• De Fransman Gérard de Nerval (1808-1855) was schrijver, toneelcriticus en reisjournalist. In deze brief doet hij een beroep op zijn vader om hem toch vooral financieel te blijven steunen. Uit: Het treurige beroep van schrijver
(vertaald door Edu Borger).
Wenen, eind november 1839
De jongelui die door een onfortuinlijke of fortuinlijke roeping de kant van de kunsten worden opgedreven, moeten in feite veel meer moeite doen dan de anderen, vanwege het eeuwige wantrouwen dat men tegen hen koestert. Als een jongeman in de handel of de nijverheid wil, brengt men alle mogelijke offers voor hem en voorziet men hem van alle middelen om te slagen [...]. Een advocaat en een arts kunnen heel lang arts zonder patiënten en advocaat zonder zaken zijn, wat doet het ertoe, hun ouders sparen zich het brood uit de mond om het hun te geven. Maar men komt niet eens op het idee dat de literator, wat hij ook doet, hoe hoog hij ook klimt en hoe volhardend hij zijn arbeid ook verricht, het ook nodig heeft dat hij in zijn roeping gesteund wordt [...]. Ik begrijp wat er allemaal aan teleurstellingen en wellicht gekrenkte liefde in het hart van een vader of een moeder kan schuilen, maar helaas, zou de eeuwige geschiedenis van dat soort situaties, die in alle mogelijke biografieën zijn opgetekend, niet moeten aantonen dat er in dat soort gevallen een noodlot bestaat dat niet overwonnen kan worden? Je zou je er dus, na een genoegzame proefneming en na het verkrijgen van de overtuiging dat er sprake is van voldoende capaciteiten, van beide kanten bij moeten neerleggen en terugkeren tot de gebruikelijke betrekkingen, tot de openhartige en meevoelende vriendschap die er gewoonlijk bestaan tusen vaders en zonen, die al een eind op weg zijn in het leven.
zondag 1 december 2019
woensdag 27 november 2019
Catharina Schrader • 28 november 1696
• Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.
1696 den 13 novem[ber] ben ick buyten de Hansportte gehalt bij een buren wief Trinti Feicke sijn wief. Mar het kynt qwam met sijn bylletie [billetjes] vor. Mar most smoren [stikken] dor de veuligheit. War doedt. O Here, beware mij verder vor sulcke ongeluckige gebortten.
den selven dito Jogem scholappers wif Rennske dy vertin dagen te vooren seer vloyde [vloeide]. Doch ginck noch well vor muder en kint.
1696 den 28 november ben ick buytten de Hansporte gehalt bij Jochem scholaper sijn wief Hinke. Har dor Goedes seegen van een jonge son verlost, nae daetse vertin dagen van te voren een sware vloet gehaet haede, seer benauw sijnde. Doch ales wel.
1696 den 1 desember bij Henderick Bonteko sijn wif Wickie verlost van een kint van seven maanden. Qwam met syn eene hant en schouwder vor de geboorte. Verholp het tot de geboorte, mar war all heel vergan en verrott. Doch de muder gesont.
1696 den 13 novem[ber] ben ick buyten de Hansportte gehalt bij een buren wief Trinti Feicke sijn wief. Mar het kynt qwam met sijn bylletie [billetjes] vor. Mar most smoren [stikken] dor de veuligheit. War doedt. O Here, beware mij verder vor sulcke ongeluckige gebortten.
den selven dito Jogem scholappers wif Rennske dy vertin dagen te vooren seer vloyde [vloeide]. Doch ginck noch well vor muder en kint.
1696 den 28 november ben ick buytten de Hansporte gehalt bij Jochem scholaper sijn wief Hinke. Har dor Goedes seegen van een jonge son verlost, nae daetse vertin dagen van te voren een sware vloet gehaet haede, seer benauw sijnde. Doch ales wel.
1696 den 1 desember bij Henderick Bonteko sijn wif Wickie verlost van een kint van seven maanden. Qwam met syn eene hant en schouwder vor de geboorte. Verholp het tot de geboorte, mar war all heel vergan en verrott. Doch de muder gesont.
dinsdag 26 november 2019
Maarten Mooy • 27 november 1786
• Maarten Mooy (1739-1817) kwam als commandeur van de walvisvaarder Frankendaal vast te zitten in het ijs bij Groenland. Uit: Omstandig journaal van de reize naar Groenland, gedaan door commandeur Maarten Mooy, met het schip Frankendaal (1787).
[27 November 1786]
Maandag den 27. ’s morgens deinde het zwaar, onze Roerpen brak aan stukken; ons Roer wierd ook zeer slap maakte wederom een andere pas die wy ten reserve hadden; tusschen acht en negen uuren zagen wy den Dageraad aanbreeken, zo dat wy de Zee in ’t Zuiden konde zien, maakten ons Zeilree, en gingen aan ’t booren, de Wind Oost met Storm; zagen ook onze andere Confraters nog in ’t N.N.O. van ons, ’s morgens avanceerden wy vry wat voort; doch de zwaare Zee en stooting van het Ys kwam geweldig op ons Schip aan; zo dat wy ieder oogenblik dachten te zinken; kwamen echter, God zy dank! ’s namiddags circa 4 uuren in Zee. Onbeschryflyk is de hartelyke Juichtaal die wy allen by ’t passeeren van de laatste Schots, den Almachtigen toeriepen, toen mogten wy ook billyk zeggen, tot hier toe heeft ons de Heere geholpen; en zoude wy ons allen niet in zyne Wonderen verheugen daar hy ons (het zy met dankbaarheid gezegt) verre boven anderen de ruimste stoffe gaf zynen Lof te vermelden; ’s avonds de Wind Oost met styve koelte en regen, maakten onze Voormarszeil vast; konden Z.Z.O. opzeilen, wy bevonden ons Schip vry lek en ver buiten onze verwagting, dewyl wy door de Persing niet zo veel als anderen geleden hadden; de Pomp kon meest niet stil staan.
