• Toos Urselmann (1905-1993) uit Venlo hield tijdens de oorlog een dagboek bij.
1 Maart
2de dag van de Novene tot St. Jozef. `t Was een zeer onrustige
nacht. Granaten, trommelvuur enz., hielden ons aaneen wakker. Na de
gewone bezigheden is `t 4 uur in de middag als Mère Heléne komt zeggen,
dat de evacuees uit Kaldekerken zijn gestuurd en dat de Tommie's inaantocht zijn. We schrokken niet, maar geloofden ook niet. Maar opeens
komt een kogelregen over de stad. De mensen uit de buurt kwamen net, om
met de zusters, `t H. Uur te gaan houden, als opeens de mare door `t huis
dreunt. De Amerikaanse tanks komen in groote getale de berg af en heus `t
is werkelijkheid. Achterop een groote oranje vaan, vóór angstige loerende
blikken van bestuurders en bemanning De mensen joelden en wuifden.
Allengs kregen de bevrijders meer moed en onze Duitse soldaten stonden
onder aanvoering van de Stabsarts klaar voor overgave. Maar opeens komt
er een salvo Duits geschut. Een tank wordt rond gedraaid en een vuurzee
brak los. Ook `t klooster kreeg een vuurproef. Mère Prieure bleef uiterst
kalm en verzoekt ons allen naar de kelder te gaan. De nieuwsgierigen,
waaronder ook o.g., konden niet besluiten en wachten in de gang `t verloop
af. Verschillende kogels vlogen `t onschuldige klooster binnen. Ook vier in
Moeders tijdelijke logeerkamer. Al gauw was de tegenstand gebroken en
rolden pantserwagens en tanks prijkend met een groote ster bergafwaarts.
Na een hele bezetting van de Kaldenkerkerweg kwamen wagens met de
Infanterie. Heel spontaan deelden de soldaten hun cigaretten met de
Venlosche jongens. Ik moest lachen, dat men zich allemaal inspande om iets
te verstaan van de brabbeltaal der negers en Amerikanen [de meeste Venloënaren hadden nog nooit een neger gezien]. 2 Vliegers
kwamen de stad overzien. De jongens vroegen aan de soldaten of dat
Tommies waren: yes, friends!! Kostelijk was `t hoe opeens de straat vol
mensen was. Opeens was `t uit met onderduiken. De mannen waren dan ook
`t meest entousiast. Mere Clara was de tolk bij de Tommie's en Duitse
soldaten. Aandoenlijk was `t aan te zien hoe onze Stabarts z'n revolver in
handen der "vijanden" lag. Als dank kreeg hij een Engelse cigaret. Wat
jammer, dat die broederschap aanhoudend gestoord wordt door zoo'n
wreede oorlog. Jammer, dat een dappere Duitser, die nog even tegen wilde
sputteren, ernstig gewond raakte. Zwaar gewond werd hij hier in `t lazaret
gebracht, maar de dokter geeft geen hoop meer. Ook werd een huisgezin,
vader, moeder en 2 zoons, binnengebracht. Alle 4 gewond in de huiskamer.
Na 7 uur zijn de gevechten in de stad nog niet gestaakt. We zien in de verte
een groote brand. Dank St Jozef en alle Heiligen, dat we bevrijd zijn van de
evacuatie. Heer zegen hen die ronddolen. Morgen is `t eerste vrijdag. `t
Front davert zoo, waarom zal dat zijn???
dinsdag 28 februari 2017
maandag 27 februari 2017
Rustend zakenvrouw, 53 jaar Kazerne-gevangenis Apeldoorn -- 28 februari 1945
• Rustend zakenvrouw, 53 jaar
Kazerne-gevangenis Apeldoorn . Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
28 Februari 1945
- Al gauw had ik, misschien doordat ik zoo volkomen rustig en kalm was m'n eigen plaats daar. Je vindt gauw de menschen die je aantrekken. Ik zal verschillenden niet vergeten, en één van de eersten is zuster Miep v d Grind. Dat was zoo'n prettige figuur, op de zaal en we hebben veel samengewerkt. Ze was 30, geen kameroudste, maar zij regelde alles goed en zakelijk. Ze had de menschen gauw door, maar was een zegen voor allen. We hebben later wel eens tegen elkaar gezegd, ‘Zouden we daarom hier moeten zijn om de menschen te kunnen helpen’. Tegen ieder was ze vriendelijk, maar had er ook de wind onder, wie t ook was. Ze kamde onze haren als ze bang was voor ongedierte en verzorgde de 3 weermachtsmeisjes toen ze schurft hadden even hartelijk.
De eerste Zondag kwam Rie Waterink om 9 uur bij me en vroeg of ik misschien een wijdingswoord zou willen spreken. t Viel me koud op t lijf, zoo zonder voorbereiding. ‘Oma’ zou t dolgraag hebben, ik zocht in t bijbeltje en besloot te spreken over ‘Doet dan aan de wapenrusting Gods’. Begon met gezang, daarna bijbellezing, gebed, wijdingswoord 15 a 20 min., gebed, gezang. Alles uit t hoofd, maar t ging, omdat ik de oogen zoo vol vertrouwen en verlangen op me zag gericht. Meest geref. en geref. bonders en rechts Hervormden hadden ze hun kerkgang en daarmee hun Zondag zoo gemist. Oma bedankte me zoo hartelijk, nu was t weer Zondag geweest.
Toen heb ik t iedere Zondag gedaan. We gaan vanmiddag (t ging toen op de middag om zuster Miep en Jannetje die 's morgens ook de kamers van de wacht moesten doen) naar de kerk zeiden ze de volgende Zondagen. k Was soms bang dat ik niet een tekst zou kunnen vinden, maar als ik s nachts wakker lag kwam de tekst plots en dan maakte ik de heele preek ook in m'n gedachten klaar. De 2de sprak over ik Ps. 103: Loofden Heer mijn ziel en vergeet nooit eén van zijn weldaden. 3de keer, De Samaritaansche Vrouw aan de Bron, die haar werk liet staan om een oogenblik te luisteren naar de vreemdeling.
