• Gerrit Kamphuis (1906-1998) was een (religieus) dichter en letterkundige. Dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd in het tijdschrift Liter.
30 Augustus Maandagmorgen
Nog midden in den zomer en nu reeds wordt het licht dunner en koeler. Dinsdagsavonds 10 Aug. uit Keulen thuisgekomen. Artikelen geschreven over de Vondeltentoonstelling voor De Standaard.
Het was psychologisch een merkwaardig experiment eenige dagen met Bert [uitgver Bert Bakker] en
Ella [zijn vrouw Ella van Nood] samen te zijn. Ik zou het zeker niet op prijs stellen een derde bij Betty en mij te hebben, maar Bert is minder gevoelig. Hij was zelfs op sommige punten wat grof van gevoel. Zoo deed zich eenige malen verschil van meening voor over de te gebruiken wijn. Bert kon het niets schelen, als hij maar wat dronk. Bert is weinig kieskeurig, ook op 't gebied van vrouwen. Als hij meer geld bij zich gehad had, was hij wellicht 's avonds, nadat hij Ella naar bed had gebracht, nog naar een of andere nachtgelegenheid gegaan. Hij houdt wel van haar, maar heeft, behalve het lichamelijke, toch niet zoo heel veel dieper contact met haar; hij heeft geen invloed op haar geest, waardoor ze nog eenigszins geborneerd orthodox gebleven is. Daartoe zou hij trouwens eerst zichzelf meer moeten opvoeden. Soms deed hij me aan een rijke parvenu denken, b.v. toen we op een terras op de Domplatz zaten, schreeuwde hij op bevelende toon: Ober, Ober. Toen ik hem er op opmerkzaam maakte, dat ‘Herr Ober’ nog iets netter was, vond hij dit onzin, en toen ik zei, dat de man zoo meteen wel langs zou komen en hij dus niet zoo'n drukte hoefde te maken, zei hij: ‘Ik betaal ervoor, dus wil ik ook op mijn wenken bediend worden!’ En dat voor iemand van even in de twintig! Zijn ongeluk is, dat hij te veel geld in handen heeft gehad. Hij is te zeer op zijn gemak gesteld, heeft daardoor een burgerlijke inslag in zijn wezen. Hij bezit een algemeen aesthetisch gevoel, maar dit blijft tamelijk passief door een weinig krachtige geest. Daardoor heeft hij ondanks de vele vellen druks nog geen enkel werk geschreven, waarin iets van persoonlijke waarde zit. Het gaat hem alles te gemakkelijk af, en vooral, hij neemt te gemakkelijk en zonder nadenken iets over. Zijn erotisch leven bezit maar een zwakke psychisch-geestelijke inslag; meestal ontbreekt deze, en wordt het louter en alleen bepaald door een lichamelijke praedispositie. Ella is nog naïf en weet van dit alles weinig of niets. 't Zou niet te verwonderen zijn als ze nog veel moeilijkheden ondervond in haar huwelijksleven, dat misschien wel op een teleurstelling uitloopt.*
Op de Vondeltentoonstelling was ze mijn gewillig gehoor betreffende een stof waar ik goed in zat, op de boot hield ik haar, toen ze wat bang was wegens het onweer, een beetje in m'n armen. Bert erkende zelfs mijn meerderheid in die rollen, door eens, in een gesprek over Glaeser's ‘Jahrgang 1902’ te zeggen: ‘Gerrit, nu moet jij haar maar eens de beteekenis van dat boek uitleggen’. In ieder geval vond ik het prettig, zittend bij een glas wijn aan de hooge Rijnoever, een lief meisje met eenige kracht van reden deze zaken uiteen te zetten. Zoo pleegde ik de meer verfijnde vormen van erotiek met haar, de grove liet ik aan hem over wanneer hij 's avonds of 's morgens even bij haar in bed kwam.
[* Teleurstelling: Gerrit Kamphuis kreeg gelijk. Na enkele jaren huwelijk scheidden Bert Bakker en Ella van Nood. Bert hertrouwde met de kunsthistorica Victorine Hefting (1905-1993), Ella met de kunstschilder Roeland Koning (1898-1985).]
donderdag 29 augustus 2019
woensdag 28 augustus 2019
Jozef van Walleghem • 29 augustus 1790
• Jozef van Walleghem (1757-1801), een Brugs handelaar in garen en linten die een winkel hield op de Eiermarkt, hield van 1787 tot 1800 een journaal bij, dat eind vorige eeuw door het Stadsarchief van Brugge gepubliceerd is. Zijn dagboeken gaan over de cruciale periode van de Franse Tijd te Brugge.
