• Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. In 2015 is haar oorlogsdagboek gepubliceerd (Nederlandse vertaling).
1 februari
Dit is volgens de correspondent van - Stockholms-Tidningen het Griekenland van vandaag. [N.a.v. een artikel 'Daar is het in Europa het ergst' in Stockholms-Tidningen 1 februari 1942 - hier niet opgenomen] En zo verschrikkelijk veel beter zal het in Europa wel nergens zijn, behalve hier in Zweden. Frankrijk moet toenadering zoeken tot Duitsland, stond er onlangs in een krant; ze kunnen het gebrek aan levensmiddelen en de ellende niet langer volhouden. In België vallen de mensen op straat flauw van de honger, in Finland en Noorwegen is het ellendig en in Duitsland natuurlijk ook. Hoe het in Rusland is, weet ik niet, maar met een beetje fantasie kun je je dat natuurlijk wel voorstellen.
En dan weer deze gruwelijk koude winter. De mensen moeten zo'n kou lijden en hebben het zo beroerd dat het om te huilen is.
Tijdens een plechtige ceremonie in [kasteel] Akershus heeft de Reichskommissar Terboven afgelopen zondagochtend meegedeeld dat Quisling minister-president van Noorwegen zal worden.
23 februari
Sinds de laatste keer dat ik schreef, zijn grote gebeurtenissen geschied die ik hier eigenlijk met veel grotere regelmaat had moeten invoeren. Zoiets als de val van Singapore gebeurt - naar men beweert - maar één keer per eeuw. Ik had een krantenknipsel bewaard over die gebeurtenis, maar dat lijkt te zijn zoekgeraakt. De Japanse krachtontwikkeling in de Stille Oceaan is uniek; als je je realiseert dat Singapore, een vesting waarmee Engeland eeuwenlang een buitengewone sleutelpositie in handen heeft gehad, na zo'n korte tijd door de Japanners kon worden ingenomen - dat zegt heel wat over het vermogen van de Japanners en misschien nog meer over de gruwelijke nonchalance van de Engelsen. Dit was de reden dat er in Engeland een regeringscrisis dreigde, maar blijkbaar heeft Churchill zoals gewoonlijk de storm overleefd. [...]
maandag 31 januari 2022
zondag 30 januari 2022
Paula Geerts • 31 januari 1938
• Paula Geerts (1922-1940) was een diepgelovig meisje, dat van haar veertiende tot haar zestiende een dagboek bijhield, waarin ze vaak over haar geloofsvragen schreef. Ze kwam om het leven bij een bombardement aan het begin van de Tweede Wereldoorlog.
24 JANUARI, MAANDAG
Wat er toch met mij aan de hand is, ik begrijp er niets van. Ik heb gisteren en vandaag zo'n droevige bui, vreselijk! En zonder enige reden. Ik moest hemelsblij zijn, maar 't is heus onmogelijk. En nu is toch alles in orde. Ik heb eigenlijk zin om eens heel flink, woest te huilen, zo'n kwartier lang. Misschien waren die 14 dagen van spanning en wachten wel wat teveel voor m'n „overspannen" zenuwen, 't Is in ieder geval vervelend.
Gisteren met vader gaan wandelen naar de Kapellenberg. Best fijn.
30 JANUARI, ZONDAG.
Er zijn hele nieuwe werelden deze week voor mij opengegaan. Ik kan niet geloven dat de mensen zo slecht zijn. 't Ontmoedigt me. O, ik vind mezelf 'n lafaard, net als die rijke jongeling ben ik: als 't er op aankomt alles weg te geven, krabbel ik terug. Vanmiddag „De Heilige Proletariër" gelezen. Prachtig. Maar bij mij blijft alles hol gefilosofeer. Met de theorie kan ik bewijzen, dat het wegschenken het beste is, maar doen? Ho jé, nee, ik ben zo flauw, zo verwend, zo laf! Nou, ik zal er maar mee uitscheiden, want met al die woestheid schiet ik geen lor op.
3 FEBRUARI, DONDERDAG.
Maandag en Dinsdag vrij gehad, vanwege Prinses Beatrix. Fijn.
Vanavond te biechten geweest. Ik ben woest. Zaterdag idem. Schijnbaar is er geen mens die me wil of kan begrijpen. Ik zal P. Braun maar weer eens schrijven. Die interesseert zich tenminste voor je. Overigens 2 rotte weken geweest. Er moest nodig eens verandering komen.
