maandag 29 oktober 2018

Peter R. de Vries -- 30 oktober 2005

• Peter R. de Vries (1956) is een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Zondag
Normaal duik ik altijd op zondagochtend, maar nu ben ik vroeg uit de veren om Jac en Royce op Schiphol af te halen. Heerlijk dat ze weer thuiskomen. Ik heb in hun afwezigheid hard en lang kunnen werken, maar een week lang krentenbollen en ontbijtkoek gaat vervelen. De vriezer ligt vol met lekker eten, maar als ik alleen ben, kies ik altijd voor de makkelijkste weg, met de minste hoeveelheid afwas. De liefde gaat niet door de maag bij mij. Jac en ik zijn 23 jaar of is het 24? getrouwd en er is nog steeds sprake van een brandend olieplatform in plaats van een waakvlammetje, als ik onze relatie zo mag kenschetsten. Er is niemand die mij beter kent dan zij.
Heel veel tijd om bij te praten is er niet. Met Jan Nagel, Klaas Wilting en de staf hebben we een laatste vergadering, gevolgd door een rollenspelletje waarbij we wat lastige vragen oefenen. Jan verloochent zijn Rooie Haan-afkomst niet met een aantal prikkelende en zuigende vragen.

zondag 28 oktober 2018

Jan Terlouw -- 29 oktober 1982

• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.

Vrijdag 29 october
De laatste vergadering van de ministerraad. Dries [van Agt] eindigt met een toespraakje waarin hij het interimkabinet [Van Agt III], in de rij van kabinetten die hij heeft meegemaakt, kenschetst als ‘een hele goeie’. Zijn slotzin is heel waarderend en hartelijk over mij. Ik word er blij door verrast. Ik zeg een paar aardige dingen terug. De hamer valt, als een guillotine.

Zaterdag 30 october
Als tegen een berg zag ik op tegen ons partijcongres, dat vandaag in de Flint is gehouden. Ik was bang geprezen te worden voor de verkeerde dingen, ik was bang onpasselijk te worden van applaus, ik was bang het congres te zullen verlaten met een definitieve vervreemding van de partij. Maar de mens lijdt dikwijls 't meest door 't lijden dat hij vreest. Ik heb in de wandelgangen veel echte hartelijkheid ontmoet. In de zaal heeft Maarten [Engwirda] me geprezen voor het enige waarvoor ik geprezen wil worden, namelijk voor mijn beleid als minister van Economische Zaken. Er is veel op me aan te merken geweest, vanuit de partij, als partijpoliticus. Er is heel wat te zeggen over het gebrek aan goede communicatie. Maar mijn beleid was goed. Ik ben Maarten dankbaar voor zijn fijngevoeligheid. En het applaus van de zaal, nog één keer, deed me toch wat. Ik geloof dat het echt was. Zoals de tranen aan het graf van iemand die negentig geworden is, echt kunnen zijn.

Monique van de Ven -- 27 oktober 1982

• Monique van de Ven (1952) is een Nederlandse actrice. In 1982 hield ze op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij, ter gelegenheid van de première van haar film Ademloos.

Woensdag 27 oktober
Laat, met haast en een beker thee, schuif ik om negen uur 's morgens op de achterbank van een groene Volvo, die mij vervolgens met producent en regisseuse van 'Ademloos' naar Hilversum rijdt. Op de voorbank verruimen en vernauwen twee mensen zich met woorden. Door de voorruit zie ik bomen, water, koeien, een wazig landschap. We arriveren bij Vara, en laten Mady daar achter. Een hoek verder de NOS-studio, waar ik een radio-interview heb. Een nieuwe regeling maakt dat er hier slagbomen met penningen zijn (die wij natuurlijk niet hebben). Deuren die met interessante drukknoppen en inspreekbare doosjes, na wat uitleg opengaan.
Het interview, kopje koffie, muziek... Met veel nagepraat terug paar Amsterdam, eigen auto gehaald, geluncht met M. en R. en W., die snel een VN en HP haalden waar we in staan. Altijd spannend.
Veel telefoontjes, afspraken geregeld. De tijd vliegt en heb nog lang niet iedereen gezien of gesproken. Verwen mezelf door naar Bert Coiffures te gaan, waar ik de humor van de Amsterdamse dames en één heer, de heer B. dus, heerlijk op me in laat werken. Krijg weer allerlei flessen cadeau, die allemaal een keer op m'n haren gesmeerd moeten worden. Ik rijd naar afspraak in Gooi, waar ik de kinderen van vriendin J. bewonder, die net van veemarkt komen.
Om toch geconcentreerd over de dingen des levens te kunnen praten besluiten we om de kinderen aan oppas IJ. over te laten, en bij P. de la P. in een heerlijk menu te duiken. We worden getracteerd door R.T. van P. de la P. op champagne, en genieten volop. We hebben heel wat in te halen, niet alleen wat tijd, maar ook wat emoties en gebeurtenissen betreft. We raken in een filosofisch gesprek waar we beiden behoefte aan hebben. Na een glaasje tonic bij haar thuis uiten we ons respect voor elkaar. Kleine voetstapjes op de trap, een kus, en terug naar Amsterdam. Kijk naar wegenbouwers in de nacht, vind thuis allerlei notities van mensen die gebeld willen worden. Ik aai Rupert de poes van Paul, bij wie ik logeer. Hij, de poes, is klein en heeft veel aandacht nodig. Na badkamerverplichtingen duik ik met haast m'n bed in om deze eerste dag te beschrijven. Rupertje kijkt geduldig toe. Welterusten.

