• Vilgot Sjöman (1924-2006) was een Zweedse schrijver en regisseur. In 1961/62 was hij assistent van Ingmar Bergman bij de opnames van diens film De avondmaalsgasten. Van die periode hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als L136. Dagboek met Ingmar Bergman.
Donderdag 1 juni 1961
FS heeft een scenario nodig; Ingmar heeft er een bij mij besteld; als het klaar is, uit ik plompverloren de wens het zelf te mogen regisseren. 'Je bent niet goed wijs! Als je er ook maar het flauwste idee van had wat er allemaal aan vastzit om te regisseren ...' Hij houdt een preek van een kwartier in zijn kamer: een intens schrikbeeld hangt hij op van wat een nieuweling in de filmstudio wel allemaal boven het hoofd hangt; dan is de zaak afgedaan. (Hij zal elke dag al mijn opnamen controleren; anders kan hij het tegenover de directie niet verantwoorden. Een redelijke voorwaarde.) Ik wil de film noemen: De minnares.
IB stelt voor dat ik me zal voorbereiden door de opnamen van zijn volgende film bij te wonen: een soort van regiecursus.
Des te beter: dan kan ik mijn oude wensdroom meteen realiseren. Gaat hij daarmee akkoord? Ja. Kan hij daar werkelijk wel tegen om mij elke dag in zijn studio te hebben - alles registrerend, tot in details? Jawel, dat zal wel gaan. Als ik maar geen misbruik van zijn vertrouwen maak. Dat heeft hij wel eens vaker beleefd, zegt hij. Die en die heeft toen en toen misbruik gemaakt van zijn vertrouwen.
- Hoe dat zo?
- Een dolksteek in de rug. Hij praatte er met anderen over hoe ik was. Met anderen; maar tegen mij begon hij er nooit over. En toen ik dat ontdekte!
zondag 31 mei 2020
Simon Vestdijk • 31 mei 1945
• Simon Vestdijk (1898-1971) was een Nederlandse schrijver. Uit: Brieven uit de oorlogsjaren aan Theun de Vries (1968)
Doorn, 31-5-'45
Beste Theun,
Proficiat met je miraculeuze ontsnapping**, die ik al eenige tijd verwacht had en die nu toch eerder heeft plaatsgehad dan ik had kunnen vermoeden. Ik hoop van harte, dat je je weer gauw herstellen zult van de doorleden emoties; het is niet niets wat je hebt meegemaakt. Wij zijn zeer benieuwd naar een mondeling verslag! Waarschijnlijk zal daar binnenkort gelegenheid voor zijn. Wij zijn n.l. van plan een dag of 3, 4, in Amsterdam te komen; dan zoeken we je natuurlijk op. Als 't eenigszins kan, hoop ik je nog intijds te berichten.
Wij zijn er verder goed afgekomen. Een beetje honger nu en dan, en Ans is erg mager; maar bepaalde narigheden hebben we toch niet gehad. Ons huis is nog gevorderd, maar toen puntje bij paaltje kwam, ging het niet door. En van de winter heb ik voortreffelijk kunnen werken. Toen de Vuuraanbidders klaar waren, - dat nogal lang is geworden, maar m.i. wel geslaagd, - heb ik mij op de poëzie geworpen, met als resultaat een bundel van 60 pag., en een episch gedicht, genaamd Mnemosyne in de Bergen, van 200 pag.! Momenteel schrijf ik nog wat van die korte essays, als aanvulling voor de bundel; dan hoop ik weer met een roman te beginnen. 't Is te hopen, dat al die copy binnen niet al te lange tijd gedrukt zal kunnen worden! Geef mij, als ik in A. ben, vooral je negerroman [De vrijheid gaat in 't rood gekleed] mee, ook al is hij nog niet klaar ...
Aan [tijdschrift] De Vrije Katheder wil ik heel graag geregeld medewerken. Zou je mij het blad voortaan willen laten sturen? Ik wil ook wel een abonnement nemen. Betalen jullie een beetje behoorlijk? Ik voel wel iets voor een ‘vaste’ rubriek, b.v. van dialogen, over min of meer actueele, cultureele kwesties. Daarvoor zou ook zeer wenselijk zijn, dat ik het blad regelmatig lees. Ik schreef n.l. voor Gr.Ned. een Dialoog over de Politieoorlog, met onze oude vrienden Arminius en Godard als sprekers; maar bij nader inzien vind ik het aardiger om het aan de V.K. af te staan; ik sluit het hierbij in, benevens een aantal min of meer ‘actueele’ gedichten, die mij ook wel geschikt lijken. Verder kan ik je natuurlijk zooveel korte essays sturen (uit Essays in Duodecimo) als je maar wilt; daar is ook wel wat bij van algemeen cultureel belang. En dan is er de mogelijkheid, - als jullie behoefte hebt aan feuilletons van ‘gehalte’, - dat Iersche Nachten bij jullie verschijnt! Zooals je ziet, heb ik plannen genoeg. Overleg ze eens, dan praten we er over wanneer we elkaar zien.
