• Uit: Gerrit van der Linde (1808-1858): Waarde van Lennep. Brieven van De Schoolmeester toegelicht door Maritha Mathijsen. (1993).
Amsterdam, tussen 1 en 9 oktober 1849
In het najaar kwam Van de Linde inderdaad naar Nederland. Hij logeerde in Rotterdam. Om Jacob van Lennep te ontmoeten nam hij de trein naar Amsterdam en wachtte op hem in een restaurant. De brief schreef hij daar.
[...]
Ik gevoel mij dan ook recht gelukkig in de stad mijner Vaders en Grootmoeders; doch verdorring valle op de ophaalbruggen, zij zijn altijd op als ik haast heb: het is dáár, en niet hier dat gij uw zwemschool had moeten oprichten. - De spoorwegen zijn hier veel pleizieriger dan in Engeland, veel goedkooper en het gaat zoo zoetjens, en je houdt zoo dikwijls op, dat het ‘acht maal breeken van 't lijntjen’ tussen Delft en Leiden, hier noch altijd in gebalsemde gedachtenis schijnt te blijven. Doch daar is ijsselijk gek vee tusschen Rotterdam en Amsterdam, daar was een onophoudelijke harddraverij van runderen en varkens, den gantschen morgen, zoodra de slagschaduw van de trein, en vooral van de rook, op de weiden neder viel, ik heb nooit, zelfs in België niet, zulke wegloopers gezien als de Hollandsche koeien, die ik nu waarlijk als de grootste gekkinnen van Holland begin te beschouwen. Daar was een zeer beleefd dierkundige in de trein, die veel tot mij sprak over zoologie; doch sints Beeren mij eens verschrikt hebben hou ik niet veel van deze branche der natuurlijke historie. Gezegde Heer was dáár, in de derde classe, uit liefhebberij, omdat hij, uit liefde voor beesten, bijna zelf een beest is geworden; ik was dáár, tusschen twee kalveren en een koe die in de kraam lag, zeer tegen mijn wensch, doch uit eerbied voor u, en om u niet te verstoren door nuttelooze uitgaven. Zie hoe lief ik u noch heb. Ik zit, of liever ik sta nu met open hart en open armen om u te ontfangen; zulk een positie is zeer affectueus, doch op den langen duur vermoeyend. Het open hart, te lang wachtend, vooral in dit koud seizoen, om een vriend te ontfangen, zou spoedig kou vatten, en wat ware dan de waarde uwer komst; en hartelijke armen hoe hartelijk dan ook, meer dan een kwartier open te houden, is geheel out of question, het is inderdaad even onmogelijk als gelijk men echter algemeen verzekert, het zijn zou het mesmeriseren door uw almanack van 1849 vervangen te zien. Hoe gelukkig gevoel ik mij die nu op haar langdurig doodbed, voor het eerst van mijn leven nog gezien te hebben. Het was nog al aartig te zien hoe ik, door instinct als 't ware, schoon vast in slaap, door twee onmiskenbare teekens leerde kennen dat wij aan de Leidsche station waren. Ik gevoelde terstond een zeker chemiesch experiment voortgaan in mijn binnenkamers als of het gantsch gebouw tot zijn elementen werd teruggebracht, en ik vond alzoo terstond het gemis van neuzen in de Leidsche aanwezigen; doch dit was misschien omdat ik de oogen toe had. Ik heb nu reeds gegeten en gedankt, en verwacht u met ongeduld; er zijn slechts twee of drie uren ten hoogste, kom dus terstond; zoo gij geen vigilant kunt vinden, neem dan een trek- of liever tent-schuit, opdat ik u, roeiende redder! spoedig moge herzien, want ik heb u altijd noch recht hartelijk lief, ofschoon gij het weinig verdient. Ik verblijve,
Oprechte Vriend
Uw weledel gestrenge Heer
G. van de Linde
woensdag 30 september 2020
dinsdag 29 september 2020
Johan Raye van Breukelerwaard • 30 september 1765
• Uit: Een levenslustig heer op reis naar de Oriënt. Brieven van Johan Raye, heer van Breukelerwaart, 1764-1769.
