• De Nederlandse Anneke Bosman zat in de oorlog in een interneringskamp in Indonesië. Ze hield in die periode (en daarna) een dagboek bij.
2-4-1944
Vandaag is het Palmzondag en de volgende week Pasen. Veel herinneringen aan vo rige jaren
komen terug. Wat hebben we het goed gehad en wat moeten we daar dank baar voor zijn.
De laatste briefkaart aan pappie hebben we teruggekregen, iedereen trouwens. Jammer, er
stonden juist zulke leuke dingen over Wouter in. Gisteren ontdekten we Wouters eerste tandje,
links onder. Mam heeft het 't eerst gezien en vanavond hoorden we het allemaal tegen zijn
bekertje tikken, toen hij dronk. Zo’n leuk geluidje!
Mam vertelde vanmiddag, dat precies 25 jaar geleden pappie haar op Palmzondag met een
sjees kwam afhalen voor een toertje. Mam was toen 16 jaar en pappie 20. Ze vond het heerlijk
door zo’n grote student afgehaald te worden en zo fijn te rijden.
Dat zou ik ook erg fijn vinden, maar nu zitten we in een kamp en gebeuren er zulke dingen
niet.
Van de gaarkeuken krijgen we geen
brood meer, maar 's middags een
beetje rijst, tapioca-meel en gaplek*
(smerige stukken gedroogde
ketella**). Eén of twee keer in de
week een beetje suiker, zout en olie.
Ook van de toko wordt het al minder
en minder.
Heleen en Friso hebben nu een zoutloos
dieet, want er is iets niet in orde
in hun bloed. Ze krijgen veel groente
en bijgerecht, maar het is allemaal zo
smakeloos zonder zout.
De brief hierboven kwam van de Japanse
commandant van het legerbestuur en was aangeplakt bij het dameskantoor.
9-4-1944
Pasen! Wat betekent het voor ons? Is het wel: “De Heer is waarlijk opgestaan” of denken we
daar niet meer aan? Zijn we, of liever, ben ik al te diep gezonken in de zielige kleinigheden
van deze tijd? Is er wel plaats en tijd in mijn hart?
Ja, Heer, ik geloof in U en ik geloof, dat U waarlijk opgestaan bent. Help me U voor ogen te
houden bij alles wat ik doe.
Vandaag werd de kerk voor het eerst weer geopend. Iedereen was er zo blij om! Eerst was er
een jeugddienst, zo verschrikkelijk vol, dat alle kinderen onder de 13 jaar naar huis gestuurd
moesten worden. Maar het was toch een fijne morgen.
's Middags een dienst voor ouderen. Mam is daar geweest.
* stuk van een ketella
** ketella = cassave
zaterdag 31 maart 2018
Jiddu Krishnamurti -- 1 april 1975
• Jiddu Krishnamurti (1895-1986) was een Indiase spiritueel leraar. Op latere leeftijd publiceerde hij een boekje met dagboeknotities.
1 april 1975
Zelfs op dit vroege uur in de ochtend was het verzengend heet. Er was geen zuchtje wind en geen blad bewoog. In de oude tempel was het koel en aangenaam; de blote voeten waren zich bewust van de platte, solide rotsen, hun vormen en oneffenheden. Vele duizenden mensen moesten duizenden jaren lang over ze hebben gelopen. Het was er donker na het eerste zonnegloren, in de wandelgangen bleken die ochtend maar weinig mensen te zijn en in de nauwe passage was het nog donkerder. De passage leidde naar een brede wandelgang die naar het binnenste heiligdom voerde. Er hing een sterke, eeuwenoude geur van bloemen en wierook. Een honderdtal brahmanen, fris gebaad, gehuld in schone witte lendedoeken, was aan het zingen. Sanskriet is een machtige taal, met een diepe resonans. De oude muren vibreerden, werden door het geluid van een honderdtal stemmen bijna aan het schudden gebracht. Het geluid was van een ongelooflijke waardigheid en de verhevenheid van het moment was met geen woorden te vatten. Het waren niet de woorden die het onmetelijke tot leven wekten, maar de diepte van het vele duizenden jaren oude geluid, dat deze muren omsloten hielden en de oneindige ruimte erachter. Het was niet de betekenis van deze woorden, noch de helderheid van hun uitspraak, noch de donkere schoonheid van de tempel, maar de kwaliteit van het geluid dat door de muren en de beperkingen van de menselijke geest heenbrak. Het lied van een vogel, een verre fluit, de wind door de bladeren, al deze dingen breken de muren die de mensen voor zichzelf hebben geschapen.
In de grote kathedralen en prachtige moskeeën, de gezangen en de recitatie van hun heilige boeken - is het het geluid dat het hart voor tranen en schoonheid gevoelig maakt. Zonder ruimte is er geen schoonheid; zonder ruimte heb je alleen muren en afmetingen; zonder ruimte is er geen diepte; zonder ruimte is er alleen armoede, innerlijk en uiterlijk. Je hebt zo weinig ruimte in je geest; het zit volgestopt met woorden, herinneringen, kennis, ervaringen en problemen. Er is nauwelijks ruimte over, er is alleen het eeuwig durende gekakel van gedachten. Op dezelfde wijze zijn de musea gevuld en elke plank met boeken. Overeenkomstig vul je plaatsen van amusement, religieus of anders. Je bouwt een muur om jezelf heen, een kleine ruimte van ellende en pijn. Zonder ruimte, innerlijk of uiterlijk, word je gewelddadig en lelijk.