4de over 1 Kor. 13. t Slot, zoo zij dan Geloof, Hoop en Liefde, maar de meeste van deze is de Liefde. En over de Liefde juist de liefde tot de menschheid heb ik t gehad. De 2de Zondag heb ik s morgens gezongen, de 3de nadat we samen verschillende psalmen en gezangen gezongen hadden ‘Als God mijn God maar voor mij is’ en de 4de ‘God roept ons broeders tot de daad’. De weken daar heb ik aan geestelijke kracht gewonnen wat ik aan lichamelijke verspeelde, 'k zou er nog weken hebben willen werken enzou t niet hebben willen missen. De 1ste Dinsdag (30 Jan.) kwam Riek de Lange bij me om te vragen of ik het avondgebed wilde uitspreken, ze hadden er zoo'n behoefte aan. Na aarzeling beloofde ik het na de avondboterham te doen. kZag et wel tegen op maar de meeste avonden kwamen de woorden als van zelf en als er iets voorgevallen was of ik had moeilijkheden gehoord of gezien, dan kon ik dat in t gebed verwerken. Zuster Miep en ik bespraken dikwijls samen de stukken die gelezen zouden worden.
Door dit alles kwam ik nader tot de vrouwen, kreeg hun vertrouwen en probeerde ze te helpen en al gauw ging ik iedere avond van bed tot bed, daar een woord en daar een zoen gevend. Corrie van der Hage een schat van een meisje zei de laatste avond. ‘Weet U waar U nu op lijkt Mevrouw? Op Florence Nigtinghale.’ Dat leek wel wat erg hoog, maar ze bedoelde t zoo echt. Lien-Corrie-Janny-Rika, Annie, Nettie, och geen van die jonge meisjes zal ik vergeten, evenmin als de ouderen. Wat maakten we samen plannen ‘als we eens plots allemaal vrij kwamen’. De berichten kwamen behoorlijk door en we bleven optimistisch gestemd.
28 Februari 1945
- Al gauw had ik, misschien doordat ik zoo volkomen rustig en kalm was m'n eigen plaats daar. Je vindt gauw de menschen die je aantrekken. Ik zal verschillenden niet vergeten, en één van de eersten is zuster Miep v d Grind. Dat was zoo'n prettige figuur, op de zaal en we hebben veel samengewerkt. Ze was 30, geen kameroudste, maar zij regelde alles goed en zakelijk. Ze had de menschen gauw door, maar was een zegen voor allen. We hebben later wel eens tegen elkaar gezegd, ‘Zouden we daarom hier moeten zijn om de menschen te kunnen helpen’. Tegen ieder was ze vriendelijk, maar had er ook de wind onder, wie t ook was. Ze kamde onze haren als ze bang was voor ongedierte en verzorgde de 3 weermachtsmeisjes toen ze schurft hadden even hartelijk.
De eerste Zondag kwam Rie Waterink om 9 uur bij me en vroeg of ik misschien een wijdingswoord zou willen spreken. t Viel me koud op t lijf, zoo zonder voorbereiding. ‘Oma’ zou t dolgraag hebben, ik zocht in t bijbeltje en besloot te spreken over ‘Doet dan aan de wapenrusting Gods’. Begon met gezang, daarna bijbellezing, gebed, wijdingswoord 15 a 20 min., gebed, gezang. Alles uit t hoofd, maar t ging, omdat ik de oogen zoo vol vertrouwen en verlangen op me zag gericht. Meest geref. en geref. bonders en rechts Hervormden hadden ze hun kerkgang en daarmee hun Zondag zoo gemist. Oma bedankte me zoo hartelijk, nu was t weer Zondag geweest.
Toen heb ik t iedere Zondag gedaan. We gaan vanmiddag (t ging toen op de middag om zuster Miep en Jannetje die 's morgens ook de kamers van de wacht moesten doen) naar de kerk zeiden ze de volgende Zondagen. k Was soms bang dat ik niet een tekst zou kunnen vinden, maar als ik s nachts wakker lag kwam de tekst plots en dan maakte ik de heele preek ook in m'n gedachten klaar. De 2de sprak over ik Ps. 103: Loofden Heer mijn ziel en vergeet nooit eén van zijn weldaden. 3de keer, De Samaritaansche Vrouw aan de Bron, die haar werk liet staan om een oogenblik te luisteren naar de vreemdeling.
4de over 1 Kor. 13. t Slot, zoo zij dan Geloof, Hoop en Liefde, maar de meeste van deze is de Liefde. En over de Liefde juist de liefde tot de menschheid heb ik t gehad. De 2de Zondag heb ik s morgens gezongen, de 3de nadat we samen verschillende psalmen en gezangen gezongen hadden ‘Als God mijn God maar voor mij is’ en de 4de ‘God roept ons broeders tot de daad’. De weken daar heb ik aan geestelijke kracht gewonnen wat ik aan lichamelijke verspeelde, 'k zou er nog weken hebben willen werken enzou t niet hebben willen missen. De 1ste Dinsdag (30 Jan.) kwam Riek de Lange bij me om te vragen of ik het avondgebed wilde uitspreken, ze hadden er zoo'n behoefte aan. Na aarzeling beloofde ik het na de avondboterham te doen. kZag et wel tegen op maar de meeste avonden kwamen de woorden als van zelf en als er iets voorgevallen was of ik had moeilijkheden gehoord of gezien, dan kon ik dat in t gebed verwerken. Zuster Miep en ik bespraken dikwijls samen de stukken die gelezen zouden worden.
Door dit alles kwam ik nader tot de vrouwen, kreeg hun vertrouwen en probeerde ze te helpen en al gauw ging ik iedere avond van bed tot bed, daar een woord en daar een zoen gevend. Corrie van der Hage een schat van een meisje zei de laatste avond. ‘Weet U waar U nu op lijkt Mevrouw? Op Florence Nigtinghale.’ Dat leek wel wat erg hoog, maar ze bedoelde t zoo echt. Lien-Corrie-Janny-Rika, Annie, Nettie, och geen van die jonge meisjes zal ik vergeten, evenmin als de ouderen. Wat maakten we samen plannen ‘als we eens plots allemaal vrij kwamen’. De berichten kwamen behoorlijk door en we bleven optimistisch gestemd.
zondag 26 februari 2017
Studente M.O., 20 jaar - Gevangenis Doetinchem -- 27 februari 1945
• Studente M.O., 20 jaar - Gevangenis Doetinchem. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
Dinsdag 27 Februari 1945
- Soms moet je zo hard worstelen tegen dat verlangen naar vrije natuur, naar open lucht, naar wijde, lichte ruimte om je heen.
