maandag 31 oktober 2016

Claire Goll -- 1 november 1919

• Claire Goll (1890–1977) was een Duits-Franse journaliste, schrijfster en dichteres, en echtgenote van de dichter Yvan Goll. Uit: Alles is ijdelheid (vertaald door Frans de Haan en Marianne Kaas).

[1 november 1919]
'Over drie weken heb je Picasso leren kennen,’ zei Yvan tegen me toen we op de ochtend van de eerste november 1919 in Parijs aankwamen.
Korte tijd later ontmoette ik Picasso inderdaad bij de kunsthandelaar Henry Kahnweüer.
Is dat nu Picasso?' vroeg ik.
Veel indruk maakte hij niet op me. Ik had gedacht een reus te zien, maar ik kwam tegenover een kleine, zwijgzame man, gekleed in een verschoten gabardine te staan. Alleen aan de magnetische blik in zijn ogen kon je zien dat je met een genie te doen had.
Mijn eerste dag in Parijs gaf me in kort bestek een totaalbeeld van het bestaan. Ik zag eerst in de tuin van het Luxembourg een voedster een kind de borst geven, toen een bruiloftsstoet die het stadhuis uitkwam, daarna een dronkemansruzie en ten slotte een kist op een lijkwagen die getrokken werd door vier paarden opgetuigd met dekens met zilveren sterren erop.
Tot aan het vallen van de nacht liepen we rond op zoek naar een goedkoop hotel. Ten slotte kwamen we terecht in een gribus in de rue Pigalle, wat je noemt een hol van snollen en souteneurs. De eerste nacht al werden we ruw uit onze slaap gewekt door een afschuwelijk gekrijs.
'Help! Help! Ze vermoorden me!'
Gewapend met een stoel rende Yvan de gang op. Hij hoefde zijn heldhaftigheid niet te bewijzen: een pooier gaf een tippelaarster een aframmeling, dat was alles...

zondag 30 oktober 2016

Hilde Bras -- 31 oktober 2012

• Hilde Bras is hoogleraar in Wageningen. In 2012 hield ze een week lang een dagboek bij voor De Jonge Akademie.

Dinsdag 30 oktober
Nadat ik de jongens naar school heb gebracht, heb ik eerst een uur rijles. Dat rijbewijs moet er nu maar eens komen, want de reis Culemborg-Nijmegen per trein is behoorlijk lang. Officieel werk ik vier dagen per week en is dinsdag mijn ‘vrije dag’. Maar in de praktijk lukt dat bijna nooit. Ook nu niet want de tijd dringt en die paper moet echt af. Dan krijg ik goed nieuws; ik ben aangenomen als co-editor in chief van The History of the Family: An International Quarterly, een belangrijk tijdschrift op mijn vakgebied. Dit is voor mij een nieuwe uitdaging die ik de komende jaren graag aanga. Een minder leuk bericht is dat het paper dat ik met een collega van de VU ter publicatie had aangeboden, eerst herwerkt moet worden voor men het verder in behandeling neemt. We hadden het paper eerst bij een ander tijdschrift aangeboden maar daar was het na zes maanden nog niet naar referenten doorgestuurd. We nemen nogmaals contact op met het tijdschrift van onze eerste keuze. En dan is het al weer drie uur en ga ik snel de jongens van school halen, naar pianoles met de jongste en vroeg koken om op tijd te zijn voor de voetbaltraining van de oudste. Het lukt me net niet om het paper helemaal af te krijgen, dus ik stuur het zonder conclusies naar de discussiant in de VS.