Wat er toch met mij aan de hand is, ik begrijp er niets van. Ik heb gisteren en vandaag zo'n droevige bui, vreselijk! En zonder enige reden. Ik moest hemelsblij zijn, maar 't is heus onmogelijk. En nu is toch alles in orde. Ik heb eigenlijk zin om eens heel flink, woest te huilen, zo'n kwartier lang. Misschien waren die 14 dagen van spanning en wachten wel wat teveel voor m'n „overspannen" zenuwen, 't Is in ieder geval vervelend.
Gisteren met vader gaan wandelen naar de Kapellenberg. Best fijn.
30 JANUARI, ZONDAG.
Er zijn hele nieuwe werelden deze week voor mij opengegaan. Ik kan niet geloven dat de mensen zo slecht zijn. 't Ontmoedigt me. O, ik vind mezelf 'n lafaard, net als die rijke jongeling ben ik: als 't er op aankomt alles weg te geven, krabbel ik terug. Vanmiddag „De Heilige Proletariër" gelezen. Prachtig. Maar bij mij blijft alles hol gefilosofeer. Met de theorie kan ik bewijzen, dat het wegschenken het beste is, maar doen? Ho jé, nee, ik ben zo flauw, zo verwend, zo laf! Nou, ik zal er maar mee uitscheiden, want met al die woestheid schiet ik geen lor op.
3 FEBRUARI, DONDERDAG.
Maandag en Dinsdag vrij gehad, vanwege Prinses Beatrix. Fijn.
Vanavond te biechten geweest. Ik ben woest. Zaterdag idem. Schijnbaar is er geen mens die me wil of kan begrijpen. Ik zal P. Braun maar weer eens schrijven. Die interesseert zich tenminste voor je. Overigens 2 rotte weken geweest. Er moest nodig eens verandering komen.
Lodewijk van Deyssel • 30 januari 1951
• Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een Nederlandse schrijver. Hij hield verschillende dagboeken bij, en schreef in zijn laatste aantekeningen soms over wat hij zijn 'Goddelijke gevoelingen' noemde.
• Portret: Jan Veth.
(Dagboek 30 Januari 1951)
Ik weet in den hemel te zijn en bemerk er op 't oogenblik nagenoeg niets van. Ga ik na hoe mijn 'omstandigheden' zijn, dan blijken die zóo, dat ik geen betere zou wenschen. Maar iets prettigs, veel aangenaams te ervaren, behoort niet tot het verblijven in den hemel. Afwezigheid van het lichamelijk en geestelijk onaangename is wèl een bestanddeel, is als 't ware de vloer, van het hemelsch verblijf, even zeer, ongeveer, als het weten, dat men leeft.
Als ik zeg te weten in den hemel te zijn, zeg ik daarmee mij te herinneren, dat mijn denken mij het bewustzijn kan geven zóo gelukkig te zijn, dat ik mij geen grooter geluk kan denken. Wanneer ik nu door het venster naar buiten kijk en daar de, dagelijks zich vertoonende, gewone dingen zie, denk ik, ofschoon zeer 'gedrukt' zijnde, niet: 'Daar heb je wéér al die ellendige wezenloze dingen van het grauwe stadsleven;' maar ik denk: 'Daar heb je weer al die beminde dingen, wier aanblik mij den hemel kan geven.' Aldus ben ik ook op den sombersten dag met den hemel, hoe lichtelijk het ook moge zijn, eenigermate verbonden. Dat is er een teken van, dat in mijn gegeven denken, de hemel-gedachte hoofdzakelijker is dan de wisselende geestes-gesteldheden.
(Dagboek 30 Januari 1951)
Ik weet in den hemel te zijn en bemerk er op 't oogenblik nagenoeg niets van. Ga ik na hoe mijn 'omstandigheden' zijn, dan blijken die zóo, dat ik geen betere zou wenschen. Maar iets prettigs, veel aangenaams te ervaren, behoort niet tot het verblijven in den hemel. Afwezigheid van het lichamelijk en geestelijk onaangename is wèl een bestanddeel, is als 't ware de vloer, van het hemelsch verblijf, even zeer, ongeveer, als het weten, dat men leeft.
