voor het dieeteten, als er geen brood is, in drieën te delen. Hij voelde er niet voor, zei terecht dat ik toch meer kreeg van alles. Misschien doordat m'n blaas geïrriteerd is (6 × per nacht wateren) steekt ook het geslachtsleven - in letterlijke zin - een beetje de kop op. Ik zou niet graag als eunuch sterven, dus begroet dit nieuwe feit. Ik organiseerde en draag een rood poloshirt, zoals Daan Sajet er een had. Flap is van alle kennissen de enige met wie ik na de oorlog kan nakaarten: hij kent het kampleven. Aan het lijk eens mans, vannacht in de barak 33 gestorven, mankeerden vanmorgen de oogballen. In het Häftlingenkamp kan men nu een lange rij naakte lijken zien liggen. Zo suggestief, dat ik ze tegen het gure weer met kampdekens zou willen toedekken.
Abel is verhuisd naar het zogenaamde Altersheim, en stelt zich daardoor m.i. aan groot gevaar bloot. Enorm verluisd, is het daar het kruitvat voor een exanthematicusexplosie.

woensdag 30 maart 2022

Anne Frank • 31 maart 1944

• Anne Frank (1929-1945) was een Joods meisje dat na haar dood bekend is geworden door het dagboek (Het achterhuis) dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam.

Vrijdag, 31 Maart 1944

Lieve Kitty,
Stel je voor, het is nog tamelijk koud, maar de meeste mensen zitten al ongeveer een maand lang zonder kolen, plezierig hè! De stemming in het algemeen is weer optimistisch voor het Russische front, want dat is geweldig! Ik schrijf wel niet veel over de politiek, maar waar ze nu staan moet ik je toch even mededelen, ze staan vlak voor het Generaal-Gouvernement en bij Roemenië aan de Proeth. Vlak bij Odessa staan ze. Hier wachten ze elke avond op een extra communiqué van Stalin. In Moskou schieten ze zoveel saluutschoten af, dat de stad elke dag wel dreunen moet; of ze het nu leuk vinden om te doen of de oorlog weer in de buurt is, of dat ze geen andere manier weten om hun vreugde te uiten, ik weet het niet!
Hongarije is door Duitse troepen bezet, daar zijn nog een millioen Joden, die zullen er nu ook wel aangaan.
Het geklets over Peter en mij is een beetje bedaard. Wij zijn erge goede vrienden, veel bij elkaar en praten over alle mogelijke onderwerpen. Het is zo fijn, dat ik me nooit moet inhouden zoals bij andere jongens het geval zou zijn, als we op précair gebied komen.
Mijn leven hier is beter geworden, veel beter. God heeft mij niet alleen gelaten en zal me niet alleen laten.
Je Anne.

Zaterdag, 1 April 1944

Lieve Kitty,
En toch is alles nog zo moeilijk, je weet zeker wel wat ik bedoel, hé? Ik verlang zo ontzettend naar een kus, de kus die zo lang uitblijft. Zou hij mij aldoor nog als een kameraad beschouwen? Ben ik dan niet méér?
Jij weet en ik weet, dat ik sterk ben, dat ik de meeste lasten wel alleen kan dragen. Ik ben het nooit gewend geweest mijn lasten met iemand te delen, aan mijn moeder heb ik me nooit vastgeklemd, maar nu zou ik zo graag eens mijn hoofd tegen zijn schouder leggen en alleen maar rustig zijn.
Ik kan niet, kan nooit de droom van Peters wang vergeten, toen alles, alles zo goed was! Zou hij niet ook daarnaar verlangen? Zou hij alleen maar te verlegen zijn om zijn liefde te bekennen? Waarom wil hij mij zo vaak bij zich hebben? O, waarom spreekt hij niet?
Laat me ophouden, laat me rustig zijn, ik zal me wel sterk houden en met wat geduld zal dat andere ook wel komen, maar ... en dat is het erge, het ziet er zo erg naar uit of ik hem naloop, altijd moet ik naar boven, niet hij gaat naar mij.
Maar dat ligt aan de kamers en hij begrijpt dat bezwaar wel.
O ja, hij zal wel meer begrijpen.
Je Anne.

dinsdag 29 maart 2022

Michel Leiris • 30 maart 1940

• In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989 van de Franse schrijver Michel Leiris (1901-1990) is geen dagboek in de eigenlijke zin: het is een plakboek, plaats voor schrijfoefeningen en opzetjes, een notitieboekje voor faits divers. Vragen over dood en verval vormen een rode draad. Over zijn liefdesrelatie met de Algerijnse prostituee Khadidja schrijft hij ook uitvoerig in zijn La Règle du jeu. Vertaling: Michel van Nieuwstadt.