Buyukdar bij Constantinopel, 30 september 1765
[...] Ik heb U beloofd een betrouwbaar en volledig ooggetuigeverslag te geven van het badhuis van Sofia. Alles wat de moeite waard is heb ik grondig bekeken en in me opgenomen. Met excuses aan milady Montagu: haar verslag schittert door vooringenomenheid; alles in dit land wil ze zo gunstig mogelijk voorstellen. Ik was aanvankelijk geneigd haar te geloven en had daarom gedacht iets heel moois en propers te zien. Ik kon echter niets ontdekken dat het interessanter maakte dan andere badhuizen. Toen ik dat armzalige gebouw zag, kreeg ik er zelfs spijt van door de smerige straten van Sofia te zijn gegaan. De beschrijving van mevrouw Montagu van de vorm van het gebouw klopt overigens wel. Het badhuis is van steen en heeft vijf koepels. In het gewelf zijn hele kleine vensters aangebracht die nauwelijks daglicht doorlaten. Boven de ingang is de kleinste koepel. De zaal die men binnenkomt is tamelijk groot en geplaveid met marmer, dat overigens kapot en nagenoeg versleten is. Vier kleine fonteinen zorgen voor koud water dat in simpele bassins van ruw marmer stroomt. Vandaaruit loopt het over de vloer in geultjes, of liever gezegd in spleten tussen de stenen naar de volgende zaal waar het heet is. De twee andere ruimten bevatten warme baden en zijn voor vrouwen bestemd, geen man mag er binnen komen. Ik vraag U, goede vriend, hoe kan men nu nog zijn vertrouwen schenken aan de hoogdravende en fraaie verhalen die zo vaak verteld worden over mooie dingen die men gezien zou hebben. Ik ben heel sceptisch geworden, omdat ik bijna voortdurend bedrogen word in de voorstellingen van anderen. Ik zal U een voorbeeld geven. Als we 's avonds in onze konaks of verblijfplaatsen aankwamen hoopten we de mooie Bulgaarse meisjes aan te treffen waarover onze geachte Lady Montagu zo beeldend schrijft. Tot onze grote spijt was onze fantasie kennelijk nog niet zo oververhit, dat wij werkelijk de vrouwen zagen die we graag wilden zien, hoewel ze meestal gesluierd waren en we echt wel de goede stemming hadden. Alle vrouwen hebben door de zon een donkere teint gekregen. Hun lange zwarte haar, dat tot op de grond hangt, is gevlochten en samengeknoopt met touw waarin kleine zilverstukjes zijn verwerkt. Als ze lopen maken ze een lawaai alsof ze kettingen achter zich aan slepen. Ze dragen met zilver geborduurde mutsen of filets van stukjes zilver in de vorm van een kapje. De ongetrouwde vrouwen lopen blootshoofds rond. Om hun armen hebben ze brede koperen armbanden. De kleding bestaat uit een hemd en een rok van wit-linnen met kleurig borduursel aan de randen. Om het middel hebben ze een band waaraan een klein mes hangt. Dingen in iedere denkbare kleur, die op geveterde rijglaarzen van grof linnen lijken, dienen als schoeisel. Trek zelf Uw conclusies goede vriend of ze ons verleid zouden kunnen hebben, zelfs al hadden ze met Bulgaarse gratie om ons heengedanst. Bewonder daarom in de mooie roman van mevrouw Montagu alleen de levendige manier waarop ze haar onderwerpen beschrijft, maar heb niet de illusie dat ze de werkelijkheid laat zien. Tot op heden heb ik alleen maar kennis kunnen nemen van haar overspannen verbeelding. Zo ziet ze sinaasappelen citroenbomen waar volgens mij linden en wilgen staan. Maar genoeg over dit onderwerp. [...]
maandag 28 september 2020
Adèle Bloemendaal • 29 september 1982
• Adèle Bloemendaal (1933-2017) was een Nederlandse actrice. Voor NRC Handelsblad hield ze in 1982 een 'Hollands Dagboek' bij.