Als ik zeg te weten in den hemel te zijn, zeg ik daarmee mij te herinneren, dat mijn denken mij het bewustzijn kan geven zóo gelukkig te zijn, dat ik mij geen grooter geluk kan denken. Wanneer ik nu door het venster naar buiten kijk en daar de, dagelijks zich vertoonende, gewone dingen zie, denk ik, ofschoon zeer 'gedrukt' zijnde, niet: 'Daar heb je wéér al die ellendige wezenloze dingen van het grauwe stadsleven;' maar ik denk: 'Daar heb je weer al die beminde dingen, wier aanblik mij den hemel kan geven.' Aldus ben ik ook op den sombersten dag met den hemel, hoe lichtelijk het ook moge zijn, eenigermate verbonden. Dat is er een teken van, dat in mijn gegeven denken, de hemel-gedachte hoofdzakelijker is dan de wisselende geestes-gesteldheden.
Victor Van de Weghe • 29 januari 1866
Uit: De Vlaamsche School (1866).
Denderleeuw.
29 Januari 1866.
I.
Brand, brand!
Te Denderleeuw is brand!
De rouwklok bomt. Waar woedt de brand?
Elk vlucht zijn wooning ijlend uit,
En komt met emmer, nat en spuit,
Want 't brandt, want 't brandt!
En ach! daar rijst een zwarte rookkolom
Verschrikkend in de hoogte,
Zij drijft, en rolt, en werpt zich hooger om
In warrelend geboogte;
En tusschen rook ontschiet een' woeste vlam
Door lucht en wind gevoed;
Zij slingergolft met vlugge en holle gram
Heên en weêr den gloed!
Brand, brand!
In Denderleeuw is brand!
Vliegt het den ganschen omtrek toe,
In Aalst en Ninoov', t' allen kant,
‘Och bluscht; en werkt, en weest niet moê
Want 't brandt, want 't brandt!’
Vlammen slaken,
Balken kraken,
Stijlen, sporten,
Breken, storten
Woedend met een naar gedruis;
Ruiten klettren,
Muren plettren
Vallen in het brandend huis;
Gansche hoopen,
Kinders loopen
Huilend 't dorpje op en neêr;
Moeders dwalen
IJlen, dralen,
Grijsaards zuchten,
Meisjes vluchten
Smeekend Onzen Lieven Heer!
Paarden, koeien,
Brieschen, loeien
Duizelig van damp en vuur.
De spuiten beginnen
Een weinig te winnen,
God! wat voor een aaklig uur.....
De klok klept voort, de vlammen heffen,
De gloed vernielt en loopt volop:
Het ééne huis komt 't ander treffen,
Ofschoon men giet, en giet er op.
Uit Aalst en Ninoov' komen treinen
Met spuitgetuigen aangereên,
Elk doet om 't meest zijn ijver schijnen,
Bij 't klagend kermen en geween.
De Aalstenaren, moed'ge zonen,
Ze stuwen zelf hun wagen voort,
O, ziet hoe schrander zij zich toonen,
Ziet hoe hun pomp den vuurkuil boort.
De klok klept voort in droeve toonen
En roept om hulp in rouwgeluid,
En negen huizen, negen wonen,
Werden dáár des brandramps buit.
II.
Reeds lang zweeg 't angstgeklep op de hooge kerketoren,
En nu was gansch de brand voorbij;
Nu mag men op het puin hunn' droeve klachten hooren,
Want ze zijn zonder woon: een twintigtal nabij!
Geen woon, geen bed, geen brood, oh! hoort hun droevig steenen,
En wat zal 't morgen zijn?
Wie komt hun hulp en troost en haard en bed verleenen,
Wie lenigt druk en pijn?
Geen woning meer op aard', beseft gij dit, o rijken?
o, Weest gevoelig dan, wilt voor wat geld niet wijken
Dat laafnis brengen kan aan d'overgroote smart
Dier afgebranden daar, aan hun gefolterd hart.
Zietdaar een arme weduwvader,
Hoe oud, hoe sukkel is hij toch:
Zijn huis stond ook de vlam te nader,
Waar is zijn kreupel kindje, och!
En verder eene schaamle vrouw,
Zij ijlt verdwaald en zoekt haar kroost....
De brand die dompelt haar in rouw,
Och geeft, och geeft haar heul en troost.
Zij zwerven ginds, het hoofd gebogen,
Het hart vol leed, het dorpje rond;
De tranen bigglen uit hun oogen,
Bij 't zicht van de uitgebranden grond.
