donderdag 31 januari 2019

Maurits Wagenvoort -- 1 Februari 1904

• Maurits Wagenvoort (1856-1944) was een nederlandse schrijver, die in 1903 op zoek ging naar wat er nog over was van de Nederlandse kolonie in het Turkse Smyrna.

1 Februari 1904.
Vandaag had ik een oogenblik, waarop ik mijn lachen wel kon houden. Ik raakte op straat bekneld tusschen een ‘araba’ en een muur: nog èèn seconde, nog èèn draaie en het manshooge wiel zou mijn karkas hebben plat gedrukt. Nu kwam ik er af met een gescheurde jasmouw. Het eerst wat ik deed was den ‘arabadsji’ een slag met mijn stok op zijn kop te geven, die hem scheel deed zien. Intusschen was ik er een half-uur van streek van.

woensdag 30 januari 2019

Frans Kellendonk -- 30 januari 1979

• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.

30 januari 1979
Gisterenavond wezen eten bij Wim Bergmans en Gerard Reve die bij hem logeert. Reve is inmiddels een toch al wat oudere man - gedrongen, met een buikje dat tamelijk hoog op zijn maag zit - schitterende indringende groene ogen, die niet best blijken te zien (voortdurend op zoek naar zijn bril) en die grijze wenkbrauwen en donkerblond grijs doorschoten haar. Spijkerbroek van ouderwetse snit. Gebreid wollen vest, donkerblauw. Hij heeft de neiging naar je te kijken als je niet naar hem kijkt en als je hem vervolgens aankijkt zijn ogen niet af te wenden. Scherpe neus. Dronk veel wijn, toch wel twee flessen al met al, en rookte ook behoorlijk. We aten in de schil gekookte aardappelen (waarvan je prachtige bolussen kan draaien, verzekerde hij me), wortelen en gebakken mosselen, waarbij vooral het vocht niet verloren mocht gaan. Reve moest zoutloos eten. In het begin van de avond was hij vol degelijk advies: dat het heel normaal was jaren stil te liggen na een jubelend ontvangen debuut, dat je je niet, of zo weinig mogelijk, moest inlaten met talentloze mediagieren, contracten moest afsluiten voor vijf jaar die dan per drie jaar stilzwijgend verlengd moesten worden. Ressentiment tegen Nederlandse ambtenaren, die het je zo lastig mogelijk proberen te maken. [...] Vertelde dat hij erelid was van de Bond van Ouden van Dagen. Zeer dominerende man, alle tegenwerpingen werden aangehoord en genegeerd - hij is niet geïnteresseerd in wat zijn beweringen ongelovigen zou kunnen maken. Vertelde dat hij veel 19de eeuws Engels las (wist veel over Dickens te vertellen), ook Zola (de ellenlange architectuurbeschrijvingen sloeg hij over) en Victor Hugo (die onterecht in de verguishoek terecht was gekomen). Nabokov vond hij een briljante ijdeltuit - Onder professoren was het beste boek van Hermans (! - overigens een door en door slecht mens) - het centrale probleem bij Hermans was identiteit. Bij ‘de grote schrijver’ (zijn benaming voor zichzelf) verlossing; bij Wolkers agressie tegen alles wat zijn kutbevrediging in de weg staat. De jongste schrijvers bleek hij niet te kennen. Bewonderde ook Bellow (overigens was Herzog het laatste boek dat hij van hem gelezen had), Humboldt's Gift en Henderson the Rain King kende hij niet). Proust moest hij nog steeds lezen. Engels was zijn ‘tweede moedertaal’, zei hij, maar zijn uitspraak was slecht.

Verder vertelde hij over zijn moeilijkheden om een visum te krijgen voor een halfjaar Indonesië. Hij was er onlangs op bezoek geweest met Matroosje Vos (Joop Schafthuizen), ‘Ons Indië’. Vertelde over de schoonheid van Javaanse Jongens (hield meer van wat vrouwelijke jonge jongens de laatste tijd) en een verhaal, dat ik niet door mocht brieven, over het miskennen van een in matrozenpak gestoken jongetje dat bij uitpakking een veertienjarig meisje bleek te zijn en toen uit mededogen toch werd genomen (hij wist nog wel hoe het moest, ook al was het twintig jaar geleden). Afkeer van negers (er waren uitzonderingen) en Arabieren (een minderwaardig volk).

