• Peter R. de Vries (1956) is een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.
Dinsdag
Drukke dag. Ook mijn tv-programma loopt door en hoewel mijn fantastische crew heel veel voor me opvangt en weghoudt, moeten er natuurlijk toch dingen gebeuren. Jan Nagel komt langs en meldt dat hij heeft ontdekt dat de vraagstelling van het NIPO verschilt met wat we eigenlijk met elkaar hadden afgesproken. De ondervraagde kiezers moesten `eens' of `oneens' invullen op de vraag of ik naar Den Haag moet, maar het NIPO heeft er ook de mogelijkheid `geen mening' aan toegevoegd. Dat zorgt er voor dat de lat nog hoger ligt, statistisch gezien. Moeten we het NIPO dit laten veranderen? We zijn het snel eens dat dit niet kan. De vraagstelling is op de persconferentie uiteengezet, als we daar nu achter de schermen aan gaan sleutelen word je snel en terecht beschuldigd van manipulatie om je doel te halen. Ik zie de koppen al voor me. De partij van Rechtvaardigheid, jaja. Geen denken aan dus.
Ik ben behoorlijk afgepeigerd na deze dagen, maar duik 's avonds toch de sportschool in.
Woensdag 2 november
Vandaag opnamen in Limburg, voor de `Roermondse Kerkhofmoord'. Een bizarre zaak, waarbij een bejaarde man op een begraafplaats bij het graf van zijn vrouw is beroofd en mishandeld. Een paar dagen later is hij aan de gevolgen overleden. De plaats van het delict is nu tevens zijn graf. Er is een verdachte gearresteerd, maar die is door de rechtbank terecht vrijgesproken. Zowel heen als terug is het één lange file op de weg. Ik denk aan ons proclamatiepunt dat pleit voor gratis openbaar vervoer. Onderweg bel ik veelvuldig met het duo Schouten & De Back, dat is wel weer handig als je toch vast staat. Op het Radio 1-journaal geef ik vanuit de file commentaar op de liquidatie van John Mieremet in Thailand. Een beetje gangster haalt de vijftig tegenwoordig niet.
's Avonds met Royce twee keer drie kwartier zitten zuchten, vloeken en mopperen als Ajax tegen FC Thun speelt. In de 91ste minuut springen we juichend op als Ajax toch nog de overwinning pakt. Eind goed, al goed.
•••
Leest momenteel: Bom in de Laurierstraat, Hendrik Jan Korterink
Heeft in de cd-speler liggen: Leonard Cohen
Laatste vakantie: Zanzibar
Laatste keer gesport: Gisteren
Laatste keer uit: Zaterdagavond naar `Pluche' in Amsterdam
Gelooft in: Gezond verstand
donderdag 31 oktober 2019
woensdag 30 oktober 2019
Fernand Auwera • 31 oktober 1986
• Fernand Auwera (1929-2015) was een Vlaamse schrijver. Hij publicerde dagboekfragmenten in Dietsche Warande en Belfort.
31 oktober 1986
Naar opening Boekenbeurs, maar eigenlijk was ik liever thuis gebleven om verder te lezen in het ‘Dagboek’ van Edmond en Jules de Goncourt. Besloten tijdens de lectuur van dit dagboek zelf een dagboek bij te houden. Vervolgens ga ik porno lezen.
1 november
Geen kater. Opening van de boekenbeurs gisteren met ballet en toespraken, theater dus. Minister Dewael kondigde, zoals verwacht, het leenrecht aan en burgemeester Cools zei, pratend over zich aan ons taalgebruik ergerende Nederlanders: ‘Filologie is een wetenschap en geen strafrecht.’ Vervolgens het klassieke etentje van uitgeverij Houtekiet (dat voor het eerst plaatsvindt maar toch meteen klassiek is omdat het een Manteau-traditie verder zet). Lucienne Stassaert vroeg zich af waarom haar dochters steeds weer verliefd worden op dichters. Waarschijnlijk omdat ze de charmes van romanciers nog niet hebben ontdekt. Het eten was niet fameus. Geen dronken mensen gezien, maar ook niet tot het laatst gebleven.
10.30u. Obligaat bezoek aan het kerkhof. Staande voor het familiegraf herinner ik me wat ik enkele dagen geleden in een interview voor de televisie heb gezegd: ‘Er zijn dagen waarin het besef dat ik moet sterven me wanhopig maakt. En er zijn dagen dat ik me zo rot voel dat het besef dat ik moet sterven een troostende gedachte is. Maar er zijn weinig of geen dagen dat ik niet lach.’ Ik constateer ook dat het, chronologisch gezien, mijn beurt is. Het graf (eeuwigdurende eigendom) is weliswaar vol, maar dat maakt natuurlijk weinig uit. Overigens laat ik me toch cremeren.
14u. De soms onthutsende combinatie van artistieke progressiviteit en sociaal conservatisme, van intellect en ijdelheid, van scherp inzicht en maatschappelijke blindheid, van historisch aanvoelen en burgerlijke bekrompenheid, maken van het dagboek van de Goncourts verrukkelijke lectuur.
Ik heb hardop gelachen met deze notitie van 3 juni 1858: ‘Na het eten spraken we over de verschillende manieren van doodgaan, over de onaangename en de mooie manieren van sterven: de dood kan weerzinwekkend zijn, zoals in het geval van de guillotine of zacht, zoals bij een beroerte; alles bij elkaar genomen en afgezien van de gangbare vooroordelen, geloven wij dat het goed is om op hoge leeftijd te vertrekken, als je je naam gevestigd hebt, en wel na het diner, in schoon linnengoed, op het hoogtepunt van het genot, en dan nog tijdens de ejaculatie aan de andere kant van de coulissen voor een troon te vallen, waar de god van de katholieken met de stem van de grootvader van Prudhomme tegen je zegt: ‘Iets lager, mijnheer, u maakt me helemaal nat.’