Woensdag 31 oktober
’s Morgens breng ik de jongens naar school, pak mijn koffertje in en vertrek richting Schiphol. Vanuit de trein regel ik nog snel de ‘fotoshoot’ voor onze onderzoeksgroep die volgende week wordt gemaakt voor een publiciteitscampagne van de faculteit. Ik vlieg samen met Yuliya, een van de promovendi in mijn VIDI-project over de invloed van familie op de daling van het kindertal in Europa vanaf 1850. Yuliya is een antropologe uit de Oekraïne; verder zijn de socioloog Bastian uit Duitsland en de historicus en econoom Paul binnen het project werkzaam. Het werken in een interdisciplinair team is inspirerend en leerzaam. We bestrijken samen zowel de historische als de hedendaagse periode en combineren kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar familienetwerken en vruchtbaarheid. Ik had me voorgenomen in het vliegtuig een presentatie te maken voor mijn lezing van zondag, maar de ruimte voor een laptop blijkt beperkt. Luisterend naar muziek, denk ik alvast na over de opzet. Na tien uur vliegen komen we aan in Vancouver. We installeren ons in het hotel en drinken nog een biertje. Als ik terug op mijn hotelkamer mijn mail open zie ik dat onze ingediende paper versneld in behandeling wordt genomen; de editor biedt zijn excuses aan, hij was de paper ‘kwijtgeraakt’.

Andy Warhol -- 30 oktober 1985

• Andy Warhol (1928-1987) was een Amerikaanse kunstenaar. Hij hield een dagboek bij van 1976-1987. Vertaling Christine Quant.

WOENSDAG 30 OKTOBER 1985
Ik denk dat ik er niet langer over kan zwijgen.
[NOOT: Dagenlang heeft Andy het Dagboek zijn verslag niet willen geven van deze dag. Ten slotte heeft hij het op 2 november gedaan.] O.K., omdat het moet. Woensdag. De dag dat mijn grootste nachtmerrie werkelijkheid werd.
Het begon er al mee dat Benjamin mij niet kwam ophalen. Ik ben niet naar de modeshow bij Matsuda geweest. Ik werk het snel af, want anders kan ik het niet aan. Niemand van kantoor wilde met mij mee naar de boekwinkel van Rizzoli in Soho, maar Roberts oude assistent Bernard was net op bezoek, en die zou meegaan. Rupert zette ons af. Het is een langwerpige winkel, maar er werd op de tweede verdieping op een soort overloop gesigneerd.
Ik had zo ongeveer een uur lang exemplaren van America gesigneerd, toen een meisje dat in de rij stond en mij haar exemplaar te signeren gaf - deed wat zij deed. Hier mag het Dagboek zelf schrijven.
[Zij trok Andy's pruik van zijn hoofd en gooide die over de trapleuning naar een man die er de winkel mee uitrende. Bernard hield de vrouw vast terwijl de zaak de politie belde, maar Andy wilde haar geen procesverbaal bezorgen. Mensen bij Rizzoli vroegen of hij liever zou stoppen, maar er stonden nog mensen met boeken te wachten, dus hij zou doorgaan. Zijn jas, een ontwerp van Calvin Klein, had een capuchon; Andy trok deze over zijn hoofd en bleef zo signeren.]
Ik weet niet waarom ik haar niet over de leuning heb geduwd. Zij was knap en goed gekleed, ik denk dat ik kreng tegen haar zei of zoiets, en haar vroeg hoe zij het in haar hoofd haalde. Maar vooruit, het kan mij niet schelen — als er een foto van komt, vooruit maar. Er waren massa's mensen met camera's. Misschien haalt het wel de omslag van Details. Wie zal het zeggen. Als ik het meisje had geslagen of zoiets, dan zou ik fout zijn geweest, en dan had ik een proces aan mijn broek, noem maar op. Het wordt weer net zo gewelddadig als in de zestiger jaren. Meestal sta ik bij dergelijke dingen, maar hier zat ik, en de mensen stonden hoger dan ik, helemaal verkeerd, en ik was moe en alles gebeurde zo snel, maar Bernard heeft mij goed opgevangen. Weet je, je zit daar, iedereen is vriendelijk en je denkt natuurlijk niet dat er iets zal gebeuren. Het was een knap meisje, echt een goed uitziend, goed gekleed meisje. Ze hebben haar daar een tijdje vastgehouden, en haar toen laten gaan. Een heel aparte ervaring. Ik denk dat die mensen iedereen hadden verteld dat zij het gingen doen, want later zeiden velen dat zij iets hadden gehoord. Het was een hele schok. Het deed fysiek pijn, en het deed ook pijn dat niemand mij had gewaarschuwd.
Ik had net een ander magisch kristal gekregen, dat mij zogenaamd moet beschermen en dit soort dingen moet voorkomen.
Het was net een nieuwe schietpartij, het was net niet echt. Ik was daar net een soort clown, die de mensen aan het lachen moest maken. En dat zo vlak voor Halloween. Bernard heeft mij afgezet, en ik heb hem $ 10 gegeven.
Toen belde PH om te vragen hoe laat ik 's morgens naar Washington zou vertrekken, maar ik hield het kort, want ik wilde haar niet vertellen wat er gebeurd was, want dat kon ik niet aan.
Ik denk dat zij er toch achterkwam, want een uur later belde zij terug, zei dat zij trots op mij was, en dat ik een 'groot man' was. En (lacht) dat was een première. Dat was het dan, en nu hoef ik er nooit meer over te praten.

