• W.N.P. Barbellion (1889-1919) was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings, een Britse natuurvorser. Hij overleed aan multiple sclerose. Zijn dagboeken worden nog steeds gelezen. Het boek is in het Nederlands vertaald (door Harry Oltheten) als Dagboek van een teleurgesteld man. Hieronder de laatste bladzijden uit het dagboek. Het Engelse origineel staat onderaan.
1 oktober
De onmiddellijke toekomst vervult me met afschuw.
2 oktober
Poesjkin (zoals we onze kat hebben genoemd) ligt opgekruld op mijn bed, hij spint en is volkomen gelukkig. Zijn aanblik doet me goed. Maar denk je eens in: een lamme, een krijsend kind, twee vrouwen, een kat en een kanarie opgesloten in een klein huisje, terwijl de oorlog voortgaat, en voedsel elke dag schaarser wordt. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood.’ Ik wil worden bemind – maar bovenal wil ik beminnen. Ik loop een groot risico dat ik larmoyant word en op humeurige toon ga zeggen: ‘Niemand houdt van mij, niemand geeft om mij.’ Ik moet moediger zijn en meer vertrouwen hebben in de goedheid van andere mensen. Dan kan ik vrijer liefhebben.
3 oktober
Ik ben vandaag dankbaar voor een paar gelukkige uren, triomfantelijk weggeplukt van onder de neus van het noodlot zelf en doorgebracht in de warme zon in de tuin. Ze droegen me om twaalf uur naar buiten en ik bleef daar tot na theetijd. Een leeuwerik zong, maar de zwaluwen – dierbare vogels – zijn vertrokken. E. plukte twee sleutelbloemen. Ik zat bij een paar herfstasters en keek naar de bijen, vliegen, en vlinders.
6 oktober
Tijdens aanvallen van sentimenteel zelfmedelijden probeer ik België, Armenië, Servië, etc. te visualiseren en gewoonlijk genees ik mezelf daarmee.
12 oktober
Het is winter – geen herfst dit jaar. ’s Avonds zitten we bij het vuur en genieten van heerlijke zoetruikende houtrook, en van de open haard met zijn grote ijzeren stang en daaraan ketel-en pothaak. E. breit warme kleertjes voor de baby, en ik speel Chopin, hymnen van César Franck, ‘Drie blinde muizen’ (met variaties) op een mondharmonica van het merk ‘The Angels’ Choir’, Made in Germany.
...
Jij zou medelijden met me hebben, nietwaar? Ik ben eenzaam, platzak, verlamd, en net achtentwintig. Maar ik knip met mijn vingers in je gezicht en met eenzelfde arrogantie heb ik medelijden met jou. Ik heb medelijden met je rimpelloze geluk en de bewegingloze sereniteit van je geest. Ik prefereer mijn eigen kwelling. Ik ben stervende, maar jij bent al een lijk. Jij hebt nooit echt geleefd. Jouw lichaam is nooit geranseld totdat het tintelt van leven door een hopeloos verlangen om te beminnen, te weten, te handelen, te slagen. Dat je volledig opgaat in de kleine zorgjes van een doorsneebestaan benijd ik je niet.
Denk je dat ik de gemeenschap met mijn eigen hart zou ruilen voor de speelgoedballonnen van jouw dwaze conversatie? Of mijn leergierigheid voor jouw vluchtige interesses? Of mijn wanhoop voor jouw comfortabele hoop? Of mijn huidige armetierige leven voor het jouwe dat gepolijst en schoon is als een nieuw driepennystuk? Nee, dat zou ik niet. Ik sla mijn mantel om me heen en dank God plechtig dat ik niet ben als sommige anderen. Ik ben pas achtentwintig, maar ik heb in die paar jaar een redelijk lang leven samengebald: ik heb bemind, ben getrouwd, en heb een gezin; ik heb geweend en genoten, geworsteld en gewonnen, en wanneer het uur komt zal ik tevreden sterven.
14 tot 20 oktober
Ellendig.
21 oktober
Walg van mezelf.
[Barbellion stierf twee jaar later, op 22 oktober]
October 3.
