• Fragment uit een brief van de jonge Friedrich Nietszsche (1844-1900) aan ene Malwida von Meysenbug. Uit: Afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Een selectie uit de brieven 1858-1879 (vertaald door Hans Driessen).
Bazel, eind februari 1873
Over uw filologisch-pedagogische vraag [of het aanbeveling verdient kinderen tweetalig op te voeden] heb ik vaak nagedacht: een algemene oplossing lijkt mij niet goed mogelijk. Het komt er ten zeerste op aan om welke moedertaal het gaat. Helaas ontbreekt het mij in grote mate aan ervaring, maar ik kan me voorstellen dat het voor een Duits kind een ware zegen zou zijn eerst in een werkelijk strenge cultuurtaal, Frans of Latijn, opgevoed te worden, zodat zich een krachtig stijlgevoel kan ontwikkelen, dat naderhand ook de later geleerde, enigszins barbaarse moedertaal ten goede zou komen. Daarentegen was het bij de Grieken en is het bij de Fransen uiteraard nutteloos een tweede taal, welke dan ook, te leren; zulke volken, die in zo hoge mate een eigen stijlgevoel bezitten, kunnen tevreden zijn met hun eigen taal. Alle andere moeten leren en blijven leren. (Ik heb het hier natuurlijk niet over de waarde die het leren van een vreemde taal voor de kennis van vreemde literaturen en wetenschappen heeft, maar alleen over taal- en stijlgevoel.) Waarom schrijft Schopenhauer zo voortreffelijk? Omdat hij een groot deel van zijn jeugd vrijwel alleen Frans of Engels of Spaans heeft gesproken. Bovendien heeft hij, naar eigen zeggen, met dit doel voor ogen buitengewoon intensief Seneca bestudeerd en geïmiteerd. Maar hoe een Duitser door alleen Duits te lezen, of zelfs door in het Duits te converseren, zich een stijl eigen kan maken, begrijp ik niet.
woensdag 27 februari 2019
dinsdag 26 februari 2019
Pem Sluiter -- 27 februari 2006
• Pem Sluijter (1939-2007) was journaliste en dichteres. Uit: Waadpoots waarnemingen (2008).
27 02 2006
Twee uitspraken bleven mij bij uit het gesprek (21-2) met Afshin Ellian in Het elfde uur, dat Andries Knevel voerde. Het beschaafde Westen moet zijn beschaving niet in de uitverkoop doen door concessies en: Het nihilisme heeft onze westerse cultuur in zijn greep. Ellian ken ik als columnist uit mijn avondkrant. En ik heb hem een keer zien optreden in een klein theatertje, waarin hij summier uitgelicht achter een katheder stond. Het ging toen over een boek van Salman Rushdie. De duivelsverzen, meen ik. Hij had iemand bij zich om voor te lezen uit het boek. En die mevrouw deed dat goed. Wat Ellian naar aanleiding van het boek te zeggen had weet ik niet meer precies. Alleen dat ik dacht hoe vermoeiend het is om de Verlichting opnieuw te moeten doen. Het lijkt of nieuwe landgenoten die aan een onvrij leven zijn ontsnapt de Verlichting als een panacee gebruiken om alle euvelen bij ons en die van de onvrije wereld te bedwingen en in het gareel te krijgen.
27 02 2006
Twee uitspraken bleven mij bij uit het gesprek (21-2) met Afshin Ellian in Het elfde uur, dat Andries Knevel voerde. Het beschaafde Westen moet zijn beschaving niet in de uitverkoop doen door concessies en: Het nihilisme heeft onze westerse cultuur in zijn greep. Ellian ken ik als columnist uit mijn avondkrant. En ik heb hem een keer zien optreden in een klein theatertje, waarin hij summier uitgelicht achter een katheder stond. Het ging toen over een boek van Salman Rushdie. De duivelsverzen, meen ik. Hij had iemand bij zich om voor te lezen uit het boek. En die mevrouw deed dat goed. Wat Ellian naar aanleiding van het boek te zeggen had weet ik niet meer precies. Alleen dat ik dacht hoe vermoeiend het is om de Verlichting opnieuw te moeten doen. Het lijkt of nieuwe landgenoten die aan een onvrij leven zijn ontsnapt de Verlichting als een panacee gebruiken om alle euvelen bij ons en die van de onvrije wereld te bedwingen en in het gareel te krijgen.
zondag 24 februari 2019
Piet Hagen -- 24 februari 2003
• Journalist Piet Hagen (1942) schreef een biografie over Pieter Jelles Troelstra, en hield in die tijd een dagboek bij. Gedeelten daaruit zijn hier gepubliceerd.