(29 augusti 1790)
Op den 29 augusti stierf joffrouw de weduwe Liebaert, wonende langs de Lange Reije, zeer subitelijk; want dees joffrouw 's morgens meijnende naer de kerk te gaen en tot dies reets gekleet zijnde om uijt te gaen, viel op 't onvoorsiens neder, stervende in den tijdt van eenig minuten, zonder dat het nauwelijks iemant gewaer wiert en dus zonder eenige de minste geregten van Onse Moeder de Heijlige Kercke te konnen ontfangen ofte dat haer de minste tijdelijcke hulpe ofte bijstant konde toegebragt worden.
Heden is met de gewonelijcke ceremonie binnen de stadt Bergen in Henegauw geschiet de 647ste treckinge van de loterije van Genua; zijnde uijt het rad der fortune getrokken de nombers: 54, 20, 71, 30, 64.
(29 augusti 1790)
Op den 29 augusti stierf joffrouw de weduwe Liebaert, wonende langs de Lange Reije, zeer subitelijk; want dees joffrouw 's morgens meijnende naer de kerk te gaen en tot dies reets gekleet zijnde om uijt te gaen, viel op 't onvoorsiens neder, stervende in den tijdt van eenig minuten, zonder dat het nauwelijks iemant gewaer wiert en dus zonder eenige de minste geregten van Onse Moeder de Heijlige Kercke te konnen ontfangen ofte dat haer de minste tijdelijcke hulpe ofte bijstant konde toegebragt worden.
Heden is met de gewonelijcke ceremonie binnen de stadt Bergen in Henegauw geschiet de 647ste treckinge van de loterije van Genua; zijnde uijt het rad der fortune getrokken de nombers: 54, 20, 71, 30, 64.
zaterdag 24 augustus 2019
Adèle d’Osmond • 25 augustus 1815
• Adèle d’Osmond, Comtesse de Boigne (1781-1866) was een Franse aristocrate. Haar mémoires zijn in het Nederlands vertaald (door Willem Derks) als Verhalen van een tante. Memoires 1781-1830.
De soldaten die ze beschrijft waren de restanten van de troepen van Napoleon, nadat hij kort daarvoor definitief was verslagen in de Slag bij Waterloo.
25 augustus 1815
Op 25 augustus kwam ik in Lyon aan. […] De wegen boden een troostende aanblik voor een Frans hart, hoe bitter ook. Dat kwam door het magnifieke gedrag van onze ontslagen soldaten. In groepen van twaalf of vijftien man, in uniform, gesoigneerd als voor een parade, waren zij op weg naar hun huiselijke haard, droevig maar niet terneergeslagen, met een waardigheid die hun vroegere successen recht deed. Het Italië dat ik achter me had gelaten, werd sinds de mislukking van de campagne van Murat geteisterd door roversbendes. De eerste groep Franse soldaten die ik zag naderen, boezemde me, als ik me goed herinner, enige schrik in, maar zo gauw ik in hun nabijheid was voelde ik alleen nog maar sympathie. Zij leken dat zelf te beseffen. De voorsten van zo’n groep keken me indringend aan als om te bevroeden waartoe ik behoorde, maar de laatsten groetten me altijd. Ik denk niet dat er iets mooiers in de geschiedenis is dan het gedrag van het leger in het algemeen en van de soldaten persoonlijk in die tijd. Frankrijk kan er trots op zijn. Het is toch heel opmerkelijk dat toen meer dan honderdvijftigduizend soldaten van hun vaandels werden weggezonden en zonder meer het land in gestuurd, er geen enkel exces, geen enkele misdaad is geweest die hun kon worden toegerekend. De wegen bleven even veilig, de rust op de kastelen werd niet verstoord, en de steden en dorpen werden verrijkt met nuttige burgers, intelligente handwerkslieden, interessante chroniqueurs.
De soldaten die ze beschrijft waren de restanten van de troepen van Napoleon, nadat hij kort daarvoor definitief was verslagen in de Slag bij Waterloo.