I am grateful to-day for some happy hours plucked
triumphantly from under the very nose of Fate, and spent
in the warm sun in the garden. They carried me out at
12, and I stayed till after tea-time. A Lark sang, but the
Swallows — dear things — have gone. E picked two
Primroses. I sat by some Michaelmas Daisies and watched
the Bees, Flies, and Butterflies.
October 6.
In fits of maudlin self-compassion I try to visualise Belgium, Armenia, Serbia, etc., and usually cure myself
thereby.
October 12.
It is winter — no autumn this year. Of an evening we
sit by the fire and enjoy the beautiful sweet-smelling
wood-smoke, and the open hearth with its big iron bar
carrying pot-hook and hanger. E knits warm garments
for the Baby, and I play Chopin, Cesar Franck hymns.
Three Blind Mice (with variations) on a mouth-organ called
'The Angels' Choir,' and made in Germany. . . .
You
would pity me, would you ? I am lonely, penniless, paralysed, and just turned twenty-eight. But I snap my
lingers in your face and with equal arrogance I pity you.
I pity you your smooth-running good luck and the stagnant serenity of your mind. I prefer my own torment.
I am dying, but you are already a corpse. You have
never really lived. Your body has never been flayed into
tingling life by hopeless desire to love, to know, to act,
to achieve. I do not envy you your absorption in the
petty cares of a commonplace existence.
Do you think I would exchange the communion with
my own heart for the toy balloons of your silly conversation? Or my curiosity for your flickering interests? Or
my despair for your comfortable Hope? Or my present
tawdry life for yours as polished and neat as a new three-
penny bit? I would not. I gather my mantle around me
and I solemnly thank God that I am not as some other
men are.
I am only twenty-eight, but I have telescoped into those
few years a tolerably long life: I have loved and married,
and have a family; I have wept and enjoyed, struggled and
overcome, and when the hour comes I shall be content to
die.
October 14/20.
Miserable.
October 21.
Self-disgust.
donderdag 30 september 2021
woensdag 29 september 2021
Randy Newman • 30 september 1994
• Randy Newman (1943) is een Amerikaanse zanger. In 1994 hield hij een 'Hollands Dagboek' bij.
Vrijdag 30 september
Rond half zeven vanochtend landden we op Schiphol en tegen het eind van de middag had ik er al een stuk of drie interviews op zitten. Ze laten er in Holland geen gras over groeien, zeg. Waar heb ik al deze belangstelling toch aan te danken? Per slot van rekening is er in geen tijden meer een plaat van mij verschenen. Ik kan het eigenlijk nog steeds niet bevatten dat ik nu hier ben voor een theatertournee van liefst dertien concerten. De komende twee weken zal ik vanuit mijn tijdelijke standplaats Amsterdam het land doorkruisen tot aan Groningen en Maastricht toe. Alleen Nijmegen ontbreekt ditmaal op het programma. Moeten ze me daar in de bergen soms niet meer?
Op het gevaar af slijmerig over te komen, wil ik toch eerst even kwijt dat Nederland een speciale plek in mijn hart inneemt. Per slot van rekening was dit het eerste land ter wereld waar mij enige erkenning ten deel viel en daarbij heeft het publiek zich de afgelopen twintig jaar buitengewoon loyaal betoond. Bovendien zou ik me geen alerter en attenter gehoor kunnen wensen. Mijn teksten worden hier uitstekend begrepen, terwijl we er ook nog eens hetzelfde gevoel voor humor op na blijken te houden, wat in de Verenigde Staten toch wel even iets anders ligt. Vandaar dat ik deze tournee niet eerst en vooral vanwege het geld doe, al laat ik mij er daarom natuurlijk niet minder goed voor betalen. Ik ga heus niet de grote mogol uithangen.
Vrijdag 30 september
Rond half zeven vanochtend landden we op Schiphol en tegen het eind van de middag had ik er al een stuk of drie interviews op zitten. Ze laten er in Holland geen gras over groeien, zeg. Waar heb ik al deze belangstelling toch aan te danken? Per slot van rekening is er in geen tijden meer een plaat van mij verschenen. Ik kan het eigenlijk nog steeds niet bevatten dat ik nu hier ben voor een theatertournee van liefst dertien concerten. De komende twee weken zal ik vanuit mijn tijdelijke standplaats Amsterdam het land doorkruisen tot aan Groningen en Maastricht toe. Alleen Nijmegen ontbreekt ditmaal op het programma. Moeten ze me daar in de bergen soms niet meer?