Alles heeft ruimte nodig om te leven, te spelen en te zingen. Dat wat heilig is, kan niet zonder ruimte bestaan. Je hebt geen ruimte als je je vastklampt, als er verdriet is, als je je het middelpunt van het universum voelt. De ruimte die je inneemt is de ruimte die het denken om je heen heeft geschapen en dat is ellende en verwarring. De ruimte waarin het denken meet is de scheiding tussen jou en mij, wij en zij. De scheiding is eindeloze pijn. Er staat een eenzame boom op een uitgestrekt, groen, open veld.
1 april 1975
Zelfs op dit vroege uur in de ochtend was het verzengend heet. Er was geen zuchtje wind en geen blad bewoog. In de oude tempel was het koel en aangenaam; de blote voeten waren zich bewust van de platte, solide rotsen, hun vormen en oneffenheden. Vele duizenden mensen moesten duizenden jaren lang over ze hebben gelopen. Het was er donker na het eerste zonnegloren, in de wandelgangen bleken die ochtend maar weinig mensen te zijn en in de nauwe passage was het nog donkerder. De passage leidde naar een brede wandelgang die naar het binnenste heiligdom voerde. Er hing een sterke, eeuwenoude geur van bloemen en wierook. Een honderdtal brahmanen, fris gebaad, gehuld in schone witte lendedoeken, was aan het zingen. Sanskriet is een machtige taal, met een diepe resonans. De oude muren vibreerden, werden door het geluid van een honderdtal stemmen bijna aan het schudden gebracht. Het geluid was van een ongelooflijke waardigheid en de verhevenheid van het moment was met geen woorden te vatten. Het waren niet de woorden die het onmetelijke tot leven wekten, maar de diepte van het vele duizenden jaren oude geluid, dat deze muren omsloten hielden en de oneindige ruimte erachter. Het was niet de betekenis van deze woorden, noch de helderheid van hun uitspraak, noch de donkere schoonheid van de tempel, maar de kwaliteit van het geluid dat door de muren en de beperkingen van de menselijke geest heenbrak. Het lied van een vogel, een verre fluit, de wind door de bladeren, al deze dingen breken de muren die de mensen voor zichzelf hebben geschapen.
In de grote kathedralen en prachtige moskeeën, de gezangen en de recitatie van hun heilige boeken - is het het geluid dat het hart voor tranen en schoonheid gevoelig maakt. Zonder ruimte is er geen schoonheid; zonder ruimte heb je alleen muren en afmetingen; zonder ruimte is er geen diepte; zonder ruimte is er alleen armoede, innerlijk en uiterlijk. Je hebt zo weinig ruimte in je geest; het zit volgestopt met woorden, herinneringen, kennis, ervaringen en problemen. Er is nauwelijks ruimte over, er is alleen het eeuwig durende gekakel van gedachten. Op dezelfde wijze zijn de musea gevuld en elke plank met boeken. Overeenkomstig vul je plaatsen van amusement, religieus of anders. Je bouwt een muur om jezelf heen, een kleine ruimte van ellende en pijn. Zonder ruimte, innerlijk of uiterlijk, word je gewelddadig en lelijk.
Alles heeft ruimte nodig om te leven, te spelen en te zingen. Dat wat heilig is, kan niet zonder ruimte bestaan. Je hebt geen ruimte als je je vastklampt, als er verdriet is, als je je het middelpunt van het universum voelt. De ruimte die je inneemt is de ruimte die het denken om je heen heeft geschapen en dat is ellende en verwarring. De ruimte waarin het denken meet is de scheiding tussen jou en mij, wij en zij. De scheiding is eindeloze pijn. Er staat een eenzame boom op een uitgestrekt, groen, open veld.
vrijdag 30 maart 2018
Anne Frank -- 31 maart 1944
• Anne Frank (1929-1945) was een Joods meisje dat na haar dood bekend is geworden door het dagboek (Het achterhuis) dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam.Vrijdag, 31 Maart 1944
Lieve Kitty,
Stel je voor, het is nog tamelijk koud, maar de meeste mensen zitten al ongeveer een maand lang zonder kolen, plezierig hè! De stemming in het algemeen is weer optimistisch voor het Russische front, want dat is geweldig! Ik schrijf wel niet veel over de politiek, maar waar ze nu staan moet ik je toch even mededelen, ze staan vlak voor het Generaal-Gouvernement en bij Roemenië aan de Proeth. Vlak bij Odessa staan ze. Hier wachten ze elke avond op een extra communiqué van Stalin. In Moskou schieten ze zoveel saluutschoten af, dat de stad elke dag wel dreunen moet; of ze het nu leuk vinden om te doen of de oorlog weer in de buurt is, of dat ze geen andere manier weten om hun vreugde te uiten, ik weet het niet!