Woensdag
Ik haal croissants en wat extra lekkers op de hoek, zet koffie, dek de tafel en haal het cadeau voor John te voorschijn. Ik ben net klaar als hij naar beneden komt. Onze timing is zoals gewoonlijk perfect. Wij omhelzen en ik ben even sentimenteel.
Om tien uur komen twee jongemannen praten over Lysistrata in het kader van het Holland Festival. Zij bieden mij de hoofdrol aan. Ik vraag tijd om na te denken. Het aanbod is aanlokkelijk. Ik zal andere disciplines moeten aanleren en dat staat mij wel aan. Maar heb ik tijd? Om elf uur komt de fotograaf van de NRC. Het is een uiterst aantrekkelijke speelhork en wij gaan wat lacherig aan het werk. Na tien minuten is het karwei geklaard en ik breng de jongeheer G. zijn ontbijt, Henk van der Meijden belt en offreert mij promotie voor 'Adèle's keus' in zijn televisieprogramma. Ik bel Frans en vraag zijn standpunt. Hij vraagt bedenktijd en belt mij een half uur later op met een positief antwoord. Wij kiezen een lied uit en ik maak een afspraak met Van der Meijden voor morgen.
Wij maken ons op voor de lunch in de Oesterbar, ons familierestaurant. De obers werken er al jaren en kennen John sinds zijn kleutertijd. Na de lunch met een memorabele Chablis gaat John zijn vriendin ophalen. Wij nemen afscheid van zijn vader en ik wandel via het Begijnhof naar huis. Ik schrijf tot half zeven. Ik maak wat te eten. John en zijn vriendin kijken televisie. Ik lees in bed een paar verhalen van Jan Blokker. Ik val in een coma.
Woensdag
Ik haal croissants en wat extra lekkers op de hoek, zet koffie, dek de tafel en haal het cadeau voor John te voorschijn. Ik ben net klaar als hij naar beneden komt. Onze timing is zoals gewoonlijk perfect. Wij omhelzen en ik ben even sentimenteel.
Om tien uur komen twee jongemannen praten over Lysistrata in het kader van het Holland Festival. Zij bieden mij de hoofdrol aan. Ik vraag tijd om na te denken. Het aanbod is aanlokkelijk. Ik zal andere disciplines moeten aanleren en dat staat mij wel aan. Maar heb ik tijd? Om elf uur komt de fotograaf van de NRC. Het is een uiterst aantrekkelijke speelhork en wij gaan wat lacherig aan het werk. Na tien minuten is het karwei geklaard en ik breng de jongeheer G. zijn ontbijt, Henk van der Meijden belt en offreert mij promotie voor 'Adèle's keus' in zijn televisieprogramma. Ik bel Frans en vraag zijn standpunt. Hij vraagt bedenktijd en belt mij een half uur later op met een positief antwoord. Wij kiezen een lied uit en ik maak een afspraak met Van der Meijden voor morgen.
Wij maken ons op voor de lunch in de Oesterbar, ons familierestaurant. De obers werken er al jaren en kennen John sinds zijn kleutertijd. Na de lunch met een memorabele Chablis gaat John zijn vriendin ophalen. Wij nemen afscheid van zijn vader en ik wandel via het Begijnhof naar huis. Ik schrijf tot half zeven. Ik maak wat te eten. John en zijn vriendin kijken televisie. Ik lees in bed een paar verhalen van Jan Blokker. Ik val in een coma.
zondag 27 september 2020
Simon Vinkenoog • 28 september 1963
• Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In 1963/'64 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte.