Hoe zou de dag waarop dat werd genoteerd er hebben uitgezien? Zon of bewolkt, was dat een maan- of een zondag? Ik heb het altijd moeilijk met data, plaats dus moeilijk iets op de tijdrepel van de geschiedenis (hoe zag 1858 eruit?) en dat is een gevolg van mijn uitgesproken aversie voor getallen. Ik heb moeite met de meest eenvoudige sommen, vergeet onmiddellijk elk bedrag of hoeveelheid, maat of gewicht, kortom alles wat uit cijfers bestaat. Behalve telefoonnummers, maar dat zijn eigenlijk woorden geworden, een soort pseudoniemen.
21.15u. Als middel tegen de droefheid, die soms even onverwacht opduikt als darmkrampen, vlug ‘Het Circus van de Slechte Smaak’ van Tom Lanoye gelezen. Iedereen zegt dat het zo goed is, zelfs de Nederlanders (maar die lachen veel vlugger dan wij, hebben meer redenen). Er staan inderdaad zeer goede stukken in, maar ook een aantal flauwigheden. Je moet het hem eigenlijk zien spelen, zegt men steeds, hij is een geboren performer. Meteen dan ook die ene goede schrijver die beter is als je hem ziet dan als je hem leest. Gewoonlijk is het omgekeerd. Tenzij Lanoye geen goede schrijver is. Toch begrijp ik zijn Nederlands succes niet zo goed, want zijn spot en sarcasme bestaan nauwelijks naast bijvoorbeeld Gerrit Komrij, zijn polemiek haalt het gehalte niet van Jeroen Brouwers, hij is niet zo belezen als W.F. Hermans en schrijft niet zo virtuoos als Piet Grijs - er zijn er daar zoveel aan het ruziën. In elk geval is Lanoye ook interessant als hij ernstig is, zoals zijn stuk over Hans Warren bewijst. Ingrid van der Veken zei me eens, terecht, dat veel critici boeiender zijn als ze kunnen afbreken. Dat is eenvoudig te verklaren, want als men iemand positief wil evalueren kijkt men een beetje uit hoe men dat doet. Termen als groots, uniek en geniaal gebruikt men normaal slechts zelden, tenzij men medewerker is van een obscuur literair tijdschrift waarin men de twaalfde dichtbundel bespreekt van een nog steeds volkomen onbekend poweet. Maar als men sloopt kan men er ongeremd tegenaan gaan, en de lezers die zo wantrouwig zijn bij een loflied leidt men aan de teugel van het leedvermaak precies waar men wil.
31 oktober 1986
Naar opening Boekenbeurs, maar eigenlijk was ik liever thuis gebleven om verder te lezen in het ‘Dagboek’ van Edmond en Jules de Goncourt. Besloten tijdens de lectuur van dit dagboek zelf een dagboek bij te houden. Vervolgens ga ik porno lezen.
1 november
Geen kater. Opening van de boekenbeurs gisteren met ballet en toespraken, theater dus. Minister Dewael kondigde, zoals verwacht, het leenrecht aan en burgemeester Cools zei, pratend over zich aan ons taalgebruik ergerende Nederlanders: ‘Filologie is een wetenschap en geen strafrecht.’ Vervolgens het klassieke etentje van uitgeverij Houtekiet (dat voor het eerst plaatsvindt maar toch meteen klassiek is omdat het een Manteau-traditie verder zet). Lucienne Stassaert vroeg zich af waarom haar dochters steeds weer verliefd worden op dichters. Waarschijnlijk omdat ze de charmes van romanciers nog niet hebben ontdekt. Het eten was niet fameus. Geen dronken mensen gezien, maar ook niet tot het laatst gebleven.
10.30u. Obligaat bezoek aan het kerkhof. Staande voor het familiegraf herinner ik me wat ik enkele dagen geleden in een interview voor de televisie heb gezegd: ‘Er zijn dagen waarin het besef dat ik moet sterven me wanhopig maakt. En er zijn dagen dat ik me zo rot voel dat het besef dat ik moet sterven een troostende gedachte is. Maar er zijn weinig of geen dagen dat ik niet lach.’ Ik constateer ook dat het, chronologisch gezien, mijn beurt is. Het graf (eeuwigdurende eigendom) is weliswaar vol, maar dat maakt natuurlijk weinig uit. Overigens laat ik me toch cremeren.
14u. De soms onthutsende combinatie van artistieke progressiviteit en sociaal conservatisme, van intellect en ijdelheid, van scherp inzicht en maatschappelijke blindheid, van historisch aanvoelen en burgerlijke bekrompenheid, maken van het dagboek van de Goncourts verrukkelijke lectuur.
Ik heb hardop gelachen met deze notitie van 3 juni 1858: ‘Na het eten spraken we over de verschillende manieren van doodgaan, over de onaangename en de mooie manieren van sterven: de dood kan weerzinwekkend zijn, zoals in het geval van de guillotine of zacht, zoals bij een beroerte; alles bij elkaar genomen en afgezien van de gangbare vooroordelen, geloven wij dat het goed is om op hoge leeftijd te vertrekken, als je je naam gevestigd hebt, en wel na het diner, in schoon linnengoed, op het hoogtepunt van het genot, en dan nog tijdens de ejaculatie aan de andere kant van de coulissen voor een troon te vallen, waar de god van de katholieken met de stem van de grootvader van Prudhomme tegen je zegt: ‘Iets lager, mijnheer, u maakt me helemaal nat.’