Op het gevaar af slijmerig over te komen, wil ik toch eerst even kwijt dat Nederland een speciale plek in mijn hart inneemt. Per slot van rekening was dit het eerste land ter wereld waar mij enige erkenning ten deel viel en daarbij heeft het publiek zich de afgelopen twintig jaar buitengewoon loyaal betoond. Bovendien zou ik me geen alerter en attenter gehoor kunnen wensen. Mijn teksten worden hier uitstekend begrepen, terwijl we er ook nog eens hetzelfde gevoel voor humor op na blijken te houden, wat in de Verenigde Staten toch wel even iets anders ligt. Vandaar dat ik deze tournee niet eerst en vooral vanwege het geld doe, al laat ik mij er daarom natuurlijk niet minder goed voor betalen. Ik ga heus niet de grote mogol uithangen.
dinsdag 28 september 2021
Ursula von Kardorff • 29 september 1944
• Ursula von Kardorff (1911-1988) was een Duits schrijfster en journaliste. Gedurende de oorlogsjaren hield ze een dagboek bij, dat in het Nederlands is vertaald als Gebombardeerd dagboek. Vertaling Tinke Davids.
29 september 1944 — Zat thuis te werken aan een artikel over vrouwelijke piloten toen de telefoon ging. Een zachte stem: Melitta Stauffenberg, de schoonzuster van Claus; zij vliegt zelf ook. Ze verzocht mij gravin Hardenberg mee te delen dat ze een voedselpakket aan Reinhild mag sturen. Zei dat ze zelf uit de gevangenis ontslagen was omdat men haar dringend nodig had voor haar experimenten met apparatuur voor nachtvluchten. Ook commissaris Opitz had tegenover mij met het grootste respect over haar gesproken.
's Avonds kwam gravin Hardenberg bij mij, uitgeteerd en bevend van nervositeit. Slot en vermogen zijn gisteren geconfisqueerd. Zij ziet dat als een verslechtering van de situatie. Ik ging meteen naar Dörtenbach op Buitenlandse Zaken, die me geruststelde: dat was automatisch gebeurd bij alle arrestaties en had helemaal niets te betekenen. Dus kon ik haar tenminste een beetje troosten. Tragisch mager en bleek lag ze op de pluchen sofa, ze probeerde wat te slapen.
Ik voel me met al die opwinding nauwelijks nog in staat tot werk op de redactie. Als ze daar niet zo fideel waren, had ik allang ontslagen moeten worden. De zin om nu nog artikelen te schrijven is mij wel compleet vergaan.
3 oktober 1944 - Om zeven uur ging mijn telefoon. De portiersvrouw: 'Buiten staat een meneer die u wil spreken.' Ik, geërgerd: 'Die moet maar wachten, ik ben nog niet op.' Antwoord: 'Die meneer zegt dat hij niet wil wachten, hij komt van de Geheime Staatspolizei.'
Met knikkende knieën sloop ik naar de badkamer om me aan te kleden en op te maken. Waarom je er op zulke momenten zo knap mogelijk uit wilt zien, weet ik niet. Oeroud instinct? Het idee de tegenstander op die manier te kunnen ontwapenen? In elk geval was ik nog niet klaar toen die man al mijn kamer binnenkwam. Ik vroeg op boze toon of hij niet even had kunnen wachten, waarop hij zich heel vriendelijk verontschuldigde: hij was alleen maar gekomen om de meubels die eigendom van Hardenberg waren, in beslag te nemen. Ik mocht niets weghalen uit de woning. Ik had hem haast om de hals kunnen vallen, zo opgelucht was ik. Met een knipoog vroeg hij of Hardenberg geen cognac of sigaretten had, wat ik met een glimlach ontkende - ondanks het voorraadje in mijn hangkast, dat daar voor het ergste geval gedeponeerd is. Na een paar grapjes vertrok hij, met een ferm 'Heil Hitler', dat slecht bij zijn muizegezicht paste.
Klaus, die nog in het hospitaal ligt, mag nu tenminste af en toe een uurtje opstaan. 's Nachts overvalt me vaak een panische angst dat hij op de een of andere lijst staat. De laatste tijd zijn zoveel jonge officieren gearresteerd.