24 februari 2003
Heerlijke dagen in het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum in Leeuwarden. Het flmd is gehuisvest in het pand aan de Grote Kerkstraat waar ooit Mata Hari woonde. Je krijgt er gratis koffie en thee, mag nog zelf kopiëren en zit tussen de middag aan de lunch met de medewerkers. Doordat ik in mijn jeugd twaalf jaar in Leeuwarden heb gewoond, versta ik gelukkig redelijk Fries.
De uitstapjes naar Friesland zijn elke keer een feest. Meestal combineren mijn vrouw en ik het met iets anders. Bijvoorbeeld met wandelen op het Zevenwoudenpad, dwars door Troelstra's eerste kiesdistrict, Tietjerksteradeel. En in Stiens bezoek ik met Samle Fersen in de hand de plaatsen waar de jonge Pieter Jelles vertoefde.
24 februari 2003
Heerlijke dagen in het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum in Leeuwarden. Het flmd is gehuisvest in het pand aan de Grote Kerkstraat waar ooit Mata Hari woonde. Je krijgt er gratis koffie en thee, mag nog zelf kopiëren en zit tussen de middag aan de lunch met de medewerkers. Doordat ik in mijn jeugd twaalf jaar in Leeuwarden heb gewoond, versta ik gelukkig redelijk Fries.
De uitstapjes naar Friesland zijn elke keer een feest. Meestal combineren mijn vrouw en ik het met iets anders. Bijvoorbeeld met wandelen op het Zevenwoudenpad, dwars door Troelstra's eerste kiesdistrict, Tietjerksteradeel. En in Stiens bezoek ik met Samle Fersen in de hand de plaatsen waar de jonge Pieter Jelles vertoefde.
Helena Morley -- 23 februari 1893
• Helena Morley (pseudoniem van Alice Dayrell Caldeira Brant, 1880-1970) woonde als jong meisje in Brazilië en hield gedurende haar middelbareschooljaren een dagboek bij.
Thursday, February 23rd
Leontino came to invite us to attend the inauguration of the telegraph they are putting in his house, and he said that Aunt Aurelia was waiting for mama and all the family with acarajés [bonencakejes met knoflook en rode peper], biscuits, and chocolates. We all went, Dindinha, too. Half of the people sat in the parlor and the other half in the dining-room at the end of the hallway, which is very long. Those in the parlor sent a telegram to those in the dining-room, and the answer was written in dashes that the pen made on a strip of paper that Sérgio read out loud, and it was perfectly right. Dindinha, mama and my aunts were open-mouthed to see how the messages were correct, the way the telegraph does it. We ate a lot of acarajés. Then there was a nice table with coffee, biscuits and chocolates, and the aunts left talking about how intelligent those children are. Aunt Aurelia does so many nice things, because she knows that everyone admires her children and is jealous of them. Mama herself would give her life to have us like Aunt Aurelia's children, who just live to study. But she's already convinced herself that every-thing Aunt Aurelia's children do better than we do is because their father is a shopkeeper and can keep his eye on them. Since our father lives off at the mine, and mama's always wanting to go there after him, we'11 just have to be the way we are.
Thursday, February 23rd
Leontino came to invite us to attend the inauguration of the telegraph they are putting in his house, and he said that Aunt Aurelia was waiting for mama and all the family with acarajés [bonencakejes met knoflook en rode peper], biscuits, and chocolates. We all went, Dindinha, too. Half of the people sat in the parlor and the other half in the dining-room at the end of the hallway, which is very long. Those in the parlor sent a telegram to those in the dining-room, and the answer was written in dashes that the pen made on a strip of paper that Sérgio read out loud, and it was perfectly right. Dindinha, mama and my aunts were open-mouthed to see how the messages were correct, the way the telegraph does it. We ate a lot of acarajés. Then there was a nice table with coffee, biscuits and chocolates, and the aunts left talking about how intelligent those children are. Aunt Aurelia does so many nice things, because she knows that everyone admires her children and is jealous of them. Mama herself would give her life to have us like Aunt Aurelia's children, who just live to study. But she's already convinced herself that every-thing Aunt Aurelia's children do better than we do is because their father is a shopkeeper and can keep his eye on them. Since our father lives off at the mine, and mama's always wanting to go there after him, we'11 just have to be the way we are.
donderdag 21 februari 2019
August Willemsen -- 22 februari 1967
• Vanaf hun eerste gezamenlijke reizen naar het Zuiden, eind jaren vijftig, bleven vertaler August Willemsen (1936-2007) en beeldend kunstenares Marian Plug (1937) elkaar een halve eeuw lang schrijven, in brieven die verhalen van hun levenslange verliefde vriendschap. Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen.