Je zit onafgebroken tussen de vier muren achter matglas en binnen in je voel je razend bruisen, je eigen onstuimige jeugd, die ze je nooit af kunnen nemen. Je zou willen uitvliegen, rennen, draven, dwars door de natuur heen, om dan, eindelijk wat tot rust gekomen, stil te staan en diep te genieten en God intens te danken voor de gave der Vrijheid. O, wat moeten alle mensen, die nu nog in de buitenwereld zijn en vrij uit kunnen gaan, toch enorm dankbaar zijn. Maar ze weten niet wat ze bezitten, wat ze iedere dag opnieuw weer krijgen.
Vóór het begin van dit hoofdstuk van mijn leven wist ik het ook niet. Wat zal ik doen als ik eindelijk weer vrij zal zijn? Allerlei plannen heb ik bedacht, maar hoe zal de werkelijkheid zijn?? Er kan zoveel veranderd zijn in de tijd, dat ik hier zit! Wat hebben ze thuis weer meegemaakt met bombardementen? Ja, worstelen moet je tegen je verlangens, je gedachten, de drang naar een beetje Moederliefde, naar de warmte van de allerbeste vriendin, die, God weet waar, zit onder het zoete juk der Tommies, als ze er tenminste nog is! Naar het stralende voorbeeld van een Mère, waar je zo enorm veel van houdt. Wat is een mens in deze omstandigheden toch nog rijk in zijn mooie herinneringen, die hij diep in zich meedraagt en waar hij in de stilte van zijn ziel van kan genieten! En wat kunnen je de mensen waar je zoveel van houdt, toch nog veel geven, al zijn ze onbereikbaar ver weg. Eigenlijk, als je aan mensen in 't algemeen denkt, aan den mens als hoogst en waardigst object van de Schepping, na de Engelen natuurlijk, dan moet je allen voor je zien, die goede, zichzelf totaal wegcijferende, liefde-uitstralende mensen, zoals ik ze zelf ook ken, want zó heeft God den mens bedoeld; als iets heel hoogs, iets heel edels. En die rotte, verworden massa, die louter voor zichzelf en zijn zinnelijke genoegens leeft, o, laat ik er niet naar kijken! Ik voel me nog zo jong en ongeschonden en vol heilige idealen! En tussen die twee klassen staat een derde categorie, die misschien de grootste is, ik weet 't niet! 't Zijn degenen, die niet 99% liefde zijn, want die zijn er zo heel weinig, maar die toch goed willen. Ja, dat zal toch wel de grootste groep zijn. Egoïsme en opoffering dooreengestrengeld! Wat ben ik een eind afgedwaald! Maar 't heeft me goed gedaan! Het heeft de personen en het ideaal, die ik in stilte overal met me meedraag, nog dichterbij me gebracht. - Worstelen moet je steeds door, om niet onder te gaan in je schrijnende verlangens!
Ik genoot vanmiddag toch zó: 1½ uur voor het ruitje gestaan en gekeken naar al dat jonge frisse leven, daarbuiten. De katjes aan de bomen zijn al zo ver, overal botten de jonge blaadjes uit. Een paard draaft door de wei, een lijster hipt door de dorre blâren van het vorig jaar; een klein meisje, blozend, en een grote roze strik in het haar huppelt voorbij! 't Is alles zo zonnig en jong ... daar buiten!!
Woensdag 28 Februari
- Twee maanden zit ik vandaag! Hoeveel zullen er nog volgen? Op een bevrijding zonder Tommies reken ik niet meer. Ze zullen me tot 't eind toe vasthouden. Als ik met de Goede Week en Pasen maar thuis ben! Zal Maart de bevrijding brengen?
[lees verder]
Dinsdag 27 Februari 1945
- Soms moet je zo hard worstelen tegen dat verlangen naar vrije natuur, naar open lucht, naar wijde, lichte ruimte om je heen.
Je zit onafgebroken tussen de vier muren achter matglas en binnen in je voel je razend bruisen, je eigen onstuimige jeugd, die ze je nooit af kunnen nemen. Je zou willen uitvliegen, rennen, draven, dwars door de natuur heen, om dan, eindelijk wat tot rust gekomen, stil te staan en diep te genieten en God intens te danken voor de gave der Vrijheid. O, wat moeten alle mensen, die nu nog in de buitenwereld zijn en vrij uit kunnen gaan, toch enorm dankbaar zijn. Maar ze weten niet wat ze bezitten, wat ze iedere dag opnieuw weer krijgen.
Vóór het begin van dit hoofdstuk van mijn leven wist ik het ook niet. Wat zal ik doen als ik eindelijk weer vrij zal zijn? Allerlei plannen heb ik bedacht, maar hoe zal de werkelijkheid zijn?? Er kan zoveel veranderd zijn in de tijd, dat ik hier zit! Wat hebben ze thuis weer meegemaakt met bombardementen? Ja, worstelen moet je tegen je verlangens, je gedachten, de drang naar een beetje Moederliefde, naar de warmte van de allerbeste vriendin, die, God weet waar, zit onder het zoete juk der Tommies, als ze er tenminste nog is! Naar het stralende voorbeeld van een Mère, waar je zo enorm veel van houdt. Wat is een mens in deze omstandigheden toch nog rijk in zijn mooie herinneringen, die hij diep in zich meedraagt en waar hij in de stilte van zijn ziel van kan genieten! En wat kunnen je de mensen waar je zoveel van houdt, toch nog veel geven, al zijn ze onbereikbaar ver weg. Eigenlijk, als je aan mensen in 't algemeen denkt, aan den mens als hoogst en waardigst object van de Schepping, na de Engelen natuurlijk, dan moet je allen voor je zien, die goede, zichzelf totaal wegcijferende, liefde-uitstralende mensen, zoals ik ze zelf ook ken, want zó heeft God den mens bedoeld; als iets heel hoogs, iets heel edels. En die rotte, verworden massa, die louter voor zichzelf en zijn zinnelijke genoegens leeft, o, laat ik er niet naar kijken! Ik voel me nog zo jong en ongeschonden en vol heilige idealen! En tussen die twee klassen staat een derde categorie, die misschien de grootste is, ik weet 't niet! 't Zijn degenen, die niet 99% liefde zijn, want die zijn er zo heel weinig, maar die toch goed willen. Ja, dat zal toch wel de grootste groep zijn. Egoïsme en opoffering dooreengestrengeld! Wat ben ik een eind afgedwaald! Maar 't heeft me goed gedaan! Het heeft de personen en het ideaal, die ik in stilte overal met me meedraag, nog dichterbij me gebracht. - Worstelen moet je steeds door, om niet onder te gaan in je schrijnende verlangens!