Maar, arme lieden, wanhoopt niet,
Een lichtje glimt daar in 't verschiet,
't Is de Liefdadigheid,
Die u zoo zacht
Thans tegenlacht:
Inschrijvingslijsten zendt men rond,
Men maakt uw wee, uw lijden kond;
Hoe bitter gij daar schreit.
Men geeft voor u koncert en feest,
En giften vallen om het meest;
't Is de liefdadigheid!
Liefdadigheid, ô hemeltrans,
Hoe zalig is niet uwen glans
Te Denderleeuw!
Kom, rijk man, geef, kom, milde, kom,
Ze zijn ginds zonder huis alom,
Bij koû en sneeuw.
Des Dendergallems(*) toonen schallen,
Voor penningen die nedervallen,
Voor weez en weeûw':
O burgers, Aalstenaren, milde goede harten,
Gij kent der armen nood, gij kent zijn druk, zijn smarten,
Mevrouw, mijnheer,
Legt uwen penning bij dat feest,
Liefdadigheid is graag de grootste burgerdeugd,
Mevrouw, mijnheer,
Ach, geeft toch heden om het meest.
Uw' almoes baart dáár zoo'n warme zielevreugd,
Erbarming voor den nood, gij, goede milde harten,
't Is voor het schamel volk, tot leenging zijner smarten.
................
O rijken, dank, op voorhand dank,
Gij hoordet den liefdaadgen klank,
En gaaft hun woon en bed:
God loone u voor deez' goede daad,
Gij gaaft hun weder woon op straat,
En Denderleeuw is weêr gered!
Victor Van de Weghe,
Onderluitenant bij het 10e regt.
Yperen, 7 Februari 1866.
I.
Brand, brand!
Te Denderleeuw is brand!
De rouwklok bomt. Waar woedt de brand?
Elk vlucht zijn wooning ijlend uit,
En komt met emmer, nat en spuit,
Want 't brandt, want 't brandt!
En ach! daar rijst een zwarte rookkolom
Verschrikkend in de hoogte,
Zij drijft, en rolt, en werpt zich hooger om
In warrelend geboogte;
En tusschen rook ontschiet een' woeste vlam
Door lucht en wind gevoed;
Zij slingergolft met vlugge en holle gram
Heên en weêr den gloed!
Brand, brand!
In Denderleeuw is brand!
Vliegt het den ganschen omtrek toe,
In Aalst en Ninoov', t' allen kant,
‘Och bluscht; en werkt, en weest niet moê
Want 't brandt, want 't brandt!’
Vlammen slaken,
Balken kraken,
Stijlen, sporten,
Breken, storten
Woedend met een naar gedruis;
Ruiten klettren,
Muren plettren
Vallen in het brandend huis;
Gansche hoopen,
Kinders loopen
Huilend 't dorpje op en neêr;
Moeders dwalen
IJlen, dralen,
Grijsaards zuchten,
Meisjes vluchten
Smeekend Onzen Lieven Heer!
Paarden, koeien,
Brieschen, loeien
Duizelig van damp en vuur.
De spuiten beginnen
Een weinig te winnen,
God! wat voor een aaklig uur.....
De klok klept voort, de vlammen heffen,
De gloed vernielt en loopt volop:
Het ééne huis komt 't ander treffen,
Ofschoon men giet, en giet er op.
Uit Aalst en Ninoov' komen treinen
Met spuitgetuigen aangereên,
Elk doet om 't meest zijn ijver schijnen,
Bij 't klagend kermen en geween.
De Aalstenaren, moed'ge zonen,
Ze stuwen zelf hun wagen voort,
O, ziet hoe schrander zij zich toonen,
Ziet hoe hun pomp den vuurkuil boort.
De klok klept voort in droeve toonen
En roept om hulp in rouwgeluid,
En negen huizen, negen wonen,
Werden dáár des brandramps buit.
II.
Reeds lang zweeg 't angstgeklep op de hooge kerketoren,
En nu was gansch de brand voorbij;
Nu mag men op het puin hunn' droeve klachten hooren,
Want ze zijn zonder woon: een twintigtal nabij!
Geen woon, geen bed, geen brood, oh! hoort hun droevig steenen,
En wat zal 't morgen zijn?
