zondag 31 maart 2019

Friedrich Hebbel • 1 april 1859

• Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

1 april [1859]
Vanavond wandelde ik in de schemering langs het Israëlitische doofstommeninstituut en zag hoe er een schare spelende kinderen voor het raam stond die gebruik makend van de gebarentaal elkaar fopten of grapjes vertelden.
Ouders die hun tweede kind niet mogen verwekken omdat hun eerste dan zou sterven.

De boer voelt niet dat de hersens van Shakespeare hem ontbreken, maar Shakespeare wel dat hij het ruggemerg van de boer mist.

Een groot aantal boeken lees je met het gevoel alsof je de auteur een aalmoes toestopt.

De jongeling eist van de dag dat hij iets oplevert, de man is allang tevreden als hij hem maar niets afpakt.

De ellestok houdt precies het midden tussen een scepter en de bedelstaf. Dat wil zeggen: voor een kramer.

Ideeën hebben in het drama dezelfde functie als het contrapunt in de muziek: op zichzelf betekenen ze niets, maar toch vormen ze een eerste voorwaarde voor het geheel.

zaterdag 30 maart 2019

Nico Rost • 31 maart 1945

• Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

30 Maart
In het bed, waarin Bernard een paar dagen geleden stierf, ligt sinds gisteren een oude Spanjaard met grijs haar. Niemand kent hem, niemand weet iets naders van hem.
Ali, de Poolsche chirurg heeft gisteren zijn rechterbeen geamputeerd.
Den heelen nacht hoorde ik hem kermen en roepen: Madré - madré - madré, en moest daarbij weer aan een nacht in Madrid denken, toen de Duitschers de stad bombardeerden, en de gewonden in het ziekenhuis, vlak naast mijn hotel, ook zoo om hun moeder riepen: Madré - madré - madré.

31 Maart
Had vanmiddag 38,6.
Krijg ik nu toch vlektyphus?
Ik heb geen luizen bij me gevonden, en me vandaag weer driemaal gepoederd.

's Avonds
Bij Drost geweest. Het kan vlektyphus zijn, meent hij, maar kon nog niets met zekerheid zeggen.
Als - als ik het heb, kom ik op blok 3 te liggen, bij Arthur, en Drost zal me dan dadelijk reconvalescenten-serum geven.
Ik wil - wanneer het zoover is - rustig en bewust de koorts afwachten, en steeds de gedachten aan doodgaan weren.
Ik wil de overwinning meemaken, verder leven - en verder vechten.

A.H. Wertheim-Gijse Weenink • 30 maart 1945

• A.H. Wertheim-Gijse Weenink (1903-1988). De Jodenhan. Lotgevallen van de Joden op Java onder de Japanse bezetting, 1942-1945.

25 Maart 1945
Eerst kilometers lopen met alle draagbare bagage naar het station, en dan weer de godganse dag in die snikhete trein. Gelukkig zijn in onze wagon (4de klas, twee lange banken overlangs) een paar luiken stuk, dus we kunnen uitkijken. We rijden zowaar langs het Tjidengkamp, zien de vrouwen en kinderen in de verte. Met donker pas in Batavia. Op open vrachtauto's over de zo bekende wegen. Even iets van de vrijheid gezien. - Aankomst in Adek, een koelieloods. Bij de ingang langdurige inspektie van de tassen. Hugo diepongelukkig, dat ze zijn nijptang inpikken. - Wie komen ons daar in Adek weer tegemoet? Waarachtig weer oude bekenden uit Kramat. Die hebben intussen ook alweer een ander kamp meegemaakt. Enkele dagen na ons vertrek naar Tangerang zijn ook zij afgevoerd. Ons wordt in Han III - de Jodenhan - een stukje plankier toegewezen. In Han IV zitten grotendeels Irakkers en ook ‘gewone’ Joden. Han III en IV zijn dus de Jodenhans. Onze leefruimte is hier veel kleiner, maar 50 cm per persoon en dan in een hoek. Gesjouw met koffers en bultzakken. Een ongelooflijk gescharrel in ons hoekje.

30 Maart 1945
't Is hier niet zo somber als in Tangerang; geen bovenverdieping vlak boven ons hoofd, maar wel veel heter en benauwder. Het is een kleine zaal met maar 45 mensen. Weer allemaal anderen. Ik mis tante Stien met haar scherpe oogjes en rake opmerkingen.