Hoe zou de dag waarop dat werd genoteerd er hebben uitgezien? Zon of bewolkt, was dat een maan- of een zondag? Ik heb het altijd moeilijk met data, plaats dus moeilijk iets op de tijdrepel van de geschiedenis (hoe zag 1858 eruit?) en dat is een gevolg van mijn uitgesproken aversie voor getallen. Ik heb moeite met de meest eenvoudige sommen, vergeet onmiddellijk elk bedrag of hoeveelheid, maat of gewicht, kortom alles wat uit cijfers bestaat. Behalve telefoonnummers, maar dat zijn eigenlijk woorden geworden, een soort pseudoniemen.
21.15u. Als middel tegen de droefheid, die soms even onverwacht opduikt als darmkrampen, vlug ‘Het Circus van de Slechte Smaak’ van Tom Lanoye gelezen. Iedereen zegt dat het zo goed is, zelfs de Nederlanders (maar die lachen veel vlugger dan wij, hebben meer redenen). Er staan inderdaad zeer goede stukken in, maar ook een aantal flauwigheden. Je moet het hem eigenlijk zien spelen, zegt men steeds, hij is een geboren performer. Meteen dan ook die ene goede schrijver die beter is als je hem ziet dan als je hem leest. Gewoonlijk is het omgekeerd. Tenzij Lanoye geen goede schrijver is. Toch begrijp ik zijn Nederlands succes niet zo goed, want zijn spot en sarcasme bestaan nauwelijks naast bijvoorbeeld Gerrit Komrij, zijn polemiek haalt het gehalte niet van Jeroen Brouwers, hij is niet zo belezen als W.F. Hermans en schrijft niet zo virtuoos als Piet Grijs - er zijn er daar zoveel aan het ruziën. In elk geval is Lanoye ook interessant als hij ernstig is, zoals zijn stuk over Hans Warren bewijst. Ingrid van der Veken zei me eens, terecht, dat veel critici boeiender zijn als ze kunnen afbreken. Dat is eenvoudig te verklaren, want als men iemand positief wil evalueren kijkt men een beetje uit hoe men dat doet. Termen als groots, uniek en geniaal gebruikt men normaal slechts zelden, tenzij men medewerker is van een obscuur literair tijdschrift waarin men de twaalfde dichtbundel bespreekt van een nog steeds volkomen onbekend poweet. Maar als men sloopt kan men er ongeremd tegenaan gaan, en de lezers die zo wantrouwig zijn bij een loflied leidt men aan de teugel van het leedvermaak precies waar men wil.
maandag 28 oktober 2019
Charles B. Timmer • 29 oktober 1950
• Charles B. Timmer was een Nederlandse schrijver en vertaler. Poolse dagboeknotities 1950-1952.
Szczecin, 29.10.1950. Bij een tramhalte staat een zigeunervrouw gehuld in vele lagen bontgekleurde rokken. Naast haar dribbelt een donker meisje van een jaar of zes in eenzelfde tenue van wijde, geplooide stroken die tot de enkels reiken en een gebloemd jakje. Opeens begint het zigeunermeisje sierlijk te dansen op het trottoir. Haar bewegingen zijn van een volmaakte gratie. Haar zwarte ogen lachen spottend. Dan blijft zij staan, haalt uit haar zak een sigaret en steekt die in haar mond. De oudere vrouw grist haar de sigaret uit de mond en klampt een voorbijganger aan voor vuur. De man, het type van de laag bezoldigde rijksambtenaar, strijkt een lucifer af en bedient de vrouw welwillend en hoffelijk. Ondertussen is het kleine meisje achter de rug van de klerk gekropen en onderzoekt met de magere bruine vingers de zakken van de menslievende, geen kwaad vermoedende pan dobry. De ogen van het kleine meisje lachen spottend. Er verdwijnt iets in de ruime zak van haar rok. Dan nadert er een tram die bij de halte stopt. De zigeunervrouw en het meisje springen snel in de achterste wagen. Als zij merken dat de ambtenaar hen volgt worden zij zenuwachtig, dringen zich door het publiek naar voren en bereiken het voorbalkon. Wanneer de tram in een bocht vaart vermindert springen zij er behendig uit.
Op het trottoir gekomen begint het kleine meisje te dansen, haar bewegingen zijn volmaakt van gratie. De zigeunervrouw rookt, staat met een ernstig, peinzend gezicht op de volgende tram te wachten en neemt geen notitie van het kleine meisje.
Szczecin, 29.10.1950. Bij een tramhalte staat een zigeunervrouw gehuld in vele lagen bontgekleurde rokken. Naast haar dribbelt een donker meisje van een jaar of zes in eenzelfde tenue van wijde, geplooide stroken die tot de enkels reiken en een gebloemd jakje. Opeens begint het zigeunermeisje sierlijk te dansen op het trottoir. Haar bewegingen zijn van een volmaakte gratie. Haar zwarte ogen lachen spottend. Dan blijft zij staan, haalt uit haar zak een sigaret en steekt die in haar mond. De oudere vrouw grist haar de sigaret uit de mond en klampt een voorbijganger aan voor vuur. De man, het type van de laag bezoldigde rijksambtenaar, strijkt een lucifer af en bedient de vrouw welwillend en hoffelijk. Ondertussen is het kleine meisje achter de rug van de klerk gekropen en onderzoekt met de magere bruine vingers de zakken van de menslievende, geen kwaad vermoedende pan dobry. De ogen van het kleine meisje lachen spottend. Er verdwijnt iets in de ruime zak van haar rok. Dan nadert er een tram die bij de halte stopt. De zigeunervrouw en het meisje springen snel in de achterste wagen. Als zij merken dat de ambtenaar hen volgt worden zij zenuwachtig, dringen zich door het publiek naar voren en bereiken het voorbalkon. Wanneer de tram in een bocht vaart vermindert springen zij er behendig uit.