Wie komt hun hulp en troost en haard en bed verleenen,
Wie lenigt druk en pijn?
Geen woning meer op aard', beseft gij dit, o rijken?
o, Weest gevoelig dan, wilt voor wat geld niet wijken
Dat laafnis brengen kan aan d'overgroote smart
Dier afgebranden daar, aan hun gefolterd hart.
Zietdaar een arme weduwvader,
Hoe oud, hoe sukkel is hij toch:
Zijn huis stond ook de vlam te nader,
Waar is zijn kreupel kindje, och!
En verder eene schaamle vrouw,
Zij ijlt verdwaald en zoekt haar kroost....
De brand die dompelt haar in rouw,
Och geeft, och geeft haar heul en troost.
Zij zwerven ginds, het hoofd gebogen,
Het hart vol leed, het dorpje rond;
De tranen bigglen uit hun oogen,
Bij 't zicht van de uitgebranden grond.
Maar, arme lieden, wanhoopt niet,
Een lichtje glimt daar in 't verschiet,
't Is de Liefdadigheid,
Die u zoo zacht
Thans tegenlacht:
Inschrijvingslijsten zendt men rond,
Men maakt uw wee, uw lijden kond;
Hoe bitter gij daar schreit.
Men geeft voor u koncert en feest,
En giften vallen om het meest;
't Is de liefdadigheid!
Liefdadigheid, ô hemeltrans,
Hoe zalig is niet uwen glans
Te Denderleeuw!
Kom, rijk man, geef, kom, milde, kom,
Ze zijn ginds zonder huis alom,
Bij koû en sneeuw.
Des Dendergallems(*) toonen schallen,
Voor penningen die nedervallen,
Voor weez en weeûw':
O burgers, Aalstenaren, milde goede harten,
Gij kent der armen nood, gij kent zijn druk, zijn smarten,
Mevrouw, mijnheer,
Legt uwen penning bij dat feest,
Liefdadigheid is graag de grootste burgerdeugd,
Mevrouw, mijnheer,
Ach, geeft toch heden om het meest.
Uw' almoes baart dáár zoo'n warme zielevreugd,
Erbarming voor den nood, gij, goede milde harten,
't Is voor het schamel volk, tot leenging zijner smarten.
................
O rijken, dank, op voorhand dank,
Gij hoordet den liefdaadgen klank,
En gaaft hun woon en bed:
God loone u voor deez' goede daad,
Gij gaaft hun weder woon op straat,
En Denderleeuw is weêr gered!
Victor Van de Weghe,
Onderluitenant bij het 10e regt.
Yperen, 7 Februari 1866.
donderdag 27 januari 2022
Romy Schneider • 28 januari 1958
• Romy Schneider (1938-1982) was een Oostenrijkse actrice. in Ich, Romy: Tagebuch eines Lebens zijn dagboekfragmenten van haar opgenomen. Vertaling: Lon Falger.
Dinsdag, 28 januari
Uitslapen is er vandaag niet bij. Ik haal het in Duitsland allemaal wel weer in. Om kwart over acht - en geen seconde later - vertrek ik naar de KTLA-televisiestudio. Larry Finley neemt mij op journalistieke wijze in de tang, maar hij is zo opgewekt en charmant dat ik er geen enkel bezwaar tegen heb. Terug naar het hotel. Ik heb het landschap alleen nog maar vanachter een autoraampje gezien! Om half elf een interview met Don Baylor van de Herald Express. Om 13.15 uur zitten we weer in een andere televisiestudio. Het is een live-uitzending, en mammie kan in de kamer ernaast alles op het scherm volgen. Naderhand zegt ze tegen me: 'Als alles mislukt, kun je altijd nog bij de televisie gaan werken, zo goed was je.' Maar mammie is natuurlijk bevooroordeeld. Toch zeggen de anderen het ook. ïk ben blij. Vooral vanwege mijn Engels, dat me steeds gemakkelijker afgaat. Van drie tot vier uur radio-opnamen met Frederik Porges in het Duits, voor Duitse en Oostenrijkse radiozenders. Om vier uur weer een interview. Volgens Leo is de verslaggever, Joe Hyams, heel belangrijk, en ik doe mijn uiterste best om een goede indruk op Joe te maken. Snel verkleden — zal ik me ooit nog eens in alle rust kunnen verkleden? — en dan gaan we naar de cocktailparty van de Duitse consul Dr. Edward C. Schneider. Allemaal Schneiders onder elkaar. 's Avonds gaan mammie en ik naar 'La Rue', een alleraardigst café, waar we Curd Jürgens ontmoeten. Hij ziet er prima uit en spreekt Engels als een rasechte Amerikaan. Ook hier krijg ik niets te drinken, de kelners letten scherp op. In plaats daarvan krijg ik iets anders. Gratis. Elke paar minuten komt er een wereldberoemde ster het restaurant binnen. Sophia Loren, Kim Novak, Frank Sinatra en andere beroemdheden. Ik kan mijn ogen bijna niet geloven, zo nonchalant als ze hier allemaal voorbij komen. Loren is in werkelijkheid nog duizendmaal mooier dan op het doek, vind ik. Ze is werkelijk volmaakt. Curd kent iedereen en stelt ons aan een paar mensen voor. En dan, het is vast al heel laat, terug naar het hotel. Morgen wil ik toch eens iets meer van Los Angeles en Hollywood zien. Leo heeft een tochtje met de auto voorgesteld.