22 februari 1967
Eén pre hebben de Brazilianen, althans in deze stad [São Paulo], dat ze ons geen blik waardig keuren. We lopen hier zo onopgemerkt, dus zo op ons gemak, als in Amsterdam zelve, misschien zelfs nog meer. Brazilianen bestaan niet, 99% van de mensen komt overal vandaan behalve uit Brazilië, ze hebben geen nationaal karakter, laat staan een egocomplex, ook wel trots genaamd, zijn beeldschoon, nooit lastig en doorgaans vriendelijk, meestal oninteressant, dus wat wil je nog meer. Daarbij geen enkel sentimenteel gedoe over het verleden (wat in Portugal zo onuitstaanbaar is), geen enkel respect voor alles wat meer dan tien jaar oud is, en zo te zien geen zorgen over wat er gebeuren moet als al deze wolkenkrabbers bouwvallig worden – wat toch ééns moet gebeuren. De voetganger is een soort kakkerlak die op smalle trottoirs over bulten, kuilen en door middenplassen zijn weg mag zoeken. Afwezigheid van openbare banken en van stoelen: cafés houdt de voetganger in beweging en dus slank. Inderdaad, je moet een auto hebben om dik te worden. Onwezenlijk frêle vrouwtjes, wandelende plantjes, echter met sappige bruine vormen en agressieve borsten lopen ongehinderd op straat, terwijl zéér welgeschapen mannen, bij de aanblik waarvan ik wel eens aan jou moet denken, niet zichtbaar ijdel zijn, waar ik in Sp. en Ptg. vaak zo om moet lachen.
22 februari 1967
Eén pre hebben de Brazilianen, althans in deze stad [São Paulo], dat ze ons geen blik waardig keuren. We lopen hier zo onopgemerkt, dus zo op ons gemak, als in Amsterdam zelve, misschien zelfs nog meer. Brazilianen bestaan niet, 99% van de mensen komt overal vandaan behalve uit Brazilië, ze hebben geen nationaal karakter, laat staan een egocomplex, ook wel trots genaamd, zijn beeldschoon, nooit lastig en doorgaans vriendelijk, meestal oninteressant, dus wat wil je nog meer. Daarbij geen enkel sentimenteel gedoe over het verleden (wat in Portugal zo onuitstaanbaar is), geen enkel respect voor alles wat meer dan tien jaar oud is, en zo te zien geen zorgen over wat er gebeuren moet als al deze wolkenkrabbers bouwvallig worden – wat toch ééns moet gebeuren. De voetganger is een soort kakkerlak die op smalle trottoirs over bulten, kuilen en door middenplassen zijn weg mag zoeken. Afwezigheid van openbare banken en van stoelen: cafés houdt de voetganger in beweging en dus slank. Inderdaad, je moet een auto hebben om dik te worden. Onwezenlijk frêle vrouwtjes, wandelende plantjes, echter met sappige bruine vormen en agressieve borsten lopen ongehinderd op straat, terwijl zéér welgeschapen mannen, bij de aanblik waarvan ik wel eens aan jou moet denken, niet zichtbaar ijdel zijn, waar ik in Sp. en Ptg. vaak zo om moet lachen.
woensdag 20 februari 2019
Julien Piraña -- 21 februari 1975
• Kees Wielemaker (1938) publiceerde in de jaargang 1975/'76 van Maatstaf onder het pseudoniem Julien Piraña een Afrika-dagboek.
21 februari 1975.