Houd je taai, werk goed, en laat nog wat hooren! Het is natuurlijk mogelijk, dat we vóor die tijd in A. verschijnen. Slaapgelegenheid hebben we, zoowel in A. als in Zaandijk, en we komen op de fiets.
Hart. gr., ook van Ans, en aan Aafje,
van je
Simon
** Theun de Vries: "Begin maart 1945 werd ik door twee man van een verzetsgroep, waarvan éen zich ‘vermomd’ had door het dragen van een ring met de SS-runen, uit het kamp Amersfoort verlost: zij legden de kampleiding een door Willy Lages ondertekend bevel tot mijn invrijheidstelling voor, wisten mij buiten te brengen en vervoerden mij naar Amsterdam, waar ik onmiddellijk weer onderdook."
Beste Theun,
Proficiat met je miraculeuze ontsnapping**, die ik al eenige tijd verwacht had en die nu toch eerder heeft plaatsgehad dan ik had kunnen vermoeden. Ik hoop van harte, dat je je weer gauw herstellen zult van de doorleden emoties; het is niet niets wat je hebt meegemaakt. Wij zijn zeer benieuwd naar een mondeling verslag! Waarschijnlijk zal daar binnenkort gelegenheid voor zijn. Wij zijn n.l. van plan een dag of 3, 4, in Amsterdam te komen; dan zoeken we je natuurlijk op. Als 't eenigszins kan, hoop ik je nog intijds te berichten.
Wij zijn er verder goed afgekomen. Een beetje honger nu en dan, en Ans is erg mager; maar bepaalde narigheden hebben we toch niet gehad. Ons huis is nog gevorderd, maar toen puntje bij paaltje kwam, ging het niet door. En van de winter heb ik voortreffelijk kunnen werken. Toen de Vuuraanbidders klaar waren, - dat nogal lang is geworden, maar m.i. wel geslaagd, - heb ik mij op de poëzie geworpen, met als resultaat een bundel van 60 pag., en een episch gedicht, genaamd Mnemosyne in de Bergen, van 200 pag.! Momenteel schrijf ik nog wat van die korte essays, als aanvulling voor de bundel; dan hoop ik weer met een roman te beginnen. 't Is te hopen, dat al die copy binnen niet al te lange tijd gedrukt zal kunnen worden! Geef mij, als ik in A. ben, vooral je negerroman [De vrijheid gaat in 't rood gekleed] mee, ook al is hij nog niet klaar ...
Aan [tijdschrift] De Vrije Katheder wil ik heel graag geregeld medewerken. Zou je mij het blad voortaan willen laten sturen? Ik wil ook wel een abonnement nemen. Betalen jullie een beetje behoorlijk? Ik voel wel iets voor een ‘vaste’ rubriek, b.v. van dialogen, over min of meer actueele, cultureele kwesties. Daarvoor zou ook zeer wenselijk zijn, dat ik het blad regelmatig lees. Ik schreef n.l. voor Gr.Ned. een Dialoog over de Politieoorlog, met onze oude vrienden Arminius en Godard als sprekers; maar bij nader inzien vind ik het aardiger om het aan de V.K. af te staan; ik sluit het hierbij in, benevens een aantal min of meer ‘actueele’ gedichten, die mij ook wel geschikt lijken. Verder kan ik je natuurlijk zooveel korte essays sturen (uit Essays in Duodecimo) als je maar wilt; daar is ook wel wat bij van algemeen cultureel belang. En dan is er de mogelijkheid, - als jullie behoefte hebt aan feuilletons van ‘gehalte’, - dat Iersche Nachten bij jullie verschijnt! Zooals je ziet, heb ik plannen genoeg. Overleg ze eens, dan praten we er over wanneer we elkaar zien.
Houd je taai, werk goed, en laat nog wat hooren! Het is natuurlijk mogelijk, dat we vóor die tijd in A. verschijnen. Slaapgelegenheid hebben we, zoowel in A. als in Zaandijk, en we komen op de fiets.
Hart. gr., ook van Ans, en aan Aafje,
van je
Simon
** Theun de Vries: "Begin maart 1945 werd ik door twee man van een verzetsgroep, waarvan éen zich ‘vermomd’ had door het dragen van een ring met de SS-runen, uit het kamp Amersfoort verlost: zij legden de kampleiding een door Willy Lages ondertekend bevel tot mijn invrijheidstelling voor, wisten mij buiten te brengen en vervoerden mij naar Amsterdam, waar ik onmiddellijk weer onderdook."
Helena Colijn-Groenenberg • 30 mei 1943
• Helena Colijn-Groenenberg (1867-1947) was de echtgenote van de Nederlandse politicus (en vijf keer premier) Hendrik Colijn. In de oorlogsjaren, tijdens een gedwongen verblijf in Thüringen in Duitsland, hield ze een dagboek bij dat is verschenen als Dagboek van mevrouw Colijn.