Op het trottoir gekomen begint het kleine meisje te dansen, haar bewegingen zijn volmaakt van gratie. De zigeunervrouw rookt, staat met een ernstig, peinzend gezicht op de volgende tram te wachten en neemt geen notitie van het kleine meisje.
zondag 27 oktober 2019
Theodor Fontane • 27 oktober 1870
• De Duitse schrijver Theodor Fontane (1819-1898) verbleef tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 in Frankrijk, en werd krijgsgevangen genomen en zelfs ter dood veroordeeld toen de Fransen hem van spionage verdachten. Uiteindelijk werd hij gered na tussenkomst van Bismarck. Uit: Brieven (vertaald door Tinke Davids).
Besançon, 27 oktober 1870
Ik voeg bij deze regels een briefje waarop je kunt lezen wat ik in Roche-sur-Yon wil hebben. Je moet eerst op het postkantoor informeren of het wel mogelijk is (altijd par la Suisse) een dergelijke kist te sturen, en wanneer ze 'ja' zeggen, moet je vragen hoeveel het kost. Als het minder dan vijf reichstaler kost, stuur het me dan toe, kost het meer, doe het dan niet. Natuurlijk zou het ontvangen van die dingen mijn comfort ten zeerste vergroten, aangezien ik eigenlijk niets bij me heb. [...]
Verlanglijst voor de uitzet in Roche-sur-Yon:
1. Twee daghemden. De Deense boordeknoopjes
2. Twee nachthemden. Een nachtshawl
3. Zes goede boorden
4. Drie paar wollen kousen
5. Een onderbroek. (Omdat ik het 's nachts altijd koud heb)
6. Een buikband
7. De oude rode pet, after having been cleaned
8. Een vrij oude, zwarte, wit gestippelde broek; maar niet bij voorbeeld de dikke peper-en-zoutkleurige
9. Het zwarte vest, waar Basedow een schootje aangezet heeft
10. De laarzen met het rimpelige, slecht uitziende bovenleer
11. Een paar vilten zolen, als schoenen geprepareerd (als die zich nu in Toul bevinden)
12. Het gebruikte Engelse scheermes uit het Merington-doosje en de 'strop' die jij me eens hebt gegeven
13. Doosje met baby-pins
14. Een strikdas of zwartzijden halsdoek. Mag al gebruikt zijn
15. Een oude wollen shawl
Besançon, 27 oktober 1870
Ik voeg bij deze regels een briefje waarop je kunt lezen wat ik in Roche-sur-Yon wil hebben. Je moet eerst op het postkantoor informeren of het wel mogelijk is (altijd par la Suisse) een dergelijke kist te sturen, en wanneer ze 'ja' zeggen, moet je vragen hoeveel het kost. Als het minder dan vijf reichstaler kost, stuur het me dan toe, kost het meer, doe het dan niet. Natuurlijk zou het ontvangen van die dingen mijn comfort ten zeerste vergroten, aangezien ik eigenlijk niets bij me heb. [...]
Verlanglijst voor de uitzet in Roche-sur-Yon:
1. Twee daghemden. De Deense boordeknoopjes
2. Twee nachthemden. Een nachtshawl
3. Zes goede boorden
4. Drie paar wollen kousen
5. Een onderbroek. (Omdat ik het 's nachts altijd koud heb)
6. Een buikband
7. De oude rode pet, after having been cleaned
8. Een vrij oude, zwarte, wit gestippelde broek; maar niet bij voorbeeld de dikke peper-en-zoutkleurige
9. Het zwarte vest, waar Basedow een schootje aangezet heeft
10. De laarzen met het rimpelige, slecht uitziende bovenleer
11. Een paar vilten zolen, als schoenen geprepareerd (als die zich nu in Toul bevinden)
12. Het gebruikte Engelse scheermes uit het Merington-doosje en de 'strop' die jij me eens hebt gegeven
13. Doosje met baby-pins
14. Een strikdas of zwartzijden halsdoek. Mag al gebruikt zijn
15. Een oude wollen shawl
donderdag 24 oktober 2019
Maarten Mooy • 25 oktober 1786
• Maarten Mooy (1739-1817) kwam als commandeur van de walvisvaarder Frankendaal vast te zitten in het ijs bij Groenland. Uit: Omstandig journaal van de reize naar Groenland, gedaan door commandeur Maarten Mooy, met het schip Frankendaal (1787).