Hongarije is door Duitse troepen bezet, daar zijn nog een millioen Joden, die zullen er nu ook wel aangaan.
Het geklets over Peter en mij is een beetje bedaard. Wij zijn erge goede vrienden, veel bij elkaar en praten over alle mogelijke onderwerpen. Het is zo fijn, dat ik me nooit moet inhouden zoals bij andere jongens het geval zou zijn, als we op précair gebied komen.
Mijn leven hier is beter geworden, veel beter. God heeft mij niet alleen gelaten en zal me niet alleen laten.
Je Anne.
Zaterdag, 1 April 1944
Lieve Kitty,
En toch is alles nog zo moeilijk, je weet zeker wel wat ik bedoel, hé? Ik verlang zo ontzettend naar een kus, de kus die zo lang uitblijft. Zou hij mij aldoor nog als een kameraad beschouwen? Ben ik dan niet méér?
Jij weet en ik weet, dat ik sterk ben, dat ik de meeste lasten wel alleen kan dragen. Ik ben het nooit gewend geweest mijn lasten met iemand te delen, aan mijn moeder heb ik me nooit vastgeklemd, maar nu zou ik zo graag eens mijn hoofd tegen zijn schouder leggen en alleen maar rustig zijn.
Ik kan niet, kan nooit de droom van Peters wang vergeten, toen alles, alles zo goed was! Zou hij niet ook daarnaar verlangen? Zou hij alleen maar te verlegen zijn om zijn liefde te bekennen? Waarom wil hij mij zo vaak bij zich hebben? O, waarom spreekt hij niet?
Laat me ophouden, laat me rustig zijn, ik zal me wel sterk houden en met wat geduld zal dat andere ook wel komen, maar ... en dat is het erge, het ziet er zo erg naar uit of ik hem naloop, altijd moet ik naar boven, niet hij gaat naar mij.
Maar dat ligt aan de kamers en hij begrijpt dat bezwaar wel.
O ja, hij zal wel meer begrijpen.
Je Anne.
Lieve Kitty,
Stel je voor, het is nog tamelijk koud, maar de meeste mensen zitten al ongeveer een maand lang zonder kolen, plezierig hè! De stemming in het algemeen is weer optimistisch voor het Russische front, want dat is geweldig! Ik schrijf wel niet veel over de politiek, maar waar ze nu staan moet ik je toch even mededelen, ze staan vlak voor het Generaal-Gouvernement en bij Roemenië aan de Proeth. Vlak bij Odessa staan ze. Hier wachten ze elke avond op een extra communiqué van Stalin. In Moskou schieten ze zoveel saluutschoten af, dat de stad elke dag wel dreunen moet; of ze het nu leuk vinden om te doen of de oorlog weer in de buurt is, of dat ze geen andere manier weten om hun vreugde te uiten, ik weet het niet!
Hongarije is door Duitse troepen bezet, daar zijn nog een millioen Joden, die zullen er nu ook wel aangaan.
Het geklets over Peter en mij is een beetje bedaard. Wij zijn erge goede vrienden, veel bij elkaar en praten over alle mogelijke onderwerpen. Het is zo fijn, dat ik me nooit moet inhouden zoals bij andere jongens het geval zou zijn, als we op précair gebied komen.
Mijn leven hier is beter geworden, veel beter. God heeft mij niet alleen gelaten en zal me niet alleen laten.
Je Anne.
Zaterdag, 1 April 1944
Lieve Kitty,
En toch is alles nog zo moeilijk, je weet zeker wel wat ik bedoel, hé? Ik verlang zo ontzettend naar een kus, de kus die zo lang uitblijft. Zou hij mij aldoor nog als een kameraad beschouwen? Ben ik dan niet méér?
Jij weet en ik weet, dat ik sterk ben, dat ik de meeste lasten wel alleen kan dragen. Ik ben het nooit gewend geweest mijn lasten met iemand te delen, aan mijn moeder heb ik me nooit vastgeklemd, maar nu zou ik zo graag eens mijn hoofd tegen zijn schouder leggen en alleen maar rustig zijn.
Ik kan niet, kan nooit de droom van Peters wang vergeten, toen alles, alles zo goed was! Zou hij niet ook daarnaar verlangen? Zou hij alleen maar te verlegen zijn om zijn liefde te bekennen? Waarom wil hij mij zo vaak bij zich hebben? O, waarom spreekt hij niet?
Laat me ophouden, laat me rustig zijn, ik zal me wel sterk houden en met wat geduld zal dat andere ook wel komen, maar ... en dat is het erge, het ziet er zo erg naar uit of ik hem naloop, altijd moet ik naar boven, niet hij gaat naar mij.
Maar dat ligt aan de kamers en hij begrijpt dat bezwaar wel.
O ja, hij zal wel meer begrijpen.
Je Anne.