Zondag 30 Mei 1943
Vandaag denken wij inzonderheid aan [schoondochter] Inga's geboortedag. Hoe heb je het? Zijn jullie tesamen? Och, dat hoop ik zoo voor jullie allen.
Er zijn zoo ontzettend veel gezinnen uit elkaar geslagen. Vader denkt dat Piet wel in zijn werk gebleven zal zijn; konden jij en de kinderen in dat geval ook te Soerabaja blijven? Hoe verwerken de kinderen alles? Vooral denk ik aan de overgevoelige Adorée en jij lieve Inga. Ik hoop innig dat je niet in opstand zult zijn, maar je toevlucht gezocht zult hebben bij den Heere onzen Hemelschen Vader, Die ons rust geeft voor tijd en eeuwigheid. Wij bidden elke dag voor jullie allen. Onze wensch en bede is dat wij al onze kinderen en kleinkinderen mogen wederzien voor de Heere ons oproept. Wij zijn oud. Elke dag kan de laatste zijn. Velen vallen weg van onze vrienden en kennissen. Mevrouw de Wilde, Mevrouw Floor stierven in deze maand.
Zondag 30 Mei 1943
Vandaag denken wij inzonderheid aan [schoondochter] Inga's geboortedag. Hoe heb je het? Zijn jullie tesamen? Och, dat hoop ik zoo voor jullie allen.
Er zijn zoo ontzettend veel gezinnen uit elkaar geslagen. Vader denkt dat Piet wel in zijn werk gebleven zal zijn; konden jij en de kinderen in dat geval ook te Soerabaja blijven? Hoe verwerken de kinderen alles? Vooral denk ik aan de overgevoelige Adorée en jij lieve Inga. Ik hoop innig dat je niet in opstand zult zijn, maar je toevlucht gezocht zult hebben bij den Heere onzen Hemelschen Vader, Die ons rust geeft voor tijd en eeuwigheid. Wij bidden elke dag voor jullie allen. Onze wensch en bede is dat wij al onze kinderen en kleinkinderen mogen wederzien voor de Heere ons oproept. Wij zijn oud. Elke dag kan de laatste zijn. Velen vallen weg van onze vrienden en kennissen. Mevrouw de Wilde, Mevrouw Floor stierven in deze maand.
donderdag 28 mei 2020
Jacob van Lennep • 29 mei 1823
• Jacob van Lennep (1802-1868) was een Nederlandse schrijver. In 1823 maakte hij met zijn vriend Dirk van Hogendorp een petit tour door zomers Nederland. Van deze tocht hield hij een dagboek bij, onder de titel Nederland in den goeden ouden tijd.
Donderdag, 29 Mei.
Te 5 ure opgestaan zijnde, trokken wij een uur later de poort uit naar Monnikendam en wandelden op een harden met esschenboomen beplantten kleiweg tot aan een sloot waar de wegen van Edam en Monnikendam zich vereenen. Wij hielden dus de rechterhand, waar verscheidene hoeven stonden, zeer net en welbewassen: zoo kwamen wij aan een boom op een viersprong, waar wij links af een rechten kleiweg volgden, over een dijk en brug staken, en langs een kronkelend binnendijkje Monnikendam genaakten. Onderweg klampte ons een Osnabrugsche timmermansgezel aan die ons voor zijne makkers aanzag, naar den aard zeer dom was, en op alle vragen averechts verkeerd antwoordde. Bij hem voegden zich nog anderen. Dus verzeld traden wij de poort in.
Er stond weinig vee op het land: sommige meenen dat het slechts zoo schijnt omdat men eene koe niet ver zien kan, doch dan zoude dit ook in Zuid-Holland plaats moeten hebben; anderen, en met meer grond, geven tot reden dat de boeren in dezen tijd zoo slecht de teering naar de neering gezet hebben, dat de gestegen prijs der landerijen hen noodzaakt minder vee te koopen: ook zijn schapen en varkens te geef.
Monnikendam draagt meer nog dan Purmerend blijken van verval: echter heeft de heer ARBMAN in den tijd het sloopen van vele schoone huizen belet, door zich de zelve voor de stad te eigenen, het welk de sloopers heeft afgeschrikt. – Wij traden den Doelen binnen, welke herberg een goed uiterlijk voorkomen heeft. Vlak bij dezelve is de groote kerk die in 't midden der stad had moeten staan, doch doordien dezelve niet volbouwd is, aan den uithoek staat. Na ons geschoren en verfrischt te hebben, doorkruisten wij de stad en bewonderden het fraaie huis van den heer VAN ROJEN. Te ½ 10 wandelden wij naar Broek langs een' vaart en een meer: de oude net- en schuwheid der ingezetenen is er zeer verminderd: zelfs kon de heer ARBMAN, toen de hertogin van BRUNSWICK een oud Broeksch huis en huisgezin wenschte te zien, er slechts twee meer vinden, die de vorige zeden nog eenigermate bewaard hadden. Zelf bewonderden wij den goeden smaak der huizen van de HH DITMARSCH en BAKKER, vooral wat de voorgevels betreft. Bij den eersten zagen wij de gang bedekt: I° met een' keurlijken ganglooper'; 2° met een linnen dekkleed; 3° met eene fraaie vloermat; 4° met eene fijl [dweil afdekdoek]; 5° met een lap om de voeten te veegen. De laatste heer heeft een prachtigen koepel aan het bekoorlijk meertje dat het dorp bespoelt, welke koepel hem een ton gouds kost. In de nette kerk zagen wij het heerlijk gedenkteeken aan de nagedachtenis van TRIJNTJE ... vrouw van gemelden Heer DITMARSCH. – Langs de straten van Broek mag men 's avonds geene pijp en overdag niet dan met een dopje rooken; ook moet men van 't paard stappen en het aan de toom leiden.