Maart 1940
Khadidja bent Maamar Chachour, geboren in Algiers, leeftijd 23 jaar.
[…] De hoge vlucht die haar tederheid neemt, haar lust in het overstelpen met gaven, in het overladen met kleine attenties, in het bescherming bieden. De ‘stengel gepijpt’, het uiteindelijke klaarkomen – in de lakens – juist op de woorden ‘twintig franc’ van een discussie over de betaling.[...]
Diarree ’s nachts. Zij komt regelmatig naar de plee om te vragen: Wat doe je daar?’ Nog een andere keer pissen we samen.
‘Ik had je voor een soldaat tweede klas gehouden.’
Het sterrenbeeld Orion, gezien vanuit de boot.
[..] Haar grote geopende geslachtsdeel, waarin ik mij laat opslokken. Nadat er een zeer lange tijd is verstreken, lijk ik diep in haar wat spiersamentrekkingen te bemerken die het bewijs kunnen zijn dat zij niet gevoelloos is. Maar kort daarna houdt mijn erectie op... De coïtus zal pas de volgende ochtend – omstreeks 5 uur – herhaald worden tot aan mijn klaarkomen.
Het Arabische liedje dat Khadidja zingt bij het oversteken van de binnenplaats om de flessen bier te gaan halen waarvoor zij mij het geld afhandig heeft kunnen maken: het leek een oorlogsdeuntje, een overwinningslied. Het doet me denken aan sommige trotse liederen uit de zar-bezweringen.
De Nereïde van de Rode Zee, of liever nog: de engel de doods, dat wil zeggen Judith met de tederheden van Lucretia.

maandag 28 maart 2022

Roald Dahl • 29 maart 1944

• Roald Dahl (1916-1990) schreef zijn hele leven brieven aan zijn moeder. Een selectie is gepubliceerd als Liefs van Boy (vertaald door Auke Leistra). 

29 maart 1944 Washington
Lieve Mama,
Niet veel nieuws hier behalve dat het voorjaar in de lucht hangt, en dat het niet lang meer zal duren of de Japanse kersen langs de straten van Washington staan in volle bloei. Het is al warmer, en mensen beginnen alweer tegen de zomer op te zien.
Heb vorige week zondag weer gedineerd bij 'Mrs Bloody Hope Diamond', zoals Alf haar noemt. Deze keer was alles van goud. Alle borden, alle messen, vorken, lepels, zoutvaatjes etc. etc. Op de een of andere manier had ik dat eerst niet in de gaten, ik pakte gewoon mijn mes en begon mijn vlees te snijden. 'Jeetje,' zei ik, 'dit mes is hartstikke bot.' 'Ja, wat denk jij dan, onnozele hals,' zei Mrs McLean vanaf het andere eind van de tafel, 'het is van goud.' Tegen die tijd had ik het bijna dubbel gebogen, zo zacht was het. Ik baarde nogal wat opzien toen ik de butler om een stalen mes vroeg waar je wél mee kon snijden. Ik heb in mijn leven heel wat onnozels mogen aanschouwen, maar nog nooit zoiets onnozels als een stelletje uilskuikens dat verwoed probeert met botte zachte gouden messen hun nogal taaie vlees te snijden. En ik kon er niet een in mijn zak steken, want er hing een detective in de kamer rond met één hand in zijn zak ...
Veel liefs voor allen
Roald

zondag 27 maart 2022

Sir Walter Scott • 28 maart 1826

• Sir Walter Scott (1771-1832) was een Schotse dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans, zoals Ivanhoe. Van 1825 tot 1832 hield hij een dagboek bij.

March 28.— We have now been in solitude for some time—myself nearly totally so, excepting at meals, or on a call as yesterday from Henry and William Scott of Harden. One is tempted to ask himself, knocking at the door of his own heart, Do you love this extreme loneliness? I can answer conscientiously, I do. The love of solitude was with me a passion of early youth; when in my teens, I used to fly from company to indulge in visions and airy castles of my own, the disposal of ideal wealth, and the exercise of imaginary power. This feeling prevailed even till I was eighteen, when love and ambition awakening with other passions threw me more into society, from which I have, however, at times withdrawn myself, and have been always even glad to do so. I have risen from a feast satiated; and unless it be one or two persons of very strong intellect, or whose spirits and good-humour amuse me, I wish neither to see the high, the low, nor the middling class of society. This is a feeling without the least tinge of misanthropy, which I always consider as a kind of blasphemy of a shocking description. If God bears with the very worst of us, we may surely endure each other. If thrown into society, I always have, and always will endeavour to bring pleasure with me, at least to show willingness to please. But for all this "I had rather live alone," and I wish my appointment, so convenient otherwise, did not require my going to Edinburgh. But this must be, and in my little lodging I will be lonely enough. 