[25 October 1786]
Woensdag den 25. ’s morgens de Wind O.Z.O. met goed weer; doch deinzige Lucht, ’s middags deelde Provisie uit aan 24 Engelschen, bestaande circa in 2 Ton Vleesch en ½ Vat Brood; terwyl zy nog voor 10 dagen Brood in voorraad hadden eer zy my weder konde vragen; doch zulks stond ik haar toe dewyl zy de disperaate onderneeming deeden om naar Ysland te vluchten; wy gaaven dezelve ook 2 Sloepen, en Zeilen om Tenten over de Sloepen te maaken; zy kookten hun Vleesch en bekuipten het in 2 Tonnen; wy raaden hun deeze Onderneeming af noch aan; doch moedigde hen in zo ver aan, dat zy niet moesten beginnen dan met een kloeken moed om te volharden; en dus vooraf wel geresolveerd te zyn; ’t geen zy dan ook betoonde, en dewyl het naar Menschen oogenschyn een dwaas Conçept van hun was brachten zy ons niet weinig in Confusie; ’t geen myn hart zo beknelde dat ik ook een Brief aan myn Patroon, en een naar myn Vrouw en Kinderen mede gaf, of ’t de Voorzienigheid behaagen mogt hun door de Vlucht te redden en ons in ’t Ys te laaten omkomen: de Eerste aan myn Directeur de Ed. Heer JAN GILDEMEESTER JANSZ., behelsde in substantie een kort Verhaal uit myn Journaal uitgetrokken en een verslag van onze allerdeerniswaardige Omstandigheden; ’t slot van deezen Brief luiden dus: “Thans gaat het Engelsche Volk meest van ons met de Sloepen vluchten over ’t Ys; of zy Ysland nog mogten bekomen; wy leggen vast bevrooren; kunnen zomtyds kleine Watertjes zien, doch vreezen schielyk wederom digt te zullen zyn; dryven daaglyks heel weinig Zuidwaards, meest na dat de Winden waaijen; wat wy doen of laaten zullen, is my nog onbekend; wanneer wy Ysland in ’t gezicht krygen en de Scheepen niet los konde komen, mooglyk zullen wy dan ook moeten resolveeren om aan de Sloepen ons over te geeven om te vluchten; God hoope ik, zal in deeze akelige Omstandigheden, onzen beste Raadsman zyn; wy hebben nog voor omtrent 3 maanden Provisie; zyne Almacht smeeken wy zal het voorzien; ons Schip heeft tot nog toe geen schaade en God heeft ons tot dus verre wonderlyk bewaard; met dezen te bekorten, (’t geen God hoop ik verhoede,) niet te regt mogt komen, zo wensche verder alles ’t geen U naar Ziel en Lichaam kan gelukkig maaken en groete U Ed. voor Eeuwig Vaarwel, benevens de geheele Redery. En verzoeke als dan een gunstig aandenken van Milddaadigheid aan myn lieve Vrouw en Kinderen.”
(Deeze was getekent.)
In ’t West-Ys, in groote Droefheid op de Noorderbreedte van 68 gr. 11 min. in zwaare bezetting den 25. October 1786.
MAARTEN MOOY.
De andere naar myn Vrouw, Kinderen en Familie, was zo men ligt begrypen kan, niet min aandoenlyk en niet zonder telkens traanen te storten geschreeven; wat konde ik anders doen, daar ik myn nood niet kon verzwygen, of ik moest haar en alle de onzen voor eeuwig Vaarwel zeggen, Godt aan te beveelen om in Hem de beste troost te zoeken; deezen omstandige Brief las ik myne 3 Zoons, die ik niet zonder ontroering beschouwde, voor, en liet dezelve nevens my ondertekenen. Met deeze Brieven, en een hartelyken goeden Reis wensch, vertrok dan deeze eene Engelsche Commandeur, William Allen, met 32 Man en 2 Sloepen, een van het Deensche en een van het Zweedsche Schip; doch wy van Steng af met helder weer geen water konden zien. Deezen dag verkochten een Vat-Staart, aan Commandeur Volkert Klaasen, voor zyn Volk om te eeten, voor tien Guldens voor welke prys wy de voorige ook verkogt hadden; wy bespeurde eenige deining; doch ’t wilde hier by ons Schip nog niet breeken; ’s avonds de Wind Z.O met mooy weer; ’s nachts deinde het by ons altemaal stukken.
[25 October 1786]
Woensdag den 25. ’s morgens de Wind O.Z.O. met goed weer; doch deinzige Lucht, ’s middags deelde Provisie uit aan 24 Engelschen, bestaande circa in 2 Ton Vleesch en ½ Vat Brood; terwyl zy nog voor 10 dagen Brood in voorraad hadden eer zy my weder konde vragen; doch zulks stond ik haar toe dewyl zy de disperaate onderneeming deeden om naar Ysland te vluchten; wy gaaven dezelve ook 2 Sloepen, en Zeilen om Tenten over de Sloepen te maaken; zy kookten hun Vleesch en bekuipten het in 2 Tonnen; wy raaden hun deeze Onderneeming af noch aan; doch moedigde hen in zo ver aan, dat zy niet moesten beginnen dan met een kloeken moed om te volharden; en dus vooraf wel geresolveerd te zyn; ’t geen zy dan ook betoonde, en dewyl het naar Menschen oogenschyn een dwaas Conçept van hun was brachten zy ons niet weinig in Confusie; ’t geen myn hart zo beknelde dat ik ook een Brief aan myn Patroon, en een naar myn Vrouw en Kinderen mede gaf, of ’t de Voorzienigheid behaagen mogt hun door de Vlucht te redden en ons in ’t Ys te laaten omkomen: de Eerste aan myn Directeur de Ed. Heer JAN GILDEMEESTER JANSZ., behelsde in substantie een kort Verhaal uit myn Journaal uitgetrokken en een verslag van onze allerdeerniswaardige Omstandigheden; ’t slot van deezen Brief luiden dus: “Thans gaat het Engelsche Volk meest van ons met de Sloepen vluchten over ’t Ys; of zy Ysland nog mogten bekomen; wy leggen vast bevrooren; kunnen zomtyds kleine Watertjes zien, doch vreezen schielyk wederom digt te zullen zyn; dryven daaglyks heel weinig Zuidwaards, meest na dat de Winden waaijen; wat wy doen of laaten zullen, is my nog onbekend; wanneer wy Ysland in ’t gezicht krygen en de Scheepen niet los konde komen, mooglyk zullen wy dan ook moeten resolveeren om aan de Sloepen ons over te geeven om te vluchten; God hoope ik, zal in deeze akelige Omstandigheden, onzen beste Raadsman zyn; wy hebben nog voor omtrent 3 maanden Provisie; zyne Almacht smeeken wy zal het voorzien; ons Schip heeft tot nog toe geen schaade en God heeft ons tot dus verre wonderlyk bewaard; met dezen te bekorten, (’t geen God hoop ik verhoede,) niet te regt mogt komen, zo wensche verder alles ’t geen U naar Ziel en Lichaam kan gelukkig maaken en groete U Ed. voor Eeuwig Vaarwel, benevens de geheele Redery. En verzoeke als dan een gunstig aandenken van Milddaadigheid aan myn lieve Vrouw en Kinderen.”