zaterdag 28 september 1963
De tijd valt in meer definieerbare onderdelen van gebeurtenissen uiteen. Lijkt daardoor langer te duren. Meer vatbare beelden passen in het beleven. Gebeurtenissen, die enkele minuten duren (theewater opzetten, een ei koken, enz.) nemen uren in beslag, de tijd verliest zijn betekenis. Ik kan het gemakkelijk uitvinden aan de hand van de wijzers van de verlichte Westertorenklok, die altijd (van begin 1960 tot oktober 1963) boven deze gebeurtenissen aan de Bloemgracht 8 uittorent. Ik realiseerde me dit pas, toen ik enkele sekonden in gedachten voor me uit het raam op straat staarde. Wat in die tijd gebeurde, zou ik ‘in werkelijkheid’ in enkele minuten gewaarworden. Ik verlies het onderscheid.
woensdag 2 oktober 1963
Ik heb me jarenlang de beroerte gelachen! Zo high, dat je de wereld buitensluit. De lachkick, de eerste stap naar kennis het ontkennen. Gegiegul. De grijsaard uit Het leven is vurrukkulluk: ‘En maar giegullen.’
De spreker van Radio Veronica (Joost mag weten wie) spreekt zijn moer's taal als 'n soort Esperanto, verstaanbaar voor iedereen behalve z'n moer. De goden herkennen zich in ons.
Trichloorethyleen. Peter in het ziekenhuis. Omgevallen. Verbrand.
Schadelijk (Klaas), Nonsens (drs. Bart H.).
zaterdag 28 september 1963
De tijd valt in meer definieerbare onderdelen van gebeurtenissen uiteen. Lijkt daardoor langer te duren. Meer vatbare beelden passen in het beleven. Gebeurtenissen, die enkele minuten duren (theewater opzetten, een ei koken, enz.) nemen uren in beslag, de tijd verliest zijn betekenis. Ik kan het gemakkelijk uitvinden aan de hand van de wijzers van de verlichte Westertorenklok, die altijd (van begin 1960 tot oktober 1963) boven deze gebeurtenissen aan de Bloemgracht 8 uittorent. Ik realiseerde me dit pas, toen ik enkele sekonden in gedachten voor me uit het raam op straat staarde. Wat in die tijd gebeurde, zou ik ‘in werkelijkheid’ in enkele minuten gewaarworden. Ik verlies het onderscheid.
woensdag 2 oktober 1963
Ik heb me jarenlang de beroerte gelachen! Zo high, dat je de wereld buitensluit. De lachkick, de eerste stap naar kennis het ontkennen. Gegiegul. De grijsaard uit Het leven is vurrukkulluk: ‘En maar giegullen.’
De spreker van Radio Veronica (Joost mag weten wie) spreekt zijn moer's taal als 'n soort Esperanto, verstaanbaar voor iedereen behalve z'n moer. De goden herkennen zich in ons.
Trichloorethyleen. Peter in het ziekenhuis. Omgevallen. Verbrand.
Schadelijk (Klaas), Nonsens (drs. Bart H.).
Phyllis Chesler • 27 september 1977
• Phyllis Chesler (1940) is een Amerikaanse schrijfster en hoogleraar psychologie. In With Child: A Diary of Motherhood (1979) beschrijft ze wat het is en hoe het voelt om moeder te worden. Het boek is in het Nederlands vertaald als Moeder met kind (vertaling Elise Marijns).
27 september 1977
Fréderic [haar arts] wil me om de twee weken onderzoeken in oktober, en iedere week in november en december. Hij wil dat ik elke maand een onderzoek laat doen naar het hart van de foetus, te beginnen met nu. Hij wil een vierentwintig-uurs-urinemonster, twee maal per maand, en nog eens twee maal een ultrasonisch onderzoek. Hij wil dat ik één uur per dag op mijn linkerzij ga liggen en jouw getrappel tel! Dit wordt te gek! Ik word behandeld alsof ik doodziek ben, of stervende. Doktersbezoek op deze schaal lijkt op de gedwongen bezoeken aan de kinderarts, aan 'specialisten' in mijn kinderjaren. De Lange Mars van de Kinderjaren: nog niet voorbij. Hoe kan ik al die onderzoekingen ondergaan en me houden aan mijn afspraken voor lezingen, mijn colleges? Ik moet op zoek gaan naar iemand die me voorbereidt op de natuurlijke bevalling, naar een vroedvrouw, een kinderverzorgster.