donderdag 25 oktober 2018

Siet Zuyderland -- 26 oktober 1975

• Siet Zuyderland (1942) is een Nederlandse kunstenaar. Dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd in De Revisor. (Foto Peter H. Toxopeus).

N.Y.C. Zondagnacht 26 okt. '75
Regen, sinds gisteren alles in een dichte grijze nevel gehuld.
Vanmiddag naar de zondagmarkt in de East-village geweest, daarna thuis t.v. gekeken, véél blikken pils (Budweiser, Miller), broodjes met haringsalade gekocht.
Mark kwam om 10 uur thuis van Fire Island. Samen naar een toneelstuk op de t.v. gekeken.
Om 11 uur klopte Ingrid (?) op de deur, Mark's benedenbuurvrouw, een duitse actrice, sinds 4 maanden in New York, verdient haar geld met het inhijgen van amerikaanse export pornofilms voor de duitse markt.
Gekleed in kimono, wou duidelijk geneukt worden, had niet op mijn aanwezigheid gerekend.
Ik kan die meid niet uitstaan!
Mark voelde zich wat verlegen met de situatie, mijn laatste avond in New York, morgen naar huis, hij wou toch nog de gastheer zijn. Ik stelde hem voor om met haar naar beneden te gaan, maar dat wees hij af.
Ben toen maar om 12 uur nog even alleen een wandeling gaan maken, een soort afscheids-blokje om.
Nog steeds regen.
Eerst naar Spring St. bar, doodstil, zondagavonden en nachten zijn in N.Y. wat betreft het café-wezen even slecht als in de rest van de wereld. Ik had wat honger. Een roastbeef sandwich gekocht in een nieuwe nachtzaak op W. Broadway. Lopend eten, zo'n bruine papieren zak in je hand om één uur 's nachts, vééls te veel beleg. Eén helft naar binnen kunnen krijgen, de andere wou ik bewaren voor het ontbijt.
Wel idioot, loopje op de Bowery op weg naar Tin palace met een halve sandwich in je hand die je niet opkan. Hoe vaak heb ik al niet die gasten om een bite horen vragen? Ik had het toch kunnen weggeven?
Toch liep ik gewoon vastberaden mijn ontbijt te beschermen. Zag wel een fantastisch beeld op de Bowery.
In een ‘brandewijn’-café, neonlicht, deur open, zaten drie klanten, alledrie in een rolstoel voor de tapkast, verder niemand te zien.
Ik kan er niks mee doen, maar toch...
In Tin-palace was levende muziek, ook weinig mensen, de muziek wel goed, ik klapte maar flink mee na ieder nummer, lijkt het wat minder stil Zak met sandwich naast mijn pils. Om 3 uur weer thuis, voorzichtig binnen komen, maar Mark sliep al, en alléén, die duitse was na een ruzie weer vertrokken: wou hem voor zichzelf hebben en houden, zijn manier van leven veranderen.
Nog wat dagboeknotities gemaakt en de sandwich maar weggegooid.

woensdag 24 oktober 2018

Nico Keuning -- 25 oktober 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl. Fragmenten daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Maandag 25 oktober
Vannacht heb ik van Den Uyl gedroomd, met alle indrukken van de laatste dagen/weken die daarbij horen (nieuw huis gekocht, keukens kijken in deprimerende showrooms). Ik was bij hem in Rotterdam op bezoek. Van het huis kan ik mij niets herinneren. Wel dat het ijs tussen ons brak toen ik hem vertelde over mijn tocht door het doolhof van een showroom van moderne keukens. Hoe ik het spoor bijster raakte tussen metershoge grijs stalen kasten. Hij grijnsde en schoot zelfs in de lach. Meer kan ik me van de droom niet herinneren. Maar de hele dag bleef een sterk gevoel hangen van een goede verstandhouding met de schrijver alsof ik hem in werkelijkheid heb ontmoet en wij - ondanks zijn zwijgzaamheid - on speaking terms zijn.

dinsdag 23 oktober 2018

Paul Léautaud -- 24 oktober 1901

• De Franse schrijver Paul Léautaud (1872-1956) werd als baby van drie dagen door zijn moeder bij zijn vader achtergelaten; hij ziet haar daarna slechts sporadisch. Pas in 1901, als zijn tante Fanny overlijdt, komt het tot een soort hereniging – maar hun relatie zal voor Léautaud tot het eind toe onbevredigend blijven. Uit: Brieven aan mijn moeder (vertaald door Mels de Jong).