't Hindert me dat ik in Afrika niet de eerste Europeaan ben, of meer nog de eerste blanke die er voet aan wal zet. Nog liever zou ik het hebben ontdekt. Ik vrees dat daar weinig aan te doen is. In ieder geval zal ik beginnen met systematisch alles te negeren wat er over geschreven is. En fotoos zijn natuurlijk helemaal taboe. Rinus W. zegt dat ik bij de ?-stam, het voorrecht zal hebben te slapen met de jongste zoon van het stamhoofd, of als die toevallig niet thuis is z'n oudste kleinzoon. Ik zal mooi opgepoetste zilveren guldens meenemen. Eén zal wel voldoende zijn om die jonge prins te bewegen een lief klein zusje te halen. Ik heb nog vierendertig zilveren guldens en negentien rijksdaalders.
De prunusboom, waarin de bloesem hier en daar al zichtbaar is, wordt morgen uitgegraven en opgehaald. 't Is net als na een begrafenis, de beste spullen gaan 't eerst. Van nu af zal de Hoeve langzaam worden ontmanteld.
De vorst is me eindelijk te hulp gekomen. Andere jaren kon de lente niet snel genoeg beginnen. Nu zou ik de krokussen en de sneeuwklokjes 't liefst weer de grond in ranselen. Vandaag is dat niet meer nodig. De weerhaan kijkt al drie dagen naar het Noord-Oosten. 'k Heb z'n linkerzij dit jaar nog nooit gezien.
Inboedels schijnen volstrekt niets waard te zijn. Daarom zetten de mensen hun bankstel naast het vuilnisvat of in 't bos aan 't eind van een doodlopende weg. Hier in de bossen staan er wel drie. Deze zomer heb ik er nog één zien plaatsen. Ze staan er zelden langer dan een jaar. Toen de zuster van Mevr. R. naar een tehuis ging, vroeg ze een opkoper de boel te schatten. 't Was verdeeld over drie verdiepingen, met hier en daar wat antiek. ‘Mevrouw,’ zei ie, ‘ik geef er op de kop af 60 gulden voor.’
21 februari 1975.
't Hindert me dat ik in Afrika niet de eerste Europeaan ben, of meer nog de eerste blanke die er voet aan wal zet. Nog liever zou ik het hebben ontdekt. Ik vrees dat daar weinig aan te doen is. In ieder geval zal ik beginnen met systematisch alles te negeren wat er over geschreven is. En fotoos zijn natuurlijk helemaal taboe. Rinus W. zegt dat ik bij de ?-stam, het voorrecht zal hebben te slapen met de jongste zoon van het stamhoofd, of als die toevallig niet thuis is z'n oudste kleinzoon. Ik zal mooi opgepoetste zilveren guldens meenemen. Eén zal wel voldoende zijn om die jonge prins te bewegen een lief klein zusje te halen. Ik heb nog vierendertig zilveren guldens en negentien rijksdaalders.
De prunusboom, waarin de bloesem hier en daar al zichtbaar is, wordt morgen uitgegraven en opgehaald. 't Is net als na een begrafenis, de beste spullen gaan 't eerst. Van nu af zal de Hoeve langzaam worden ontmanteld.
De vorst is me eindelijk te hulp gekomen. Andere jaren kon de lente niet snel genoeg beginnen. Nu zou ik de krokussen en de sneeuwklokjes 't liefst weer de grond in ranselen. Vandaag is dat niet meer nodig. De weerhaan kijkt al drie dagen naar het Noord-Oosten. 'k Heb z'n linkerzij dit jaar nog nooit gezien.
Inboedels schijnen volstrekt niets waard te zijn. Daarom zetten de mensen hun bankstel naast het vuilnisvat of in 't bos aan 't eind van een doodlopende weg. Hier in de bossen staan er wel drie. Deze zomer heb ik er nog één zien plaatsen. Ze staan er zelden langer dan een jaar. Toen de zuster van Mevr. R. naar een tehuis ging, vroeg ze een opkoper de boel te schatten. 't Was verdeeld over drie verdiepingen, met hier en daar wat antiek. ‘Mevrouw,’ zei ie, ‘ik geef er op de kop af 60 gulden voor.’
dinsdag 19 februari 2019
Mary Huestis Pengilly -- 20 februari 1884
• De Amerikaanse Mary Huestis Pengilly bracht een aantal jaren (8?) van haar leven door in een inrichting voor geesteszieken. Na haar ontslag uit de inrichting publiceerde ze gedeelten uit haar tijdens haar opname bijgehouden dagboek onder de titel Diary Written in the Provincial Lunatic Asylum (1885), om aandacht te vragen voor de misstanden waar ze mee te maken had gehad.