25 augustus 1815
Op 25 augustus kwam ik in Lyon aan. […] De wegen boden een troostende aanblik voor een Frans hart, hoe bitter ook. Dat kwam door het magnifieke gedrag van onze ontslagen soldaten. In groepen van twaalf of vijftien man, in uniform, gesoigneerd als voor een parade, waren zij op weg naar hun huiselijke haard, droevig maar niet terneergeslagen, met een waardigheid die hun vroegere successen recht deed. Het Italië dat ik achter me had gelaten, werd sinds de mislukking van de campagne van Murat geteisterd door roversbendes. De eerste groep Franse soldaten die ik zag naderen, boezemde me, als ik me goed herinner, enige schrik in, maar zo gauw ik in hun nabijheid was voelde ik alleen nog maar sympathie. Zij leken dat zelf te beseffen. De voorsten van zo’n groep keken me indringend aan als om te bevroeden waartoe ik behoorde, maar de laatsten groetten me altijd. Ik denk niet dat er iets mooiers in de geschiedenis is dan het gedrag van het leger in het algemeen en van de soldaten persoonlijk in die tijd. Frankrijk kan er trots op zijn. Het is toch heel opmerkelijk dat toen meer dan honderdvijftigduizend soldaten van hun vaandels werden weggezonden en zonder meer het land in gestuurd, er geen enkel exces, geen enkele misdaad is geweest die hun kon worden toegerekend. De wegen bleven even veilig, de rust op de kastelen werd niet verstoord, en de steden en dorpen werden verrijkt met nuttige burgers, intelligente handwerkslieden, interessante chroniqueurs.
vrijdag 23 augustus 2019
I.S. Toergenjev • 24 augustus 1870
• Uit een brief van de Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883) aan Ivan P. Borisow. Uit: Brieven (vertaald door Tom Eekman).
Baden-Baden, 24 augustus 1870
Je zou nu al de door jou gewonnen fles van L.N. Tolstoj kunnen opeisen, beste Ivan Petrovitsj, want de laatste slagen, door de Pruisen toegebracht, hebben, naar het schijnt, de zaak in hoofdzaak beslist. Je moet je verbazen over de handigheid waarmee ze eerst de domme Bazaine in Metz vasthielden, hem toen de weg naar Verdun versperden, hem tenslotte flink klop gaven en hem weer op Metz terugwierpen, waar hij nu moet verhongeren of zich overgeven. De drie veldslagen (van 14, 16 en 18 augustus) hebben hun enorm veel slachtoffers gekost, maar het resultaat is dan ook grandioos. Er is niets dat het leger van de kroonprins nu belet naar Parijs door te stoten. Mac-Mahon Zal vast het kamp van Chalon verlaten. De definitieve afloop van de oorlog is nog niet te voorzien, maar alle kansen zijn aan de kant van de Duitsers.
Ik begrijp heel goed waarom Tolstoj aan Franse zijde staat. Hij heeft wel een hekel aan de Franse holle frasen, maar nog meer aan al wat berekenend en systematisch en wetenschappelijk is, kortom, aan de Duitsers. Zijn hele laatste roman is gebouwd op die vijandschap jegens verstand, kennis en bewustzijn. En daar verslaan me de geleerde Duitsers opeens de leeghoofdige Fransen!! [...]
Wat mij betreft, in de simpelheid mijns harten ben ik blij om de Franse nederlaag, want daarmee wordt ook een dodelijke slag toegebracht aan het Napoleontische keizerrijk, waarvan het bestaan onverenigbaar is met de omtplooiing van de vrijheid in Europa.
Baden-Baden, 24 augustus 1870
Je zou nu al de door jou gewonnen fles van L.N. Tolstoj kunnen opeisen, beste Ivan Petrovitsj, want de laatste slagen, door de Pruisen toegebracht, hebben, naar het schijnt, de zaak in hoofdzaak beslist. Je moet je verbazen over de handigheid waarmee ze eerst de domme Bazaine in Metz vasthielden, hem toen de weg naar Verdun versperden, hem tenslotte flink klop gaven en hem weer op Metz terugwierpen, waar hij nu moet verhongeren of zich overgeven. De drie veldslagen (van 14, 16 en 18 augustus) hebben hun enorm veel slachtoffers gekost, maar het resultaat is dan ook grandioos. Er is niets dat het leger van de kroonprins nu belet naar Parijs door te stoten. Mac-Mahon Zal vast het kamp van Chalon verlaten. De definitieve afloop van de oorlog is nog niet te voorzien, maar alle kansen zijn aan de kant van de Duitsers.