Ik genoot vanmiddag toch zó: 1½ uur voor het ruitje gestaan en gekeken naar al dat jonge frisse leven, daarbuiten. De katjes aan de bomen zijn al zo ver, overal botten de jonge blaadjes uit. Een paard draaft door de wei, een lijster hipt door de dorre blâren van het vorig jaar; een klein meisje, blozend, en een grote roze strik in het haar huppelt voorbij! 't Is alles zo zonnig en jong ... daar buiten!!
Woensdag 28 Februari
- Twee maanden zit ik vandaag! Hoeveel zullen er nog volgen? Op een bevrijding zonder Tommies reken ik niet meer. Ze zullen me tot 't eind toe vasthouden. Als ik met de Goede Week en Pasen maar thuis ben! Zal Maart de bevrijding brengen?
[lees verder]
Charles 'Chick' Bruns -- 25 februari 1945
• De Amerikaan Charles Francis 'Chick' Bruns (1919-?) vocht als soldaat in Europa tijdens WO II. Hij hield in die tijd een dagboek bij.
February 23, 1945 – Friday
Took a lot of salvage down and turned it in. Kept myself busy all day and Zirkel and I went to the show up town. Came home and wrote a letter and went to bed. Haven’t been feeling a bit good lately.
February 24, 1945 – Saturday
Finished up my books this morning and took a run down to the battalion to pick up some stuff. There is a dance for the company tonight. Don’t know how it will turn out.
February 25, 1945 – Sunday
The dance turned out pretty good all though I didn’t stay long. I have yellow jaundice [geelzucht] and I don’t feel very well. Should go to the hospital. If I don’t feel any better tomorrow I will.
February 26, 1945 – Monday
Well, I felt plenty tough today so I’m going to the hospital. Don’t know how long I will stay. Went over to the Bn Medics and they sent me on to the 3rd Medics. From there I went to the 173rd General Hospital (Nancy, France). Filled out all of my blanks and went up to Ward D-1 room 306. Took off all my clothes, put on pajamas and crawled into bed. The doctor came in and looked me over. Went to sleep as I felt rough.
February 27, 1945 – Tuesday
Boy, but they wake you early. 5:30 they woke us up to wash and get ready to eat breakfast. I couldn’t eat much. The doctor came in and looked me over. Said that I would go on a special diet. Stayed in bed all day.
February 23, 1945 – Friday
Took a lot of salvage down and turned it in. Kept myself busy all day and Zirkel and I went to the show up town. Came home and wrote a letter and went to bed. Haven’t been feeling a bit good lately.
February 24, 1945 – Saturday
Finished up my books this morning and took a run down to the battalion to pick up some stuff. There is a dance for the company tonight. Don’t know how it will turn out.
February 25, 1945 – Sunday
The dance turned out pretty good all though I didn’t stay long. I have yellow jaundice [geelzucht] and I don’t feel very well. Should go to the hospital. If I don’t feel any better tomorrow I will.
February 26, 1945 – Monday
Well, I felt plenty tough today so I’m going to the hospital. Don’t know how long I will stay. Went over to the Bn Medics and they sent me on to the 3rd Medics. From there I went to the 173rd General Hospital (Nancy, France). Filled out all of my blanks and went up to Ward D-1 room 306. Took off all my clothes, put on pajamas and crawled into bed. The doctor came in and looked me over. Went to sleep as I felt rough.
February 27, 1945 – Tuesday
Boy, but they wake you early. 5:30 they woke us up to wash and get ready to eat breakfast. I couldn’t eat much. The doctor came in and looked me over. Said that I would go on a special diet. Stayed in bed all day.
woensdag 22 februari 2017
Anneliese Stöbis-- 23 februari 1945
• Anneliese Stöbis (1915-1966) was een Duitse huisvrouw. In de periode 1944-1946 hield ze een dagboek bij.
16. Febr. Solange Krieg ist, haben wir noch nicht so einen Tag erlebt wie heute. Wir saßen im Bunker. Der Bunker war ganz voll Menschen. Auf einmal dröhnte es furchtbar, dass einem Hören und Sehen verging und der Staub wirbelte hoch, jeder dachte, nun ist das leben zu Ende. Als wir aus dem Bunker heraus kamen war die ganze Luft graublau vor lauter Pulverstaub. Kurz darauf erfuhren wir, dass der Bahnhof einen Volltreffer bekommen hatte. Mehrere Bauernhäuser wurden vernichtet und Masten und Drähte bildeten ein wildes Durcheinander. Mehrere Häuser in der Bahnhofstraße haben keine Scheiben mehr und die Gardinen hängen zerrissen davor. An der Bahn ist der Güterschuppen, die Wohnung des Gastwirtes und das Stellwerk vollständig vernichtet. Die Feindflugzeuge kamen ziemlich tief, dass man sie gut zählen konnte. Plötzlich stand genau über uns ein Angriffszeichen und im nächsten Augenblick war die Hölle los. Über uns wurden die bomben ausgeklinkt und das Ziel war die Bahnstrekke. 30 – 40 Flugzeuge warfen ihre hier an der Bahn ab. Sie bombardierten an dem Tage die Bahnstrecke von Rheine bis Münster aber nur in gewissen Abständen. Der Angriff dauerte drei bis fünf Minuten. Bei den Bauern musste viel Vieh abgeschlachtet werden. Mittags um 2 Uhr war der Angriff und etliche Stunden danach kamen die Tiefflieger und schossen hier herum. An dem Tage konnten die Menschen alle nicht mehr arbeiten vor Aufregung. Es war auch entsetzlich. Der Herr hat unseren ort bewahrt, denn es ist nicht einer zu Tode gekommen. Wir danken unserem Herrn und Heiland für seine wunderbare Bewahrung. Er hat seine schützende Hand über uns gehalten, damit uns kein Leid geschehen konnte. – Die Bahnstrecke wurde kaum getroffen denn am gleichen Tag fuhr schon wieder ein Zug von Münster nach Rheine.