29 september 1944 — Zat thuis te werken aan een artikel over vrouwelijke piloten toen de telefoon ging. Een zachte stem: Melitta Stauffenberg, de schoonzuster van Claus; zij vliegt zelf ook. Ze verzocht mij gravin Hardenberg mee te delen dat ze een voedselpakket aan Reinhild mag sturen. Zei dat ze zelf uit de gevangenis ontslagen was omdat men haar dringend nodig had voor haar experimenten met apparatuur voor nachtvluchten. Ook commissaris Opitz had tegenover mij met het grootste respect over haar gesproken.
's Avonds kwam gravin Hardenberg bij mij, uitgeteerd en bevend van nervositeit. Slot en vermogen zijn gisteren geconfisqueerd. Zij ziet dat als een verslechtering van de situatie. Ik ging meteen naar Dörtenbach op Buitenlandse Zaken, die me geruststelde: dat was automatisch gebeurd bij alle arrestaties en had helemaal niets te betekenen. Dus kon ik haar tenminste een beetje troosten. Tragisch mager en bleek lag ze op de pluchen sofa, ze probeerde wat te slapen.
Ik voel me met al die opwinding nauwelijks nog in staat tot werk op de redactie. Als ze daar niet zo fideel waren, had ik allang ontslagen moeten worden. De zin om nu nog artikelen te schrijven is mij wel compleet vergaan.
3 oktober 1944 - Om zeven uur ging mijn telefoon. De portiersvrouw: 'Buiten staat een meneer die u wil spreken.' Ik, geërgerd: 'Die moet maar wachten, ik ben nog niet op.' Antwoord: 'Die meneer zegt dat hij niet wil wachten, hij komt van de Geheime Staatspolizei.'
Met knikkende knieën sloop ik naar de badkamer om me aan te kleden en op te maken. Waarom je er op zulke momenten zo knap mogelijk uit wilt zien, weet ik niet. Oeroud instinct? Het idee de tegenstander op die manier te kunnen ontwapenen? In elk geval was ik nog niet klaar toen die man al mijn kamer binnenkwam. Ik vroeg op boze toon of hij niet even had kunnen wachten, waarop hij zich heel vriendelijk verontschuldigde: hij was alleen maar gekomen om de meubels die eigendom van Hardenberg waren, in beslag te nemen. Ik mocht niets weghalen uit de woning. Ik had hem haast om de hals kunnen vallen, zo opgelucht was ik. Met een knipoog vroeg hij of Hardenberg geen cognac of sigaretten had, wat ik met een glimlach ontkende - ondanks het voorraadje in mijn hangkast, dat daar voor het ergste geval gedeponeerd is. Na een paar grapjes vertrok hij, met een ferm 'Heil Hitler', dat slecht bij zijn muizegezicht paste.
Klaus, die nog in het hospitaal ligt, mag nu tenminste af en toe een uurtje opstaan. 's Nachts overvalt me vaak een panische angst dat hij op de een of andere lijst staat. De laatste tijd zijn zoveel jonge officieren gearresteerd.
maandag 27 september 2021
Barber van der Pol • 28 september 1997
• Barber van der Pol (1944) is schrijver en vertaler. In Lust en gratie stonden dagboekfragmenten van haar.
zondag 28 september Deze ochtend zal ik gebruik maken van de handigheid en aardigheid van Stephen, die me met mijn apparatenellende wil helpen. Mijn koelkast is stuk en we gaan met zijn busje een tweedehands ophalen in de Pijp. Een uur voor het zover is, verschuif ik de koelkast om de vloer vast schoon te maken en ik steek de stekker voor de grap in een ander stopcontact.
‘Floep,’ zegt er iets. Het is niet moeilijk te concluderen dat de vriezer weer werkt en om te kijken of de tragere rest het ook doet, zet ik glaasjes water op en in de koelkast. Na een half uur kan ik vaststellen dat mijn Bauknechtje mag blijven. Had ik hem op een haar na bij de lantaarnpaal gezet voor een lelijke Philips!