Dinsdag, 28 januari
Uitslapen is er vandaag niet bij. Ik haal het in Duitsland allemaal wel weer in. Om kwart over acht - en geen seconde later - vertrek ik naar de KTLA-televisiestudio. Larry Finley neemt mij op journalistieke wijze in de tang, maar hij is zo opgewekt en charmant dat ik er geen enkel bezwaar tegen heb. Terug naar het hotel. Ik heb het landschap alleen nog maar vanachter een autoraampje gezien! Om half elf een interview met Don Baylor van de Herald Express. Om 13.15 uur zitten we weer in een andere televisiestudio. Het is een live-uitzending, en mammie kan in de kamer ernaast alles op het scherm volgen. Naderhand zegt ze tegen me: 'Als alles mislukt, kun je altijd nog bij de televisie gaan werken, zo goed was je.' Maar mammie is natuurlijk bevooroordeeld. Toch zeggen de anderen het ook. ïk ben blij. Vooral vanwege mijn Engels, dat me steeds gemakkelijker afgaat. Van drie tot vier uur radio-opnamen met Frederik Porges in het Duits, voor Duitse en Oostenrijkse radiozenders. Om vier uur weer een interview. Volgens Leo is de verslaggever, Joe Hyams, heel belangrijk, en ik doe mijn uiterste best om een goede indruk op Joe te maken. Snel verkleden — zal ik me ooit nog eens in alle rust kunnen verkleden? — en dan gaan we naar de cocktailparty van de Duitse consul Dr. Edward C. Schneider. Allemaal Schneiders onder elkaar. 's Avonds gaan mammie en ik naar 'La Rue', een alleraardigst café, waar we Curd Jürgens ontmoeten. Hij ziet er prima uit en spreekt Engels als een rasechte Amerikaan. Ook hier krijg ik niets te drinken, de kelners letten scherp op. In plaats daarvan krijg ik iets anders. Gratis. Elke paar minuten komt er een wereldberoemde ster het restaurant binnen. Sophia Loren, Kim Novak, Frank Sinatra en andere beroemdheden. Ik kan mijn ogen bijna niet geloven, zo nonchalant als ze hier allemaal voorbij komen. Loren is in werkelijkheid nog duizendmaal mooier dan op het doek, vind ik. Ze is werkelijk volmaakt. Curd kent iedereen en stelt ons aan een paar mensen voor. En dan, het is vast al heel laat, terug naar het hotel. Morgen wil ik toch eens iets meer van Los Angeles en Hollywood zien. Leo heeft een tochtje met de auto voorgesteld.
woensdag 26 januari 2022
Anna Politkovskaja • 27 januari 2005
• Anna Politkovskaja (1958-2006) was een Russische journaliste. Ze werd vermoord in 2006. Haar Russisch dagboek bestrijkt de periode 2003-2005. Vertaling (uit het Engels): Arie van der Ent.
27 januari
Betogers in Sint-Petersburg vormden een levende corridor bij de ingang van de Gemeentelijke Wetgevende Vergadering op bet Sint-Izaaksplein. Toen de afgevaardigden arriveerden, moesten ze door de corridor onder kreten als 'Verenigd Rusland moet zich schamen' 'Deze duffe Doema moet zich schamen, 'Poetin weg!' Een van de protestvoerders verbrandde voor de deur van de Wetgevende Vergadering haar lidmaatschapskaart van Verenigd Rusland.