19. Febr. Wir waren lange im Bunker. Über Emsdetten standen mehrere Angriffszeichen. Wahrscheinlich sind die Bomben zwischen Emsdetten und Mesum gefallen. Auch wurde Münster angegriffen. In der Nacht zum 20. Febr. wurde am Gemeindehaus tüchtig geklopft und gebollert. Auf einmal schrie ein Mann der extra aus A kam: „Hier brennt Licht.“ Ich bin gleich aus dem Bett gesprungen und sah zu meinem entsetzen, das der Saal (Gemeindesaal der evangelischen Kirche) hell erleuchtet war. Kurz darauf war Alarm und die Feindflugzeuge kamen an. Welch großes Unglück hat dieser Mann verhütet. - Heute haben wir unsere Gans geschlachtet.
20.2. Heute Abend war 3 Mal Vollalarm. Ein Mal waren wir im Bunker, da viele Flugzeuge über uns wegkamen. In der Nacht mussten wir wieder in den Bunker. Eine Unmenge Bomber flogen über uns weg. 21. Febr. Wieder ein schrecklicher Tag. Von morgens bis abends Alarm und von Abends bis nachts. Den ganze Tag flogen die Tiefflieger, auch ab und zu Bomberverbände. Öfter schossen die Flieger hier an der Bahn. Wir waren mehrere Male im Bunker. Um 20 ½ Uhr war ein Großangriff auf den Kanal. Wir saßen mit Angst und Zittern im Bunker. Eine sehr große Zahl Leuchtkugeln standen am Himmel. Es war schaurig anzusehen. Jetzt ist es Mitternacht und noch immer krachen die Zeitzünder, so dass die Scheiben zittern. Vorhin war wieder Vollalarm. Da kam Industriegebiet an die Reihe. Es ging furchtbar daher.
22. Febr. Den ganzen Tag waren die Flieger hier. Tiefflieger haben an der Bahn geschossen und zwar auf eine Lokomotive. Der Zugführer und der Heizer waren leicht verletzt. Bei Sprakel haben die Tiefflieger ein Fuhrwerk beschossen. Ein Pole war tot, auch zwei Pferde. Unendlich viel Verbände flogen in der Ferne. Heute Abend ging ich hinaus. Ich hörte ein Flugzeug und wollte sehen was draußen los ist. Im nächsten Augenblick höre ich eine Bombe (Luftmine) pfeifen. Ich warf mich schnell auf die Erde und im nächsten Moment krachte es ganz fürchterlich. Es war eine Luftmine, die hinter B gefallen war. Viele Fensterscheiben mussten in Reckenfeld dran glauben.
23. u. 24. Febr. Den ganzen Tag Alarm. Viel Verbände kamen hier drüber weg geflogen und die Tiefflieger konnten sich nicht mehr von Reckenfeld trennen. Geschossen haben sie wenig.
25. Febr. (Sonntag) Als wir noch im Bett lagen kamen schon die Tiefflieger an. In der Ferne schossen sie fürchterlich. Das war immer eins hin und her, eine tolle Kreiserei. Zwei sind abgeschossen worden.
16. Febr. Solange Krieg ist, haben wir noch nicht so einen Tag erlebt wie heute. Wir saßen im Bunker. Der Bunker war ganz voll Menschen. Auf einmal dröhnte es furchtbar, dass einem Hören und Sehen verging und der Staub wirbelte hoch, jeder dachte, nun ist das leben zu Ende. Als wir aus dem Bunker heraus kamen war die ganze Luft graublau vor lauter Pulverstaub. Kurz darauf erfuhren wir, dass der Bahnhof einen Volltreffer bekommen hatte. Mehrere Bauernhäuser wurden vernichtet und Masten und Drähte bildeten ein wildes Durcheinander. Mehrere Häuser in der Bahnhofstraße haben keine Scheiben mehr und die Gardinen hängen zerrissen davor. An der Bahn ist der Güterschuppen, die Wohnung des Gastwirtes und das Stellwerk vollständig vernichtet. Die Feindflugzeuge kamen ziemlich tief, dass man sie gut zählen konnte. Plötzlich stand genau über uns ein Angriffszeichen und im nächsten Augenblick war die Hölle los. Über uns wurden die bomben ausgeklinkt und das Ziel war die Bahnstrekke. 30 – 40 Flugzeuge warfen ihre hier an der Bahn ab. Sie bombardierten an dem Tage die Bahnstrecke von Rheine bis Münster aber nur in gewissen Abständen. Der Angriff dauerte drei bis fünf Minuten. Bei den Bauern musste viel Vieh abgeschlachtet werden. Mittags um 2 Uhr war der Angriff und etliche Stunden danach kamen die Tiefflieger und schossen hier herum. An dem Tage konnten die Menschen alle nicht mehr arbeiten vor Aufregung. Es war auch entsetzlich. Der Herr hat unseren ort bewahrt, denn es ist nicht einer zu Tode gekommen. Wir danken unserem Herrn und Heiland für seine wunderbare Bewahrung. Er hat seine schützende Hand über uns gehalten, damit uns kein Leid geschehen konnte. – Die Bahnstrecke wurde kaum getroffen denn am gleichen Tag fuhr schon wieder ein Zug von Münster nach Rheine.
19. Febr. Wir waren lange im Bunker. Über Emsdetten standen mehrere Angriffszeichen. Wahrscheinlich sind die Bomben zwischen Emsdetten und Mesum gefallen. Auch wurde Münster angegriffen. In der Nacht zum 20. Febr. wurde am Gemeindehaus tüchtig geklopft und gebollert. Auf einmal schrie ein Mann der extra aus A kam: „Hier brennt Licht.“ Ich bin gleich aus dem Bett gesprungen und sah zu meinem entsetzen, das der Saal (Gemeindesaal der evangelischen Kirche) hell erleuchtet war. Kurz darauf war Alarm und die Feindflugzeuge kamen an. Welch großes Unglück hat dieser Mann verhütet. - Heute haben wir unsere Gans geschlachtet.
20.2. Heute Abend war 3 Mal Vollalarm. Ein Mal waren wir im Bunker, da viele Flugzeuge über uns wegkamen. In der Nacht mussten wir wieder in den Bunker. Eine Unmenge Bomber flogen über uns weg. 21. Febr. Wieder ein schrecklicher Tag. Von morgens bis abends Alarm und von Abends bis nachts. Den ganze Tag flogen die Tiefflieger, auch ab und zu Bomberverbände. Öfter schossen die Flieger hier an der Bahn. Wir waren mehrere Male im Bunker. Um 20 ½ Uhr war ein Großangriff auf den Kanal. Wir saßen mit Angst und Zittern im Bunker. Eine sehr große Zahl Leuchtkugeln standen am Himmel. Es war schaurig anzusehen. Jetzt ist es Mitternacht und noch immer krachen die Zeitzünder, so dass die Scheiben zittern. Vorhin war wieder Vollalarm. Da kam Industriegebiet an die Reihe. Es ging furchtbar daher.