Te ½ 12 ure waren wij weder in Monnikendam: een kommies aan de poort leidde ons zonder fooi uit louter welwillendheid naar den haven, en verhaalde ons veel van de tevredenheid der ingezetenen onder den burgemeester ARBMAN, van deszelfs voorspoedige lijnbaan, van de weelde der boeren enz. Aan de haven namen wij een jachtjen voor f 4 nadat men ons f 8 gevraagd had, en zeilden met heerlijk weder naar het eiland Marken; een moeras met verscheidene buurtjens en een voornamer dorp. De schippers, door de inwooners naar ons ondervraagd, antwoordden dat ik de koning was, waarop zich mannen en vrouwen om ons heen drongen, vrij bijzonder op hun wijs gekleed: doch alle gezonde, sterke, welgevormde lieden. De vrouwen dragen er negen onderscheidene kleedingstukken: I° hun kindergewaad; 2° dat der aankomende maagden; 3° dat der huwbare meisjens welke een vrijer verlangen, als 't ware een koopbordje; 4° het kleed der verlovingsdagen; 5° het bruidspak dat sints 200 jaren door moeder en grootmoeders op dien dag gedragen is; 6° het trouwgewaad; 7° het kleed na den trouwdag; 8° dat der getrouwde vrouwen; 9° het doodsgewaad. De mannen zijn zeer zindelijk: de vrouwen en huizen minder; de kerk is niet onaartig en de predikant een grijsaart die niet van het eiland af wil omdat hij er veel nuts sticht. – Men gaat van het eene dorp naar het andere langs smalle dijkjens waar men als de ganzen loopt, en welke als brij wegzakken onder de voeten. – In 't keeren naar het schip hoorde ik de lieden tegen elkander zeggen: kaik, dat is nou Zen Hooghait. De mindere schuwheid der Markenaars wordt aan de conscriptie toegeschreven. – Met voordeeligen wind keerden wij, en wandelden voorts in twee uren naar Ilpendam, deels den weg langs dien wij gekomen waren, tot aan den viersprong; deels een kronkelend pad langs, door landerijen, waar wij een gevecht met kieviten hadden, voor hun kroost beducht. Wij hoopten op het slot door mevrouw DE GRAAF* ten eten verzocht te worden, doch vonden haar en de haren toen wij er te ½ 4 aankwamen reeds aan het nagerecht zitten. Ik overhandigde aan de jongste der dames een brief van haar' beminde en at eenig osschenvleesch met brood. VAN HOGENDORP wilde niets gebruiken; nu zagen wij het slot, dat in een' breede gracht ligt, eene groote binnenplaats heeft, kamers met steenen- en gladhouten vloeren, ontelbare logeervertrekken, gevuld met familieportretten van de vijftiende eeuw? De groote zaal is met rozeroode gordijnen behangen: het platfond is van het huis SAXENBURG te Amsterdam derwaarts gebracht. Nu kwamen een heer en mevrouw van Purmerend een bezoek doen: de heer wist niets af van zijne stad en kon dus weinig belangrijks verhalen; in de tuin zagen wij eene fraaie rododendron en de godin Nehalennia met dit opschrift
Donderdag, 29 Mei.
Te 5 ure opgestaan zijnde, trokken wij een uur later de poort uit naar Monnikendam en wandelden op een harden met esschenboomen beplantten kleiweg tot aan een sloot waar de wegen van Edam en Monnikendam zich vereenen. Wij hielden dus de rechterhand, waar verscheidene hoeven stonden, zeer net en welbewassen: zoo kwamen wij aan een boom op een viersprong, waar wij links af een rechten kleiweg volgden, over een dijk en brug staken, en langs een kronkelend binnendijkje Monnikendam genaakten. Onderweg klampte ons een Osnabrugsche timmermansgezel aan die ons voor zijne makkers aanzag, naar den aard zeer dom was, en op alle vragen averechts verkeerd antwoordde. Bij hem voegden zich nog anderen. Dus verzeld traden wij de poort in.