Michel Leiris -- 30 maart 1940
• In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989 van de Franse schrijver Michel Leiris (1901-1990) is geen dagboek in de eigenlijke zin: het is een plakboek, plaats voor schrijfoefeningen en opzetjes, een notitieboekje voor faits divers. vragen over dood en verval vormen een rode draad. Over zijn liefdesrelatie met de Algerijnse prostituee Khadidja schrijft hij ook uitvoerig in zijn La Règle du jeu.
Maart 1940
Khadidja bent Maamar Chachour, geboren in Algiers, leeftijd 23 jaar.
[…] De hoge vlucht die haar tederheid neemt, haar lust in het overstelpen met gaven, in het overladen met kleine attenties, in het bescherming bieden. De ‘stengel gepijpt’, het uiteindelijke klaarkomen – in de lakens – juist op de woorden ‘twintig franc’ van een discussie over de betaling.[...]
Diarree ’s nachts. Zij komt regelmatig naar de plee om te vragen: Wat doe je daar?’ Nog een andere keer pissen we samen.
‘Ik had je voor een soldaat tweede klas gehouden.’
Het sterrenbeeld Orion, gezien vanuit de boot.
[..] Haar grote geopende geslachtsdeel, waarin ik mij laat opslokken. Nadat er een zeer lange tijd is verstreken, lijk ik diep in haar wat spiersamentrekkingen te bemerken die het bewijs kunnen zijn dat zij niet gevoelloos is. Maar kort daarna houdt mijn erectie op... De coïtus zal pas de volgende ochtend – omstreeks 5 uur – herhaald worden tot aan mijn klaarkomen.
Het Arabische liedje dat Khadidja zingt bij het oversteken van de binnenplaats om de flessen bier te gaan halen waarvoor zij mij het geld afhandig heeft kunnen maken: het leek een oorlogsdeuntje, een overwinningslied. Het doet me denken aan sommige trotse liederen uit de zar-bezweringen.
De Nereïde van de Rode Zee, of liever nog: de engel de doods, dat wil zeggen Judith met de tederheden van Lucretia.
Vertaling: Michel van Nieuwstadt
Maart 1940
Khadidja bent Maamar Chachour, geboren in Algiers, leeftijd 23 jaar.
[…] De hoge vlucht die haar tederheid neemt, haar lust in het overstelpen met gaven, in het overladen met kleine attenties, in het bescherming bieden. De ‘stengel gepijpt’, het uiteindelijke klaarkomen – in de lakens – juist op de woorden ‘twintig franc’ van een discussie over de betaling.[...]
Diarree ’s nachts. Zij komt regelmatig naar de plee om te vragen: Wat doe je daar?’ Nog een andere keer pissen we samen.
‘Ik had je voor een soldaat tweede klas gehouden.’
Het sterrenbeeld Orion, gezien vanuit de boot.
[..] Haar grote geopende geslachtsdeel, waarin ik mij laat opslokken. Nadat er een zeer lange tijd is verstreken, lijk ik diep in haar wat spiersamentrekkingen te bemerken die het bewijs kunnen zijn dat zij niet gevoelloos is. Maar kort daarna houdt mijn erectie op... De coïtus zal pas de volgende ochtend – omstreeks 5 uur – herhaald worden tot aan mijn klaarkomen.
Het Arabische liedje dat Khadidja zingt bij het oversteken van de binnenplaats om de flessen bier te gaan halen waarvoor zij mij het geld afhandig heeft kunnen maken: het leek een oorlogsdeuntje, een overwinningslied. Het doet me denken aan sommige trotse liederen uit de zar-bezweringen.
De Nereïde van de Rode Zee, of liever nog: de engel de doods, dat wil zeggen Judith met de tederheden van Lucretia.
Vertaling: Michel van Nieuwstadt
woensdag 28 maart 2018
August Willemsen -- 29 maart 1991
• August Willemsen (1936-2007) was schrijver en vertaler. Eind 1990 kwam hij ten val en brak zijn heup. Zijn revalidatieperiode (en alcoholisme) beschrijft hij in De val.
Vrijdag 29 maart
Is het pietluttige onverdraagzaamheid van mij of onverschilligheid van de anderen, dat zij almaar en overal roken en ik me daaraan erger? Ik zeg 'overal' omdat dat ook de plaatsen impliceert waar het niet mag of hoort. Zeker, met een gapende deuropening tussen de rokershuiskamer (waar geen tv is) en de niet-rokershuiskamer (waar de tv staat waar uiteraard ook de rokers naar willen kijken) maakt het niets uit waar gerookt wordt. Toch kan ik het, al was het maar om het principe, niet uitstaan, dat in de nietrokershuiskamer doodgemoedereerd wordt gepaft, dat er 's morgens volle asbakken staan, dat het anti-rookvignetje achteloos wordt genegeerd, dat dus de rook ook hangt in de gang, in de keuken, en op het eind van de avond, als iedereen thuis is, ramen en deuren dicht zijn en allen zitten te roken, zelfs door de kieren van de gesloten deur op de slaapzaal komt.