Stephen wil het stopcontact maken. Niet nodig: er was alleen een zekering stuk. Opgewonden bespreken we het wonder. Even later gaan we op weg om de auto uit te proberen waarop na lang krantjes doorkijken mijn oog is gevallen. Als ik er een half uur in heb rondgereden, wil ik hem niet. Stephen zegt dat de auto uitstekend is en dat felrood niet erg is, maar mijn emoties spelen op. Ik mis mijn trouwe Visa, heb verdriet om de verloren onschuld, want het was ons eerste ongeluk, eind juli. Ik ben nog niet aan een andere toe. Niet aan deze andere.
Daarna samen met dochter Marjan met de trein naar de zonovergoten Gelderse Vallei om jarige broer Jan te bezoeken. We verlaten de Vallei weer en trekken de Betuwe in waar we op een droomplek pannenkoeken eten. Ik probeer niet trots naar Marjan te kijken nu ik bij Herman Brusselmans heb gelezen hoe hij moeders haat die trots zijn op hun dochters omdat ze denken dat iets van hun glans op hen afstraalt.
's Avonds thuis lees ik Marjans minutieuze reisverslag van drie maanden Midden-Amerika. Ze schrijft goed, denkt helder en wordt gedragen door liefde voor vriend Daan, die mee was, zodat dit reisverslag ook een letterlijk minuut-voor-minuut-liefdesverklaring is geworden.
Ik heb tranen in mijn ogen als ik het zwarte boekje dichtsla. Laat Brusselmans het niet merken. Ik lees zijn Logica voor idioten als eventueel Boek van de Maand voor De Groene Amsterdammer. Een neefje had het vanmiddag nog over hem. Hij is populair bij de jeugd. Marjan keek wat bezorgd toen ook ik me geestdriftig betoonde. Zij heeft het in haar zwarte boekje vaak enthousiast over schrijvers en boeken: Oliver Sachs, Cortázar, Onder professoren, De dood van Artemio Cruz. De wereld ligt aan haar voeten.
Vandaag niet gewerkt. Wel een beetje nagedacht.
‘Floep,’ zegt er iets. Het is niet moeilijk te concluderen dat de vriezer weer werkt en om te kijken of de tragere rest het ook doet, zet ik glaasjes water op en in de koelkast. Na een half uur kan ik vaststellen dat mijn Bauknechtje mag blijven. Had ik hem op een haar na bij de lantaarnpaal gezet voor een lelijke Philips!
Stephen wil het stopcontact maken. Niet nodig: er was alleen een zekering stuk. Opgewonden bespreken we het wonder. Even later gaan we op weg om de auto uit te proberen waarop na lang krantjes doorkijken mijn oog is gevallen. Als ik er een half uur in heb rondgereden, wil ik hem niet. Stephen zegt dat de auto uitstekend is en dat felrood niet erg is, maar mijn emoties spelen op. Ik mis mijn trouwe Visa, heb verdriet om de verloren onschuld, want het was ons eerste ongeluk, eind juli. Ik ben nog niet aan een andere toe. Niet aan deze andere.
Daarna samen met dochter Marjan met de trein naar de zonovergoten Gelderse Vallei om jarige broer Jan te bezoeken. We verlaten de Vallei weer en trekken de Betuwe in waar we op een droomplek pannenkoeken eten. Ik probeer niet trots naar Marjan te kijken nu ik bij Herman Brusselmans heb gelezen hoe hij moeders haat die trots zijn op hun dochters omdat ze denken dat iets van hun glans op hen afstraalt.
's Avonds thuis lees ik Marjans minutieuze reisverslag van drie maanden Midden-Amerika. Ze schrijft goed, denkt helder en wordt gedragen door liefde voor vriend Daan, die mee was, zodat dit reisverslag ook een letterlijk minuut-voor-minuut-liefdesverklaring is geworden.
Ik heb tranen in mijn ogen als ik het zwarte boekje dichtsla. Laat Brusselmans het niet merken. Ik lees zijn Logica voor idioten als eventueel Boek van de Maand voor De Groene Amsterdammer. Een neefje had het vanmiddag nog over hem. Hij is populair bij de jeugd. Marjan keek wat bezorgd toen ook ik me geestdriftig betoonde. Zij heeft het in haar zwarte boekje vaak enthousiast over schrijvers en boeken: Oliver Sachs, Cortázar, Onder professoren, De dood van Artemio Cruz. De wereld ligt aan haar voeten.