[27 November 1786]
Maandag den 27. ’s morgens deinde het zwaar, onze Roerpen brak aan stukken; ons Roer wierd ook zeer slap maakte wederom een andere pas die wy ten reserve hadden; tusschen acht en negen uuren zagen wy den Dageraad aanbreeken, zo dat wy de Zee in ’t Zuiden konde zien, maakten ons Zeilree, en gingen aan ’t booren, de Wind Oost met Storm; zagen ook onze andere Confraters nog in ’t N.N.O. van ons, ’s morgens avanceerden wy vry wat voort; doch de zwaare Zee en stooting van het Ys kwam geweldig op ons Schip aan; zo dat wy ieder oogenblik dachten te zinken; kwamen echter, God zy dank! ’s namiddags circa 4 uuren in Zee. Onbeschryflyk is de hartelyke Juichtaal die wy allen by ’t passeeren van de laatste Schots, den Almachtigen toeriepen, toen mogten wy ook billyk zeggen, tot hier toe heeft ons de Heere geholpen; en zoude wy ons allen niet in zyne Wonderen verheugen daar hy ons (het zy met dankbaarheid gezegt) verre boven anderen de ruimste stoffe gaf zynen Lof te vermelden; ’s avonds de Wind Oost met styve koelte en regen, maakten onze Voormarszeil vast; konden Z.Z.O. opzeilen, wy bevonden ons Schip vry lek en ver buiten onze verwagting, dewyl wy door de Persing niet zo veel als anderen geleden hadden; de Pomp kon meest niet stil staan.
zondag 24 november 2019
Jef Last • 24 november 1936
• De Nederlandse schrijver Jef Last (1898-1972) vocht in de Spaanse burgeroorlog. Hij doet verslag van die periode in De Spaanse tragedie.
24 november 1936
Cité universitaire
We zijn dus weer aan het front, maar een front dat wel het wonderlijkste is dat je je voor kunt stellen, op nauwelijks acht minuten van de métrohalte Quatro Caminos. Het transport van onze compagnie naar het front was dan ook ditmaal buitengewoon eenvoudig, we gingen gewoonweg met de ondergrondse. Maar tegelijkertijd zul je hieruit begrijpen hoe ontzettend gevaarlijk de doorbraak der fascisten geweest is, die hen letterlijk tot aan de poorten van Madrid gebracht heeft, al is het dan slechts in wigvorm, zodat hun front hier buitengewoon smal is.
Toen ik mijn vorige brief plotseling af moest breken, wou ik juist schrijven over het ergste wat ik hier gezien heb. Dat is het ontzettende en volkomen nodeloze lijden der noncombattanten. Want het is duidelijk, dat de vijand bijna uitsluitend en met de meeste geraffineerdheid zijn meeste bommen en granaten niet concentreert op de punten van strategisch belang, maar op de arbeiderswijken, waarbinnen hij angst en paniek hoopt te verwekken.
Ik schreef je over het gehucht achter onze linies, waar alleen de armsten der armen wonen en hoe ze met hun laatste hebben en houwen aan kwamen dragen om ons te verzorgen. Hun paar armzalige kippen, hun dekens, hun matrassen, hun tomaten, alles wilden ze ons geven. Ze naaiden onze knopen aan, wasten onze kleren, ze zorgden voor ons alsof we hun eigen kinderen waren. Het spreekt wel vanzelf dat wij hen niet in gevaar brachten door troepen in het gehucht te leggen, onze loopgraven waren minstens driehonderd meter verder, maar de vijandelijke vliegers bombardeerden met sadistisch genoegen hun armelijke hutten, we konden uit de loopgraaf het verschrikkelijke gillen der slachtoffers horen. Later droegen we uit de puinhopen de lijkjes der kinderen weg, die op onze schoot gezeten hadden en de verminkte lichamen der vrouwen die voor ons hadden gezorgd.
Wie in de loopgraaf ligt, heeft tenminste een geweer in handen en daarmee de illusie zich te kunnen verdedigen, maar in de stad kan men niet anders doen dan afwachten of de volgende bom misschien op je eigen huis en je eigen gezin valt. En ik geloof zelfs dat er in mijn herinnering geen ontroerender beeld is blijven hangen dan dat van de overvolle stations der métro, waar de bevolking der voorsteden haar toevlucht gezocht had en waar vrouwen en kinderen dagen en nachten lang leven en slapen op enkele zakken of dekens die ze meegenomen hebben.
Aan deze verschrikking komt geen einde. Zodra de zon schijnt cirkelen 20, soms 30 tot 40 vijandelijke vliegtuigen boven de stad en laten hun bommen vallen en wanneer het weer betrekt, slingeren de vijandelijke batterijen hun brandbommen op goed geluk naar de stad. Onder deze omstandigheden kan ik mij wel geen erger hoon denken dan het uitspreken van het woord ‘wereldgeweten’. Zelfs de horden van Attila hebben hun eigen hoofdstad niet vernield en hun wapens niet gebruikt om de vrouwen en kinderen van hun eigen volk uit te moorden.
24 november 1936
Cité universitaire
We zijn dus weer aan het front, maar een front dat wel het wonderlijkste is dat je je voor kunt stellen, op nauwelijks acht minuten van de métrohalte Quatro Caminos. Het transport van onze compagnie naar het front was dan ook ditmaal buitengewoon eenvoudig, we gingen gewoonweg met de ondergrondse. Maar tegelijkertijd zul je hieruit begrijpen hoe ontzettend gevaarlijk de doorbraak der fascisten geweest is, die hen letterlijk tot aan de poorten van Madrid gebracht heeft, al is het dan slechts in wigvorm, zodat hun front hier buitengewoon smal is.
Toen ik mijn vorige brief plotseling af moest breken, wou ik juist schrijven over het ergste wat ik hier gezien heb. Dat is het ontzettende en volkomen nodeloze lijden der noncombattanten. Want het is duidelijk, dat de vijand bijna uitsluitend en met de meeste geraffineerdheid zijn meeste bommen en granaten niet concentreert op de punten van strategisch belang, maar op de arbeiderswijken, waarbinnen hij angst en paniek hoopt te verwekken.
Ik schreef je over het gehucht achter onze linies, waar alleen de armsten der armen wonen en hoe ze met hun laatste hebben en houwen aan kwamen dragen om ons te verzorgen. Hun paar armzalige kippen, hun dekens, hun matrassen, hun tomaten, alles wilden ze ons geven. Ze naaiden onze knopen aan, wasten onze kleren, ze zorgden voor ons alsof we hun eigen kinderen waren. Het spreekt wel vanzelf dat wij hen niet in gevaar brachten door troepen in het gehucht te leggen, onze loopgraven waren minstens driehonderd meter verder, maar de vijandelijke vliegers bombardeerden met sadistisch genoegen hun armelijke hutten, we konden uit de loopgraaf het verschrikkelijke gillen der slachtoffers horen. Later droegen we uit de puinhopen de lijkjes der kinderen weg, die op onze schoot gezeten hadden en de verminkte lichamen der vrouwen die voor ons hadden gezorgd.