Er stond weinig vee op het land: sommige meenen dat het slechts zoo schijnt omdat men eene koe niet ver zien kan, doch dan zoude dit ook in Zuid-Holland plaats moeten hebben; anderen, en met meer grond, geven tot reden dat de boeren in dezen tijd zoo slecht de teering naar de neering gezet hebben, dat de gestegen prijs der landerijen hen noodzaakt minder vee te koopen: ook zijn schapen en varkens te geef.
Monnikendam draagt meer nog dan Purmerend blijken van verval: echter heeft de heer ARBMAN in den tijd het sloopen van vele schoone huizen belet, door zich de zelve voor de stad te eigenen, het welk de sloopers heeft afgeschrikt. – Wij traden den Doelen binnen, welke herberg een goed uiterlijk voorkomen heeft. Vlak bij dezelve is de groote kerk die in 't midden der stad had moeten staan, doch doordien dezelve niet volbouwd is, aan den uithoek staat. Na ons geschoren en verfrischt te hebben, doorkruisten wij de stad en bewonderden het fraaie huis van den heer VAN ROJEN. Te ½ 10 wandelden wij naar Broek langs een' vaart en een meer: de oude net- en schuwheid der ingezetenen is er zeer verminderd: zelfs kon de heer ARBMAN, toen de hertogin van BRUNSWICK een oud Broeksch huis en huisgezin wenschte te zien, er slechts twee meer vinden, die de vorige zeden nog eenigermate bewaard hadden. Zelf bewonderden wij den goeden smaak der huizen van de HH DITMARSCH en BAKKER, vooral wat de voorgevels betreft. Bij den eersten zagen wij de gang bedekt: I° met een' keurlijken ganglooper'; 2° met een linnen dekkleed; 3° met eene fraaie vloermat; 4° met eene fijl [dweil afdekdoek]; 5° met een lap om de voeten te veegen. De laatste heer heeft een prachtigen koepel aan het bekoorlijk meertje dat het dorp bespoelt, welke koepel hem een ton gouds kost. In de nette kerk zagen wij het heerlijk gedenkteeken aan de nagedachtenis van TRIJNTJE ... vrouw van gemelden Heer DITMARSCH. – Langs de straten van Broek mag men 's avonds geene pijp en overdag niet dan met een dopje rooken; ook moet men van 't paard stappen en het aan de toom leiden.
Te ½ 12 ure waren wij weder in Monnikendam: een kommies aan de poort leidde ons zonder fooi uit louter welwillendheid naar den haven, en verhaalde ons veel van de tevredenheid der ingezetenen onder den burgemeester ARBMAN, van deszelfs voorspoedige lijnbaan, van de weelde der boeren enz. Aan de haven namen wij een jachtjen voor f 4 nadat men ons f 8 gevraagd had, en zeilden met heerlijk weder naar het eiland Marken; een moeras met verscheidene buurtjens en een voornamer dorp. De schippers, door de inwooners naar ons ondervraagd, antwoordden dat ik de koning was, waarop zich mannen en vrouwen om ons heen drongen, vrij bijzonder op hun wijs gekleed: doch alle gezonde, sterke, welgevormde lieden. De vrouwen dragen er negen onderscheidene kleedingstukken: I° hun kindergewaad; 2° dat der aankomende maagden; 3° dat der huwbare meisjens welke een vrijer verlangen, als 't ware een koopbordje; 4° het kleed der verlovingsdagen; 5° het bruidspak dat sints 200 jaren door moeder en grootmoeders op dien dag gedragen is; 6° het trouwgewaad; 7° het kleed na den trouwdag; 8° dat der getrouwde vrouwen; 9° het doodsgewaad. De mannen zijn zeer zindelijk: de vrouwen en huizen minder; de kerk is niet onaartig en de predikant een grijsaart die niet van het eiland af wil omdat hij er veel nuts sticht. – Men gaat van het eene dorp naar het andere langs smalle dijkjens waar men als de ganzen loopt, en welke als brij wegzakken onder de voeten. – In 't keeren naar het schip hoorde ik de lieden tegen elkander zeggen: kaik, dat is nou Zen Hooghait. De mindere schuwheid der Markenaars wordt aan de conscriptie toegeschreven. – Met voordeeligen wind keerden wij, en wandelden voorts in twee uren naar Ilpendam, deels den weg langs dien wij gekomen waren, tot aan den viersprong; deels een kronkelend pad langs, door landerijen, waar wij een gevecht met kieviten hadden, voor hun kroost beducht. Wij hoopten op het slot door mevrouw DE GRAAF* ten eten verzocht te worden, doch vonden haar en de haren toen wij er te ½ 4 aankwamen reeds