22. Febr. Den ganzen Tag waren die Flieger hier. Tiefflieger haben an der Bahn geschossen und zwar auf eine Lokomotive. Der Zugführer und der Heizer waren leicht verletzt. Bei Sprakel haben die Tiefflieger ein Fuhrwerk beschossen. Ein Pole war tot, auch zwei Pferde. Unendlich viel Verbände flogen in der Ferne. Heute Abend ging ich hinaus. Ich hörte ein Flugzeug und wollte sehen was draußen los ist. Im nächsten Augenblick höre ich eine Bombe (Luftmine) pfeifen. Ich warf mich schnell auf die Erde und im nächsten Moment krachte es ganz fürchterlich. Es war eine Luftmine, die hinter B gefallen war. Viele Fensterscheiben mussten in Reckenfeld dran glauben.
23. u. 24. Febr. Den ganzen Tag Alarm. Viel Verbände kamen hier drüber weg geflogen und die Tiefflieger konnten sich nicht mehr von Reckenfeld trennen. Geschossen haben sie wenig.
25. Febr. (Sonntag) Als wir noch im Bett lagen kamen schon die Tiefflieger an. In der Ferne schossen sie fürchterlich. Das war immer eins hin und her, eine tolle Kreiserei. Zwei sind abgeschossen worden.
dinsdag 21 februari 2017
Erich Kästner -- 22 februari 1945
• Erich Kästner (1899-1974) was een Duitse schrijver. "Anfang 1945 gelang es ihm, mit einem Filmteam zu angeblichen Dreharbeiten nach Mayrhofen in Tirol zu reisen und dort das Kriegsende abzuwarten. Diese Zeit hielt er in einem 1961 unter dem Titel Notabene 45 veröffentlichten Tagebuch fest." Het boek is in het Nederlands vertaald door Jan Bert Kanon.
Berlijn, 22 februari 1945
Nog steeds geen bericht uit Dresden [van Kästner's ouders]! Ook niet van de familieleden uit Döbeln die ik een telegram had gestuurd. Ook niet van de legerkoerier die uit Dresden wordt terugverwacht en van Orthmann opdracht had gekregen in de Königsbrücker Straße te gaan kijken. Negen dagen zonder nieuws. En morgen ben ik jarig.
Het is begrijpelijk dat er duizend geruchten de ronde doen. Erich Ponto zou, om zichzelf in veiligheid te brengen, uit het raam zijn gesprongen en zijn benen hebben gebroken. Peter Widmann, die bezig was met een film, zou vermist zijn. Günther Lüders, die toevallig in Dresden was, zou Viktor de Kowa's moeder heelhuids naar buiten hebben gebracht.
Mijn deprimerende bedeltochten om iets schriftelijks en gestem-pelds op de kop te tikken, zijn jammerlijk mislukt. Ik wilde me langs de snelweg posteren om te proberen een lift naar Dresden te krijgen. Maar ik kreeg geen toestemming om Berlijn te verlaten. Alleen wie met documenten kon aantonen dat zijn familieleden schade aan lijf en goed hadden geleden, kreeg een dergelijke vergunning. En ik in het bijzonder, zei men, zou zelfs aan zulke documenten niets hebben. Want omdat ik als verboden schrijver niet bij een specifieke groep, Kamer of welke beroepsorganisatie dan ook hoor, mag niemand me de vereiste vrijgeleide verstrekken. En zonder die pas zou ik bij de eerste controlepost van de veldgendarmerie al worden aangehouden.
Berlijn, 27 februari 1945
Op de ochtend van de 23e februari - mijn verjaardag - kwam er eindelijk bericht! Twee brieven en twee briefkaarten, vuil en verkreukeld, in één keer! Dat was een verjaardagscadeau! Ze leven en zijn gezond en zelfs hun huis staat er nog. Omdat de ramen gesprongen zijn en de kamers onder het roet zitten en ijskoud zijn, slapen mijn ouders op de gang. Mama op de bank, papa op bijeengeschoven stoelen. Eten wordt uitgedeeld in de Löwenbrau. Ze vernikkelen van de kou. De koffers en het beddengoed liggen op de handkar in de kelder.
Met de kar stonden ze op 13 februari de hele nacht in de gang van een huis aan de overkant van de straat. Waarom aan de overkant? Ik ben er nog niet achter. Zouden er op de bovenste etages of naast hen inslagen zijn geweest? Tante Lina's villa aan de Albertplatz is uitgebrand. De bank is verwoest. Meesterslager Tischer en kruidenier Kletzsch zijn uit hun zaak gebombardeerd.
Gisteravond bracht Orthmanns koerier vreselijk nieuws. Dresden is weggevaagd. De zuigkracht van het vuur van het brandende Neue Rathaus heeft mensen die uit de Waisenhausstraße vluchtten dwars door de lucht de vlammen in gesleurd, alsof het motten en nachtvlinders waren. Anderen zijn, om zich in veiligheid te brengen, in de blusvijvers gesprongen, maar het water was kokendheet geweest en had hen als kreeften gestoomd. Tienduizenden lijken liggen tussen en onder het puin. En mijn ouders leven! Droefenis, woede en dankbaarheid botsen in mijn hart op elkaar. Als sneltreinen in de mist.
Romeinse generaals stortten zich, met de onvermijdelijke nederlaag voor ogen, in het uitgestoken zwaard. Zo'n zelfmoord door vreemde hand begaat het Derde Rijk. Het Derde Rijk helpt zichzelf om zeep. Maar het lijk heet Duitsland.
We zijn weer een paar dagen in L. Gisteren werden Schöneberg en de binnenstad zwaar getroffen, vooral Alexanderplatz, Seestraße, Müller-straße en Schlesinger Bahnhof. Hitler heeft de gouwleiders Koch en Hanke in Koningsbergen en Breslau via de radio bevolen 'het op hun zware post vol te houden tot hun definitieve zege'. Guben en Forst branden. Enkele transporten uit deze plaatsen en uit Kottbus zijn langs L. gekomen, andere zijn onderweg onderschept. Men heeft ze te laat laten vertrekken. Dat is niet alleen te wijten aan de bureaucratisering van de terugtocht, maar ook aan de ondeugdelijke poging de nederlaag door propaganda te versluieren. Propaganda is tot veel in staat. Ze kan de boel opfleuren. Ze is een kleurmiddel. Maar zodra ze zich aanmatigt de feiten te verdraaien, helpt ze de concurrentie. Dan wordt ze, zoals de volksmond het uitdrukt, 'antiganda'. Dan schminkt ze een ernstig zieke in plaats van een dokter te halen.