Vandaag niet gewerkt. Wel een beetje nagedacht.
zaterdag 25 september 2021
Jozef van Walleghem • 27 september 1788
• Jozef van Walleghem (1757-1801), een Brugs handelaar in garen en linten die een winkel hield op de Eiermarkt, hield van 1787 tot 1800 een journaal bij, dat eind vorige eeuw door het Stadsarchief van Brugge gepubliceerd is. Zijn dagboeken gaan over de cruciale periode van de Franse Tijd te Brugge.
(27 september 1788)
Op den 27 september is met de gewonelijcke ceremonie binnen de stadt Antwerpen geschiet de 569ste treckinge der keijserlijcke en koninglijcke loterije; zijnde uijt het radt der fortune getrokken de nombers: 53, 3, 39, 86, 34.
Door dese treckinge is er eene seltsamheijd te bemerken die voorseker sedert d'oprechting deser keijserlijcke en koninglijcke loterije, nogte in eenige andere die er oijt van desen aerd getrokken zijn, oijt plaetse gehadt heeft, te weten dat er eene quaderne, dat is vier gelijcke nombers, als de voorgaende trecking getrokken zijn, als zijnde de hier bovenstaende: 34, 39, 53, 86, zoodat er geen ander verschil is als de 3 en 18 of de treckingen zouden gelijk zijn; zijnde vervolgens door dees trecking aensienelijcke sommen verloren, temeer omdat den nomber 34 nu ook voor den derden mael is getrokken geworden.
(27 september 1788)
Op den 27 september is met de gewonelijcke ceremonie binnen de stadt Antwerpen geschiet de 569ste treckinge der keijserlijcke en koninglijcke loterije; zijnde uijt het radt der fortune getrokken de nombers: 53, 3, 39, 86, 34.
Door dese treckinge is er eene seltsamheijd te bemerken die voorseker sedert d'oprechting deser keijserlijcke en koninglijcke loterije, nogte in eenige andere die er oijt van desen aerd getrokken zijn, oijt plaetse gehadt heeft, te weten dat er eene quaderne, dat is vier gelijcke nombers, als de voorgaende trecking getrokken zijn, als zijnde de hier bovenstaende: 34, 39, 53, 86, zoodat er geen ander verschil is als de 3 en 18 of de treckingen zouden gelijk zijn; zijnde vervolgens door dees trecking aensienelijcke sommen verloren, temeer omdat den nomber 34 nu ook voor den derden mael is getrokken geworden.
Jean Cocteau • 26 september 1943
• Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar (vertaald door Joop van Helmond).
3 september
Gisteren bezoek van Genet en van A., zijn gabber, de autodief. Het is een jongen met een indrukwekkende gestalte en niet stom. Hij verklaart dat hij niet naar de gevangenis wil, dat hij zich liet pakken omdat het hem in de gevangenis beviel, maar dat tegenwoordig de gevangenis, de enige plek waar nog een moraal heerste, immoreel is geworden. De gevangenen zijn geen echte gevangenen meer, en de bewakers zijn namaakbewakers. 'Onder de dieven,' zegt hij, 'vind je geen echte ambachtslieden meer.'
Hij wekt mijn belangstelling, omdat in deze tijd waarin het 'onechte' hoogtij viert, de namaak zelfs doordringt tot in de bajes. Alles is nep. Iedereen maakt alles na. Valse papieren, valse getuigenissen, valse biljetten, nepkunstenaars, namaakjournalisten. Alleen de oplichters kunnen nog rustig hun gang gaan.
Zondag 26 september
Genet heeft zich laten grijpen. In hem huist een stommeling met te veel trots. Ik heb steeds weer aangeboden hem uit de nesten te helpen, zodat hij geen boeken meer hoeft te stelen. Gisteren lag ik in de namiddag thuis te slapen. Ik werd gewekt door inspecteurs van politie die me vroegen of het exemplaar van Grand Meaulnes dat ze me lieten zien uit mijn bibliotheek afkomstig was. Later wist ik dat Genet had gezegd dat het boek van mij was, opdat ze mij zouden ondervragen en ik zou weten dat hij was gesnapt. Bovendien hadden ze in zijn zak een loper gevonden. Toen ik bij het raam aan de straat ging staan om de inspecteurs naar buiten te zien lopen, heb ik Genet en een ander gezien die hem vasthield met handboeien.