Wie in de loopgraaf ligt, heeft tenminste een geweer in handen en daarmee de illusie zich te kunnen verdedigen, maar in de stad kan men niet anders doen dan afwachten of de volgende bom misschien op je eigen huis en je eigen gezin valt. En ik geloof zelfs dat er in mijn herinnering geen ontroerender beeld is blijven hangen dan dat van de overvolle stations der métro, waar de bevolking der voorsteden haar toevlucht gezocht had en waar vrouwen en kinderen dagen en nachten lang leven en slapen op enkele zakken of dekens die ze meegenomen hebben.
Aan deze verschrikking komt geen einde. Zodra de zon schijnt cirkelen 20, soms 30 tot 40 vijandelijke vliegtuigen boven de stad en laten hun bommen vallen en wanneer het weer betrekt, slingeren de vijandelijke batterijen hun brandbommen op goed geluk naar de stad. Onder deze omstandigheden kan ik mij wel geen erger hoon denken dan het uitspreken van het woord ‘wereldgeweten’. Zelfs de horden van Attila hebben hun eigen hoofdstad niet vernield en hun wapens niet gebruikt om de vrouwen en kinderen van hun eigen volk uit te moorden.
Leo Vroman • 23 november 1963
• Dichter-wetenschapper Leo Vroman (1915-2014) schreef een aantal 'Brieven uit Brooklyn' die in De Gids gepubliceerd zijn. Deze gaat over de aanslag op president Kennedy.
23 november 1963
Beste Bert, - Ann, het lange magere meisje dat voor mij werkt, moest gisteren een leuke proef doen: meten hoeveel van een bepaalde stollingsfactor bij verschillende temperaturen aan barium lignoceraat blijft plakken. In de ochtend had ze de proef bij zevenendertig graden gedaan; na de lunch moest ze de koude centrifuge een verdieping beneden de onze gebruiken voor de rest van het werk. Ze kwam buiten adem en ontkleurd terug, met een bedauwd bekertje in de hand. Ja, zei ze, het was in de centrifuge, en wist ik dat Kennedy was beschoten. Wat, zei ik, bonk bonk voegde mijn magere borst hieraan toe, nee dat wist ik niet. Blijkbaar liep ik de gang in, waar een kantoortje was, en de secretaresse, wier ogen veel meer wit vertoonden dan gewoonlijk, zat daar naar een parmantig klein transistor-radiootje te kijken. We have word, kraste het liploze ding, that his lips were moving at a normal rate, whatever that means, and that is all for now, from our man in Dallas. Aan het eind splitst de gang zich in twee glazen zalen voor vermaak van minst ernstige patiënten, beide met een televisietoestel. Ik ging links binnen. Een grote, warme, zwarte en vlekkeloos witte verpleegster stond bij de deur, een stel gezwollen en geslonken zieken lagen in stoelen, en allen keken naar het toestel. Daarin zat een hoofd van Walter Cronkite, anders een bekende omroeper, maar ditmaal huilden zijn wenkbrauwen onherkenbaar. We dont't know, zei hij, the rumor is that the President is Dead, it is a rumor, but its contents are, the President, is Dead. In de andere zaal ging alles beter. De patiënten zagen er beter uit, en dit toestel droeg een onbehuild hoofd dat beweerde met een ziekenhuis in verband te staan. Zenuwartsen waren de patiënt aan het bestuderen op de operatietafel. Ik kon mij onmiddellijk enige onschadelijke banen door mijn hoofd voorstellen: linkerjukbeen tot rechterwang, rechterwang tot zachte kin, ik voelde zelfs bijna niets en zou morgen alweer opgekikkerd zijn.
Terug naar die eerste zaal. Stel je toch voor, zei de negerin, het is net honderd jaar geleden - en ze keek met betekenissen naar een negerbediende die naast haar stond. Waarachtig, zei hij. De priesters, zei Cronkite, kwamen uit de kamer, en zeiden, de President van de Verenigde Staten, is Dood. Dood door een kogel van een - Terug naar de andere zaal. Dood, zei het ding ook daar; en in het zaaltje daarnaast, waar een stervende lag, nog luisterend, zei de radio ook: Dood. Ik liep terug naar mijn eigen lab. Ik heb de suspensies gecentrifugeerd, zei Ann. Hij is dood, zei ik. Ik weet het, zei ze, wat zullen we doen? Ik zou het poeder twee maal wassen, zei ik, zoals in de eerste test. En dan? Zet dan alles maar in de freezer en doe de rest later, zei ik. Ik zal wel bedoeld hebben: later, als het weer belangrijk wordt, en ik dacht, waarachtig, dat ik nu toch eens goed moest nagaan hoe ik mij voelde, dan kon ik jullie dat later schrijven. Daar dan: ik voelde mij niet erg lekker. Ik voelde mij zelfs spierwit met een rode neus, en ik hoop dat dat nu eens een goeie les is voor die moordenaar. Waarom ik in godsnaam dit verslag schrijf weet ik niet. Ik houd trouwens niet erg van presidenten, maar van deze, en van zijn gezin, hield ik veel, ik heb een aanstaande vriend verloren, de sufferd, waarom droeg hij ook nooit een hoed, en waarom was hij zo jong; zo'n klein zaadje van metaal heeft hij in zich, in zijn gedachten op moeten nemen om helemaal tot volwassen held gerijpt te worden. Enfin, ik belde Tineke op, zodat ze haar padvindstersbijeenkomst af kon zeggen, we leefden nog allebei. Ik keek uit het raam naar de geweldig hoog wapperende vlag, maar hij daalde niet vanzelf, drie mensen moesten hem helpen. De ziel van zo'n grote man die zo'n grote baan had, moest zelf toch eigenlijk groot genoeg zijn om over het hele land met ontelbare draderige vingers alle vlaggen omlaag te trekken. Ik hoopte dat er een stukje van hem in het lab was waarmee viel te praten. Hoe is het er nu mee, best vriendje, voel je je al wat beter? ik zal wel voor je gezin zorgen, een leuke brief bij voorbeeld zal iedereen wel voorgoed doen herstellen. - De vlag wapperde nu te laag, een mannetje nam het koord in een hand en liep om de paal als om een meiboom, trok, liep, en knoopte iets. Life must go on, zei Ann, toen ze blijkbaar vond dat ik te lang uit het raam keek en vreesde dat ik in geluidloos herengeween was uitgebroken. Kom, ik ging eens in de laboratoria beneden ons kijken. Daar was men blijkbaar meteen kopjes koffie gaan drinken, ik dus ook eentje; ze zijn zo'n goed middel tegen het praten dat er bijna van kan worden nagedacht. Alleen zo nu en dan kwam er een woord uit een kopje: slurp unbelievable, slik. Wie zijn kopje leeg had, kon