woensdag 31 maart 2021

Wim Kan • 1 april 1982

• Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Maandag 29 maart. Avond. Wildwal
‘Sonja op maandag’ gezien. Blijft boeien, vooral door haar persoonlijkheid. Nog steeds reacties (brieven) op mijn twee-minuten-telefoon-gesprek met haar in de uitzending van de Zuidmolukkersdocumentaire. Kreeg een mooie kaart van Sonja: ‘Wanneer komt u nou eens echt naast mij zitten?’ In het algemeen deze weken veel fanmail ook bij voorbeeld over mijn voorspelling in 1973 dat er een tijd komt dat koning Feisal aan de deur zou komen: of er nog olie nodig was.

Donderdag 1 april 5.30 uur. Wildwal
Heerlijk stil. De twee enorme zwarte kraaien die 's morgens op de ramen tikken (goddank niet elke ochtend), slapen nog. Buiten is het aardedonker. In de Flint beide voorstellingen onverwacht succes. Eerste voorstelling in trance gespeeld. Nog niet helemaal mezelf na steeds nachtmerries en huilend wakker worden. In de pauze werd ik opeens wakker en speelde de tweede voorstelling geheel in feeststemming. Frans opgetogen over beíde voorstellingen in zíjn Amersfoort. Contact met publiek fantastisch goed en gemakkelijk.
Met Ol in Carolina-laantje gaan wandelen en zonder een moment aarzelen liep ze plotseling door tot honderd meter voor de Carolina Hoeve die daar lag te wachten op ons, of we ooit nog zouden komen kijken. samen. Over vier weken moet ze 81 (!) worden (DV). Zorgen God en ik wel goed voor je?

Maandag 5 april. Ochtend. Kudelstaart
Dodelijk vermoeid van de laatste zondagavond in Hilversum. Twee hele moeilijke, loodzware voorstellingen. Tweede niet uitverkocht. 700 mensen in plaats van 763. Teleurgesteld naar huis. Niet goed. Nooit meer doen. Neef Erik de Zwart met ‘zijn’ Angela Dolly Dot achter na de laatste voorstelling.

Vrijdag 23 april 14.15 uur. Werkhuisje
Met Ol bij meneer Van Liempt geweest. Seizoen afgesloten. Overzicht gekregen van inkomsten en uitgaven tot en met Gooiland, Hilversum. Viel ons reuze mee. Grote winst. Mooie cijfers. Nieuwe seizoen opgezet voor zaterdag 17 juli Koninklijke Schouwburg Den Haag; tot 31 maart 1983 in De la Mar Amsterdam. Totaal 66 voorstellingen (deo volente).

dinsdag 30 maart 2021

Bergman • 31 maart 1989

• Schrijver Bergman (Aart Kok, 1921-2009) hield enige maanden een dagboek bij waarin hij herinneringen aan het Kralingen uit zijn jeugd neerschreef. Uit: Leve Kralingen en omstreken/Dagwerknotities.

'89-31/3
Weeskind zijn, naast God de grote angst uit mijn jeugd. Kijk, weeskinderen, zei mijn vriend toen wij over de Goudse Singel slenterden, en wees op een groepje in het zwart geklede jochies met witgesteven kraagjes. Geen vader en moeder hebben, rechteloos zijn, overgeleverd aan een regime dat geen uitzonderingen duldde, duidelijk herkenbaar gekleed, bij de gedachte alleen al rezen mij de haren te berge. Niet met afgezakte kousen lopen, niet ongecontroleerd door de stad schooieren, geen kattekwaad in de buurt uithalen, niet vechten met de jongens uit de Oostmaasstraat. Wij huiverden als wij de twee broertjes door onze straat zagen lopen. Die hebben geen vader, werd mij al spoedig verteld, wijzend op twee keurig geklede jongens met een even keurig geklede moeder, een onafscheidelijk drietal waar wij geen raad mee wisten. Wat moesten wij tegen zulke jongens zeggen. Wij wisten het niet. Wij liepen in een boog om hen heen.