April 1945
De scheiding tussen de Joodse en niet-Joodse hans is hier effectiever.

4 April 1945
Gerucht: de niet-Joden zullen weggaan, de Joden blijven. - De honger wordt nijpend; practisch iedereen heeft oedeem of pellagra-vlekken.

15 April 1945
We vervuilen totaal, want er is telkens geen water om te wassen. De renteng is onbeschrijfelijk smerig. De douches lopen niet. Mijn dikke enkels en benen doen me pijn met lopen. Maar dat heeft iedereen, en je moet toch corvee doen natuurlijk, anders vervuilen we helemaal. Dr. Damen gevraagd, wat het is. Hij antwoordt woordelijk: ‘Het is een medisch wonder, dat jullie nog leven op 700 calorieën, en dan met al dat werk. Natuurlijk treden deficienties op, dat kan niet anders. U moet zo langzaam mogelijk werken; uw levenstempo is te snel.’

donderdag 28 maart 2019

John Gabriël Stedman • 29 maart 1776

• John Gabriël Stedamn (1744-1797) was een Schots-Nederlandse officier in de Schotse Brigade van het Nederlandse leger. Hij hielp bij het onderdrukken van een slavenopstand in Suriname. Hij werd verliefd op een slavin, en probeerde haar vrij te kopen. Over zijn ervaringen schreef hij het invloedrijke boek Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana. Hierin bekommerde hij zich openlijk om de rechten van de tot slaafgemaakten, met name om de vraag of zij als mens behandeld moesten worden.

De 26ste voorkwam ik dat een arme negerin tweehonderd zweepslagen zou krijgen voor het breken van porseleinen theegoed door haar eigenaar de schade hiervan te vergoeden. Diezelfde dag werd een andere negerin doodgestoken door een Fransman die daar zoveel berouw over kreeg dat hij zichzelf de keel doorsneed. Ik bezocht ook nog de arme neger van wie een been was afgezet en maakte me toen gereed om voor de tweede keer het bevel te gaan voeren op De Hoop aan de Commewijnerivier tijdens wat mijn zesde expeditie zou worden. Terwijl ik met de voorbereidingen hiervoor bezig was, meldden zich zes negerslaven met geschenken bij mij, gestuurd door mijn vrienden en bepakt met het beste wat Guyana voortbrengt.

27 maart 1776. Adieu Paramaribo. Voor de zoveelste keer verliet ik Paramaribo, mijn Joanna en mijn jongen! Vlak voordat ik vertrok was ik bij mijnheer d'Hallberg, die ons probeerde over te halen om nog een paar dagen te blijven om zijn zilveren bruiloft te vieren. Toen hij dat vroeg werd hij overigens opeens heftig gebeten door een grote leguaan. We konden helaas niet blijven en gingen met een tentboot op weg naar De Hoop. In de avond kwamen we aan bij plantage Sporksgift in Matapica. Kapitein MacNeyl ontving ons daar twee dagen zeer gastvrij. Ik sliep in mijn hangmat in een loods met groene koffiebonen die er lagen te drogen. Toen ik ging slapen wist ik nog niet dat dat zeer kwalijk voor de gezondheid kon zijn, maar toen ik wakker werd wist ik dat wel, want ik viel bijna flauw van de dampen die van de bonen afkwamen.

De 29ste kwamen we in de avond aan op plantage Gold-mine. Ik zag hier een negerjongen en een negermeisje die zodanig met hun armen achter hun rug gebonden aan een balk waren gehangen dat hun schouders half uit de kom hingen. Ik sneed ze direct los en zwoer de opzichter die deze nieuwe martelmethode had bedacht te molesteren als hij ze niet meteen vergaf voor wat ze hadden gedaan. Dat deed hij tot mijn verwondering direct.

zondag 24 maart 2019

Koos van Zomeren • 24 maart 2004

• Een moord met feodale trekjes en het Waaldorp Herwijnen, het dorp van zijn jeugd, staan centraal in Nog in morgens gemeten, een dagboek over het jaar 2004 van schrijver Koos van Zomeren (1946).