Calais, 24 oktober 1901
Mijn moeder is ongeveer een uur geleden aangekomen, zonder dat wij haar verwachtten. Omdat ik haar mijn bed moest afstaan, heb ik, vanzelfsprekend op kosten van mijn grootmoeder, een kamer in een naburig hotel genomen. Mijn moeder heeft me niet herkend – na twintig jaar is dat niet verbazingwekkend –, zij weet ook niet wie ik ben; ik ga bij haar door voor een vriend... Zo-even sprak ze tegenover mij over haar kinderen, met een tederheid en een zachtheid... Goed. Zij heeft haar verontschuldigingen aangeboden, omdat ik door haar naar een hotel moest; ik heb haar gezegd dat dat niet nodig was, dat dat heel normaal was, enz. Zij is nauwelijks veranderd, mager, nog steeds heel bleek en met bruine haren, en langer dan ik dacht. Te bedenken dat we daar met z’n tweeën zijn, een moeder en een zoon, en doen alsof er niets aan de hand is, zij die niet weet wie ik ben, en ik die de rol speel van een vreemde. Zo-even hielp ik mijn grootmoeder in de keuken; mijn moeder zei toen over mij: ‘Het is een echte huisvrouw, die jongeman.’ [...] Ik heb op het punt gestaan terug te gaan naar Parijs, zo bespottelijk is deze situatie. Maar Fanny ligt op sterven, men heeft mij nodig, en dus blijf ik, op verzoek van mijn grootmoeder.

zondag 21 oktober 2018

Hanny Michaelis -- 21 oktober 1942

• Hanny Michaelis (1922-2007) was een Joodse Nederlandse schrijfster. Haar oorlogsdagboek is onlangs in twee delen verschenen bij Van Oorschot (bezorgd door Nop Maas).

Woensdag 21 october '42 ± 5 uur 's middags
Ik zit heerlijk op een stoel voor de haard die bijna vuur spuwt, ik voel me helemaal ro/.ig en dromerig worden. In de voorkamer speelt mijn gastvrouw Sinterklaasliedjes voor Dieuws en Hans, die met devote gezichten meezingen. Dit is weer een van de zeldzame momenten waarop Dieuws wordt wat ze hoort te zijn: een kind. Nu kan ik haar ook aardig vinden zoals ze daar staat en me vertederen over haar aandachtig gezichtje. Mijn gastheer zit erbij te lezen en Ko'tje galmt in de keuken onder het vleesbraden. Het wordt al een beetje schemerig buiten en er hangt een soort feestelijke Sinterklaasstemming, die me aan vroeger en thuis herinnert zonder dat ik er somber van word.

Gisteravond naar Theo geweest met mijn gastheer. Ko'tje die naar dansles moest, ging met ons mee en het gekke was, dat mijn gastheer me nu zijn arm niet aanbood, waaruit ik opmaakte, dat hij het toch niet zo heel gewoon scheen te vinden, of het voor Ko niet wilde weten. Bij Theo was het heel wat leuker dan verleden keer: ten eerste hoefde er geen kroon op de kies, wat me zowel om de kwaliteit van mijn gebit verheugde als om het verschil in prijs. De zenuw kon erin blijven omdat hij niet rot was (ik ben er trots op, dat mijn kiezen, al mankeert er iets aan, nooit rot worden of zwart gaan zien - soms zijn ze al zover heen dat er stukken afbreken, maar ze blijven altijd wit), en de kies hoeft alleen maar gevuld te worden. Het uitboren deed geen pijn meer al verbeeldde ik me af en toe iets te voelen: zó suggestief is de vrees voor pijn, dat je dikwijls huilt: voor je geslagen wordt. Theo was weer erg aardig. Ik heb nog een tijd met zijn moeder zitten praten toen mijn gastheer werd geholpen. We hebben het o.a. over het Jodenprobleem gehad. Ze heeft er een rare, nogal dom-egoïstische kijk op ('de Joden hebben het er ook wel een beetje naar gemaakt, want in cafés dringen ze zich zo op de voorgrond'!). Bovendien is ze een beetje temerig en sentimenteel aangelegd, en ik verdenk haar van huichelarij. Hoe zo'n vrouw aan zo'n zoon komt, begrijp ik niet. Later kwamen Theo en mijn gastheer er ook bij. Het was erg gezellig. Over politiek geboomd (Theo leest Machten van onze tijd van Romein en vindt het 'verdomd goed') en over zwarte handel problemen. Ga Theo steeds aardiger vinden, en zie tegelijkertijd steeds duidelijker in, dat zijn wereld niet de mijne zou kunnen zijn: 1° omdat hij me niet 'ziet', 2° omdat we te essentieel verschillen. Voor verliefdheid hoef ik nu dus niet meer bang te zijn, maar het gekke is, dat ik de laatste dagen ook weer minder aan B. denk. Ik voel me weer 'open' staan voor de grote onbekende, ik begin weer te wachten op iemand die de toekomst me zal brengen.

[...]