Ik begrijp heel goed waarom Tolstoj aan Franse zijde staat. Hij heeft wel een hekel aan de Franse holle frasen, maar nog meer aan al wat berekenend en systematisch en wetenschappelijk is, kortom, aan de Duitsers. Zijn hele laatste roman is gebouwd op die vijandschap jegens verstand, kennis en bewustzijn. En daar verslaan me de geleerde Duitsers opeens de leeghoofdige Fransen!! [...]
Wat mij betreft, in de simpelheid mijns harten ben ik blij om de Franse nederlaag, want daarmee wordt ook een dodelijke slag toegebracht aan het Napoleontische keizerrijk, waarvan het bestaan onverenigbaar is met de omtplooiing van de vrijheid in Europa.
woensdag 21 augustus 2019
Jan Maartensz Groen • 23 augustus 1783
• Jan Maartensz Groen (?-?) beschreef in Dagverhaal der Rampen en Wederwaardigheden van het Volk van het Schip De Jonge Alida (1783) de belevenissen en ontberingen die hij en zijn mede-opvarenden meemaakten toen hun schip nabij IJsland met tegen- en rampspoed te kampen kreeg.
Den 23sten, tegen den morgen, moesten wy volhouden voor een baan ys van twee mylen lang. Beneden deze baan gekomen zynde, kreegen wy de wind veel noordelyker, zo dat wy nu maar west noordwest konden zeilen, hoe zeer wy het anders gewenscht hadden. Daarenboven was het ys, waardoor wy liepen, zo ontzaglyk dik, dat het gezigt daarvan en van het gevaar, dat het dreigde, elks hart beklemde, en aan niemand onzer, hoe zeer wy anderszins ook afgemat waren, den lust tot eeten of slaapen overliet. Ondertusschen, wel verre van te verminderen, vermeerderde onze benaauwdheid van oogenblik tot oogenblik. Tegen den middag was het: daar legt het Land! Doch wy kenden het geen van allen. Kees Struis en wy evenwel wilden met ons beiden beproeven, of wy eene baai of haven konde krygen, en alzo ons leven redden: want het waaken, het tobben door het ys, en de geduurige vrees van elk oogenblik vernield te zullen worden, hadden ons zodanig afgemat, dat wy geheel buiten staat waren om langer met zo veele tegenspoeden te worstelen. Wy zetten het dan naar de wal toe. Wy diepten, en hadden 16, 15, 13 vademen water. Eindelyk was het: daar legt de grond! ach! steek, steek toch! Wy hadden toen, op zyn best, twee of drie vaêm. Dewyl het water vry helder was, konden wy den grond niet alleen gemaklyk zien, maar wy zagen tevens ook met angst en vrees den eenen kei wel één voet of twee boven den anderen uitsteeken. Wy hadden toen Kees Struis aan zee van ons, die het weer aan zee lag, terwyl wy ook weder gelukkig over staag kwamen, door Gods goedheid, die wy nu van achteren zien en met dankbaarheid erkennen, dat daarin ter onzer redding medewerkte. Want op dat tydstip waren wy zo verre af, van ons te verbeelden hier door gered te zyn, dat wy het veeleer beschouwden als slechts eene verlenging van onze jammeren, en een uitstel van den akeligsten dood, dien wy dachten niet te kunnen ontgaan. Wy wisten zelfs niet meer, werwaards wy het roer wenden zouden. De angst en verschrikking alleen scheenen ons te bestuuren. Deze joegen ons thans van de wal af: en deze zelfden waren het, die ons kort daaraan wederom daar na toe dreeven. Want ook in zee durfden wy niet blyven. Dáár was geen ander vooruitzicht, dan dat van welhaast door dezelve verbryzeld en ingeslokt te zullen worden. Van alle kanten waren wy daar door het ys bezet, dat des te vreeslyker en gevaarlyker werd, naar maate de nacht en de duisternis begonnen te naaken. Wy keerden derhalven tegen den avond, terwyl het nog dag was, terug naar de wal, die wy zo even ontvlucht waren. De ondieptens en de klippen, die wy daar hadden gezien, en wier yslykheid noch den angstvalligsten indruk op onzen geest maakten, deeden ons onze boot als het eenigste