Het zijn altijd de mensen die iets doen (roken, radio of tv aanzetten) die last bezorgen aan mensen die niets doen, die zich, in lichamelijke en akoestische zin, stil houden. Tenzij 'niets doen' de meer actieve betekenis heeft van 'iets niet doen', 'nalaten', zoals de slaapkamerdeur niet achter je kont dichtdoen. Omdat nogal wat mensen dat deden, heb ik eergisteren een papier op de deur geplakt met de woorden DEUR DICHT. Dat had binnen een minuut een heel eigenaardig gevolg. Saïd kwam uit de badkamer, zag het papier, en voor ik iets meer kon roepen dan 'Hé hé, what are you doing?' scheurde hij het papier van de deur en maakte dat hij wegkwam. Ik er achteraan, maar hij was al de bosjes in. Vijf minuten later kwam hij terug en plakte het papier weer op de deur. Ik vroeg hem weer waarom hij dat gedaan had, maar hij zei niets anders dan I'm sorry, I'm sorry.' Volgens Elise was het een gevangenistrauma. Mogelijk.
Is het, nogmaals, overgevoeligheid of pietluttigheid van mij (ik moet nu gauw ophouden) dat ik een lichte irritatie niet kan onderdrukken bij het zien van pies in de wc-pot of haren in de wasbak? Ik dicht mezelf een behoorlijk aanpassingsvermogen toe. Ik eet overal wat des lands is, besef dat het eten hier weliswaar niet mijn eigen eten, maar niettemin zeer goed is, weet dat hygiënische standaarden naar de evenaar toe lager worden, leg me neer bij het feit dat dit geen wereldberoemd ziekenhuis maar een provinciaal en met geldgebrek en personeelstekort kampend hersteloord is waar de bedden niet elke dag maar eens per week worden verschoond, al die dingen, maar hier zijn we hier, ik bedoel dat, wanneer ik die typische derde-wereldgewoonte zie van de wc niet doortrekken wanneer je 'slechts' gepiest hebt, ik niet kan nalaten de vraag te stellen: 'Wat voor moeite is het de wc door te trekken?' Of: 'Wat voor moeite is het je haren uit de wasbak te spoelen?' Nu ja, op Mar na is vanmiddag iedereen gevlucht voor de Mattäus Passion, dus daar heb ik rustig naar kunnen luisteren, wat zal ik verder zeuren. Ik begin pas nu iets van de opluchting te merken die ik gisteren had moeten voelen.
Vrijdag 29 maart
Is het pietluttige onverdraagzaamheid van mij of onverschilligheid van de anderen, dat zij almaar en overal roken en ik me daaraan erger? Ik zeg 'overal' omdat dat ook de plaatsen impliceert waar het niet mag of hoort. Zeker, met een gapende deuropening tussen de rokershuiskamer (waar geen tv is) en de niet-rokershuiskamer (waar de tv staat waar uiteraard ook de rokers naar willen kijken) maakt het niets uit waar gerookt wordt. Toch kan ik het, al was het maar om het principe, niet uitstaan, dat in de nietrokershuiskamer doodgemoedereerd wordt gepaft, dat er 's morgens volle asbakken staan, dat het anti-rookvignetje achteloos wordt genegeerd, dat dus de rook ook hangt in de gang, in de keuken, en op het eind van de avond, als iedereen thuis is, ramen en deuren dicht zijn en allen zitten te roken, zelfs door de kieren van de gesloten deur op de slaapzaal komt.
Het zijn altijd de mensen die iets doen (roken, radio of tv aanzetten) die last bezorgen aan mensen die niets doen, die zich, in lichamelijke en akoestische zin, stil houden. Tenzij 'niets doen' de meer actieve betekenis heeft van 'iets niet doen', 'nalaten', zoals de slaapkamerdeur niet achter je kont dichtdoen. Omdat nogal wat mensen dat deden, heb ik eergisteren een papier op de deur geplakt met de woorden DEUR DICHT. Dat had binnen een minuut een heel eigenaardig gevolg. Saïd kwam uit de badkamer, zag het papier, en voor ik iets meer kon roepen dan 'Hé hé, what are you doing?' scheurde hij het papier van de deur en maakte dat hij wegkwam. Ik er achteraan, maar hij was al de bosjes in. Vijf minuten later kwam hij terug en plakte het papier weer op de deur. Ik vroeg hem weer waarom hij dat gedaan had, maar hij zei niets anders dan I'm sorry, I'm sorry.' Volgens Elise was het een gevangenistrauma. Mogelijk.