aan het nagerecht zitten. Ik overhandigde aan de jongste der dames een brief van haar' beminde en at eenig osschenvleesch met brood. VAN HOGENDORP wilde niets gebruiken; nu zagen wij het slot, dat in een' breede gracht ligt, eene groote binnenplaats heeft, kamers met steenen- en gladhouten vloeren, ontelbare logeervertrekken, gevuld met familieportretten van de vijftiende eeuw? De groote zaal is met rozeroode gordijnen behangen: het platfond is van het huis SAXENBURG te Amsterdam derwaarts gebracht. Nu kwamen een heer en mevrouw van Purmerend een bezoek doen: de heer wist niets af van zijne stad en kon dus weinig belangrijks verhalen; in de tuin zagen wij eene fraaie rododendron en de godin Nehalennia met dit opschrift
DIFAETe 5 ure keerden wij terug; ik was zeer pijnlijk, een daghuurder ging een eind weegs met ons en sprak zeer verstandig over onderscheidene zaken zijn stand betreffende. Te 7 ure kwamen wij in Monnikendam; half razend van de pijn ging ik met VAN HOGENDORP den burgemeester ARBMAN bezoeken, die ons zeer vriendelijk onthaalde, wijn schonk en veel vertelde, onder anderen hoe hij als maire de stad bestierd, en in later tijd drie haringbuizen aangeleid had, (welke door tegenspoed thands gesloopt waren) en een genootschap van gortbedeeling ingesteld had, waardoor geen mensch, hoe arm ook, van voedsel verstoken is. Te 8 ure verlieten wij hem: ik poogde wat te eten, doch konde niet; dies doorstak ik de blaeren aan mijne voeten met een stopnaald en wollen draad, en ging al kermende bedwaarts. VAN HOGENDORP trof een nachtverblijf dat benaauwd en elendig klein was: te drie ure joegen hem de vl….. het bed uit, zoodat summatim de herberg niet te breed uitviel.
NEHALENNIAE
DAGINUS LIFFIONIS
FILIUSV S.I.M.
woensdag 27 mei 2020
Paul Léautaud • 28 mei 1933
• Schrijver en kattenliefhebber Paul Léautaud (1872-1956) hield twéé dagboeken bij: het literaire dagboek voor het leven van alledag, en het particuliere dagboek voor zijn seksleven en zijn verhoudingen met vrouwen.
Uit: Particulier dagboek 1933 (vertaald door Ed Jongma).
Zondag 28 mei 1933
Avond bij M.D. Heel aangenaam. Liefde en praten. Ik vraag me steeds af, waar het op uit zal draaien, want ik denk er niet aan om deze affaire eindeloos te laten voortduren. Dat is totaal niet mijn bedoeling. Maar als zij zich nu aan mij gaat hechten?... Pas dan op voor alle zorgen, moeilijkheden, etc. etc.
Een pikant detail. Ik zei haar vanavond in bed, dat ik haar wat onaangename dingen te vertellen had op het punt van het genot, dat ik totaal niet bevredigd was. Omdat zij aandrong dat ik zou praten, zei ik: ‘Nee, vandaag misschien niet. Ik voel me nog niet vrij genoeg, een andere keer.’ Zij zegt plotseling tegen mij: ‘Ik weet wat het is.’ Nu dring ik op mijn beurt aan dat ze praat, eraan toevoegend dat ik erg verbaasd zou zijn als ze het bij het rechte eind had. Zij zegt: ‘Liefde op zijn Italiaans.’ Ik begreep het niet. Zij legt uit: ‘Achterlangs.’ Ik vraag: ‘Enculeren?’ Zij antwoordt: ‘Ja,’ en zegt onmiddellijk dat ze dat zou weigeren, dat het uiterst gevaarlijk schijnt te zijn. Ik heb haar onmiddellijk gezegd, dat zij zich vergist. Dat is het helemaal niet. Mijn bezwaar is kort en goed: te weinig liefkozingen met de tong. Ik zeg haar dat zij de vorige keer gezegd heeft, in verband met mijn voorkeur om op deze wijze te liefkozen, dat ik doe alsof ik een hond ben... ‘Welnu, jij, jij doet dat niet genoeg.’ Zij is hier met veel animo op ingegaan.
• Lange tijd werd gedacht dat de Franse schrijver Paul Léautaud (1872-1956) en Marie Dormoy (M.D.) enkel bevriend waren vanwege hun gemeenschappelijke liefde voor dieren, literaire roddel en ‘petite histoire’. Maar zoals blijkt uit Léautauds ‘particuliere dagboek’ deelden ze nog een andere liefde ...
Zondag 28 mei 1933
Avond bij M.D. Heel aangenaam. Liefde en praten. Ik vraag me steeds af, waar het op uit zal draaien, want ik denk er niet aan om deze affaire eindeloos te laten voortduren. Dat is totaal niet mijn bedoeling. Maar als zij zich nu aan mij gaat hechten?... Pas dan op voor alle zorgen, moeilijkheden, etc. etc.