(Deeze was getekent.)
In ’t West-Ys, in groote Droefheid op de Noorderbreedte van 68 gr. 11 min. in zwaare bezetting den 25. October 1786.
MAARTEN MOOY.
De andere naar myn Vrouw, Kinderen en Familie, was zo men ligt begrypen kan, niet min aandoenlyk en niet zonder telkens traanen te storten geschreeven; wat konde ik anders doen, daar ik myn nood niet kon verzwygen, of ik moest haar en alle de onzen voor eeuwig Vaarwel zeggen, Godt aan te beveelen om in Hem de beste troost te zoeken; deezen omstandige Brief las ik myne 3 Zoons, die ik niet zonder ontroering beschouwde, voor, en liet dezelve nevens my ondertekenen. Met deeze Brieven, en een hartelyken goeden Reis wensch, vertrok dan deeze eene Engelsche Commandeur, William Allen, met 32 Man en 2 Sloepen, een van het Deensche en een van het Zweedsche Schip; doch wy van Steng af met helder weer geen water konden zien. Deezen dag verkochten een Vat-Staart, aan Commandeur Volkert Klaasen, voor zyn Volk om te eeten, voor tien Guldens voor welke prys wy de voorige ook verkogt hadden; wy bespeurde eenige deining; doch ’t wilde hier by ons Schip nog niet breeken; ’s avonds de Wind Z.O met mooy weer; ’s nachts deinde het by ons altemaal stukken.
woensdag 23 oktober 2019
Ernst Heldring • 24 oktober 1923
• Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.
24 October 1923
Mevrouw Quack, weduwe van H.P.G., stierf eergisteren, 82 jaar oud. Het bedroeft mij zeer haar te moeten missen. Zij was de beste vriendin van mijn moeder en wij gingen dikwijls met haar een praatje over den ouden tijd en de tegenwoordige wereld maken. Zij was een eenvoudige vriendelijke vrouw, gezegend met een groote dosis gezond verstand, die haar man in hun bijna 50-jarig huwelijk tot grooten steun is geweest. Tot het laatste toe had zij faculteiten ten volle ter beschikking. Nu heb ik niemand meer uit het vorige geslacht die mij in mijn kinderjaren gekend heeft.
Ik geloof niet, dat ik vroeger over Quack zelf gesproken heb. Ook hem heb ik van mijn prille jeugd af gekend. Hij en zijn vrouw zagen onze ouders veel, en ik herinner mij dat ik als kleine jongen bij hen in hun woning aan de Bank (Quack was toen secretaris der Nederlandsche Bank) koffiedronk en veel vermaak schepte in een kanarie, die op tafel rondwipte. Later had ik veel aanraking met Quack, die jarenlang president-commissaris der Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij was. Hij was een charmante en geestige causeur en wist zijn gezelschap van zijn ontzaggelijke kennis van politieke economie en kunst te doen genieten. Hij was echter steeds bang te kwetsen en te hinderen, durfde zijn werkelijke opinie alleen achter den rug van hem wien het aanging uit te spreken, vleide en paaide steeds en was zoodoende ‘double-faced’ (de term dien mijn vader, van hem sprekende, placht te gebruiken). Daarbij had hij geen begrip van zaken, zoodat ik dikwijls moeilijke oogenblikken met hem gehad heb. In dagen van werkstaking was hij nog meer nerveus dan gewoonlijk, daar hij dan, hoewel in den grond zeer gehecht aan aardsche goederen, te veel herinnerd werd aan zijn (salon) socialistische uitingen. Toch dorst hij zich niet tegenover de directie, die dikwijls lang pal tegenover de eischen der arbeiders moest staan, krachtig uit te spreken. Hij was geen groot man, maar hij bezat wel den fijnbeschaafden toon die langzamerhand uit toonaangevende kringen verdwenen is.
24 October 1923
Mevrouw Quack, weduwe van H.P.G., stierf eergisteren, 82 jaar oud. Het bedroeft mij zeer haar te moeten missen. Zij was de beste vriendin van mijn moeder en wij gingen dikwijls met haar een praatje over den ouden tijd en de tegenwoordige wereld maken. Zij was een eenvoudige vriendelijke vrouw, gezegend met een groote dosis gezond verstand, die haar man in hun bijna 50-jarig huwelijk tot grooten steun is geweest. Tot het laatste toe had zij faculteiten ten volle ter beschikking. Nu heb ik niemand meer uit het vorige geslacht die mij in mijn kinderjaren gekend heeft.
Ik geloof niet, dat ik vroeger over Quack zelf gesproken heb. Ook hem heb ik van mijn prille jeugd af gekend. Hij en zijn vrouw zagen onze ouders veel, en ik herinner mij dat ik als kleine jongen bij hen in hun woning aan de Bank (Quack was toen secretaris der Nederlandsche Bank) koffiedronk en veel vermaak schepte in een kanarie, die op tafel rondwipte. Later had ik veel aanraking met Quack, die jarenlang president-commissaris der Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij was. Hij was een charmante en geestige causeur en wist zijn gezelschap van zijn ontzaggelijke kennis van politieke economie en kunst te doen genieten. Hij was echter steeds bang te kwetsen en te hinderen, durfde zijn werkelijke opinie alleen achter den rug van hem wien het aanging uit te spreken, vleide en paaide steeds en was zoodoende ‘double-faced’ (de term dien mijn vader, van hem sprekende, placht te gebruiken). Daarbij had hij geen begrip van zaken, zoodat ik dikwijls moeilijke oogenblikken met hem gehad heb. In dagen van werkstaking was hij nog meer nerveus dan gewoonlijk, daar hij dan, hoewel in den grond zeer gehecht aan aardsche goederen, te veel herinnerd werd aan zijn (salon) socialistische uitingen. Toch dorst hij zich niet tegenover de directie, die dikwijls lang pal tegenover de eischen der arbeiders moest staan, krachtig uit te spreken. Hij was geen groot man, maar hij bezat wel den fijnbeschaafden toon die langzamerhand uit toonaangevende kringen verdwenen is.