Is het, nogmaals, overgevoeligheid of pietluttigheid van mij (ik moet nu gauw ophouden) dat ik een lichte irritatie niet kan onderdrukken bij het zien van pies in de wc-pot of haren in de wasbak? Ik dicht mezelf een behoorlijk aanpassingsvermogen toe. Ik eet overal wat des lands is, besef dat het eten hier weliswaar niet mijn eigen eten, maar niettemin zeer goed is, weet dat hygiënische standaarden naar de evenaar toe lager worden, leg me neer bij het feit dat dit geen wereldberoemd ziekenhuis maar een provinciaal en met geldgebrek en personeelstekort kampend hersteloord is waar de bedden niet elke dag maar eens per week worden verschoond, al die dingen, maar hier zijn we hier, ik bedoel dat, wanneer ik die typische derde-wereldgewoonte zie van de wc niet doortrekken wanneer je 'slechts' gepiest hebt, ik niet kan nalaten de vraag te stellen: 'Wat voor moeite is het de wc door te trekken?' Of: 'Wat voor moeite is het je haren uit de wasbak te spoelen?' Nu ja, op Mar na is vanmiddag iedereen gevlucht voor de Mattäus Passion, dus daar heb ik rustig naar kunnen luisteren, wat zal ik verder zeuren. Ik begin pas nu iets van de opluchting te merken die ik gisteren had moeten voelen.
maandag 26 maart 2018
Marcel Jouhandeau -- 27 maart 1963
• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Uit de 28 delen van zijn dagboek ontstaat het beeld van een leven vol tegenstellingen: mystiek en nuchterheid, goed en kwaad, genotzucht en smart, onbarmhartige spot en inlevingsvermogen. Zijn huwelijk met de danseres Élise is "een van de grote slechte huwelijken uit de wereldliteratuur". Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein (vertaling: Hepzibah Kousbroek).
Maart 1963
Ik heb het volgende bemerkt: hoezeer mensen van de hoge bourgeoisie en de aristocratie een onaangename 1ucht verspreiden. De oudere dames het meest, maar jongemannen en jongedames doen er niet voor onder. Is het omdat men van goede stand en beschaafd denkt te zijn, dat men zich minder wast, of is het omdat het vlees uit een oud geslacht een beetje adellijk moet zijn? Daar schuilt toch iets heel vreemds in, dat de moeite van het vermelden waard is. Gisteren heeft een rijke weduwe die er werkelijk vorstelijk uitzag, in een gouden jurk, het haar in een netje van Griekse tule, grootmoeder van negenentwintig kleinkinderen, mijn uithoudingsvermogen zeer op de proef gesteld. Ik stond achter de fauteuil waarin ze zat. De walm die uit haar decolleté een aanval op mijn neus deed liet mijn hoofd voor een ogenblik tollen. Ik dacht te zullen stikken.
Het lijkt me dat een slecht bedoelende criticus, als hij zich de moeite getroostte, zou kunnen bewijzen hoe men van Mauriac tot mij, en via Green, Montherlant en Peyrefitte, te maken heeft met ongeveer een zelfde personage, dat gehoor heeft gegeven aan verschillende richtlijnen, welke een min of meer gunstige ontwikkeling hadden op de ontplooiing van zijn talent en zijn schijnheiligheid.
Maart 1963
Ik heb het volgende bemerkt: hoezeer mensen van de hoge bourgeoisie en de aristocratie een onaangename 1ucht verspreiden. De oudere dames het meest, maar jongemannen en jongedames doen er niet voor onder. Is het omdat men van goede stand en beschaafd denkt te zijn, dat men zich minder wast, of is het omdat het vlees uit een oud geslacht een beetje adellijk moet zijn? Daar schuilt toch iets heel vreemds in, dat de moeite van het vermelden waard is. Gisteren heeft een rijke weduwe die er werkelijk vorstelijk uitzag, in een gouden jurk, het haar in een netje van Griekse tule, grootmoeder van negenentwintig kleinkinderen, mijn uithoudingsvermogen zeer op de proef gesteld. Ik stond achter de fauteuil waarin ze zat. De walm die uit haar decolleté een aanval op mijn neus deed liet mijn hoofd voor een ogenblik tollen. Ik dacht te zullen stikken.
Het lijkt me dat een slecht bedoelende criticus, als hij zich de moeite getroostte, zou kunnen bewijzen hoe men van Mauriac tot mij, en via Green, Montherlant en Peyrefitte, te maken heeft met ongeveer een zelfde personage, dat gehoor heeft gegeven aan verschillende richtlijnen, welke een min of meer gunstige ontwikkeling hadden op de ontplooiing van zijn talent en zijn schijnheiligheid.
zondag 25 maart 2018
Lodewijk van Deyssel -- 26 maart 1934
• Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een Nederlandse schrijver. Hij hield geen dagboek bij maar schreef wel veel dagboekachtige notities. Over zijn verkoudheid bijvoorbeeld.
• Portret: Jan Veth.
Verkoudheids-aanteekeningen
[26 maart 1934] In 't algemeen denkt en spreekt men te oppervlakkig over verkoudheid. Na een ongesteldheod van ongeveer acht dagen is nu juist de Koningin-Moeder der Nederlanden aan een verkoudheid, althands aan een gevatte koude die den vorm van bronchitis aannam, overleden.
Of er een goed boek over verkoudheid bestaat, kan men wellicht te weten komen door, voor die afdeeling geabonneerd zijnde, boeken over verkoudheid, of de lijst daarvan, aan te vragen bij de Koninklijke Bibliotheek te 's Hage.