middel ter onzer redding beschouwen. Wy maakten dezelve dan met schreiende oogen gereed om, ingevalle ons Schip door het ys lek mocht worden, of tegen de klippen aan stukken stooten, dat wy ons elk oogenblik voorstelden te zullen gebeuren, met dezelve, noch zo lang mogelyk was, de uiterste woede des ongeluks en den dood te ontvlugten. De goede Voorzienigheid echter wilde, dat hier alles tegen onze vrees en verwachting uitviel. Wy hadden de boot tot dat einde, waartoe wy haar in gereedheid gebragt hadden, niet noodig. Wy liepen thans gelukkig voor eenen steilen en zeer hoogen berg, daar wy geene klippen vernamen, maar altoos 16 a 17 vaêm water hadden: zo dat wy eindelyk eens in de stilte kwamen, en onze boot mogten uitzetten, om met dezelve in de bogt, door de Yslanders Bolkbogt genoemd, te boegzeeren. Een Jol met Yslanders kwam ’er vervolgens van de wal af, om ons den goeden ankergrond aantewyzen. Elk, die zich de rampen en het veelvuldige gevaar, waaraan wy dus buiten alle hoop, ontrukt waren, slegts met eenige levendigheid kan voorstellen, kan gemakkelyk begrypen, met welk eene vuurige aandoening wy God voor deeze gelukkige en schielyke verandering van onzen toestand dankten. Het menschelyke hart gevoelt dan eerst recht het geluk van zynen staat, buiten dringende onheilen, wanneer het by ondervinding heeft leeren zien, aan hoe veele rampen de mensch onderworpen is. Wy waren nu, dacht ons, in een behoude haven; ons leven was gered; en onze Schepen zelfs scheenen wel bewaard te leggen, zo dat wy met dezelve, by gunstiger weêr, wederom hoopten te vertrekken, en gelukkig, na het uitstaan van zo veele gevaaren, naar het Vaderland terug te keeren.
Den 23sten, tegen den morgen, moesten wy volhouden voor een baan ys van twee mylen lang. Beneden deze baan gekomen zynde, kreegen wy de wind veel noordelyker, zo dat wy nu maar west noordwest konden zeilen, hoe zeer wy het anders gewenscht hadden. Daarenboven was het ys, waardoor wy liepen, zo ontzaglyk dik, dat het gezigt daarvan en van het gevaar, dat het dreigde, elks hart beklemde, en aan niemand onzer, hoe zeer wy anderszins ook afgemat waren, den lust tot eeten of slaapen overliet. Ondertusschen, wel verre van te verminderen, vermeerderde onze benaauwdheid van oogenblik tot oogenblik. Tegen den middag was het: daar legt het Land! Doch wy kenden het geen van allen. Kees Struis en wy evenwel wilden met ons beiden beproeven, of wy eene baai of haven konde krygen, en alzo ons leven redden: want het waaken, het tobben door het ys, en de geduurige vrees van elk oogenblik vernield te zullen worden, hadden ons zodanig afgemat, dat wy geheel buiten staat waren om langer met zo veele tegenspoeden te worstelen. Wy zetten het dan naar de wal toe. Wy diepten, en hadden 16, 15, 13 vademen water. Eindelyk was het: daar legt de grond! ach! steek, steek toch! Wy hadden toen, op zyn best, twee of drie vaêm. Dewyl het water vry helder was, konden wy den grond niet alleen gemaklyk zien, maar wy zagen tevens ook met angst en vrees den eenen kei wel één voet of twee boven den anderen uitsteeken. Wy hadden toen Kees Struis aan zee van ons, die het weer aan zee lag, terwyl wy ook weder gelukkig over staag kwamen, door Gods goedheid, die wy nu van achteren zien en met dankbaarheid erkennen, dat daarin ter onzer redding medewerkte. Want op dat tydstip waren wy zo verre af, van ons te verbeelden hier door gered te zyn, dat wy het veeleer beschouwden als slechts eene verlenging van onze jammeren, en een uitstel van den akeligsten dood, dien wy dachten niet te kunnen ontgaan. Wy wisten zelfs niet meer, werwaards wy het roer wenden zouden. De angst en verschrikking alleen scheenen ons te bestuuren. Deze