dinsdag 22 oktober 2019
E. du Perron • 23 oktober 1936
• De Nederlandse schrijver E. du Perron (1899-1940) publiceerde in 1939 Scheepsjournaal van Arthur Ducroo, een ietwat gefictionaliseerd journaal van een bootreis die hij maakte in 1936. Du Perron-biograaf Kees Snoek schrijft er hier meer over.
23 October
Wij zijn de Rode Zee nu uit. Ze heette koel voor haar doen, maar toch... Wat je uit de douche kreeg was warm zeewater, slecht af te spoelen, een nieuw kleverig gevoel gevend. Geen brieven geschreven, je zou het met transpiratie inplaats van met inkt hebben gedaan. Er bestaat bij europese vrouwen een grote behoefte om de temperatuur op Java te vereenzelvigen met die van de Rode Zee. Gelukkig dat de Indische warmte niet overschat wordt in het boekje met ‘wenken’ van een dr Nijland: Als dameskleeding overdag, buitenshuis, is aan te raden: een licht ruime blouse en rok, met zoo weinig mogelijk onderkleeding, n.l. dun katoenen hemd, onderlijfje, pantalon en onderrok. Wat mij betreft, ik zie de manspersonen sinds de hitte als belachelijke oude jongens in hun ‘shorts’ en neem mij voor deze klederdracht nooit tot de mijne te maken.
Deze middag, toen ons zoontje sliep, en hij Jane en mij alleen op het dek zag zitten, is onze boy Rasidi mij in het maleis verhalen komen doen. Hoe hij uit een desa in het Buitenzorgse naar Batavia was getrokken, hoe hij daar gewerkt had, daarna boy op een boot was geworden en in Holland gebleven in een indisch restaurant. Hoe hij hollandse lessen gekregen had van een javaans edelman, en hoe hij en de andere boys elkaar later die lessen overgedaan hadden, thuis, met een zwart bord; voor de goedkoopte, zoals ze elkaar ook schoren omdat de kapper te duur was. Hij, Rasidi, had met lesgeven en scheren soms wel f 60 in de maand verdiend.
Maar hij was nu zolang weggebleven en zijn vader had hem teruggeroepen; zijn moeder was ondertussen gestorven. Hij liet mij het briefje zien dat hem namens zijn vader geschreven was, een brief je met duizend kreukels en in de geijkte stijl: je vader laat je zeggen dat hij nu zo vaak ziek is en graag geld zou hebben voor medicijnen, stuur dat dus; je zuster Zo is getrouwd, je twee zusjes Zo en Zo zijn nog thuis, maar al groot, je broer Zo werkt daar en je andere broer bebouwt nog altijd het land hier; je vader verlangt er erg naar je te zien; vergeet niet geld te sturen, aan dit en dat adres, want de kosten zijn groot.
Deze sociale bijzonderheden interesseren mij minder dan het wonderverhaal dat erop volgt. Zijn vader was eigenlijk ook een soort tovenaar, zei Rasidi; hij kon genezen met het woord en als hij boos was, werd hij gevaarlijk zonder dat hij het zelf helpen kon. Als bewijs van het eerste dit: Rasidi was eens met zijn broer het bos ingegaan om hout te halen - vermoedelijk om het te stelen - want zijn vader had geen geld gegeven; hij had toen drie vrouwen en Rasidi's moeder kwam te kort. Bij het wegslepen van een boomstam was het ene eind hem uit de handen geslipt en hij had het op zijn voet gekregen, die onmiddellijk ontzettend dik opgezwollen was. Hij stond als op de plek vastgenageld en op datzelfde ogenblik zag hij zijn vader aankomen, die tegen hem zei: ‘Wat heb je gedaan? Ik heb je toch gezegd dat je zulke dingen niet doen moest!’ waarop Rasidi had geantwoord: ‘Habis? (en dan?) er is geen geld meer thuis’. Zijn vader was dichterbij gekomen en had naar de voet gekeken; daarna iets gepreveld, en in een ogenblik was de zwelling weg. Rasidi kon weer doorlopen en zei bij zichzelf: ‘Maar dan is het toch waar, dat mijn vader grote macht bezit, want hij heeft alleen maar iets gepreveld en zoeven nog dacht ik dat ik mijn voet verliezen zou’.
De broer daarentegen die hem toen vergezeld had, zijn oudste broer, was door zijn vader doodgeslagen in een onbewaakt ogenblik. Het was overigens de schuld van de broer zelf geweest. Hij had een beetje geld gekregen van zijn moeder om wat handel te drijven en op een avond had zijn moeder hem afrekening gevraagd. Hij was toen zo woedend geworden, dat hij zijn moeder het geld in het gezicht smeet. Zijn vader zat erbij en die was op zijn beurt boos geworden over de onbeschoftheid, en had de jongen een klap gegeven, één klap maar, met de open hand, op zijn rug. Rasidi's broer was ziek geworden en 3 dagen later overleden. Het had zijn vader zelf erg gespeten, lichtte hij toe toen ik hem ernaar vroeg, maar er was niets meer aan te doen geweest; de uitwerking van zijn eigen klap, die hem in boosheid ontsnapt was, had hij niet tegen kunnen gaan: de jongen moest sterven. En hoe vreemd, toen hij dood was, had Rasidi zelf gezien hoe op de rug van het lijk de open hand van zijn vader duidelijk stond afgetekend, met alle vingers, helemaal zwart.