De huidige verkoudheid van patiënt Alberdingk Thijm [zijn echte naam, Van Deyssel is een pseudoniem] heeft geduurd van en met 20 Februari tot en met 23 Maart, dat is 32 dagen. Den 23en Maart aan het ontbijt had hij de laatste hoestbui. In den nacht van 22 op 23 Maart hoorde hij het laatst geluiden ter hoogte van de borst, in het midden. Hij had zich voorgenomen niet uit te gaan voor zich gedurende 48 uur geen verkoudheidsverschijnsel had voorgedaan. In den ochtend van 26 Maart (heden) overkwam hem een zeer gering hoestje, heel even; maar tóén constateerde hij nog eenige gevoeligheid van die borst-plaats. Hij heeft zich toen voorgenomen het kamer houden niet 48, doch 96 uur te doen duren na het uitblijven der groote verschijnselen.
Het is jammer, dat de verkoudheidswetenschap niet verder gevorderd is. De arts van een Koning of Koningin moest weten, nauwkeurig wéten, of die bepaalde persoon, van dat gestel, van dien leeftijd, in dien toestand (b.v. toestand van een zekeren graad van verhitheid na het verblijf van eenige uren in een zaal met een temperatuur van een bepaald aantal graden) al of niet in een open, of half open, of voor een kwart open, wagen zonder hinder door de 'avondlucht' kan gaan. Het is denkbaar, dat men een dergelijk instrument als een koortsthermometer zoude hebben en dat men daar op kon nazien of men al of niet onbewegelijk blijvende door een zekere weersgesteldheid heen zich kan verplaatsen.
De patiënt Alberdingk Thijm heeft kou gevat naar gissing op 20 Februari. Want dit wéét hij zelfs niet zéker. Hij wéét, dat hij in den avond van 19 Februari heeft aangezeten aan een maaltijd, waarbij wijnen gebruikt werden, en dus omstreeks iou.30, toen hij, naar hij meent, te voet huiswaards is gegaan, een zekeren graad van verhitheid had bereikt. Hij wéét, verder, dat er niets 'bizonders' is gebeurd, namelijk, dat hij honderden malen in juist de zelfde omstandigheid heeft verkeerd zonder ook maar in 't minst kou te hebben gevat. Hij meent, dat hij 20 Februari, en dus niet 19 Februari, heeft kou gevat, om dat hij meent, dat hij 20, of zelfs 21, Februari nog is uit geweest in onverkouden toestand. Verder weet hij, dat hij vóór 20 Februari in zeer langen tijd, misschien wel een jaar, niet had kou gevat, ofschoon hij in dien tijd dikwijls in de zelfde omstandigheid was geweest als op 19 Februari. (De rheumatiek-aanvallen van Maart en Augustus van het vorig jaar rekent hij niet bij de verkoudheden.)
In Maart krijgen wij rheumatiek door de zelfde werking in de natuur als die Kneipp doet aanbevelen om, als hygiënische maatregel, vooral, blootsvoets, in de sneeuw van Maart te loopen, ofte trappen. Door dat de natuur dan weer ontbot, is er van den bodem uit een opstijging van dampen, van* koude vochtigheden, van doordringende kilheden in de lucht, die in prikkelend insnijdende scherpte door geen latere geëvenaard wordt, die in het geheele jaar alleen dan voorkomt. Daardoor ook heeft de sneeuw een jeugdige buitensporige frischheid.
kruyerij), wanneer namelijk de brief gericht is aan een maatschappelijk en zedelijk behoorlijk levend mensch.
»Met alle hoogachting« beteekent óok een vluchtiger heengaan over deze waardeerings-betuiging aan een briefeinde. Het beteekent: »eerder het omgekeerd daarvan willende aanwenden dan nadrukkelijkheid en betee-kenis van termen uitkomen doende manieren, bij mijn groet, zeg ik je goeden-dag«.- »Of ik je hoogacht? Ja, natuurlijk, ik acht je natuurlijk hoog, zoo als men iedereen hoogacht. Neen neen, met alle hoogachting, hoor!«
Er is nog een verschil van anderen aard als hetgeen uitkomt bij toetsing deze»" uitdrukkingen aan het gebruik in de samenleving, tusschen »zeer geachte« en »hoog geachte« heer, namelijk hetgeen blijkt bij overweging der verhouding tusschen het eerste en het tweede woord in deze woordenparen.
Bij »zeer geachte« geeft namelijk het eerste woord de mate der achting aan, terwijl bij »hoog geachte« het bijvoeglijk-naamwoord niet betrekking heeft op de achting maar op den geachtten, althands, anders als bij »zeer«, dit kan hebben.
»Zeer geacht« beteekent: ik acht u met ongewoon veel achting, »hoog geacht« beteekent: gij zijt voor mij een hoogstaand persoon.
[deel 1 hier, en deel 2 en deel 3]
• Portret: Jan Veth.
Verkoudheids-aanteekeningen
[26 maart 1934] In 't algemeen denkt en spreekt men te oppervlakkig over verkoudheid. Na een ongesteldheod van ongeveer acht dagen is nu juist de Koningin-Moeder der Nederlanden aan een verkoudheid, althands aan een gevatte koude die den vorm van bronchitis aannam, overleden.