joegen ons thans van de wal af: en deze zelfden waren het, die ons kort daaraan wederom daar na toe dreeven. Want ook in zee durfden wy niet blyven. Dáár was geen ander vooruitzicht, dan dat van welhaast door dezelve verbryzeld en ingeslokt te zullen worden. Van alle kanten waren wy daar door het ys bezet, dat des te vreeslyker en gevaarlyker werd, naar maate de nacht en de duisternis begonnen te naaken. Wy keerden derhalven tegen den avond, terwyl het nog dag was, terug naar de wal, die wy zo even ontvlucht waren. De ondieptens en de klippen, die wy daar hadden gezien, en wier yslykheid noch den angstvalligsten indruk op onzen geest maakten, deeden ons onze boot als het eenigste middel ter onzer redding beschouwen. Wy maakten dezelve dan met schreiende oogen gereed om, ingevalle ons Schip door het ys lek mocht worden, of tegen de klippen aan stukken stooten, dat wy ons elk oogenblik voorstelden te zullen gebeuren, met dezelve, noch zo lang mogelyk was, de uiterste woede des ongeluks en den dood te ontvlugten. De goede Voorzienigheid echter wilde, dat hier alles tegen onze vrees en verwachting uitviel. Wy hadden de boot tot dat einde, waartoe wy haar in gereedheid gebragt hadden, niet noodig. Wy liepen thans gelukkig voor eenen steilen en zeer hoogen berg, daar wy geene klippen vernamen, maar altoos 16 a 17 vaêm water hadden: zo dat wy eindelyk eens in de stilte kwamen, en onze boot mogten uitzetten, om met dezelve in de bogt, door de Yslanders Bolkbogt genoemd, te boegzeeren. Een Jol met Yslanders kwam ’er vervolgens van de wal af, om ons den goeden ankergrond aantewyzen. Elk, die zich de rampen en het veelvuldige gevaar, waaraan wy dus buiten alle hoop, ontrukt waren, slegts met eenige levendigheid kan voorstellen, kan gemakkelyk begrypen, met welk eene vuurige aandoening wy God voor deeze gelukkige en schielyke verandering van onzen toestand dankten. Het menschelyke hart gevoelt dan eerst recht het geluk van zynen staat, buiten dringende onheilen, wanneer het by ondervinding heeft leeren zien, aan hoe veele rampen de mensch onderworpen is. Wy waren nu, dacht ons, in een behoude haven; ons leven was gered; en onze Schepen zelfs scheenen wel bewaard te leggen, zo dat wy met dezelve, by gunstiger weêr, wederom hoopten te vertrekken, en gelukkig, na het uitstaan van zo veele gevaaren, naar het Vaderland terug te keeren.
Jacq Firmin Vogelaar • 22 augustus 1981
• Jacq Firmin Vogelaar (1944-2013) was een Nederlandse schrijver. Uit: Oefeningen
in het dagboekschrijven (augustus '81, tweede keus).
22/8. Zaterdag
+ En dan ben je 36 en nog nooit van je leven is de vraag bij je opgekomen of de peren van een jong boompje kleiner zijn dan die van een volgroeide boom.
+ Zou hij besluiten om zoveel mogelik observaties vast te leggen, dan is het alsof het doek opgaat voor een toneel dat zich anders, ongezien, achter de schermen afspeelt. Een mer à boire.
+ In dit verband (de poging tot afstand als program voor een bepaalde schrijfoperatie) de moeilikheid (of mijn onvermogen) om rechtstreeks op aktualiteiten in te gaan (en evengoed de remming om eigen belevenissen te behandelen). Mijn eerste reaksie: wat heb ik daarop te zeggen wat anderen al niet zeggen. En standpunten, er is niets zo onproduktief als een standpunt.
Voor het brandend aktuele heb ik alleen maar de beschikking over de klisjees van de dag.
+ Een geleend dagboek. Voor alles is er wel een vervangend sitaat voorhanden. Ongetwijfeld zou menigeen een dergelik plakboek hyperpersoonlik en opdringerig konfidentieel vinden.
+ Er wordt weer eens een historiese gebeurtenis aangekondigd. Sommige mensen moet je ervan verdenken dat ze aldoor bezig zijn met herinneringen opdoen.