het voelen afkoelen, en het daarna omspoelen en omgekeerd wegzetten in het washokje. Daarna moest er toch eigenlijk wat gewerkt worden. Voor de medici was er nog wel wat te doen, er moesten nog enkele patiënten een beetje worden veranderd, en een moest nog helemaal dood. Maar voor mij was het een lange middag. Langzaam zocht ik overal naar post die moest worden beantwoord, maar er was er geen. Geen minuut voor het gewone half-vijf sloten we het lab af. Als altijd reed ik mee naar huis met de slotenmaker en de schilder. Er waren enkele woorden te horen, die om beurten werden gezegd. Bij een ambachtsschool stopten we, om de slotenmakerszoon en drie vrienden op te pikken. Ze waren stil, tot ze plotseling een blijkbaar gehalveerde discussie hervatten om te beslissen hoeveel schoten het zo belangrijke werk hadden verricht. Dicht bij huis werd ik afgezet. De gewone mensen bewogen op straat, maar er waren geen stemmen. Thuis werd ik begroet door het dolgelukkig gekef van Candy, twintig pond gemengde hond. Mijn moeder zat aan de tafel, Tineke stond naast haar, beiden glimlachten, en Tineke kwam mij vasthouden, stuurde zich daarna met mij naar onze slaapkamer en sloot de deur. ‘Eigenlijk’, zei ze, ‘is er nog iets geks gebeurd ook; toen ik Moeder vertelde dat Kennedy dood was, was ze meteen in tranen en vroeg hoe dat kon; vermoord zei ik toen, en toen zei ze: zo maar op straat waar je bij stond? Blijkbaar dacht ze dat Candy vermoord was, maar toen was ik al zo onder de indruk van Moeders verdriet dat ik ook maar ben gaan huilen; en dat is nog niet alles, want op dat gogenblik kwam Peggy thuis van school, en zodra ze ons zo zag wierp ze zich brullend op bed, ze had op school ook al gehuild. Goddank waren we allemaal gekalmeerd voordat Geraldine thuiskwam.’ Die had zich op haar kamer teruggetrokken, en tekende nu twee maal zoveel verscheurende poema's per minuut als gisteren. We zetten de televisie aan. Een volslagen snikkende man probeerde te vertellen dat hij hier stond en zijn dochtertje daar, en hij wuifde, en zei: wuif nou wuif nou, en zijn dochtertje wuifde, en toen zag de, juist toen de - stil maar, zei iemand onzichtbaar in de microfoon; maar de man begon opnieuw: juist keerde hij zich naar ons toe en begon terug... Op een andere golf zei een groot gezicht: meteen zakte de president in de schoot van zijn vrouw. We schakelden van het ene station naar het andere: viel voorover, terwijl het bloed uit zijn hoofd stroomde... En op dit ogenblik klonk een schot; bijna niemand geloofde... Opgewekt verlieten ze Fort Worth Hotel, het weer was stralend, kakel kakel kakel. We luisterden en keken in het donker en terwijl we aten. De enige reden tot onderbreken was Candy, nog altijd levend, met wie ik naar buiten moest omdat hij beweerde van de goot gebruik te moeten maken. De lift scheen al te hel verlicht; Candy las het linoleum van a tot z, en dacht als altijd beneden de automatische deur voor mij te openen. Buiten was alleen de grond nauwkeurig te zien. De straatlampen waren groot, voelbaar vloeibaar en ver weg, en de mist zo zwaar dat de kleine regendruppels die erin bewogen te voelen waren, maar niet te zien.
Deze brief, en de zo verknoeide president, zijn een nacht en een dag blijven liggen, en intussen is alleen het weer verbeterd. Jackie die zelfs van zijn bloed geen afscheid wil nemen; Oswald de gek door een gek ontploft; het vreselijke telegram, op krankzinnige wijze door madamme Nu in elkaar gezet en waarachtig verstuurd nog ook; donderdag Thanksgiving, Kerstmis over een maand, verkiezingen over een jaar, hoe eindeloos veel dingen beginnen, gebeuren, en eindigen er toch aldoor, en hoe vervelend is aldoor die dood, een ledige bron van bedroefdheid, en voor overdenking zo vruchtbaar als het dagen en nachten besteden aan een berekening van het verschil tussen 1 en 0. Ik hoop dat mrs. Kennedy iets eet, al is het maar een taartje of een stukje kaas. Ik hoop dat de klokken zullen luiden zodra ze niet aan hem denkt, zodat ook ik zal weten dat het ergste over is. - Leo
23 november 1963
Beste Bert, - Ann, het lange magere meisje dat voor mij werkt, moest gisteren een leuke proef doen: meten hoeveel van een bepaalde stollingsfactor bij verschillende temperaturen aan barium lignoceraat blijft plakken. In de ochtend had ze de proef bij zevenendertig graden gedaan; na de lunch moest ze de koude centrifuge een verdieping beneden de onze gebruiken voor de rest van het werk. Ze kwam buiten adem en ontkleurd terug, met een bedauwd bekertje in de hand. Ja, zei ze, het was in de centrifuge, en wist ik dat Kennedy was beschoten. Wat, zei ik, bonk bonk voegde mijn magere borst hieraan toe, nee dat wist ik niet. Blijkbaar liep ik de gang in, waar een kantoortje was, en de secretaresse, wier ogen veel meer wit vertoonden dan gewoonlijk, zat daar naar een parmantig klein transistor-radiootje te kijken. We have word, kraste het liploze ding, that his lips were moving at a normal rate, whatever that means, and that is all for now, from our man in Dallas. Aan het eind splitst de gang zich in twee glazen zalen voor vermaak van minst ernstige patiënten, beide met een televisietoestel. Ik ging links binnen. Een grote, warme, zwarte en vlekkeloos witte verpleegster stond bij de deur, een stel gezwollen en geslonken zieken lagen in stoelen, en allen keken naar het toestel. Daarin zat een hoofd van Walter Cronkite, anders een bekende omroeper, maar ditmaal huilden zijn wenkbrauwen onherkenbaar. We dont't know, zei hij, the rumor is that the President is Dead, it is a rumor, but its contents are, the President, is Dead. In de andere zaal ging alles beter. De patiënten zagen er beter uit, en dit toestel droeg een onbehuild hoofd dat beweerde met een ziekenhuis in verband te staan. Zenuwartsen waren de patiënt aan het bestuderen op de operatietafel. Ik kon mij onmiddellijk enige onschadelijke banen door mijn hoofd voorstellen: linkerjukbeen tot rechterwang, rechterwang tot zachte kin, ik voelde zelfs bijna niets en zou morgen alweer opgekikkerd zijn.