February.—My dear Lewis [zoon] has been to see me today. We chat together as usual; how can he think me crazy? Dr. Steeves [behandelend geneesheer] tells him I am, I suppose, and so he thinks it must be so. He is so happy to see me looking better; he is more loving than ever; he holds my hand in his and tells me he will take me out for a drive when the weather is fine. And I said, "Oh Lewis, my dear boy, I am well enough to go home with you to your hotel now." I so long for some of Mrs. Burns' good dinners; her meals are all nice, and here we have such horrid stuff. Dark-colored, sour bakers' bread, with miserable butter, constitutes our breakfast and tea; there is oatmeal porridge and cheap molasses at breakfast, but I could not eat that, it would be salts and senna for me. At noon we have plenty of meat and vegetables, indifferently cooked, but we don't require food suitable for men working out of doors. We need something to tempt the appetite a little.
No matter what I say, how earnestly I plead, he believes Dr. Steeves in preference to me. If I should die here, he will still believe Dr. Steeves, who looks so well they cannot think he would do so great a wrong. When I first began to realize that I must stay here all winter, I begged the Doctor to take me to his table, or change his baker; "I cannot live on such fare as you give us here." His reply was, "I don't keep a boarding house." Who does keep this boarding house? Is there any justice on earth or under heaven? Will this thing always be allowed to go on? Sometimes I almost sink in despair. One consolation is left me—some day death will unlock those prison doors, and my freed spirit will go forth rejoicing in its liberty.
There is a dear girl here whose presence has helped to pass the time more pleasantly, and yet I am more anxious on her account. How can her mother leave her so long in such care as this? Ah, they cannot know how she is faring; she often says, "I used to have nice cake at home, and could make it, too." She has been teaching school, has over-worked, had a fever, lost her[Pg 7] reason, and came here last June. She is well enough to go home. I fear if they leave her here much longer she will never recover her spirits. She is afraid of Mrs. Mills, and dare not ask for any favor. Mrs. Mills is vexed if she finds her in my room, and does not like to see us talking. I suppose she fears we will compare notes to her disadvantage, or detrimental to the rules of the house. I think it is against the rules of this house that we should be indulged in any of the comforts of life.
February.—My dear Lewis [zoon] has been to see me today. We chat together as usual; how can he think me crazy? Dr. Steeves [behandelend geneesheer] tells him I am, I suppose, and so he thinks it must be so. He is so happy to see me looking better; he is more loving than ever; he holds my hand in his and tells me he will take me out for a drive when the weather is fine. And I said, "Oh Lewis, my dear boy, I am well enough to go home with you to your hotel now." I so long for some of Mrs. Burns' good dinners; her meals are all nice, and here we have such horrid stuff. Dark-colored, sour bakers' bread, with miserable butter, constitutes our breakfast and tea; there is oatmeal porridge and cheap molasses at breakfast, but I could not eat that, it would be salts and senna for me. At noon we have plenty of meat and vegetables, indifferently cooked, but we don't require food suitable for men working out of doors. We need something to tempt the appetite a little.
No matter what I say, how earnestly I plead, he believes Dr. Steeves in preference to me. If I should die here, he will still believe Dr. Steeves, who looks so well they cannot think he would do so great a wrong. When I first began to realize that I must stay here all winter, I begged the Doctor to take me to his table, or change his baker; "I cannot live on such fare as you give us here." His reply was, "I don't keep a boarding house." Who does keep this boarding house? Is there any justice on earth or under heaven? Will this thing always be allowed to go on? Sometimes I almost sink in despair. One consolation is left me—some day death will unlock those prison doors, and my freed spirit will go forth rejoicing in its liberty.
There is a dear girl here whose presence has helped to pass the time more pleasantly, and yet I am more anxious on her account. How can her mother leave her so long in such care as this? Ah, they cannot know how she is faring; she often says, "I used to have nice cake at home, and could make it, too." She has been teaching school, has over-worked, had a fever, lost her[Pg 7] reason, and came here last June. She is well enough to go home. I fear if they leave her here much longer she will never recover her spirits. She is afraid of Mrs. Mills, and dare not ask for any favor. Mrs. Mills is vexed if she finds her in my room, and does not like to see us talking. I suppose she fears we will compare notes to her disadvantage, or detrimental to the rules of the house. I think it is against the rules of this house that we should be indulged in any of the comforts of life.
Abonneren op:
Posts (Atom)