Het gesprek werd serieuzer naarmate de avond vorderde. Hij leest de laatste tijd veel Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung - en ondanks het feit dat Schopenhauer geen christen was heeft hij toch de beste verdediging geleverd voor de christelijke wereldbeschouwing (leest ook veel vergelijkende godsdienstwetenschap). Kwam te spreken over een bloem in Zuid-Amerika die slechts één dag in het jaar bloeit en een vlindertje dat juist op die dag geslachtsrijp wordt en een meelballetje in die bloem deponeert en zo ook die bloem bevrucht. Overduidelijk Gods werk, zei hij. Wim zei dat er duizenden van die gevallen zijn en dat ze eerder op een aanpassingsvermogen dan dat ze op Gods plan wijzen. Sprak over beesten: slangen, hagedissen, beesten in Artis.

Reve leest behalve Schopenhauer ook Jung en parapsychologie (zo verzekerde Wim me) - hij schijnt die boeken te spellen.

Bekende dat het geïsoleerd leven met de ongeletterde, maar slimme Matroos voor hem moeilijk viel en dat hij erover dacht een huis in Gent te kopen. Afzondering is voor schrijven wel noodzakelijk, beweerde hij, maar niet wanneer je jong bent. Hij had inmiddels zoveel meegemaakt dat hij geen kansen meer nodig had.

Een in zichzelf opgesloten man - zijn gezicht wordt erg verlegen wanneer hij lacht. Overigens kijkt hij stuurs.

Bij zijn eigen werk was de compositie, de spanningsboog, altijd het probleem zei hij en hij meende in Oud en Eenzaam voor het eerst een geslaagde vorm gevonden te hebben.

maandag 28 januari 2019

Ted Hughes -- 29 januari 1985

• Ted Hughes (1930-1998) was een Britse dichter en echrtgenoot van Sylvia Plath. Voordat hij werd gevraagd de nieuwe Britse Poet Laureate te worden, gold Philip Larkin (1922-1985) als de grote favoriet voor die functie, maar deze weigerde om gezondheidsredenen (en overleed niet lang daarna). Uit: Ik wil nooit vergeven worden (vertaald door Nelleke van Maaren).

Begin 1985
Die benoeming tot Poet Laureate was heel merkwaardig. Toen we terugkwamen uit Egypte zat ik in zo’n half verdoofde toestand na de reis een enorme stapel post door te nemen en vond een brief van Downing Street 10, waarin werd gevraagd of ik de brief van Maggie Thatcher had ontvangen en zo ja, of ik dan alsjeblieft antwoord wilde geven, in negatieve of positieve zin. [...] Thatchers brief aan mij was gepost op de dag dat we naar Egypte vertrokken, maar omdat we op een vrijdag terugkwamen, had ik het weekend om erover na te denken. Toen eenmaal tot me doordrong: ja, ik was werkelijk gevraagd, veronderstelde ik dat Larkin gevraagd moest zijn en geweigerd had. Dat maakte mijn positie ingewikkeld. Ik voelde er weinig voor te worden geconfronteerd met een veelheid van maffe probleempjes die hij zo verstandig was geweest om te weigeren. Anderzijds leek zijn algemene, universele nee me niet zo bewonderenswaardig, & het was in zekere zin een aantrekkelijk idee om datgene waarvoor hij was teruggedeinsd, in een groot voordeel voor mij te veranderen. [...] Er schoot me steeds de regel uit King Lear te binnen waarin de Franse koning van mening verandert over Cordelia – ‘Als de wet het toelaat raap ik op wat weggeworpen is.’ [...] Dus maandagochtend belde ik op en zei ja. Sindsdien loop ik rond in een vreemd waas – een soort slaapwandelende langzame vlucht. Misschien heeft het iets te maken met het besef dat ik een van mijn moeders wildste dromen verwezenlijk.

donderdag 24 januari 2019

Selma Lagerlöf -- 25 januari 1873

• Selma Lagerlöf (1858-1940) was een Zweedse schrijfster. Als 14-jarige hield ze tijdens een verblijf bij familie in Stockholm een dagboek bij.