Terug naar die eerste zaal. Stel je toch voor, zei de negerin, het is net honderd jaar geleden - en ze keek met betekenissen naar een negerbediende die naast haar stond. Waarachtig, zei hij. De priesters, zei Cronkite, kwamen uit de kamer, en zeiden, de President van de Verenigde Staten, is Dood. Dood door een kogel van een - Terug naar de andere zaal. Dood, zei het ding ook daar; en in het zaaltje daarnaast, waar een stervende lag, nog luisterend, zei de radio ook: Dood. Ik liep terug naar mijn eigen lab. Ik heb de suspensies gecentrifugeerd, zei Ann. Hij is dood, zei ik. Ik weet het, zei ze, wat zullen we doen? Ik zou het poeder twee maal wassen, zei ik, zoals in de eerste test. En dan? Zet dan alles maar in de freezer en doe de rest later, zei ik. Ik zal wel bedoeld hebben: later, als het weer belangrijk wordt, en ik dacht, waarachtig, dat ik nu toch eens goed moest nagaan hoe ik mij voelde, dan kon ik jullie dat later schrijven. Daar dan: ik voelde mij niet erg lekker. Ik voelde mij zelfs spierwit met een rode neus, en ik hoop dat dat nu eens een goeie les is voor die moordenaar. Waarom ik in godsnaam dit verslag schrijf weet ik niet. Ik houd trouwens niet erg van presidenten, maar van deze, en van zijn gezin, hield ik veel, ik heb een aanstaande vriend verloren, de sufferd, waarom droeg hij ook nooit een hoed, en waarom was hij zo jong; zo'n klein zaadje van metaal heeft hij in zich, in zijn gedachten op moeten nemen om helemaal tot volwassen held gerijpt te worden. Enfin, ik belde Tineke op, zodat ze haar padvindstersbijeenkomst af kon zeggen, we leefden nog allebei. Ik keek uit het raam naar de geweldig hoog wapperende vlag, maar hij daalde niet vanzelf, drie mensen moesten hem helpen. De ziel van zo'n grote man die zo'n grote baan had, moest zelf toch eigenlijk groot genoeg zijn om over het hele land met ontelbare draderige vingers alle vlaggen omlaag te trekken. Ik hoopte dat er een stukje van hem in het lab was waarmee viel te praten. Hoe is het er nu mee, best vriendje, voel je je al wat beter? ik zal wel voor je gezin zorgen, een leuke brief bij voorbeeld zal iedereen wel voorgoed doen herstellen. - De vlag wapperde nu te laag, een mannetje nam het koord in een hand en liep om de paal als om een meiboom, trok, liep, en knoopte iets. Life must go on, zei Ann, toen ze blijkbaar vond dat ik te lang uit het raam keek en vreesde dat ik in geluidloos herengeween was uitgebroken. Kom, ik ging eens in de laboratoria beneden ons kijken. Daar was men blijkbaar meteen kopjes koffie gaan drinken, ik dus ook eentje; ze zijn zo'n goed middel tegen het praten dat er bijna van kan worden nagedacht. Alleen zo nu en dan kwam er een woord uit een kopje: slurp unbelievable, slik. Wie zijn kopje leeg had, kon het voelen afkoelen, en het daarna omspoelen en omgekeerd wegzetten in het washokje. Daarna moest er toch eigenlijk wat gewerkt worden. Voor de medici was er nog wel wat te doen, er moesten nog enkele patiënten een beetje worden veranderd, en een moest nog helemaal dood. Maar voor mij was het een lange middag. Langzaam zocht ik overal naar post die moest worden beantwoord, maar er was er geen. Geen minuut voor het gewone half-vijf sloten we het lab af. Als altijd reed ik mee naar huis met de slotenmaker en de schilder. Er waren enkele woorden te horen, die om beurten werden gezegd. Bij een ambachtsschool stopten we, om de slotenmakerszoon en drie vrienden op te pikken. Ze waren stil, tot ze plotseling een blijkbaar gehalveerde discussie hervatten om te beslissen hoeveel schoten het zo belangrijke werk hadden verricht. Dicht bij huis werd ik afgezet. De gewone mensen bewogen op straat, maar er waren geen stemmen. Thuis werd ik begroet door het dolgelukkig gekef van Candy, twintig pond gemengde hond. Mijn moeder zat aan de tafel, Tineke stond naast haar, beiden glimlachten, en Tineke kwam mij vasthouden, stuurde zich daarna met mij naar onze slaapkamer en sloot de deur. ‘Eigenlijk’, zei ze, ‘is er nog iets geks gebeurd ook; toen ik Moeder vertelde dat Kennedy dood was, was ze meteen in tranen en vroeg hoe dat kon; vermoord zei ik toen, en toen zei ze: zo maar op straat waar je bij stond? Blijkbaar dacht ze dat Candy vermoord was, maar toen was ik al zo onder de indruk van Moeders verdriet dat ik ook maar ben gaan huilen; en dat is nog niet alles, want op dat gogenblik kwam Peggy thuis van school, en zodra ze ons zo zag wierp ze zich brullend op bed, ze had op school ook al gehuild. Goddank waren we allemaal gekalmeerd voordat Geraldine thuiskwam.’ Die had zich op haar kamer teruggetrokken, en tekende nu twee maal zoveel verscheurende poema's per minuut als gisteren. We zetten de televisie aan. Een volslagen snikkende man probeerde te vertellen dat hij hier stond en zijn dochtertje daar, en hij wuifde, en zei: wuif nou wuif nou, en zijn dochtertje wuifde, en toen zag de, juist toen de - stil maar, zei iemand onzichtbaar in de microfoon; maar de man begon opnieuw: juist keerde hij zich naar ons toe en begon terug... Op een andere golf zei een groot gezicht: meteen zakte de president in de schoot van zijn vrouw. We schakelden van het ene station naar het andere: viel voorover, terwijl het bloed uit zijn hoofd stroomde... En op dit ogenblik klonk een schot; bijna niemand geloofde... Opgewekt verlieten ze Fort Worth Hotel, het weer was stralend, kakel kakel kakel. We luisterden en keken in het donker en terwijl we aten. De enige reden tot onderbreken was Candy, nog altijd levend, met wie ik naar buiten moest omdat hij beweerde van de goot gebruik te moeten maken. De lift scheen al te hel verlicht; Candy las het linoleum van a tot z, en dacht als altijd beneden de automatische deur voor mij te openen. Buiten was alleen de grond nauwkeurig te zien. De straatlampen waren groot, voelbaar vloeibaar en ver weg, en de mist zo zwaar dat de kleine regendruppels die erin bewogen te voelen waren, maar niet te zien.