‘Is dat nu waar?’ vraagt Jane. Ik denk van niet of niet helemaal; maar ik durf het zó toch niet zeggen: wij gaan het Oosten tegemoet en het verhaal is er te mooi voor.
23 October
Wij zijn de Rode Zee nu uit. Ze heette koel voor haar doen, maar toch... Wat je uit de douche kreeg was warm zeewater, slecht af te spoelen, een nieuw kleverig gevoel gevend. Geen brieven geschreven, je zou het met transpiratie inplaats van met inkt hebben gedaan. Er bestaat bij europese vrouwen een grote behoefte om de temperatuur op Java te vereenzelvigen met die van de Rode Zee. Gelukkig dat de Indische warmte niet overschat wordt in het boekje met ‘wenken’ van een dr Nijland: Als dameskleeding overdag, buitenshuis, is aan te raden: een licht ruime blouse en rok, met zoo weinig mogelijk onderkleeding, n.l. dun katoenen hemd, onderlijfje, pantalon en onderrok. Wat mij betreft, ik zie de manspersonen sinds de hitte als belachelijke oude jongens in hun ‘shorts’ en neem mij voor deze klederdracht nooit tot de mijne te maken.
Deze middag, toen ons zoontje sliep, en hij Jane en mij alleen op het dek zag zitten, is onze boy Rasidi mij in het maleis verhalen komen doen. Hoe hij uit een desa in het Buitenzorgse naar Batavia was getrokken, hoe hij daar gewerkt had, daarna boy op een boot was geworden en in Holland gebleven in een indisch restaurant. Hoe hij hollandse lessen gekregen had van een javaans edelman, en hoe hij en de andere boys elkaar later die lessen overgedaan hadden, thuis, met een zwart bord; voor de goedkoopte, zoals ze elkaar ook schoren omdat de kapper te duur was. Hij, Rasidi, had met lesgeven en scheren soms wel f 60 in de maand verdiend.
Maar hij was nu zolang weggebleven en zijn vader had hem teruggeroepen; zijn moeder was ondertussen gestorven. Hij liet mij het briefje zien dat hem namens zijn vader geschreven was, een brief je met duizend kreukels en in de geijkte stijl: je vader laat je zeggen dat hij nu zo vaak ziek is en graag geld zou hebben voor medicijnen, stuur dat dus; je zuster Zo is getrouwd, je twee zusjes Zo en Zo zijn nog thuis, maar al groot, je broer Zo werkt daar en je andere broer bebouwt nog altijd het land hier; je vader verlangt er erg naar je te zien; vergeet niet geld te sturen, aan dit en dat adres, want de kosten zijn groot.
Deze sociale bijzonderheden interesseren mij minder dan het wonderverhaal dat erop volgt. Zijn vader was eigenlijk ook een soort tovenaar, zei Rasidi; hij kon genezen met het woord en als hij boos was, werd hij gevaarlijk zonder dat hij het zelf helpen kon. Als bewijs van het eerste dit: Rasidi was eens met zijn broer het bos ingegaan om hout te halen - vermoedelijk om het te stelen - want zijn vader had geen geld gegeven; hij had toen drie vrouwen en Rasidi's moeder kwam te kort. Bij het wegslepen van een boomstam was het ene eind hem uit de handen geslipt en hij had het op zijn voet gekregen, die onmiddellijk ontzettend dik opgezwollen was. Hij stond als op de plek vastgenageld en op datzelfde ogenblik zag hij zijn vader aankomen, die tegen hem zei: ‘Wat heb je gedaan? Ik heb je toch gezegd dat je zulke dingen niet doen moest!’ waarop Rasidi had geantwoord: ‘Habis? (en dan?) er is geen geld meer thuis’. Zijn vader was dichterbij gekomen en had naar de voet gekeken; daarna iets gepreveld, en in een ogenblik was de zwelling weg. Rasidi kon weer doorlopen en zei bij zichzelf: ‘Maar dan is het toch waar, dat mijn vader grote macht bezit, want hij heeft alleen maar iets gepreveld en zoeven nog dacht ik dat ik mijn voet verliezen zou’.
De broer daarentegen die hem toen vergezeld had, zijn oudste broer, was door zijn vader doodgeslagen in een onbewaakt ogenblik. Het was overigens de schuld van de broer zelf geweest. Hij had een beetje geld gekregen van zijn moeder om wat handel te drijven en op een avond had zijn moeder hem afrekening gevraagd. Hij was toen zo woedend geworden, dat hij zijn moeder het geld in het gezicht smeet. Zijn vader zat erbij en die was op zijn beurt boos geworden over de onbeschoftheid, en had de jongen een klap gegeven, één klap maar, met de open hand, op zijn rug. Rasidi's broer was ziek geworden en 3 dagen later overleden. Het had zijn vader zelf erg gespeten, lichtte hij toe toen ik hem ernaar vroeg, maar er was niets meer aan te doen geweest; de uitwerking van zijn eigen klap, die hem in boosheid ontsnapt was, had hij niet tegen kunnen gaan: de jongen moest sterven. En hoe vreemd, toen hij dood was, had Rasidi zelf gezien hoe op de rug van het lijk de open hand van zijn vader duidelijk stond afgetekend, met alle vingers, helemaal zwart.
‘Is dat nu waar?’ vraagt Jane. Ik denk van niet of niet helemaal; maar ik durf het zó toch niet zeggen: wij gaan het Oosten tegemoet en het verhaal is er te mooi voor.
Abonneren op:
Posts (Atom)