Moet ik al gaan kiezen vóór je bent geboren? Of kies ik ervoor om alles te doen en bezwijk ik onder die poging?
27 september 1977
Fréderic [haar arts] wil me om de twee weken onderzoeken in oktober, en iedere week in november en december. Hij wil dat ik elke maand een onderzoek laat doen naar het hart van de foetus, te beginnen met nu. Hij wil een vierentwintig-uurs-urinemonster, twee maal per maand, en nog eens twee maal een ultrasonisch onderzoek. Hij wil dat ik één uur per dag op mijn linkerzij ga liggen en jouw getrappel tel! Dit wordt te gek! Ik word behandeld alsof ik doodziek ben, of stervende. Doktersbezoek op deze schaal lijkt op de gedwongen bezoeken aan de kinderarts, aan 'specialisten' in mijn kinderjaren. De Lange Mars van de Kinderjaren: nog niet voorbij. Hoe kan ik al die onderzoekingen ondergaan en me houden aan mijn afspraken voor lezingen, mijn colleges? Ik moet op zoek gaan naar iemand die me voorbereidt op de natuurlijke bevalling, naar een vroedvrouw, een kinderverzorgster.
Moet ik al gaan kiezen vóór je bent geboren? Of kies ik ervoor om alles te doen en bezwijk ik onder die poging?
Sophia van Württemberg • 26 september 1864
• Sophia van Württemberg (1818-1877) was de eerste vrouw van koning Willem III. Ze schreef brieven aan een hartsvriendin, Lady Mallet, die door het ontbreken van enige terughoudendheid gelezen kunnen worden als een dagboek. De onderstaande brieven schreef ze kort na de dood van haar vader.
Huis ten Bosch, 4 september 1864
Ik heb erg veel behoefte aan verandering van omgeving, ook al zijn goede vrienden me komen opzoeken, Lord Napier en Lord Clarendon. Lord Clarendon is nog steeds hier in huis en, hoewel hij zich helemaal niet goed voelt, het aangenaamste gezelschap dat men zich kan voorstellen. Lord Napier vernam, toen hij in Den Haag was, dat hij naar Berlijn wordt overgeplaatst. Hij vond dat jammer, al toonde hij 'bonne mine à mauvais jeu'. Ik denk, dat een deel van zijn hart nog in St.Petersburg vertoeft.
Bazel, Hotel 'Des trois Rois', 13 september 1864
Ik ga naar Luzern.
Als ik iemand uit Stuttgart ontmoet, komt heel de ellende van mijn verlies [van haar vader] weer over me en voel ik die leegte waartegen geen kruid gewassen is. De tijd heelt niet, integendeel.
De koning en koningin van Württemberg [haar broer en diens vrouw] zijn bijzonder onvriendelijk tegen iedereen, hun eigen moeder niet uitgezonderd.
Luzern, 26 september 1864
Ik leef hier heel rustig, kijk uit over het blauwe meer, de bergen, en geniet van het heerlijke weer. Mijn neef Napoleon is mij komen opzoeken. Hij was hartelijk - maar er zijn maar weinig mensen, die mijn verdriet en mijn gevoel van eenzaamheid kunnen begrijpen.
[...]
Huis ten Bosch, 4 september 1864
Ik heb erg veel behoefte aan verandering van omgeving, ook al zijn goede vrienden me komen opzoeken, Lord Napier en Lord Clarendon. Lord Clarendon is nog steeds hier in huis en, hoewel hij zich helemaal niet goed voelt, het aangenaamste gezelschap dat men zich kan voorstellen. Lord Napier vernam, toen hij in Den Haag was, dat hij naar Berlijn wordt overgeplaatst. Hij vond dat jammer, al toonde hij 'bonne mine à mauvais jeu'. Ik denk, dat een deel van zijn hart nog in St.Petersburg vertoeft.