Een pikant detail. Ik zei haar vanavond in bed, dat ik haar wat onaangename dingen te vertellen had op het punt van het genot, dat ik totaal niet bevredigd was. Omdat zij aandrong dat ik zou praten, zei ik: ‘Nee, vandaag misschien niet. Ik voel me nog niet vrij genoeg, een andere keer.’ Zij zegt plotseling tegen mij: ‘Ik weet wat het is.’ Nu dring ik op mijn beurt aan dat ze praat, eraan toevoegend dat ik erg verbaasd zou zijn als ze het bij het rechte eind had. Zij zegt: ‘Liefde op zijn Italiaans.’ Ik begreep het niet. Zij legt uit: ‘Achterlangs.’ Ik vraag: ‘Enculeren?’ Zij antwoordt: ‘Ja,’ en zegt onmiddellijk dat ze dat zou weigeren, dat het uiterst gevaarlijk schijnt te zijn. Ik heb haar onmiddellijk gezegd, dat zij zich vergist. Dat is het helemaal niet. Mijn bezwaar is kort en goed: te weinig liefkozingen met de tong. Ik zeg haar dat zij de vorige keer gezegd heeft, in verband met mijn voorkeur om op deze wijze te liefkozen, dat ik doe alsof ik een hond ben... ‘Welnu, jij, jij doet dat niet genoeg.’ Zij is hier met veel animo op ingegaan.
• Lange tijd werd gedacht dat de Franse schrijver Paul Léautaud (1872-1956) en Marie Dormoy (M.D.) enkel bevriend waren vanwege hun gemeenschappelijke liefde voor dieren, literaire roddel en ‘petite histoire’. Maar zoals blijkt uit Léautauds ‘particuliere dagboek’ deelden ze nog een andere liefde ...
dinsdag 26 mei 2020
Anna Dostojevskaja • 27 mei 1872
• De veel jongere Anna Grigorjevna Dostojevskaja (1846-1918) bleek de juiste vrouw om de aan gokken verslaafde Russische schrijver Fjodor Dostojevski (1821-1881) in de juiste richting te leiden. In haar Herinneringen (vertaald door Charles B. Timmer) beschrijft ze zijn leven met hem.
27 mei 1872
Wij namen onze intrek in een logement, maar, daar het op de kamer benauwd was, gingen we samen met de kinderen en hun oude njanja een wandeling door het dorp maken. Maar daarbij beleefden wij iets geks: we hadden de helft van de dorpsstraat nog niet afgelegd, of we kwamen een boerenvrouw tegen met een kind, wiens gezicht met rode vlekken en blaasjes was bedekt. We gingen verder en kwamen nog drie-vier kinderen tegen, ook met van die blaasjes en rode vlekken in hun gezicht. Dat begon ons erg te verontrusten en we vroegen ons af, of er in het dorp geen pokken heersten en onze kinderen niet besmet konden raken. Dostojevski gaf energiek het bevel naar het logement terug te keren, waar hij zich tot de herbergierster wendde met de vraag, of er in het dorp geen zekere ziekte heerste, want waarom al die kinderen vlekken in hun gezicht hadden? De vrouw deed zelfs beledigd en antwoordde dat er ‘niks geen sprake van ziektes’ was en dat het ‘allenig de muggen waren die de kinderen al maar beten’. Wat de pokken aangaat, waren wij spoedig gerustgesteld, daar er nog geen uur voorbijging, of wij konden er ons aan den lijve van overtuigen, dat het inderdaad om ‘muggen’ ging, want de gezichten en armpjes van onze kinderen waren door hun beten behoorlijk gezwollen en misvormd.
27 mei 1872
Wij namen onze intrek in een logement, maar, daar het op de kamer benauwd was, gingen we samen met de kinderen en hun oude njanja een wandeling door het dorp maken. Maar daarbij beleefden wij iets geks: we hadden de helft van de dorpsstraat nog niet afgelegd, of we kwamen een boerenvrouw tegen met een kind, wiens gezicht met rode vlekken en blaasjes was bedekt. We gingen verder en kwamen nog drie-vier kinderen tegen, ook met van die blaasjes en rode vlekken in hun gezicht. Dat begon ons erg te verontrusten en we vroegen ons af, of er in het dorp geen pokken heersten en onze kinderen niet besmet konden raken. Dostojevski gaf energiek het bevel naar het logement terug te keren, waar hij zich tot de herbergierster wendde met de vraag, of er in het dorp geen zekere ziekte heerste, want waarom al die kinderen vlekken in hun gezicht hadden? De vrouw deed zelfs beledigd en antwoordde dat er ‘niks geen sprake van ziektes’ was en dat het ‘allenig de muggen waren die de kinderen al maar beten’. Wat de pokken aangaat, waren wij spoedig gerustgesteld, daar er nog geen uur voorbijging, of wij konden er ons aan den lijve van overtuigen, dat het inderdaad om ‘muggen’ ging, want de gezichten en armpjes van onze kinderen waren door hun beten behoorlijk gezwollen en misvormd.
maandag 25 mei 2020
Klaus Mann • 26 mei 1940
• Klaus Mann (1906-1949) was een Duitse schrijver. Zijn dagboeken uit de periode 1933-1949 zijn uitgegeven als Opgejaagd, gedoemd, verloren (vertaald door W. Hansen).