+ Heeft er ooit iemand het dagboek van zijn lichaam gehouden? Alles opschrijven wat je ervan weet. Niet als medies onderwerp. Iets in die geest heb ik een paar jaar lang gedaan. Omdat ik - dankzij een overijverige verdringing - vaak de volgende dag al niet meer wist te vertellen hoeveel pijn ik had gehad en in wat voor kurves en kombinaties (alsof het dromen waren die me ontglipten), en omdat ik de neiging had tegenover de dokter de toestand dus maar te bagatelliseren, hield ik dageliks een grafiek bij. Eén van de dingen die ik konstateerde was dat er vaak geen enkele korrespondentie bestond tussen de hevigheid van de pijn en wat ik schreef (en zelfs niet óf ik schreef). Maar in die registratie was mijn lichaam slechts een beeldscherm. (Ook bedoel ik niet ‘de taal van het lichaam’, als daarmee een symbolentaal bedoeld wordt die toch weer naar iets anders verwijst.)
Het is toch belachelik dat ik wekenlang dit schrift volpen zonder zelfs maar te vermelden dat ik nauweliks kan zitten van de pijn.
[lees verder]
22/8. Zaterdag
+ En dan ben je 36 en nog nooit van je leven is de vraag bij je opgekomen of de peren van een jong boompje kleiner zijn dan die van een volgroeide boom.
+ Zou hij besluiten om zoveel mogelik observaties vast te leggen, dan is het alsof het doek opgaat voor een toneel dat zich anders, ongezien, achter de schermen afspeelt. Een mer à boire.
+ In dit verband (de poging tot afstand als program voor een bepaalde schrijfoperatie) de moeilikheid (of mijn onvermogen) om rechtstreeks op aktualiteiten in te gaan (en evengoed de remming om eigen belevenissen te behandelen). Mijn eerste reaksie: wat heb ik daarop te zeggen wat anderen al niet zeggen. En standpunten, er is niets zo onproduktief als een standpunt.
Voor het brandend aktuele heb ik alleen maar de beschikking over de klisjees van de dag.
+ Een geleend dagboek. Voor alles is er wel een vervangend sitaat voorhanden. Ongetwijfeld zou menigeen een dergelik plakboek hyperpersoonlik en opdringerig konfidentieel vinden.
+ Er wordt weer eens een historiese gebeurtenis aangekondigd. Sommige mensen moet je ervan verdenken dat ze aldoor bezig zijn met herinneringen opdoen.
+ Heeft er ooit iemand het dagboek van zijn lichaam gehouden? Alles opschrijven wat je ervan weet. Niet als medies onderwerp. Iets in die geest heb ik een paar jaar lang gedaan. Omdat ik - dankzij een overijverige verdringing - vaak de volgende dag al niet meer wist te vertellen hoeveel pijn ik had gehad en in wat voor kurves en kombinaties (alsof het dromen waren die me ontglipten), en omdat ik de neiging had tegenover de dokter de toestand dus maar te bagatelliseren, hield ik dageliks een grafiek bij. Eén van de dingen die ik konstateerde was dat er vaak geen enkele korrespondentie bestond tussen de hevigheid van de pijn en wat ik schreef (en zelfs niet óf ik schreef). Maar in die registratie was mijn lichaam slechts een beeldscherm. (Ook bedoel ik niet ‘de taal van het lichaam’, als daarmee een symbolentaal bedoeld wordt die toch weer naar iets anders verwijst.)
Het is toch belachelik dat ik wekenlang dit schrift volpen zonder zelfs maar te vermelden dat ik nauweliks kan zitten van de pijn.
[lees verder]
dinsdag 20 augustus 2019
Frederik van Eeden • 21 augustus 1898
• De Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), hield naast een uitgebreid dagboek ook een dromenboek bij.
21 augustus 1898
Eergister nacht een zeer kort moment van verbazende helderheid. Ik voelde me zoo wakker en bewust als nu, en ik keek rond in eenige kamers [die ik me evenwel slecht herinner] ik keek naar v.H. maar zag niemand. En ik voelde mij zelf alleen als een hoofd, mijn oogen wijd open en mijn mond zenuwachtig trekkend op eigenaardige wijze. En ik dacht er om dit goed te herinneren.
Vreemd is dan dat het mij bij 't wakker worden toch altijd nog eenigszins verbaast en minder werkelijk [verwant aan 't dagbesef] lijkt dan in den droom. In den droom denk ik dat mijn mond werkelijk zoo trekt, maar word ik wakker dan begrijp ik dat ik stil gelegen heb.