Deze brief, en de zo verknoeide president, zijn een nacht en een dag blijven liggen, en intussen is alleen het weer verbeterd. Jackie die zelfs van zijn bloed geen afscheid wil nemen; Oswald de gek door een gek ontploft; het vreselijke telegram, op krankzinnige wijze door madamme Nu in elkaar gezet en waarachtig verstuurd nog ook; donderdag Thanksgiving, Kerstmis over een maand, verkiezingen over een jaar, hoe eindeloos veel dingen beginnen, gebeuren, en eindigen er toch aldoor, en hoe vervelend is aldoor die dood, een ledige bron van bedroefdheid, en voor overdenking zo vruchtbaar als het dagen en nachten besteden aan een berekening van het verschil tussen 1 en 0. Ik hoop dat mrs. Kennedy iets eet, al is het maar een taartje of een stukje kaas. Ik hoop dat de klokken zullen luiden zodra ze niet aan hem denkt, zodat ook ik zal weten dat het ergste over is. - Leo
donderdag 21 november 2019
Cees Nooteboom • 22 november 1962
• Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijvers. Het fragnment hieronder komt uit Een middag in Bruay,.
Haagse avond
[22 november 1962] Er zijn bijna geen andere auto's op de weg, en die er zijn rijden bijna even langzaam als wij. Overal om ons heen draven en zweven de handlangers van de winter, bij Wassenaar ligt zelfs sneeuw. Wij stappen even uit, en voelen er aan, aan de sneeuw. Ik bedenk dat ik nooit in een land zonder seizoenen zou kunnen leven, vervolgens bedenk ik nog een keer hoeveel ik van de winter houd, en dat het nog maar drie maanden geleden is dat ik met diezelfde hand, waarmee ik nu die sneeuwbal vasthoud, het hete, brandende Spaanse zand opzij-schoof om te gaan liggen. Tenslotte gooi ik de sneeuwbal, die zich oneindig langzaam van mij verwijdert en ergens neerstort, en loop dan in de stilte die nog steeds uit grote reservoirs over het landschap wordt uitgegoten naar de koud geworden auto.
Den Haag verwacht een aanval van de pestilentie en is thuisgebleven. Enkele gemuilkorfde mensen zoeken naar sporen, honderden sinterklazen dwalen over de daken, wij trekken een trage lijn door de stad en zwaaien een wijde, leeggemaakte ruimte op, het Gevers Deynootplein. Er staat één gele tram, lijdend aan een onvoorstelbare ziekte. Het Kurhaus ligt achterover en denkt na, niet over prettige dingen. Een windvlaag, komend van de nimmer eindigende zee daarachter, waait zorgvuldig van de ene naar de andere kant van het plein. Een onzichtbare klok schuift wat tijd in al deze ruimte, wij draaien ons om en gaan op zoek naar een zigeunerorkest. Het definitieve heimwee naar de jaren dertig is aangebroken. Den Haag is een merkwaardige stad. Na duistere, doodse slagordes van huizen vol slapenden vinden we een portier, waarachter een trap, waarachter een zaal, waarin een zigeunerorkest. En het zijn de jaren dertig die met trage vleugelslagen op ons neerdalen. Iemand uit ons gezelschap die die legendarische jaren zelf heeft meegemaakt zingt de primas een melodie voor, die tilt zijn strijkstok hoog in de lucht, roept iets in het Hongaars naar zijn cymbalist, nadert onze tafel tot op drie, op twee, op één angstaanjagende meter, en terwijl hij ons vanuit zijn ouderwetse Balkangezicht diep in de ogen kijkt slaan de deuren van 1960 dicht, en die van 1940 en van 1950 - onze vaders, Versailles achter de rug en München voor de boeg, neuriën wilde melodieën mee, kijken naar een ander en uitgestorven soort vrouwen, drinken de nostalgie uit grote, regelrecht uit de puszta aangevoerde vaten.
Terwijl de viool verder jammert, klaagt, tsjirpt, jaagt, doet de zaal zich indrukwekkend aan mij voor. Achter het orkest zijn namaak-kramen bevestigd, waarachter tragische landschappen opdoemen, blauwe rivieren slingeren zich langs witte steden en begeven zich naar een ver, paars en onbereikbaar bergland waar onbekende boeren schapen hoeden en bang zijn voor wolven. Over het stoffige dorpsplein loopt de dorpspriester, slof, slof. En rechts van ons allen hangt een door Willink plooi voor plooi geschilderd blauw gordijn, zoals men dat ziet in rouwhuizen. De onzichtbare dode die daarachter ligt opgebaard gaat met oren vol czardas een ouderwetse eeuwigheid in. Voor het gordijn staat, in ontroerende eenzaamheid, een vaas asters opgesteld die mij ten onrechte aan Boutens doet denken, en die eveneens ten onrechte van onder af beschenen wordt met neonlicht. De cymbalist die ondertussen in ons de ware liefhebbers ontdekt heeft, een uitgestorven ras dat zich tot in een ver verleden altijd omringd heeft met Perzische tapijten en koperen potten, blijft kijkend naar ons spelen op zijn ingewikkelde instrument, zichzelf opjagend en achtervolgend. Het is alsof een buschauffeur in Londen zijn dubbeldekker door het spitsuur drijft zonder ook maar één keer naar het verkeer te kijken.
Maar onvergetelijker dan alles, muziek, primas, Balkan, is de ober die door deze hallen rondwaart. Hij is onovertroffen, ongeloofwaardig. Alleen om hem, en om hem voortaan voor mij alleen te hebben, verzwijg ik de naam van de gelegenheid. Het is Oliver Hardy, maar dan een die tragedie speelt. Een dodelijke ernst is geen ogenblik van hem los te weken. Zijn tred, zijn gebaren, zijn wijze van vuur geven en drank neerzetten, zijn ontzaglijke dikte die niettemin in toom gehouden wordt door één gedachte: de volmaakte ober willen zijn. En dus ook zijn. Was ik rijk, hij was morgen mijn butler. Ging ik sterven, hij mocht mij de ogen sluiten. Als zo iemand zegt ‘Welterusten meneer’ is het gat van de eeuwigheid de poort van de hemel geworden. Gaat hem niet zien, want ik zeg niet waar hij is. Zeker is dat hij op deze wereld zijns gelijke niet heeft, behalve in enkele Engelse films. De primas is ondertussen in de bar achter ons verdwaald tussen de afwezigen en smacht en tsjirpt voor gravin Esterhazy, die wij niet kunnen zien. In een hoek voeren drie Spaanse danseressen een haastig gesprek vol verlangen naar Melilla, Cartagena, Estremadura en wij, in de pakken van onze gestorven vaders, klagende violen als nat geworden vleugels aan de rug, dalen de besneeuwde trappen af. In het ochtendblad staat de rede afgedrukt die Colijn gisteren voor beide zenders gehouden heeft. Waar blijft de tijd?