'89-1/4
De wereld sterft af en wij sterven mee. Ik was achttien en mocht per God's gratie als volontair meelopen mits ik mij een gleufhoed aanschafte. Zo hoorde het, zei mij het hoofd van de Rehoboth School voor glo aan het Noordeinde en zo niet, dan moest ik mijn onbezoldigd heil maar elders zoeken.
Goede raad was duur en voor die raad wilde de firma Dollee aan de Hoogstraat mij voor f 2,95 wel een zwierig blauw hoedje leveren, een rib uit mijn lijf, verzuchtte mijn vader toen hij in zijn portemonnee keek. De mussen mochten dood van het dak vallen, onder dit hoofddeksel was de continuïteit van mijn loopbaan verzekerd. Een onderwijzer die met een pet op aankwam omdat zijn hoed door de stormwind het kanaal was ingewaaid, werd onverbiddelijk de schooldeur gewezen. Zondagse hoed halen, werd hem aangezegd. En hij ging. Mijn hoed kon goddank tegen een stootje. Bij de eerste zijstraat ging hij opgevouwen in mijn binnenzak. Wij zijn van zijn rol in het sociaal verkeer vervreemd. Men wordt ouder en koopt een hoofddeksel tegen de kou, een vormloos eenheidsvod dat geen aandacht vraagt. Gisteren zag ik een man de hoed lichten voor een vrouw. Een hoffelijk gebaar, een relict uit het grijze verleden van mijn jeugd. Dat heb ik ook gedaan, dacht ik schuldbewust en trok mijn exemplaar stevig tegen de oren. Zij zien mij aankomen, de vrouwen, verweerde ik mij.

maandag 29 maart 2021

Sofia Tolstoj • 30 maart 1901

• Sofja Andrejewna Tolstaja (1844-1919) was de echtgenote van de Russische schrijver Leo Tolstoj. Gedeeltes uit haar dagboeken zijn gepubliceerd in Dagboek (vertaling Tom Eekman).

26 maart
[...] Ik begin de vasten. [...] Met Sasja was er een beetje een vervelende scène de dag voor Palmzondag. Ik riep haar om mee te gaan naar de grote vesper, maar zij verzette zich, ze zei dat ze toch niet geloofde. Ik zei dat ze, als ze de weg van haar vader wil gaan, net als hij de hele cirkel moet doorlopen: hij was enige jaren heel kerks, nog een tijd nadat hij getrouwd was. Toen keerde hij de kerk de rug toe en beleed een zuiver christendom, terwijl hij tegelijk afstand deed van aardse geneugten. Maar Sasja wil, net als verscheidene van mijn kinderen, meteen de sprong doen naar wat makkelijk is: niet meer naar de kerk gaan, en dat is alles. Ik begon zelfs te huilen. Zij ging haar vader om raad vragen en die zei: 'Natuurlijk moet je wél gaan, en vooral: verdriet je moeder niet.'
Ze is dus naar de kerk bij het armenhuis gegaan en heeft de vesper bijgewoond, nu zal ze met mij de vasten houden.
[...]


30 maart
Het was een heel vervelende geschiedenis met Sasja. Ze heeft niet met mij aan de rituelen van de vasten meegedaan; ze onttrok zich er telkens aan, nu eens had ze blaren aan haar voeten, dan weer weigerde ze gewoon. Dat is een nieuwe stap naar de verwijdering tussen ons.
Vandaag heb ik de communie omvangen. Ik vond het erg moeilijk om me aan alle vastenvoorschriften te houden: de contrasten tussen wat wezenlijk is in de kerk, wat de grondslag vormt, en de riten, de woeste kreten van de diaken enzovoort enzovoort zijn zo groot dat het je soms te gortig wordt, en je wilt weglopen. Dat is het wat de jongeren tegenstaat.
Gisteren stond ik in de kerk, waar het blindenkoor prachtig zong, en ik dacht: het gewone volk gaat naar de kerk min of meer zoals wij naar een symfonieconcert gaan. Thuis hebben ze alleen maar armoede, primitiviteit, eeuwigdurend hard werk. Dan komen ze in de tempel, daar is het licht, er wordt gezongen, iets uitgebeeld... Hier vind je kunst, muziek, een soort verstrooiing die gerechtvaardigd is, die een verheven stemming oproept; godsdienst is geoorloofd en wordt zelfs goed en noodzakelijk geacht. Hoe zouden ze erbuiten kunnen?