28 januari
Ljoedmila Aleksejeva en ik bespreken wat er op het Burgercongres gebeurt. Ze bekent dat ze geen hooggespannen verwachtingen heeft.
'Waarom dan. tijd verspild?' 'Wie weet, misschien werkt het!' antwoordt ze.
30 januari
Van het internet: 'Zo, en dan nu, kameraden afgevaardigden, iedereen die voor de verkiezing van Vladimir Vladimirovitsj tot tsaar gestemd heeft, mag zijn handen laten zakken en bij de muur vandaan lopen.'
Een jaar geleden deden moppen als deze nog niet de ronde. Het was de tijd van de grote politieke depressie. Mensen waren bang van de ongenaakbare Poetin die de oppositie had gebroken.
Telkens als er een acute crisis is, wacht Poetin in de coulissen af en pas als het stof is neergedaald, komt hij met een of andere muisgrijze uitspraak voor de dag. Wordt hij nu als een grap gezien? Of leggen mensen zich erbij neer, in afwachting van een terugkeer van het Tijdperk van de Stagnatie en lachen ze in de beslotenheid van hun keukens, net als ze om Brezjnev deden? Wij lijken een voorkeur te hebben voor revolutie van bovenaf, als er iets is wat de mensen aan de top belet om op de oude voet voort te gaan.
Betogers in Sint-Petersburg vormden een levende corridor bij de ingang van de Gemeentelijke Wetgevende Vergadering op bet Sint-Izaaksplein. Toen de afgevaardigden arriveerden, moesten ze door de corridor onder kreten als 'Verenigd Rusland moet zich schamen' 'Deze duffe Doema moet zich schamen, 'Poetin weg!' Een van de protestvoerders verbrandde voor de deur van de Wetgevende Vergadering haar lidmaatschapskaart van Verenigd Rusland.
28 januari
Ljoedmila Aleksejeva en ik bespreken wat er op het Burgercongres gebeurt. Ze bekent dat ze geen hooggespannen verwachtingen heeft.
'Waarom dan. tijd verspild?' 'Wie weet, misschien werkt het!' antwoordt ze.
30 januari
Van het internet: 'Zo, en dan nu, kameraden afgevaardigden, iedereen die voor de verkiezing van Vladimir Vladimirovitsj tot tsaar gestemd heeft, mag zijn handen laten zakken en bij de muur vandaan lopen.'
Een jaar geleden deden moppen als deze nog niet de ronde. Het was de tijd van de grote politieke depressie. Mensen waren bang van de ongenaakbare Poetin die de oppositie had gebroken.
Telkens als er een acute crisis is, wacht Poetin in de coulissen af en pas als het stof is neergedaald, komt hij met een of andere muisgrijze uitspraak voor de dag. Wordt hij nu als een grap gezien? Of leggen mensen zich erbij neer, in afwachting van een terugkeer van het Tijdperk van de Stagnatie en lachen ze in de beslotenheid van hun keukens, net als ze om Brezjnev deden? Wij lijken een voorkeur te hebben voor revolutie van bovenaf, als er iets is wat de mensen aan de top belet om op de oude voet voort te gaan.
dinsdag 25 januari 2022
Magdalena van Schinne • 26 januari 1787
• Magdalena van Schinne (1762-1840) stamde uit een adellijk geslacht, maar was ietwat aan lager wal geraakt. Van 1786-1795 hield zij een dagboek bij (in het Frans, vertaling Anje Dik). Hieronder een fragment uit een brief van haar.