De inspecteurs wachtten zich wel om me te zeggen dat Genet beneden stond. Ze wilden de naam van de boekwinkel weten en stelden me de zaak voor alsof er nog wat aan te doen viel en Genet nog op vrije voeten was. Genet heeft me gisteren uit het bureau van de hoofdinspecteur gebeld, een zeer aardige man die het goed dwarszit dat hij een boekendief verliest. Hij gelooft niet dat Genet het risico loopt te worden verbannen.
Wat me ernstig lijkt zijn de dingen die ik niet weet. De loper, de valse papieren, enz. Vanochtend een brief van Genet, geschreven na zijn arrestatie. Hij heeft me zeer uitgebreide en heel onduidelijke instructies gegeven. Hij klaagt erin over mijn vrienden: Dubois, Toesca, 'niet bij machte hem te hulp te komen'. Hij vergeet dat we hem de laatste keer hebben gered en dat we hem hebben gewaarschuwd op zijn tellen te passen, dat het niet mogelijk zou zijn hem nog eens te redden.
Hij zal altijd stelen. Hij zal altijd onrechtvaardig zijn. Hij zal altijd degenen die hun nek uitsteken om hem te helpen op de zenuwen werken.
3 september
Gisteren bezoek van Genet en van A., zijn gabber, de autodief. Het is een jongen met een indrukwekkende gestalte en niet stom. Hij verklaart dat hij niet naar de gevangenis wil, dat hij zich liet pakken omdat het hem in de gevangenis beviel, maar dat tegenwoordig de gevangenis, de enige plek waar nog een moraal heerste, immoreel is geworden. De gevangenen zijn geen echte gevangenen meer, en de bewakers zijn namaakbewakers. 'Onder de dieven,' zegt hij, 'vind je geen echte ambachtslieden meer.'
Hij wekt mijn belangstelling, omdat in deze tijd waarin het 'onechte' hoogtij viert, de namaak zelfs doordringt tot in de bajes. Alles is nep. Iedereen maakt alles na. Valse papieren, valse getuigenissen, valse biljetten, nepkunstenaars, namaakjournalisten. Alleen de oplichters kunnen nog rustig hun gang gaan.
Zondag 26 september
Genet heeft zich laten grijpen. In hem huist een stommeling met te veel trots. Ik heb steeds weer aangeboden hem uit de nesten te helpen, zodat hij geen boeken meer hoeft te stelen. Gisteren lag ik in de namiddag thuis te slapen. Ik werd gewekt door inspecteurs van politie die me vroegen of het exemplaar van Grand Meaulnes dat ze me lieten zien uit mijn bibliotheek afkomstig was. Later wist ik dat Genet had gezegd dat het boek van mij was, opdat ze mij zouden ondervragen en ik zou weten dat hij was gesnapt. Bovendien hadden ze in zijn zak een loper gevonden. Toen ik bij het raam aan de straat ging staan om de inspecteurs naar buiten te zien lopen, heb ik Genet en een ander gezien die hem vasthield met handboeien.
De inspecteurs wachtten zich wel om me te zeggen dat Genet beneden stond. Ze wilden de naam van de boekwinkel weten en stelden me de zaak voor alsof er nog wat aan te doen viel en Genet nog op vrije voeten was. Genet heeft me gisteren uit het bureau van de hoofdinspecteur gebeld, een zeer aardige man die het goed dwarszit dat hij een boekendief verliest. Hij gelooft niet dat Genet het risico loopt te worden verbannen.
Wat me ernstig lijkt zijn de dingen die ik niet weet. De loper, de valse papieren, enz. Vanochtend een brief van Genet, geschreven na zijn arrestatie. Hij heeft me zeer uitgebreide en heel onduidelijke instructies gegeven. Hij klaagt erin over mijn vrienden: Dubois, Toesca, 'niet bij machte hem te hulp te komen'. Hij vergeet dat we hem de laatste keer hebben gered en dat we hem hebben gewaarschuwd op zijn tellen te passen, dat het niet mogelijk zou zijn hem nog eens te redden.