Ik vastte dus zonder de ware vastenstemming, maar deed het serieus, verstandelijk; het deed me goed gewoon mijn krachten in te spannen, geestelijk en lichamelijk: vroeg opstaan, lang staan bidden en, al staande in de kerk, trachten in het reine te komen met je eigen innerlijk.
Thuis was er vandaag weer een vervelende toestand: Soelerzjitski zong, met luide pianobegeleiding van Sasja, daar klonk de schreeuwerige, afschuwelijke stem van Boelygin doorheen, en het zinloze gelach van Sasja, Joelia Ivanovna en Marja Vasiljevna - ontzettend allemaal!
Andrjoesja is gekomen; het is treurig dat hij uitsluitend belang stelt in paarden, honden en zijn provinciale kennissen - geen greintje geestelijk leven. [...]

zondag 28 maart 2021

Henk Kortekaas • 29 maart 1942

• Vogelliefhebber Henk Kortekaas (1924-2005) hield tijdens de oorlog een dagboek bij, waarin hij zowel waarnemingen van vogels noteerde, als zaken die de voortgang van de oorlog beschreven. Het dagboek is gepubliceerd als Geheim vogeldagboek.

[29 maart]
Zondagmorgen gingen we naar het strand, waar nog minder te beleven was dan de vorige week. De burgemeestermeeuwen waren foetsie. Slechts enkele kieviten vlogen dicht over de golven in Noordelijke richting. Een troepje bontbekjes (red.: bontbek-plevieren) zorgde voor de afwisseling in het strandmenu. Op de terugweg zag ik eensklaps 5 grote vogels vlak over de branding vliegen. De kijker bracht opheldering.
Reigers die met lome wiekslag schots en scheef achter elkaar vlogen. Plots zag Jan door de kijker nog een troep van 18 stuks, die je met het blote oog nooit zou hebben kunnen zien.
Op de boulevard waren er 2 mitrailleurs bijgekomen en een paar zandbarricades met schietgaten. Verder stond het zoeklicht nu op het dak van een huis. We zagen toen we langs de Alkemadekazerne kwamen, dat er nog maar 1 kanon in het duin stond, waar er eerst nog 5 of meer waren.
's Middags in de polder vonden we weer wat kievitsnestkuiltjes, maar nog geen eieren. De eerste grutto hoorden we jodelen, zijn eigen naam zegt hij steeds maar weer, afgewisseld met een jammerend geluid van 'wiedewiet óó' Ver weg klonk een reigerkreet. De eigenaar van dat schorre stemgeluid kon ik eerst niet ontdekken, maar toen hij weer riep zag ik hem ineens. Hij was vergezeld van 4 soortgenoten. Hoog in de lucht dreven ze naar 't Noordoosten.
Voor we huiswaarts keerden waren we getuige van een aanval van een sperwer op een troep spreeuwen. Toen die zonder succes (voor de sperwer) afgeslagen was, ging hij uitrusten op een draad van de elektrische trein, waar hij gezelschap kreeg van 2 kraaien. In 't begin zaten de kraaien naast elkaar, een meter van de sperwer verwijderd. Dat was echter niets voor de plaagzieke kraaien. Eén vloog er op en ging toen aan de andere kant van de roofvogel zitten, zodat de laatste ingesloten zat tussen 2 vijanden. Toch was het nog niet genoeg, bleken de kraaien te vinden. Om de beurt vloog er 1 op en deed alsof hij bovenop de sperwer ging zitten. Af en toe raakte 1 van de kwelgeesten hem zelfs. Totdat de sperwer er genoeg van kreeg en op de wieken ging, naar een rustiger gedeelte van het elektrische draad. Toen de kraaien hem ook hier volgden, nam de sperwer een resoluut besluit en vloog weg. Bij Woensdag vergat ik te schrijven dat er uren achtereen geschoten is, vanaf een uur of 10 tot diep in de nacht. De Engelsen ondernamen een vlucht op West-Duitsland. Essen en andere steden werden gebombardeerd.

William Russell • 28 maart 1861

• William Howard Russell (1820-1907) schrijft hier over president Abraham Lincoln. Hij "was a reporter for the London Times and kept a diary of his impressions as he covered the war in both the North and South. We join his account three weeks after Lincoln's inauguration. The Southern states have seceded and established the Confederacy but open warfare would not commence until April 12 when the Confederates bombard Fort Sumter in Charleston harbor. Russell sits in an anteroom as the new President enters." Uit: My Diary.