Had a very kind letter from Croker disowning the least idea of personal attack in his answer to Malachi. 

Reading at intervals a novel called Granby; one of that very difficult class which aspires to describe the actual current of society, whose colours are so evanescent that it is difficult to fix them on the canvas. It is well written, but over-laboured—too much attempt to put the reader exactly up to the thoughts and sentiments of the parties. The women do this better: Edgeworth, Ferrier, Austen have all had their portraits of real society, far superior to anything man, vain man, has produced of the like nature.

Loung Ung • 27 maart 1979

• Loung Ung (1970) is een Cambodjaans-Amerikaanse mensenrechtenactiviste. Haar herinneringen aan haar jonge jaren in Cambodja zijn verschenen als First they killed my father. In augustus 1977 werd de zevenjarige Loung doorgestuurd naar een trainingskamp voor kindsoldaten. Hierdoor werd ze gedwongen haar zus Chou achter te laten.

March 1979
A few days later, Meng arrives at the tent site all flushed and out of breath, telling us he has just returned from the Youn jail. He says somehow the Youns have captured a Khmer Rouge soldier and are holding him there. He reports that when the villagers heard about this, hundreds of them rushed to the jail and demanded that the Khmer Rouge soldier be released to them. Men, women, and children blocked the entrance to the jail, threatening to riot if their demands were not met. They carried steel bars, axes, knives, wooden stakes, and hammers—all the weapons used by the Khmer Rouge soldiers to kill their victims.

Meng says the villagers at the jail have only one thing in mind: blood for blood, life for life. They want a public execution of the prisoner. They screamed threats to the Youn soldiers and questioned why the prisoner should be protected. They are ready to break down the jail if they must to get to the prisoner. In the end, the Youns opened the door and handed the prisoner over to the people. The crowd raised their weapons in the air and cheered with satisfaction. Finally, they have the power to seek revenge for their suffering.

He describes how two Khmer men in their early thirties stepped forward and took the prisoner from the Youns as the crowd cheered again. The men dragged the prisoner away while people were pushing and shoving around them. They took him to the middle of a field on the edge of town. Someone brought forth a chair and put it in the middle of the crowd. The two men thrust the prisoner into the chair, and tied his hands behind his back and his legs together.

Hearing this, my heart races with excitement. Finally, a chance to kill for Pa, Ma, Keav, and Geak. “Come, Chou! Let us go and watch!” I plead with her.
“No. Please don’t go,” Chou pleads with me.
“I have to go. We get to kill one of them for once.”
“Meng and Khouy won’t like it when they hear about this.”
“Don’t you tell them then. Don’t you want to see the execution yourself?”
“No.” When Chou makes up her mind, there is no changing it.

Failing to convince her, I head off on my own. To get to the field, I have to wade across the river, climb a tall hill, cross a broken bridge, and walk thirty minutes in the scorching sun. When I arrive hundreds of people are already there, standing around the prisoner. Their bodies block my view. I shift, trying to find an open space between them, but I cannot. Frustrated, I wedge my small body between theirs and push my way through, calling out loudly, “Sorry, I cannot see.” The tall bodies snort and huff in annoyance but let me through anyway. I am in the middle of the crowd, totally surrounded by people. I cannot see anything. I look up to the faces of the adults who are all looking in the same direction. Breathing a sigh of relief, I follow their gaze. Sorry, I cannot see.” I repeat my pleas as I nudge and step on their toes trying to get to the front. Finally, I see a clearing between people’s legs. I try to push my way through, but they are so engrossed in what’s going on that they do not move. Determined, I get on my hands and knees, and crawl through the brown forest of legs up to the front.

There he is. I stand and find myself almost face-to-face with him, separated by only fifteen feet. Automatically, I raise my scarf to cover my head and face. My heart beats wildly. Fear seeps into my body. He is looking at me. He can see me. What if he escapes and kills me? I take a step back, leaning into the crowd for protection. The crowd vibrates with anticipation and energy, closing in around the prisoner, glaring at him. I have never seen an execution before. Rage heats up my body, seeing only one of them killed is not enough!

His face reveals nothing. His lips do not beg for mercy. He sits propped up on a highback chair on a gravel hill that serves as a stage. He is dark and wears the black clothes of the Khmer Rouge—the black clothes I still wear. His matted hair is sweaty and he hangs his head to focus on his feet. The rough hemp rope that binds his feet together is so tightly tied that it draws blood. More rope straps him to the back of the chair, it coils around him from the chest down to the stomach.