Hij zal altijd stelen. Hij zal altijd onrechtvaardig zijn. Hij zal altijd degenen die hun nek uitsteken om hem te helpen op de zenuwen werken.
Bart Vos • 25 september 1984
• Bart Vos (1951) is een Nederlandse bergbeklimmer. Zijn Himalaya-dagboek bevat dagboeken van drie beklimmingen in de Himalaya. Het fragment hieronder speelt zich af op de Mount Everest.
Dinsdag, 25 september 1984. 17.00 uur. Kamp 3
Gisteren waren Joost en Edmond hoog boven de gele band bezig met het touw. Vanuit kamp 2 leken ze spinnen, verbonden door een ragfijne draad. Vandaag verlieten ze kamp 3 om een paar dagen te rusten en los ik ze af.
Boven de randspleet klimmen Lhakpa en Dawa voor mij. Met Dhorje en Ang Temba, die onder me aan het touw hangen, ga ik morgen verder op weg naar Zuid-Col — van Mingma mogen ze weer voorklimmen.
De harde wind jaagt de sneeuw op. Er vallen stukken ijs, ik denk dat Joost en Edmond niet voorzichtig genoeg afdalen. We worden bekogeld en ik schreeuw naar boven. Dan zie ik, op nog geen vijftig meter afstand, twee benen in een massa sneeuw langs schuiven. Naast de benen zit iemand. ‘Jezus,’ zeg ik, ‘Lhakpa en Dawa.’
De lawine komt voor de laatste knik in de wand tot stilstand. Lhakpa's hoofd komt boven de sneeuw uit. Zijn rugzak glijdt door en spat tweehonderd meter lager op de gletsjer uit elkaar. Als ik naar hem toe klim zegt hij aangeslagen: ‘If I was dead, I may have come back as a better climber.’ Het is zijn eerste expeditie. ‘You have medicine?’
Meer dan tweehonderdvijftig meter zijn de Sherpa's door de lawine meegesleurd. Lhakpa verorbert gretig de vitaminepillen die ik uit mijn rugzak haal en daalt af. Ik weet Dawa te overtuigen van het nut van zijn last en hij volgt me naar kamp 3. Het touw is op verschillende plaatsen gebroken, maar de verankeringen zitten nog op hun plaats.
Dinsdag, 25 september 1984. 17.00 uur. Kamp 3
Gisteren waren Joost en Edmond hoog boven de gele band bezig met het touw. Vanuit kamp 2 leken ze spinnen, verbonden door een ragfijne draad. Vandaag verlieten ze kamp 3 om een paar dagen te rusten en los ik ze af.
Boven de randspleet klimmen Lhakpa en Dawa voor mij. Met Dhorje en Ang Temba, die onder me aan het touw hangen, ga ik morgen verder op weg naar Zuid-Col — van Mingma mogen ze weer voorklimmen.
De harde wind jaagt de sneeuw op. Er vallen stukken ijs, ik denk dat Joost en Edmond niet voorzichtig genoeg afdalen. We worden bekogeld en ik schreeuw naar boven. Dan zie ik, op nog geen vijftig meter afstand, twee benen in een massa sneeuw langs schuiven. Naast de benen zit iemand. ‘Jezus,’ zeg ik, ‘Lhakpa en Dawa.’
De lawine komt voor de laatste knik in de wand tot stilstand. Lhakpa's hoofd komt boven de sneeuw uit. Zijn rugzak glijdt door en spat tweehonderd meter lager op de gletsjer uit elkaar. Als ik naar hem toe klim zegt hij aangeslagen: ‘If I was dead, I may have come back as a better climber.’ Het is zijn eerste expeditie. ‘You have medicine?’
Meer dan tweehonderdvijftig meter zijn de Sherpa's door de lawine meegesleurd. Lhakpa verorbert gretig de vitaminepillen die ik uit mijn rugzak haal en daalt af. Ik weet Dawa te overtuigen van het nut van zijn last en hij volgt me naar kamp 3. Het touw is op verschillende plaatsen gebroken, maar de verankeringen zitten nog op hun plaats.
Abonneren op:
Posts (Atom)