26 januari 1787
Ik sta iedere dag met mijn oor tegen de deur geplakt om te proberen te ontdekken wat er gebeurt, volgens de opdracht doe ik alsof er niets aan de hand is. Broer en Zuster, ik verlies veel tijd, er blijft me weinig tijd over om te werken en die ik bestem om te schrijven, gebruik ik om te praten. Mijn dagboek is niet erg exact op die manier, maar alles wat ik zou kunnen schrijven, komt iedere dag ongeveer op hetzelfde neer. Nog steeds dezelfde troosteloze situatie volgens Mlle A. Henke. Ze vertelde gisteren aan Cato, die haar was gaan opzoeken, dat wij het gesprek van de dag waren, dat men allerlei afschuwelijke dingen over ons vertelde*, in het bijzonder over de verhuizing van mijn zusters.Ik zou allang gewild hebben dat ze geen geheim maakten van iets dat niet verborgen kon blijven, en dan zou mevrouw Van Heynenoort gewaarschuwd zijn geweest, die dan geweten zou hebben wat ze moest antwoorden, toen men haar in een groot gezelschap kwam vertellen: die jonge mensen die u protegeert doen fraaie dingen. Ik weet uiteindelijk ook niet wat men heeft kunnen insinueren over de stap van mijn zusters. Het zou onvoorzichtig kunnen zijn, maar nooit misdadig, om te proberen de schulden van je moeder te betalen. Maar waar geeft men geen nare draai aan? De helft van de mensheid heeft niets te doen, is gek of gemeen, een derde is zwak en zegt altijd amen op de stem van de meerderheid, en ongelukkigen zijn altijd schuldig, dat is een ding dat heel zeker is. Welnu laat ze maar kletsen zoveel als ze willen. Ik heb minachting voor degenen die me verkeerd beoordelen en ik geloof dat ik hoog boven ze verheven ben.
Van der Meersch heeft, ondanks herhaald aandringen van president Pauw, zijn kas nog niet opgemaakt. Daar zal hij ongetwijfeld zijn redenen voor hebben, maar het maakt ons ongerust, onze zaken gaan niet vooruit.
Hoewel het zo te zien tamelijk goed gaat met moeder, heeft ze toch in haar uiterlijk bepaalde trekken die me opvallen als ik naar haar kijk. Als ik er over nadenk hoe weinig tijd deze vrouw misschien nog te leven heeft, wat zou ik er dan niet voor over hebben om haar een beetje rust te geven.
26 januari 1787
Ik sta iedere dag met mijn oor tegen de deur geplakt om te proberen te ontdekken wat er gebeurt, volgens de opdracht doe ik alsof er niets aan de hand is. Broer en Zuster, ik verlies veel tijd, er blijft me weinig tijd over om te werken en die ik bestem om te schrijven, gebruik ik om te praten. Mijn dagboek is niet erg exact op die manier, maar alles wat ik zou kunnen schrijven, komt iedere dag ongeveer op hetzelfde neer. Nog steeds dezelfde troosteloze situatie volgens Mlle A. Henke. Ze vertelde gisteren aan Cato, die haar was gaan opzoeken, dat wij het gesprek van de dag waren, dat men allerlei afschuwelijke dingen over ons vertelde*, in het bijzonder over de verhuizing van mijn zusters.Ik zou allang gewild hebben dat ze geen geheim maakten van iets dat niet verborgen kon blijven, en dan zou mevrouw Van Heynenoort gewaarschuwd zijn geweest, die dan geweten zou hebben wat ze moest antwoorden, toen men haar in een groot gezelschap kwam vertellen: die jonge mensen die u protegeert doen fraaie dingen. Ik weet uiteindelijk ook niet wat men heeft kunnen insinueren over de stap van mijn zusters. Het zou onvoorzichtig kunnen zijn, maar nooit misdadig, om te proberen de schulden van je moeder te betalen. Maar waar geeft men geen nare draai aan? De helft van de mensheid heeft niets te doen, is gek of gemeen, een derde is zwak en zegt altijd amen op de stem van de meerderheid, en ongelukkigen zijn altijd schuldig, dat is een ding dat heel zeker is. Welnu laat ze maar kletsen zoveel als ze willen. Ik heb minachting voor degenen die me verkeerd beoordelen en ik geloof dat ik hoog boven ze verheven ben.
Van der Meersch heeft, ondanks herhaald aandringen van president Pauw, zijn kas nog niet opgemaakt. Daar zal hij ongetwijfeld zijn redenen voor hebben, maar het maakt ons ongerust, onze zaken gaan niet vooruit.
Hoewel het zo te zien tamelijk goed gaat met moeder, heeft ze toch in haar uiterlijk bepaalde trekken die me opvallen als ik naar haar kijk. Als ik er over nadenk hoe weinig tijd deze vrouw misschien nog te leven heeft, wat zou ik er dan niet voor over hebben om haar een beetje rust te geven.
* waarschijnlijk in verband met de schulden van de familie
Abonneren op:
Posts (Atom)