March 27, 1861
Soon afterwards there entered, with a shambling, loose, irregular, almost unsteady gait, a tall, lank, lean man, considerably over six feet in height, with stooping shoulders, long pendulous arms, terminating in hands of extraordinary dimensions, which, however, were far exceeded in proportion by his feet. He was dressed in an ill-fitting, wrinkled suit of black, which put one in mind of an undertaker's uniform at a funeral; round his neck a rope of black silk was knotted in a large bulb, with flying ends projecting beyond the collar of his coat; his turned-down shirt-collar disclosed a sinewy muscular yellow neck, and above that, nestling in a great black mass of hair, bristling and compact like a ruff of mourning pins, rose the strange quaint face and head, covered with its thatch of wild, republican hair, of President Lincoln.
The impression produced by the size of his extremities, and by his flapping and wide projecting ears, may be removed by the appearance of kindliness, sagacity, and the awkward bonhomie of his face; the mouth is absolutely prodigious; the lips, straggling and extending almost from one line of black beard to the other, are only kept in order by two deep furrows from the nostril to the chin; the nose itself - a prominent organ - stands out from the face, with an inquiring, anxious air, as though it were sniffing for some good thing in the wind; the eyes dark, full, and deeply set, are penetrating, but full of an expression which almost amounts to tenderness; and above them projects the shaggy brow, running into the small hard frontal space, the development of which can scarcely be estimated accurately, owing to the irregular flocks of thick hair carelessly brushed across it.
One would say that, although the mouth was made to enjoy a joke, it could also utter the severest sentence which the head could dictate, but that Mr. Lincoln would be ever more willing to temper justice with mercy, and to enjoy what he considers the amenities of life, than to take a harsh view of men's nature and of the world, and to estimate things in an ascetic or puritan spirit.
A person who met Mr. Lincoln in the street would not take him to be what - according to the usages of European society - is called a 'gentleman;' and, indeed, since I came to the United States, I have heard more disparaging allusions made by Americans to him on that account than I could have expected among simple republicans, where all should be equals; but, at the same time, it would not be possible for the most indifferent observer to pass him in the street without notice. . . .

March 28
In the conversation which occurred before dinner, I was amused to observe the manner in which Mr. Lincoln used the anecdotes for which he is famous. Where men bred in courts, accustomed to the world, or versed in diplomacy, would use some subterfuge, or would make a polite speech, or give a shrug of the shoulders as the means of getting out of an embarrassing position, Mr. Lincoln raises a laugh by some bold west-country anecdote, and moves off in the cloud of merriment produced by his joke. . . ."

Tommy Wieringa • 27 maart 2018

• Tommy Wieringa is een Nederlandse schrijver. Uit: Dagboek van een jaar (2018).

Maandag 26 maart 2018
Ontwaken met de tijding van Y's overlijden, Peter Müllers [A.L. Snijders] echtgenote. Wat al een winter of tien werd gevreesd, is nu gebeurd. Longontsteking velde haar. Ze ligt thuis opgebaard, koud en stijf viert ze overmorgen haar drieëntachtigste verjaardag. Hoe dat nu met Peter moet, alleen in een boerderij ver van de bewoonde wereld, daar heb ik schrik van. Al in 1996 stuurde ik hem beterschapswensen voor zijn vrouw, die toen ernstig ziek was. In datzelfde briefje verzocht ik hem te mogen interviewen - uit bewondering, die mettertijd vriendschap is geworden.
[...]

Dinsdag 27 maart 2018
Naar het oosten voor drie dagen, de laatste optredens van de Rita-toernee in Hengelo, Doesburg en Tubbergen. Bij Peter langs in Klein Dochteren. Y ligt in de woonkamer, bijna al zijn kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen zijn er. Peter streelt haar wang. 'Koud is ze.' En: 'Ze was een hele goede vrouw. Echt heel goed.'
Hoe ze op het laatst zei: 'Ik ga nu, doe de kinderen de groeten.'
Maar het echte einde kwam later, in het holst van de nacht.
Het is Peters vaste voornemen om tot zijn dood in de boerderij te blijven wonen. Voor het raam naast de baar viel een boomklever aan op het vogelvoer in een plexiglazen voederkastje. Buiten, bij het afscheid, de bosrand en landhuis De Boekhorst aan de rand van het gezichtsveld, omringd door Peter en vier van zijn kinderen. Gezin van grote praters. Anarchisten. Een hechte stam.

donderdag 25 maart 2021

Margaretha Ferguson • 26 maart 1961

• Margaretha Ferguson (1920-1992) was een Nederlandse 'Indische' schrijfster. Dagboeknotities van haar zijn gepubliceerd onder de titel Brief aan niemand.

• portret: Bep Rietveld

maart 1961
Er wordt, uitstekend hortend - een tango gespeeld door de radio. Het idee overvalt me dat het waar is dat ik te oud ben, dat dit niet meer mijn muziek is - dat ik oud ben, en Alexander nog veel, véél ouder - niet meer mijn muziek. Geen roes meer, geen danserotiek, geen nacht meer van doordansen tot 's ochtends. Daar is de bakker!