Haagse avond
[22 november 1962] Er zijn bijna geen andere auto's op de weg, en die er zijn rijden bijna even langzaam als wij. Overal om ons heen draven en zweven de handlangers van de winter, bij Wassenaar ligt zelfs sneeuw. Wij stappen even uit, en voelen er aan, aan de sneeuw. Ik bedenk dat ik nooit in een land zonder seizoenen zou kunnen leven, vervolgens bedenk ik nog een keer hoeveel ik van de winter houd, en dat het nog maar drie maanden geleden is dat ik met diezelfde hand, waarmee ik nu die sneeuwbal vasthoud, het hete, brandende Spaanse zand opzij-schoof om te gaan liggen. Tenslotte gooi ik de sneeuwbal, die zich oneindig langzaam van mij verwijdert en ergens neerstort, en loop dan in de stilte die nog steeds uit grote reservoirs over het landschap wordt uitgegoten naar de koud geworden auto.
Den Haag verwacht een aanval van de pestilentie en is thuisgebleven. Enkele gemuilkorfde mensen zoeken naar sporen, honderden sinterklazen dwalen over de daken, wij trekken een trage lijn door de stad en zwaaien een wijde, leeggemaakte ruimte op, het Gevers Deynootplein. Er staat één gele tram, lijdend aan een onvoorstelbare ziekte. Het Kurhaus ligt achterover en denkt na, niet over prettige dingen. Een windvlaag, komend van de nimmer eindigende zee daarachter, waait zorgvuldig van de ene naar de andere kant van het plein. Een onzichtbare klok schuift wat tijd in al deze ruimte, wij draaien ons om en gaan op zoek naar een zigeunerorkest. Het definitieve heimwee naar de jaren dertig is aangebroken. Den Haag is een merkwaardige stad. Na duistere, doodse slagordes van huizen vol slapenden vinden we een portier, waarachter een trap, waarachter een zaal, waarin een zigeunerorkest. En het zijn de jaren dertig die met trage vleugelslagen op ons neerdalen. Iemand uit ons gezelschap die die legendarische jaren zelf heeft meegemaakt zingt de primas een melodie voor, die tilt zijn strijkstok hoog in de lucht, roept iets in het Hongaars naar zijn cymbalist, nadert onze tafel tot op drie, op twee, op één angstaanjagende meter, en terwijl hij ons vanuit zijn ouderwetse Balkangezicht diep in de ogen kijkt slaan de deuren van 1960 dicht, en die van 1940 en van 1950 - onze vaders, Versailles achter de rug en München voor de boeg, neuriën wilde melodieën mee, kijken naar een ander en uitgestorven soort vrouwen, drinken de nostalgie uit grote, regelrecht uit de puszta aangevoerde vaten.
Terwijl de viool verder jammert, klaagt, tsjirpt, jaagt, doet de zaal zich indrukwekkend aan mij voor. Achter het orkest zijn namaak-kramen bevestigd, waarachter tragische landschappen opdoemen, blauwe rivieren slingeren zich langs witte steden en begeven zich naar een ver, paars en onbereikbaar bergland waar onbekende boeren schapen hoeden en bang zijn voor wolven. Over het stoffige dorpsplein loopt de dorpspriester, slof, slof. En rechts van ons allen hangt een door Willink plooi voor plooi geschilderd blauw gordijn, zoals men dat ziet in rouwhuizen. De onzichtbare dode die daarachter ligt opgebaard gaat met oren vol czardas een ouderwetse eeuwigheid in. Voor het gordijn staat, in ontroerende eenzaamheid, een vaas asters opgesteld die mij ten onrechte aan Boutens doet denken, en die eveneens ten onrechte van onder af beschenen wordt met neonlicht. De cymbalist die ondertussen in ons de ware liefhebbers ontdekt heeft, een uitgestorven ras dat zich tot in een ver verleden altijd omringd heeft met Perzische tapijten en koperen potten, blijft kijkend naar ons spelen op zijn ingewikkelde instrument, zichzelf opjagend en achtervolgend. Het is alsof een buschauffeur in Londen zijn dubbeldekker door het spitsuur drijft zonder ook maar één keer naar het verkeer te kijken.
Maar onvergetelijker dan alles, muziek, primas, Balkan, is de ober die door deze hallen rondwaart. Hij is onovertroffen, ongeloofwaardig. Alleen om hem, en om hem voortaan voor mij alleen te hebben, verzwijg ik de naam van de gelegenheid. Het is Oliver Hardy, maar dan een die tragedie speelt. Een dodelijke ernst is geen ogenblik van hem los te weken. Zijn tred, zijn gebaren, zijn wijze van vuur geven en drank neerzetten, zijn ontzaglijke dikte die niettemin in toom gehouden wordt door één gedachte: de volmaakte ober willen zijn. En dus ook zijn. Was ik rijk, hij was morgen mijn butler. Ging ik sterven, hij mocht mij de ogen sluiten. Als zo iemand zegt ‘Welterusten meneer’ is het gat van de eeuwigheid de poort van de hemel geworden. Gaat hem niet zien, want ik zeg niet waar hij is. Zeker is dat hij op deze wereld zijns gelijke niet heeft, behalve in enkele Engelse films. De primas is ondertussen in de bar achter ons verdwaald tussen de afwezigen en smacht en tsjirpt voor gravin Esterhazy, die wij niet kunnen zien. In een hoek voeren drie Spaanse danseressen een haastig gesprek vol verlangen naar Melilla, Cartagena, Estremadura en wij, in de pakken van onze gestorven vaders, klagende violen als nat geworden vleugels aan de rug, dalen de besneeuwde trappen af. In het ochtendblad staat de rede afgedrukt die Colijn gisteren voor beide zenders gehouden heeft. Waar blijft de tijd?