New York, 26 mei 1940
Zo-even is er een goedmoedige Wener bij me geweest, hij heet Sorell, om de lijnen van mijn hand te bestuderen, te analyseren, er karakter en toekomst uit te lezen. Zwarte afdruk van de handpalm gemaakt. Eigenaardig gecompliceerd landschap van het lot. Hij doet nauwkeurige metingen, gebruikt instrumenten, deels een buitensporig nauwgezette manicure, deels mathematicus. En toch ook weer de oude zigeunerin, die orakelt: ‘En voor mij de dood...’
De honderdduizendvoudige dood in Europa. De kolossale nachtmerrie van die vernietiging. Hoe al onze voorspellingen gruwelijk reëel werkelijkheid worden... En het was zo weerzinwekkend eenvoudig om te voorspellen... Maar nu is het heel moeilijk geworden. Het kolossale zwevende van het gehele noodlot. Geloof in plaats van berekening (religieus moment in ieder vertrouwen. ‘Overwinning van het goede.’)... Niettemin het kwellend nauwkeurig volgen van alle veranderingen en zwenkingen van de fronten in Parijs en Londen (Gamelins val, het enorm imposante, doodserieuze zich-beheersen van Engeland. De grote verschrikkingen in Vlaanderen, Boulogne, Calais.). (En de individuen. Arme Landauer.) Uitvoerige discussies. Een halve nacht heel geprikkeld gepraat met E, Liesl en Gumpert over het probleem van de communisten. E en G. radicaler jegens hen dan Liesl en ik. Alles behoorlijk scherp en onvruchtbaar. Ik ben, au fond, dezelfde mening als E toegedaan, alleen met een sterker bewustzijn van de moreel-politieke gecompliceerdheid van de situatie, minder militant emotioneel.
In dat verband besluiten we uit de schrijversvereniging te treden (onmogelijkheid tot enige solidariteit met de communisten). Gisteren gewerkt aan een verklaring voor de collectief geplande uittreding.
• Klaus Mann (1906-1949), schrijver van Mephisto en zoon van de beroemde Thomas Mann, leidde een rusteloos, door drugs en doodsdrift bepaald bestaan. Zijn dagboeken bevatten in telegramstijl gestelde verslagen en gedachten tegen de achtergrond van de roerige wereldgebeurtenissen van voor en na de Tweede Wereldoorlog. Hij pleegde zelfmoord in 1949.
New York, 26 mei 1940
Zo-even is er een goedmoedige Wener bij me geweest, hij heet Sorell, om de lijnen van mijn hand te bestuderen, te analyseren, er karakter en toekomst uit te lezen. Zwarte afdruk van de handpalm gemaakt. Eigenaardig gecompliceerd landschap van het lot. Hij doet nauwkeurige metingen, gebruikt instrumenten, deels een buitensporig nauwgezette manicure, deels mathematicus. En toch ook weer de oude zigeunerin, die orakelt: ‘En voor mij de dood...’
De honderdduizendvoudige dood in Europa. De kolossale nachtmerrie van die vernietiging. Hoe al onze voorspellingen gruwelijk reëel werkelijkheid worden... En het was zo weerzinwekkend eenvoudig om te voorspellen... Maar nu is het heel moeilijk geworden. Het kolossale zwevende van het gehele noodlot. Geloof in plaats van berekening (religieus moment in ieder vertrouwen. ‘Overwinning van het goede.’)... Niettemin het kwellend nauwkeurig volgen van alle veranderingen en zwenkingen van de fronten in Parijs en Londen (Gamelins val, het enorm imposante, doodserieuze zich-beheersen van Engeland. De grote verschrikkingen in Vlaanderen, Boulogne, Calais.). (En de individuen. Arme Landauer.) Uitvoerige discussies. Een halve nacht heel geprikkeld gepraat met E, Liesl en Gumpert over het probleem van de communisten. E en G. radicaler jegens hen dan Liesl en ik. Alles behoorlijk scherp en onvruchtbaar. Ik ben, au fond, dezelfde mening als E toegedaan, alleen met een sterker bewustzijn van de moreel-politieke gecompliceerdheid van de situatie, minder militant emotioneel.
In dat verband besluiten we uit de schrijversvereniging te treden (onmogelijkheid tot enige solidariteit met de communisten). Gisteren gewerkt aan een verklaring voor de collectief geplande uittreding.
• Klaus Mann (1906-1949), schrijver van Mephisto en zoon van de beroemde Thomas Mann, leidde een rusteloos, door drugs en doodsdrift bepaald bestaan. Zijn dagboeken bevatten in telegramstijl gestelde verslagen en gedachten tegen de achtergrond van de roerige wereldgebeurtenissen van voor en na de Tweede Wereldoorlog. Hij pleegde zelfmoord in 1949.
Abonneren op:
Posts (Atom)