In L. moeten vluchtelingen worden ondergebracht. De inwoners verzetten zich. Met het geduld van de bevolking lijkt het bijna gedaan. Ook geamputeerden hoeven in trein en bus niet meer te rekenen op consideratie. Afschrikwekkende dreigementen halen niets meer uit. De mensen zijn er moe van. De angst is van richting veranderd. En het opgestuwde, niet langer te stuiten misnoegen treft de zwakken.
We hebben de eerste sneeuwklokjes geplukt. En de terugkerende spreeuwen vlogen in rumoerige formaties over onze hoofden. Lente en ondergang, zowel in de hemel als op aarde. Natuur en geschiedenis zijn het niet met elkaar eens en maken ruzie voor onze ogen. Hoe mooi zou het niet zijn om ook eens een lente van de geschiedenis te beleven! Maar het staat niet op onze kalender. De historische jaargetijden duren eeuwen en onze generatie leeft en sterft in het 'november van de nieuwe tijd'.
Berlijn, 22 februari 1945
Nog steeds geen bericht uit Dresden [van Kästner's ouders]! Ook niet van de familieleden uit Döbeln die ik een telegram had gestuurd. Ook niet van de legerkoerier die uit Dresden wordt terugverwacht en van Orthmann opdracht had gekregen in de Königsbrücker Straße te gaan kijken. Negen dagen zonder nieuws. En morgen ben ik jarig.
Het is begrijpelijk dat er duizend geruchten de ronde doen. Erich Ponto zou, om zichzelf in veiligheid te brengen, uit het raam zijn gesprongen en zijn benen hebben gebroken. Peter Widmann, die bezig was met een film, zou vermist zijn. Günther Lüders, die toevallig in Dresden was, zou Viktor de Kowa's moeder heelhuids naar buiten hebben gebracht.
Mijn deprimerende bedeltochten om iets schriftelijks en gestem-pelds op de kop te tikken, zijn jammerlijk mislukt. Ik wilde me langs de snelweg posteren om te proberen een lift naar Dresden te krijgen. Maar ik kreeg geen toestemming om Berlijn te verlaten. Alleen wie met documenten kon aantonen dat zijn familieleden schade aan lijf en goed hadden geleden, kreeg een dergelijke vergunning. En ik in het bijzonder, zei men, zou zelfs aan zulke documenten niets hebben. Want omdat ik als verboden schrijver niet bij een specifieke groep, Kamer of welke beroepsorganisatie dan ook hoor, mag niemand me de vereiste vrijgeleide verstrekken. En zonder die pas zou ik bij de eerste controlepost van de veldgendarmerie al worden aangehouden.
Berlijn, 27 februari 1945
Op de ochtend van de 23e februari - mijn verjaardag - kwam er eindelijk bericht! Twee brieven en twee briefkaarten, vuil en verkreukeld, in één keer! Dat was een verjaardagscadeau! Ze leven en zijn gezond en zelfs hun huis staat er nog. Omdat de ramen gesprongen zijn en de kamers onder het roet zitten en ijskoud zijn, slapen mijn ouders op de gang. Mama op de bank, papa op bijeengeschoven stoelen. Eten wordt uitgedeeld in de Löwenbrau. Ze vernikkelen van de kou. De koffers en het beddengoed liggen op de handkar in de kelder.
Met de kar stonden ze op 13 februari de hele nacht in de gang van een huis aan de overkant van de straat. Waarom aan de overkant? Ik ben er nog niet achter. Zouden er op de bovenste etages of naast hen inslagen zijn geweest? Tante Lina's villa aan de Albertplatz is uitgebrand. De bank is verwoest. Meesterslager Tischer en kruidenier Kletzsch zijn uit hun zaak gebombardeerd.
Gisteravond bracht Orthmanns koerier vreselijk nieuws. Dresden is weggevaagd. De zuigkracht van het vuur van het brandende Neue Rathaus heeft mensen die uit de Waisenhausstraße vluchtten dwars door de lucht de vlammen in gesleurd, alsof het motten en nachtvlinders waren. Anderen zijn, om zich in veiligheid te brengen, in de blusvijvers gesprongen, maar het water was kokendheet geweest en had hen als kreeften gestoomd. Tienduizenden lijken liggen tussen en onder het puin. En mijn ouders leven! Droefenis, woede en dankbaarheid botsen in mijn hart op elkaar. Als sneltreinen in de mist.
Romeinse generaals stortten zich, met de onvermijdelijke nederlaag voor ogen, in het uitgestoken zwaard. Zo'n zelfmoord door vreemde hand begaat het Derde Rijk. Het Derde Rijk helpt zichzelf om zeep. Maar het lijk heet Duitsland.
We zijn weer een paar dagen in L. Gisteren werden Schöneberg en de binnenstad zwaar getroffen, vooral Alexanderplatz, Seestraße, Müller-straße en Schlesinger Bahnhof. Hitler heeft de gouwleiders Koch en Hanke in Koningsbergen en Breslau via de radio bevolen 'het op hun zware post vol te houden tot hun definitieve zege'. Guben en Forst branden. Enkele transporten uit deze plaatsen en uit Kottbus zijn langs L. gekomen, andere zijn onderweg onderschept. Men heeft ze te laat laten vertrekken. Dat is niet alleen te wijten aan de bureaucratisering van de terugtocht, maar ook aan de ondeugdelijke poging de nederlaag door propaganda te versluieren. Propaganda is tot veel in staat. Ze kan de boel opfleuren. Ze is een kleurmiddel. Maar zodra ze zich aanmatigt de feiten te verdraaien, helpt ze de concurrentie. Dan wordt ze, zoals de volksmond het uitdrukt, 'antiganda'. Dan schminkt ze een ernstig zieke in plaats van een dokter te halen.