Of er een goed boek over verkoudheid bestaat, kan men wellicht te weten komen door, voor die afdeeling geabonneerd zijnde, boeken over verkoudheid, of de lijst daarvan, aan te vragen bij de Koninklijke Bibliotheek te 's Hage.
De huidige verkoudheid van patiënt Alberdingk Thijm [zijn echte naam, Van Deyssel is een pseudoniem] heeft geduurd van en met 20 Februari tot en met 23 Maart, dat is 32 dagen. Den 23en Maart aan het ontbijt had hij de laatste hoestbui. In den nacht van 22 op 23 Maart hoorde hij het laatst geluiden ter hoogte van de borst, in het midden. Hij had zich voorgenomen niet uit te gaan voor zich gedurende 48 uur geen verkoudheidsverschijnsel had voorgedaan. In den ochtend van 26 Maart (heden) overkwam hem een zeer gering hoestje, heel even; maar tóén constateerde hij nog eenige gevoeligheid van die borst-plaats. Hij heeft zich toen voorgenomen het kamer houden niet 48, doch 96 uur te doen duren na het uitblijven der groote verschijnselen.
Het is jammer, dat de verkoudheidswetenschap niet verder gevorderd is. De arts van een Koning of Koningin moest weten, nauwkeurig wéten, of die bepaalde persoon, van dat gestel, van dien leeftijd, in dien toestand (b.v. toestand van een zekeren graad van verhitheid na het verblijf van eenige uren in een zaal met een temperatuur van een bepaald aantal graden) al of niet in een open, of half open, of voor een kwart open, wagen zonder hinder door de 'avondlucht' kan gaan. Het is denkbaar, dat men een dergelijk instrument als een koortsthermometer zoude hebben en dat men daar op kon nazien of men al of niet onbewegelijk blijvende door een zekere weersgesteldheid heen zich kan verplaatsen.
De patiënt Alberdingk Thijm heeft kou gevat naar gissing op 20 Februari. Want dit wéét hij zelfs niet zéker. Hij wéét, dat hij in den avond van 19 Februari heeft aangezeten aan een maaltijd, waarbij wijnen gebruikt werden, en dus omstreeks iou.30, toen hij, naar hij meent, te voet huiswaards is gegaan, een zekeren graad van verhitheid had bereikt. Hij wéét, verder, dat er niets 'bizonders' is gebeurd, namelijk, dat hij honderden malen in juist de zelfde omstandigheid heeft verkeerd zonder ook maar in 't minst kou te hebben gevat. Hij meent, dat hij 20 Februari, en dus niet 19 Februari, heeft kou gevat, om dat hij meent, dat hij 20, of zelfs 21, Februari nog is uit geweest in onverkouden toestand. Verder weet hij, dat hij vóór 20 Februari in zeer langen tijd, misschien wel een jaar, niet had kou gevat, ofschoon hij in dien tijd dikwijls in de zelfde omstandigheid was geweest als op 19 Februari. (De rheumatiek-aanvallen van Maart en Augustus van het vorig jaar rekent hij niet bij de verkoudheden.)
In Maart krijgen wij rheumatiek door de zelfde werking in de natuur als die Kneipp doet aanbevelen om, als hygiënische maatregel, vooral, blootsvoets, in de sneeuw van Maart te loopen, ofte trappen. Door dat de natuur dan weer ontbot, is er van den bodem uit een opstijging van dampen, van* koude vochtigheden, van doordringende kilheden in de lucht, die in prikkelend insnijdende scherpte door geen latere geëvenaard wordt, die in het geheele jaar alleen dan voorkomt. Daardoor ook heeft de sneeuw een jeugdige buitensporige frischheid.
kruyerij), wanneer namelijk de brief gericht is aan een maatschappelijk en zedelijk behoorlijk levend mensch.
»Met alle hoogachting« beteekent óok een vluchtiger heengaan over deze waardeerings-betuiging aan een briefeinde. Het beteekent: »eerder het omgekeerd daarvan willende aanwenden dan nadrukkelijkheid en betee-kenis van termen uitkomen doende manieren, bij mijn groet, zeg ik je goeden-dag«.- »Of ik je hoogacht? Ja, natuurlijk, ik acht je natuurlijk hoog, zoo als men iedereen hoogacht. Neen neen, met alle hoogachting, hoor!«
Er is nog een verschil van anderen aard als hetgeen uitkomt bij toetsing deze»" uitdrukkingen aan het gebruik in de samenleving, tusschen »zeer geachte« en »hoog geachte« heer, namelijk hetgeen blijkt bij overweging der verhouding tusschen het eerste en het tweede woord in deze woordenparen.
Bij »zeer geachte« geeft namelijk het eerste woord de mate der achting aan, terwijl bij »hoog geachte« het bijvoeglijk-naamwoord niet betrekking heeft op de achting maar op den geachtten, althands, anders als bij »zeer«, dit kan hebben.
»Zeer geacht« beteekent: ik acht u met ongewoon veel achting, »hoog geacht« beteekent: gij zijt voor mij een hoogstaand persoon.
[deel 1 hier, en deel 2 en deel 3]
Abonneren op:
Posts (Atom)