24 maart 2004 Op zondagmorgen verzamelden mannen die niet naar de kerk hoefden, zich bij de Peilschaal, dat zachtgeel gesausde en door een palissade omgeven gebouwtje waar de waterhoogten elke ochtend werden afgelezen door "Willemke Kruis, de machinist van het Herwijnse dieselgemaal. Dan zetten ze hun pet nog eens goed. Dan staken ze hun handen diep in bun zakken en dan kauwden ze nog eens wat op hun tabakspruim en dan bespraken ze wat ze elke: week bespraken. En als er toevallig iets of iemand over de dijk voorbijkwam, wel, dan zeiden ze daar wat van. Je kunt niet zeggen dat deze mannen gelukkig waren. Je kunt evenmin zeggen dat ze niet gelukkig waren.
In Het visconcert schrijft Halldór Laxness ergens: ‘Ik-kan zweren dat ik in mijn jeugd nooit het woord “geluk” heb gehoord, behalve uit de mond van een krankzinnige vrouw.’
Dat was op IJsland. Dat had net zo goed op Herwijnen kunnen zijn. Geluk was er gewoon geen categorie, niet in het spreken en niet in het denken. Tante zei weleens, of vaak eigenlijk, dat ze het goed hadden. Ze hadden elektriciteit gekregen, ze hadden waterleiding gekregen en ze hadden een ouderdomspensioen gekregen – ja, nu zou je zeggen dat het slechts een kwestie van tijd was of ook het geluk zou, waar dan ook vandaan, Herwijnen bereiken. Maar voorlopig behielpen ze zich hiermee: we hebben het goed.

Catharina Schrader • 23 maart 1701

• Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.

1701 den 23 dito ben gehalt bij Liwe backer sin wiff Hicke. War Sackie bij har. Vondt het kyndt legen met sijn buckie [buik] vor de geborte, met beyde hanties [handjes] uyt de geborte. Lag ser ingedronge. Hade grotte muytte eer ick de votties [voetjes] kreg. Strickt dar een band om don ick har op het hofft haede. Sette har don wer op har platz, hallde don de votties nae mij, don gleden de hantties vanselfs weg. Mar don ick qwam war het kynt all dodt. De naegebortte sat ook vast. Het war een ser sware gebortte. Godt beware mij vor sullcke schrickliche vorvallen.

1701 den 20 april is hyr een jufferauw van Gullick Staedt gekomen, segende datze de seckretaris van de koninck van Denemarken sijn vrauw war. Hebe har een son gehalt. Ick hebe het ten dop gehauwden en is Jackop geheten.

donderdag 21 maart 2019

Beatrice de Graaf • 22 maart 2013

• Beatrice de Graaf (1976) is hoogleraar geschiedenis. In 2013 hield ze voor De jonge akademie een weekdagboek bij. Op 22 maart hield ze haar oratie.

Vrijdag
Het uur u is aangebroken. Kind 1 naar school, kind 2 alvast gemasseerd dat ze vanavond een filmpje mag kijken en een pizza met de oppas mag bestellen (‘die komt op een scooter!’), om de pijn weg te nemen dat de oudste zus wel mag naar de oratie. De baby wordt nog even uitgebreid gevoed en geknuffeld, want die zie ik verder vandaag ook niet meer.
De toga en de baret hangen klaar, een extra panty in mijn tas, nog even naar de stad fietsen om cadeaus voor mijn onmisbare assistentes en ceremoniemeester, alsmede voor de pedel te kopen, en dan ben ik er klaar voor. Mijn hoogzwangere vriendin uit Brussel is gearriveerd, zij zal samen met een andere, even hoogzwangere vriendin, vanavond een stukje muziek spelen tijdens het diner. Ik heb voor vriendin 1 de Frans-Nederlandse bruiloft in Brussel mogen begeleiden als ceremoniemeester, voor vriendin 2 heb ik haar bruiloft met een fagot luister bij gezet, dus we houden elkaar fijn bezig. Ze hebben precies hetzelfde zwangerschapsjurkje aan, met eendere, prachtige, buik, dus het is net alsof ze altijd zo optreden.