Dit is uiterst gewichtig, dunkt me. Het schijnt te beteekenen dat we een droomlichaam hebben en een waak-lichaam, die allebei besef houden van wat er mee gebeurd is.
Want mijn waak-lichaam voelt dat het stil-gelegen heeft, in denzelfden tijd dat ik mij van beweging bewust was.
Het observeerend Ik is in 't droomhuis geweest en komt terug in 't waakhuis en bemerkt dat daar alles rustig bleef.
23 augustus 1898
Weer een helder moment in den droom. Ik dacht met satisfactie: ‘A! daar hebben we 't weer!’ Wat ik zag, herinner ik me niet - Nu herinner ik me dat de helderheid ontstond door het mij laten vallen van een hooge rots, eerst bang en duizelig, toen denken: 't hindert toch niet. En heerlijk vrij in de lucht zweven. Toen naar mezelf kijken, denkend: ik wou opletten hoe ik er uit zie. Ik zag mijn kleeren niet duidelijk maar wel mijn handen, die vuil waren. Later vertelde ik in mijn droom deze observatie aan anderen. En ik zei: ‘Kijk, in mijn droom zag ik dat mijn handen vuil waren, met bepaalde vlekken, en nu zijn ze ook precies zoo vuil’. [Het leken harsvlekken als door 't werken met dennen hout, zooals ik veel doe. Inderdaad waren mijn handen schoon.]
Eigenaardig was de vrees, gedurende de heldere zelf-observatie, dat ik door te veel inspanning wakker zou worden. Het leek alsof ik vlak bij 't waken was Toen ik mijn kleeren trachtte te bekijken dacht ik: daar ga ik! ik word wakker. Maar nu lijkt het of ik er toen heel ver van af was.
21 augustus 1898
Eergister nacht een zeer kort moment van verbazende helderheid. Ik voelde me zoo wakker en bewust als nu, en ik keek rond in eenige kamers [die ik me evenwel slecht herinner] ik keek naar v.H. maar zag niemand. En ik voelde mij zelf alleen als een hoofd, mijn oogen wijd open en mijn mond zenuwachtig trekkend op eigenaardige wijze. En ik dacht er om dit goed te herinneren.
Vreemd is dan dat het mij bij 't wakker worden toch altijd nog eenigszins verbaast en minder werkelijk [verwant aan 't dagbesef] lijkt dan in den droom. In den droom denk ik dat mijn mond werkelijk zoo trekt, maar word ik wakker dan begrijp ik dat ik stil gelegen heb.
Dit is uiterst gewichtig, dunkt me. Het schijnt te beteekenen dat we een droomlichaam hebben en een waak-lichaam, die allebei besef houden van wat er mee gebeurd is.
Want mijn waak-lichaam voelt dat het stil-gelegen heeft, in denzelfden tijd dat ik mij van beweging bewust was.
Het observeerend Ik is in 't droomhuis geweest en komt terug in 't waakhuis en bemerkt dat daar alles rustig bleef.
23 augustus 1898
Weer een helder moment in den droom. Ik dacht met satisfactie: ‘A! daar hebben we 't weer!’ Wat ik zag, herinner ik me niet - Nu herinner ik me dat de helderheid ontstond door het mij laten vallen van een hooge rots, eerst bang en duizelig, toen denken: 't hindert toch niet. En heerlijk vrij in de lucht zweven. Toen naar mezelf kijken, denkend: ik wou opletten hoe ik er uit zie. Ik zag mijn kleeren niet duidelijk maar wel mijn handen, die vuil waren. Later vertelde ik in mijn droom deze observatie aan anderen. En ik zei: ‘Kijk, in mijn droom zag ik dat mijn handen vuil waren, met bepaalde vlekken, en nu zijn ze ook precies zoo vuil’. [Het leken harsvlekken als door 't werken met dennen hout, zooals ik veel doe. Inderdaad waren mijn handen schoon.]
Eigenaardig was de vrees, gedurende de heldere zelf-observatie, dat ik door te veel inspanning wakker zou worden. Het leek alsof ik vlak bij 't waken was Toen ik mijn kleeren trachtte te bekijken dacht ik: daar ga ik! ik word wakker. Maar nu lijkt het of ik er toen heel ver van af was.
Abonneren op:
Posts (Atom)