“Murderer! You deserve to die a slow, painful death!” someone yells.

That is what we have planned for him. I hope he knows his life is about to end. I hope he knows we are here because we want his blood and will soon rip him apart for it. People talk loudly about the best way to kill him. They argue about how to make the execution as drawn out and painful as possible. They discuss which tools to use to crack his skull, to slice his throat. Someone says we should let him sit in the sun, shave his skin open little by little, and rub salt into the wounds. Someone else wants to strangle him bare-handed. The discussion continues for a long time, but the people cannot agree on what to do.

Finally, two middle-aged men step up in front. The crowd hushes. The prisoner glances up. He looks scared now. His eyes are squinting and his lips move as if to mutter something, but he decides against it and purses his lips shut. Sweat pours from his face, slides over his Adam’s apple, and soaks his shirt. He bends his head, looks down at his feet again, knowing there is no way out. His government has created a vengeful, bloodthirsty people. Pol Pot has turned me into someone who wants to kill.

zaterdag 26 maart 2022

Lizzy van Dorp • 26 maart 1900

• Lizzy van Dorp (1872-1945) was de eerste vrouwelijke rechtenstudent van Nederland, later econome en politica. Haar studentendagboek staat hier online.

Eerste reis naar Parijs. Veel genoten, maar ik houd niet van Parijs. 't Is vies, een rommel, onecht. De Franse geest is mij vreemd. Er is niets [?] in, alles nageaapt. Wel mooi soms, maar 't mooiste eigenlijk, de schilderijen, die ze van ons en de Italianen gestolen hebben. [Dan volgt een opsomming van de toeristische hoogtepunten, zoals een bezoek aan het Paleis van Versailles; Van Dorp vindt het paleis vervelend, net als de tuinen.]

Winter. Verging onder gestadig werken. Een nieuwe professor, Visser, heel knap , en heel laag bij de grond en heel vervelend! Prof. Drucker afgetreden als prof. omdat hij lid van de [Tweede] Kamer is en — wel eens minister worden zal — gaf als privaatdocent heel prettige colleges. Verder Oppenheim, als altijd genoeglijk, en Van der Hoeven — veel diners —meest vervelend. Eind januari van 17-22 was ik pleegmoeder van de kinderen Veit. We hadden 'r erg genoeglijk, sedert is het dikke vriendschap. De ouders brachten me uit Parijs mijn Gioconda [Mona Lisa] mee in kooldruk — heerlijk!
De onzalige oorlog van Engeland tegen Transvaal begon 10 okt. In het begin hoopten we allen het beste, nu (1900) begint ieder te wanhopen — ik nog niet. Als ze de guerrilla maar volhouden, kan Engeland 't niet uithouden. Hoe schandelijk Engelands hele houding is, alle bladen staan er vol van. Heel Europa staat aan de zijde van de Boeren. Maar de regeringen houden alles tegen. Wat hebben we aan 't nieuwe regiem, de zogenaamde democratie?
Wanhopige wereld. Alle recht met voeten getreden. God, God, is dat vooruitgang? Veel kunst genoten van 't winter. O.a. een Bosboomtentoonstelling en een Hoytema dito. Ik heb zo graag 't werk van één. Men heeft dan een geheel iets levends voor zich.
Goddelijk schaatsen gereden op de Kaag. 't Prachtigste ijs. Echt Hollands; hele dorpen op 't ijs en overal kraampjes. Nu eerst begrijp ik die oud Hollandse ijsgezichtjes, Schelfthout en anderen.
Op prof. Tieles verjaardag werd ik op een intiem dineetje gevraagd, grote eer. Marie Krantz kwam met Kerstmis Hoyer presenteren. Hij viel erg in de smaak. Er kwam een meisjesstudentenclub tot stand, waar ik per se praeses van moest worden, evenals van de afdeling Leiden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.

17 maart. Zaterdag. Een interessante tentoonstelling van Van Gogh. Jammer, jammer, dat die man zo jong gestorven is, en niet de tijd heeft gehad, op een andere manier uit te drukken wat er in hem leefde. Want dat was groot. Die goddelijke liefde voor licht en zon en bloei!

21 maart. Met de Vreedes naar een mooi Diligentia concert. De koningin was er, maar ze zag er lelijk uit en verveelde zich. Ze houdt niet van muziek, de arme, en moet er toch heen.

26 maart. Debating. Heel aardig. Wij meisjes zijn daar van 't winter voor 't eerst lid van.

27 maart. Een prachtlezing van Treub over socialisme. Een harde eerzuchtige man, maar een redenaar van Gods genade en klaar en helder als een Zwitserse bergbeek. Er zit Zwitsers bloed in hem.