zaterdag, 25 januari / In de salon bij oom Oriel

Er zijn verscheidene dagen voorbijgegaan, zonder dat ik tijd had om in mijn dagboek te schrijven. Ik moet zeggen, dat ik 't ook wel druk heb. Elke dag tussen tien en twaalf uur moet ik op de gymnastiek zijn, drie uren in de week heb ik Engelse les en twee keer een half uur pianoles. En tante is er heel precies op dat ik goed oefen, en als ik naar mevrouw H**** ga, vraagt ze of ik mijn les goed ken.
Maar vandaag ben ik vroeger dan gewoonlijk opgestaan, om wat te kunnen schrijven. Ik ben in de salon gaan zitten, omdat daar 's morgens vóór 't ontbijt niemand is; ik vind het ook prettig om hier te zitten omdat het hier zo mooi is.
Als ik nu de waarheid moet zeggen - en ik merk, dat het niet prettig is om een dagboek te schrijven, als je niet de waarheid zegt - dan had ik wel tijd gehad, gisteravond bijvoorbeeld, maar er was iets gebeurd waarover ik me schaam, als ik het moet vertellen. Ik kan mezelf niet recht begrijpen, 't Is net of ik zo kwaad en onhandelbaar geworden ben, dat ik mezelf niet in toom kan houden, en dat kon ik tot nu toe toch meestal wel. Elke avond als Elin en Allan naar bed zijn, gaan tante en ik in de salon zitten. Tante breit een sjaal en ik haak een tussenzetsel. We lezen niet voor, maar tante vertelt mij lange verhalen over mensen, die zij in Stockholm heeft ontmoet, en dat vind ik erg leuk. Soms komt oom Oriel ook in de salon zitten en rookt dan uit zijn lange pijp, lezend in de 'Nya Dagligt Allehanda'. Af en toe zit oom te glimlachen terwijl hij leest, en dan weten wij, tante en ik, dat de redacteur iets lelijks heeft gezegd over de liberalen, want de liberalen zijn de slechtste mensen die oom kent. Donderdagavond kwam oom ook bij de lamp zitten, niet met de krant, maar met een boek van klein formaat, maar tamelijk dik. Ik vroeg me juist af wat het wel voor een boek kon zijn, dat oom z'n krant er voor vergat, toen hij ophield met lezen en naar mij keek.
'Dit boek mag jij niet lezen', zei hij, 'denk er om'.
Ja, ik beloofde erom te zullen denken, en verder werd er niet over gesproken.
Maar gistermorgen, juist toen ik voor de piano was gaan zitten om mijn les in te studeren, kwamen oom en tante binnen. En oom was zo druk aan 't praten, dat hij niet lette op mij, die daar zat te zwoegen op de Czerny-etudes, maar aan tante vertelde hoe een Fransman, die een moordaanslag beraamd had op Lodewijk XIII, geradbraakt en gemarteld was in tegenwoordigheid van het hof en het hele volk.
Ik bleef natuurlijk doorspelen, maar ik kon er niets aan doen, dat ik een deel van wat oom vertelde kon horen. Het meeste hoorde ik vanzelfsprekend niet, maar daardoor werd ik juist zo geweldig nieuwsgierig om te weten hoe dat in z'n werk gegaan was. En het ergst van alles was, dat ik bedacht dat het in een boek stond, waar ik niet aan mocht komen.
En dat zou ik ook niet gedaan hebben, nee, dat zou ik beslist niet gedaan hebben, als ik echt mijzelf geweest was; want al heb ik veel gebreken, wanneer ik iets beloofd heb, dan wil ik me daaraan houden.
Gewoonlijk als ik om twaalf uur van de gymnastiek kom, ga ik een poosje op de sofa in de slaapkamer liggen; maar gisteren kreeg de slaapkamer een grote beurt en zei tante, dat ik op de sofa in ooms kamer mocht gaan liggen, omdat oom was uitgegaan. En toen ik dat deed, zag ik op 't zelfde moment dat ik me uitstrekte het kleine dikke boek op de étagère liggen, vlak onder mijn bereik. Toen pakte ik het boek en deed het open, want daar stak toch geen kwaad in: even te zien wat voor boek het was. Ik zag dat het een Frans geschiedenisboek was, en toen vond ik het wel wat kinderachtig van oom om mij dat te verbieden om te lezen, want geschiedenis mag toch iedereen lezen. Zo begon ik het boek door te bladeren, en juist toen ik de plaats gevonden had van de marteling, hoorde ik de deur van de vestibule. Maar ik ben immers zo opvallend suf en onnozel tegenwoordig, dat ik er helemaal niet aan dacht dat het oom kon zijn, die thuis kwam, maar doorlas. Het volgende ogenblik stond oom op de drempel, - en ik lag daar te lezen in het verboden boek! Zo iets verschrikkelijks geloof ik niet dat me ooit is overkomen, in mijn hele leven .
Ik sprong op, legde het boek weg en vroeg oom om vergiffenis. Ik was zo ontzettend nieuwsgierig geweest om te weten welk boek ik niet mocht lezen.
Oom werd niet zo erg boos op me, 'Ik begrijp, dat jij er eentje bent die niet kan ademhalen zonder een boek onder je neus te hebben', zei hij. 'Nu moeten voortaan de boeken maar achter slot, dan kun je Walter Scott lezen zoveel je wilt, en laat je de andere boeken met rust'. Dat was erg lief gezegd van oom, en ik dankte hem zo vriendelijk als ik kon. Maar toch schaam ik me zo ontzettend. Ik krijg een kleur als oom maar naar me kijkt, want hij kan immers niet anders denken dan dat ik altijd zo ongehoorzaam ben, en dat niemand ook maar enigszins kan vertrouwen op wat ik heb beloofd. Hij kan ïmmers niet weten dat ik een verandering heb ondergaan en zodoende niet meer mezelf ben.