In Leiden is het ijs- en ijskoud. En met de zenuwen erbij doe ik niets anders dan klappertanden. Gelukkig mogen we ons in een zijkamertje voorbereiden op het Grote Moment. Mijn ouders komen erbij, dochter 1 is helemaal opgewonden en ligt in een deuk omdat mama erbij loopt als de dominee. Als ik nog even mijn handen ga wassen staat het academiegebouw al vol met mensen, inclusief onze echte dominee. Mijn assistenten hebben een lijst met foto’s van prominenten die op de voorste rij moeten worden gezet, en een lijstje met personen die er niet in mogen, omdat ze bij ons centrum als stalkers bekend staan. Ik moet het van me af zetten, maar eventjes maak ik me nog zorgen of de lijsten niet per ongeluk verwisseld worden en het hoofd van de veiligheidsdienst naast onze stalker-van-dienst komt te zitten. Maar het valt mee. De nationale coördinator terrorisme-en veiligheid zit aan de ene kant naast de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, en aan de andere kant naast mijn tante Tineke.

Om vier uur word ik opgehaald door mijn directeur, Edwin Bakker en collega hoogleraar Jaap de Hoop Scheffer. Het is wel een erg aardig gebruik in Leiden dat de kersverse hoogleraar eerst wordt toegesproken door de rector, in aanwezigheid van het cortège, voordat de oratie in de aula begint. Dat breekt het ijs en geeft een persoonlijke noot. Maar de zenuwen zijn niet meer in te tomen, ik moet mijn best doen om niet te gaan klappertanden. De nieuwe rector, Carel Stolker, heeft een heel mooi, gedetailleerd verhaal. En dan is het zover. We lopen onder orgelbegeleiding met de hele stoet hoogleraren en wat naaste collega’s de aula in, en ik neem plaats op het spreekgestoelte. Wat een ervaring, om zoveel mensen te zien zitten die ik allemaal ken, en die allemaal zijn gekomen om te luisteren naar mijn verhaal. Ik moet me goed vasthouden om niet duizelig te worden. Maar een paar gezichten springen eruit en lachen me toe. En dochterlief op de eerste rij laat haar hele rol snoepjes vallen en kijkt schuldbewust omhoog. Nu begint het. Het wetenschappelijke verhaal over herkenning en registratie van personen van de vroegmoderne tijd tot het heden eindigt met een persoonlijke noot over de subjectieve betekenis van namen en naamgeving (in tegenstelling tot de objectiverende, veiligheidstechnische). Ik eindig met een gedicht van Neeltje Maria Min dat uitdrukt waar het echt om gaat, op deze dag, in het leven:
Mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.
Voor de hele oratie zie: https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/20648/Oratie%20de%20Graaf%20B.pdf?sequence=2
En dan is het alweer gebeurd: “Ik heb gezegd”. De lezing ging als een roes voorbij, het handen schudden ook. Drie uur later kan ik nauwelijks meer op mijn nieuwe hakken staan. Alles ging goed. De Griekse jazzband zorgde voor sfeer, de stalkers zijn niet op komen dagen, mijn dochter vond het geweldig en is inmiddels met de buren mee naar huis. Alle vrienden en familie waren er, en ook de collega’s hebben zich volgens mij goed vermaakt.

Voor het diner gaan we met een grote groep naar het Prentenkabinet. Ook daar pakt de tafelschikking goed uit en wordt het een gezellig geroezemoes. Greetje en Agnes spelen de sterren van de hemel. De toespraakjes zijn kort en krachtig, de vice-rector Simone Buitendijk houdt een vlammend pleidooi voor minder ‘middelbare blanke mannen’ en meer vrouwen in de wetenschap. Hear, hear. De speech van manlief is de allerleukste. Ik kan het met niet eens meer goed allemaal herinneren, daarvoor moet ik eerst de foto’s nog eens terugzien van de dag. Maar aan elke tafel zitten er leuke mensen en worden er geanimeerde gesprekken gevoerd, over BMW’s, terroristen, baby’s, Duitsland of mensenrechten. Bij iedereen zou ik wel even aan willen schuiven. We eindigen na het diner nog in een barretje, ergens aan het Rapenburg, met de jongere garde collega’s. Ceremoniemeester Liesbeth is terecht apetrots. Wat een prestatie heeft ze afgeleverd, er is niets, maar dan ook helemaal niets verkeerd gegaan, en alles liep gesmeerd. Om twee uur zijn we thuis, waar we nog net wat uurtjes slaap kunnen pakken voordat de baby om 6:15 zijn aandacht weer zal opvragen. Opgelucht en vooral innig dankbaar vallen we in slaap.