In L. moeten vluchtelingen worden ondergebracht. De inwoners verzetten zich. Met het geduld van de bevolking lijkt het bijna gedaan. Ook geamputeerden hoeven in trein en bus niet meer te rekenen op consideratie. Afschrikwekkende dreigementen halen niets meer uit. De mensen zijn er moe van. De angst is van richting veranderd. En het opgestuwde, niet langer te stuiten misnoegen treft de zwakken.
We hebben de eerste sneeuwklokjes geplukt. En de terugkerende spreeuwen vlogen in rumoerige formaties over onze hoofden. Lente en ondergang, zowel in de hemel als op aarde. Natuur en geschiedenis zijn het niet met elkaar eens en maken ruzie voor onze ogen. Hoe mooi zou het niet zijn om ook eens een lente van de geschiedenis te beleven! Maar het staat niet op onze kalender. De historische jaargetijden duren eeuwen en onze generatie leeft en sterft in het 'november van de nieuwe tijd'.
maandag 20 februari 2017
Kees Kokke -- 21 februari 1945
• Kees Kokke (1915-1985) was in de oorlog gemeentearchivaris van Venlo. Hij hield in die jaren een dagboek bij.
woensdag 21 februari 1945
Met [het probleem van de te lage opkomst bij] de Schanzerei is het afgelopen. Hedenmorgen om half elf verklaarde Hauptmann Brockmann, dat hij om half twaalf minstens honderd arbeiders moest hebben en dat deze door gemeentepolitie bijeen verzameld moesten worden. Daar dit echter werd geweigerd, daar wij als Nederlanders daaraan niet mogen medewerken, schakelde hij na een bespreking met Hauptmann Schneider, de Grüne Polizei in, die op de hertog Reinoudsingel tientallen mannen en vrouwen oppakten en op de hoek van de Stalberg verzamelde.
Toen er genoeg mannen waren, konden de vrouwen terug keren.
Begrijpelijkerwijze veroorzaakte deze razzia een grote consternatie en in een oogwenk waren alle straten leeg en verlaten. Ook enige leden van het gemeentepersoneel waren opgepakt en aan het graven gezet, ondanks het feit dat zij een gedrukte Bescheinigung [verklaring] van de burgemeester hadden, dat zij in gemeentedienst werkzaam waren. Echter losgelaten [door de Duitsers niet meer erkend].
In het algemeen moet elke man zeven meter loopgraaf maken. Hij kan er net zo lang over doen als hij wil. Is hij klaar dan kan hij echter naar huis gaan. Ze krijgen ’s middags warm eten, allerlei koude verzorging, waaronder 3.600 gram brood per dag, boter, suiker, jam, et cetera; [verder] fl. 2,50 per dag, vakarbeiders fl. 0,67 per uur.
Het evacuatiespook is vandaag ook weer eens opgedoken. Hauptmann Schneider liet circa twaalf uur in diverse straten aanzeggen dat de bewoners zich gereed moesten houden om morgen naar Waldniel te gaan ter evacuatie. Vreemd, daar er geen treinen zijn.
[SS-Oberführer] Leffler, [Leutnant] Bruckschen , [SS-Untersturmführer] Adam en Dings hedenmiddag op bezoek ter regeling van voedselvoorziening in Kaldenkirchen en Brüggen.
Kaldenkirchen om de andere dag door Venlo en Tegelen verzorgd.
LKW [vrachtwagen] zal om de ander dag rijden naar Kaldenkirchen en brood, boter en worst in Roermond halen voor Kaldenkirchen.
Leffler was van oordeel dat evacuatie van Venlo binnen drie à vier weken haar beslag gekregen zou hebben. Dat Venlo tot dan toe nog rust zou hebben. “Aber achten Sie darauf, Herr Burgermeister, das die Bevölkerung nicht einschlaft, und immer zum Evakuieren bereitsteht.”
woensdag 21 februari 1945
Met [het probleem van de te lage opkomst bij] de Schanzerei is het afgelopen. Hedenmorgen om half elf verklaarde Hauptmann Brockmann, dat hij om half twaalf minstens honderd arbeiders moest hebben en dat deze door gemeentepolitie bijeen verzameld moesten worden. Daar dit echter werd geweigerd, daar wij als Nederlanders daaraan niet mogen medewerken, schakelde hij na een bespreking met Hauptmann Schneider, de Grüne Polizei in, die op de hertog Reinoudsingel tientallen mannen en vrouwen oppakten en op de hoek van de Stalberg verzamelde.
Toen er genoeg mannen waren, konden de vrouwen terug keren.
Begrijpelijkerwijze veroorzaakte deze razzia een grote consternatie en in een oogwenk waren alle straten leeg en verlaten. Ook enige leden van het gemeentepersoneel waren opgepakt en aan het graven gezet, ondanks het feit dat zij een gedrukte Bescheinigung [verklaring] van de burgemeester hadden, dat zij in gemeentedienst werkzaam waren. Echter losgelaten [door de Duitsers niet meer erkend].
In het algemeen moet elke man zeven meter loopgraaf maken. Hij kan er net zo lang over doen als hij wil. Is hij klaar dan kan hij echter naar huis gaan. Ze krijgen ’s middags warm eten, allerlei koude verzorging, waaronder 3.600 gram brood per dag, boter, suiker, jam, et cetera; [verder] fl. 2,50 per dag, vakarbeiders fl. 0,67 per uur.
Het evacuatiespook is vandaag ook weer eens opgedoken. Hauptmann Schneider liet circa twaalf uur in diverse straten aanzeggen dat de bewoners zich gereed moesten houden om morgen naar Waldniel te gaan ter evacuatie. Vreemd, daar er geen treinen zijn.
[SS-Oberführer] Leffler, [Leutnant] Bruckschen , [SS-Untersturmführer] Adam en Dings hedenmiddag op bezoek ter regeling van voedselvoorziening in Kaldenkirchen en Brüggen.
Kaldenkirchen om de andere dag door Venlo en Tegelen verzorgd.
LKW [vrachtwagen] zal om de ander dag rijden naar Kaldenkirchen en brood, boter en worst in Roermond halen voor Kaldenkirchen.
Leffler was van oordeel dat evacuatie van Venlo binnen drie à vier weken haar beslag gekregen zou hebben. Dat Venlo tot dan toe nog rust zou hebben. “Aber achten Sie darauf, Herr Burgermeister, das die Bevölkerung nicht einschlaft, und immer zum Evakuieren bereitsteht.”
Abonneren op:
Posts (Atom)