Bazel, Hotel 'Des trois Rois', 13 september 1864
Ik ga naar Luzern.
Als ik iemand uit Stuttgart ontmoet, komt heel de ellende van mijn verlies [van haar vader] weer over me en voel ik die leegte waartegen geen kruid gewassen is. De tijd heelt niet, integendeel.
De koning en koningin van Württemberg [haar broer en diens vrouw] zijn bijzonder onvriendelijk tegen iedereen, hun eigen moeder niet uitgezonderd.
Luzern, 26 september 1864
Ik leef hier heel rustig, kijk uit over het blauwe meer, de bergen, en geniet van het heerlijke weer. Mijn neef Napoleon is mij komen opzoeken. Hij was hartelijk - maar er zijn maar weinig mensen, die mijn verdriet en mijn gevoel van eenzaamheid kunnen begrijpen.
[...]
woensdag 23 september 2020
Jules Renard • 24 september 1904
• Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Dagboeknotities 1887-1910. Vertaald door Frans de Haan en Marianne Kaas.
24 september
‘En ik denk ook aan het socialisme,’ zeg ik tegen Marinette. ‘Het is aantrekkelijk. Ik kan me zelf wel voorhouden: “Ik moet leven, toneelstukken schrijven, geld verdienen voor jou, voor Fantec en voor Baïe,” maar toch laat de gedachte aan het socialisme me niet los. Daar ligt een heel nieuwe wereld waarin het niet belangrijk is een positie te veroveren, maar zich ergens aan te wijden.’
‘Dat begrijp ik juist niet,’ zegt ze.
‘Wat niet?’
‘Dat iemand duidelijk ziet wat hij zou moeten doen, en het niet doet.’
‘Zodat,’ zeg ik, ‘jij zelf liefdezuster zou worden, als je werd geïnspireerd door een liefdezuster?’
‘Ja.’
‘En je man? En je kinderen dan?’
Ze geeft geen antwoord, want de oven is warm en de patrijzen moeten erin.
‘Ze weet niet wat ze zegt, die moeder van je,’ zeg ik tegen Baïe, die op het buffet zit, en ik geef haar een zoen.
‘Oh jawel hoor!’ antwoordt Baïe, alsof ik haar moeder voor gek uitmaakte.
Ook al ben ik geen praktizerend socialist, ik ben ervan overtuigd dat daar mijn ware leven zou liggen. Het is niet uit onwetendheid, het is uit zwakheid. Jij bent er, jij en mijn kinderen zijn er, en onze bourgeois-achtergrond, en mijn gewoonten omdat ik nu eenmaal iemand ben voor wie de kunst ondanks alles toch een vak is. Ik heb niet de moed die ketens af te schudden. Ik hoef geen 300 000 franc auteursrechten zoals Capus, maar wel 10, 15 000. Ik heb lak aan de Académie, maar ik ben wel gesteld op enig succes. Het uitgaansleven kan me gestolen worden, maar ik heb nog steeds twee, drie vrienden die Parijzenaars zijn en met wie ik nog steeds graag twee, drie avonden per week doorbreng. Wat nodig is om in die wereld te schitteren, kan ik niet opbrengen, en het is me onmogelijk me, poedelnaakt, in de andere te storten. Zo is het!
Raad, aan jagers, er eens zonder hun geweer op uit te trekken en door de velden te lopen waar ze hebben gedood. De ekster wordt je vertrouwd. De patrijzen wachten tot je vlak bij ze bent. De vruchtjes van de sleedoorn lokken, en het sappige wilde peertje.
Onder een lichte nevel slapen de weiden in.
Het rund blijft staan en kijkt, en het rund dat achter hem aan komt likt met trage tong het achterwerk van het eerste.
De weide daarginds die de hele groene deken naar zich toe trekt.
En je hebt geen moord gepleegd: dat is tenminste iets.
Abonneren op:
Posts (Atom)