woensdag 20 november 2019
Frida Vogels • 21 november 2000
Bologna 21 november 2000
- Ik begon met gespannen verwachtingen aan deel 7. Natuurlijk is het toch weer heel anders dan ik het me herinnerde: details die mijn geheugen had uitvergroot blijken maar terloops vermeld te worden, andere waaraan juist veel aandacht wordt besteed herinnerde ik me niet. Maar de sfeer, de toon, de poëzie ervan herinnerde ik me precies. Het greep me weer net zo aan als toen je het vijf jaar geleden voorlas. Het heeft aandacht, ruimte, emotie: het leven dat in de zes voorgaande delen beetje bij beetje werd verdrukt en vertrapt, herstelt zich spontaan, eerst nog haperend en stroef, maar al gauw begint het te stromen en dan wordt zelfs het door het Bureau bedorven verleden in de stroom opgenomen. De bladzij over de dorsvlegel en de zeis vind ik prachtig. Wonen in Amsterdam, fietsen door Nederland: ruimte gemeten aan van een heel leven bekende dingen. Lopen en fietsen met Nicolien krijgt weer een andere kleur, van de ekster tot de zeekoeten. Wrijvingen, irritaties, weerzin en woede zijn er natuurlijk altijd en het verjaarsfeest van Güntermann is een grote rotte plek, maar we hebben nu te doen met een vrij mens.
Maar ook een mens die zijn leven achter zich heeft en dat voor een groot deel onvrij heeft doorgebracht. Dat vraagt om rekenschap. Aanvankelijk gelooft Maarten dat het genoeg zal zijn de losse einden af te hechten. Zodra hij hele dagen thuis is, begint hij zijn oude dagboeken (opgeslagen in kluisjes op het Bureau) uit te tikken. Hij brengt bezoeken aan het Bureau, bekommert zich om het wel en wee van ‘zijn’ mensen, maakt zich zorgen over nieuwe en zijns inziens verkeerde ontwikkelingen, trekt zich terug op het zolderkamertje, achter het bureau van Beerta, dat hij stilzwijgend en alweer uit hoofde van al zijn Bureaujaren als zijn domein beschouwt, om de lezing die hij nog beloofd had te schrijven en zijn onderzoeken naar de dorsvlegel en de zeis af te maken. Nicolien wordt boos omdat hij toch weer naar het Bureau gaat, in plaats van daar resoluut mee te kappen en die volle dertig jaar in een put zonder bodem te laten vallen. Maar zo'n drastische, of lichtzinnige, wat je wilt, levenshouding is niet voor iedereen weggelegd. Maarten herinnert zich alles, zogoed als zijn vader voor hem, wiens levenswerk achter zijn rug afgebroken werd en die daar machteloos en vergeefse hoofdartikelen schrijvend bij toezag. Maartens werk op het Bureau was ook een levenswerk, zij het een tegen heug en meug opgedrongen, om de eenvoudige reden dat hij er zo'n groot deel van zijn leven aan heeft besteed. Zolang hij op het Bureau was, spande hij zich in om die wetenschap waarmee hij zich nu eenmaal bezig had te houden van valse sociale pretenties te ontdoen, ondeugdelijke machtsposities te ondermijnen, het werk voorzover als dat ging een menselijke inhoud te geven (zodat hij ooit zelfs zo naïef was om Nicolien een naar zijn mening buitengewoon geslaagd artikel te willen voorlezen, maar Nicolien trapte daar niet in), en om van zijn afdeling een hecht verbonden groep mensen te maken in plaats van een hiërarchie van wetenschappelijke ambtenaren en lager personeel. Dat alles vanuit het onuitroeibare geloof dat je de wereld kunt verbeteren dat hij ook al van zijn vader heeft. Ik heb eens gezegd dat ik de hemel dank dat ik niet onder jou op het Bureau heb hoeven werken, omdat ik de geforceerde inspanning, waar je zelf bijna onder bezweek, waarmee je in die situatie en met die mensen de illusie van een Gideonsbende staande probeerde te houden niet had kunnen verdragen, maar Eef, Lien en Frits (en Gert, met zijn eigenaardige dubbelzinnige oprechtheid, een klein beetje) zien door die krampachtigheid heen, voelen zich zolang Maarten er is veilig en blijven hem als hij weg is trouw. Op de anderen schampen zijn pogingen om mensen in ze te zien domweg af, maar laten een residu van vijandigheid achter. Ze doen wat hij zegt zolang hij de baas is omdat hij de baas is, maar slaan zodra hij dat niet meer is aan het muiten en conformeren zich vervolgens opgelucht aan de nieuwe baas, die geen eigen menselijke verantwoordelijkheid van ze vergt, alleen maar productie. Het kaartsysteem wordt ontmanteld, Joop laat de platen van Jetses en Ad laat Dini verdwijnen, Volkstaal neemt het zolderkamertje en Ad het bureau van Beerta in beslag: de agressieve, triomfantelijke haast waarmee zijn sporen op het Bureau worden uitgewist, treft Maarten als een mokerslag. Angstaanjagend, noemt Eef het, die van zijn kant de wijk neemt naar Zuid-Afrika en een zaakje in damesondergoed heeft. De haat die Ad met name in al die jaren van hun samenwerking tegen Maarten heeft opgezameld, heeft geen andere grond dan de onuitgesproken eis van onderlinge solidariteit die Maarten aan hem stelde. Ad heeft zich telkens weer voor het blok gezet gevoeld en grijpt zodra de machtsverhoudingen veranderd zijn, zijn kans: typerenderwijs, allereerst ten koste van Dini, de zwakste van allemaal. ‘Die man is levensgevaarlijk,’ zegt Eef, ‘voor dieren is hij goed, maar mensen haat hij, en jou haat hij dubbel omdat jij wel om mensen geeft.’ Een terecht compliment, al betwijfelt Maarten dat: hoeveel hij om mensen geeft, blijkt uit zijn onuitputtelijke aandacht voor ze, zogoed als uit zijn allergie voor ‘sociale contacten’, door maatschappelijke in plaats van door menselijke verhoudingen geregeld onderling verkeer. Dat zelfs het handjevol door hemzelf uitgekozen mensen met wie hij zich jarenlang verbonden en voor wie hij zich verantwoordelijk heeft gevoeld, al die tijd alleen maar een maatschappelijk patroon heeft gevolgd en hem zodra hij baas-af is met een zucht van opluchting verraadt, is de bron van de oeverloze treurigheid waarmee het boek besluit. Die treurigheid is door het boek zelf weer overwonnen. Helaas verandert de wereld ook niet door het schrijven van een boek. Maar wel een beetje.
Abonneren op:
Posts (Atom)