woensdag 23 januari 2019

Frank Meyrink -- 24 januari 1991

• Frank Meyrink beschrijft in zijn dagboek (Gottliebs dood) de laatste jaren uit het leven van de beroemde pedagoog, cultuurfilosoof, architect, dichter en regisseur Johann Gottlieb Freudenacker (1915-1992) - die nooit bestaan heeft. En Frank Meyrink is een pseudoniem van de in 1964 geboren schrijver Leonard Beuger. Het boek is gemodelleerd naar Eckermann's Gespräche mit Goethe.

Donderdag 24 januari 1991
‘Hoe komt het eigenlijk,’ vroeg Gottlieb, die ik vanmiddag tussen zijn boeken trof – maar ik weet niet naar aanleiding van welke lectuur – , ‘dat mensen slechtheid, zwakheid, egoïsme et cetera vergoelijkend “menselijk” noemen, en niet zelden verontwaardigd raken als het goede, het verhevene als normaal wordt voorgesteld?’
‘Gaat dat niet minstens al op Goethe terug, althans zijn Faust?’ vroeg ik, maar Gottlieb hechtte geen aandacht aan mijn woorden.
‘Ach,’ antwoordde hij mistroostig, ‘de mensen zijn zo vol wantrouwen ten opzichte van zichzelf dat ze elkaar niet eens meer “u” durven noemen, en in verlegenheid geraken wanneer iemand hén eerbiedig aanspreekt.’

dinsdag 22 januari 2019

Helena Morley -- 23 januari 1893

• Helena Morley (pseudoniem van Alice Dayrell Caldeira Brant, 1880-1970) woonde als jong meisje in Brazilië en hield gedurende haar middelbareschooljaren een dagboek bij.

Monday, January 23
Yesterday I had a terrible scare. They're saying in Boa Vista that there's a very dangerous thief in the neighborhood who's already been in Diamantina and the soldiers couldn't catch him. He kills people in order to rob them and when the soldiers come, if he's in a house, he turns himself into a broom or a chair or some-thing; if he's outdoors he turns into an ant-hill. Everybody's terrified. Last night papa was at Uncle Joaozinho's on the other side of the ravine, and we were all asleep, when a dog barked. Mama ran to the door of our cabin and began to shriek, "Joaozinho! Captain Gasparino! Seu Joao Roberto!" We all woke up and ran to the door to see what it was. She screamed at Renato, "Run to Joaozinho's house and call the sheriff and the soldiers there!" She screamed this. Our mouths feil open; we thought she'd gone crazy. Then she whispered, "Shut your mouths and I'll explain." And she told us that the man who turns into an ant-hill was close by, because the dog had barked, and she was afraid he was after my father to try to get diamonds. She screamed those names loudly so that the thief would think those men were at Uncle Joaozinho's house and run away. Papa arrived a little later and he thought that mama's idea was very funny.

maandag 21 januari 2019

Ernst Heldring -- 22 januari 1928

• Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

22 januari 1928
Het doet aangenaam aan onder de actrices den laatsten tijd eenige op te merken die goed en beschaafd spelen. Nel Stants in St. Joan [van Bernard Shaw], Vera Bondam en Minny ten Hove, die beiden uitstekend in Het Spel van Liefde en List van Marivaux zijn. Mevrouw Royaards4 is van ouds een beschaafd element, maar beperkt in haar kunst. Onze tooneelspelers zijn daarentegen òf stijve klazen òf burgerlijke drukdoeners, behalve enkelen in volksrollen als Louis de Vries. Musch in nog wel meer hoedanigheden, mits niet als heer - in welken tijd ook - spelende. De uitspraak is bij velen beter dan vroeger, toen plat de verhevenste rollen belachelijk maakte, maar in de plaats daarvoor treedt nog al wat aanstellerij of charge. Royaards is onuitstaanbaar, Van Dalsum trekt gezichten als de maskers, waarmede hij gaarne speelt. Bouwmeester - hoog ten hemel verheven - legde het er altijd dik op en trok de massa door melodramatiek of door knipoogjes tegen het publiek. De recensenten zijn op deze punten zeer lankmoedig of bemerken zelven deze tekortkomingen niet.