ZATERDAG 2 NOVEMBER 1985
Iedereen is zo (lacht) aardig tegen mij. Niemand praat over wat er woensdag is gebeurd.

Helen Roseveare -- 29 oktober 1964

• De Engelse Helen Roseveare (1925) was van 1953-1973 als arts en missionaris werkzaam in het zeer onrustige Congo. Haar dagboek over een zeer roerige periode in 1964 is gepubliceerd als Dokter onder rebellen (vertaling T.B. van Houten).

De 'leeuwen' komen
Donderdag 29 oktober tot zondag 1 november 1964. Donderdag kwamen „zij" in de nacht tussen één uur en half drie. Ik sprong uit bed, trok een kimono aan, greep een zaklantaren en vloog naar de voordeur, waar een angstaanjagende stem krijste dat ik dadelijk de deur moest opendoen voor de Armée populaire, of anders zouden zij met geweld binnendringen. Ik riep de twee verplegers voor de nacht, die bangelijk uit hun kamer kwamen. Wij openden de deur en vijf of zes gewapende bullebakken drongen om ons heen; zij zeiden schrikwekkende woorden en wilden mijn man hebben. Ik verklaarde dat ik ongehuwd was, en zij noemden mij een vervloekte leugenaarster; mijn man hield zich natuurlijk schuil en zij zouden huiszoeking doen. Zo liepen wij als verdoofd voor hen uit op de nu overbekende ronde. Wij deden alles open en lieten alles zien — maar zij bleven grof en ruw, en stalen alles wat van hun gading was: mijn horloge, het geld voor het inslaan van bananen, mutsen, de grammofoon met platen, en meer. Zij zochten overal en maakten daarna aanstalten om te vertrekken, wat mij ten zeerste opluchtte.
Ik ging hun voor naar de deur, en bad dat zij niet naar de twee meisjes zouden gaan. Even later riep de luitenant die het bevel voerde (hij droeg een pistool in zijn koppel) mij weer naar binnen. De twee verplegers waren onder toezicht van de anderen druk doende, de buit voor hen naar de wagen te brengen. Ik liep met hem mee en vroeg mij af wat hij wilde. Hij stuurde mij de slaapkamer in en gelastte mij me uit te kleden.
Ik weigerde zonder de minste aarzeling en vluchtte van hem weg — de voordeur uit, waar ik Hugh, een achttienjarige leerling-verpleger, mijn zaklamp toegooide, de hoek van het huis om tot achter het toiletgebouwtje halverwege het pad — ik hoopte dat zij zouden vertrekken, omdat zij de algehele inspectie, waarvoor zij immers gekomen waren, ten einde gebracht hadden — ik hoorde hun ruwe gelach.
Zij kwamen mij achterna bij het licht van grote zaklantarens, schreeuwend dat ik er vandoor was omdat ik iets voor hen verborgen had gehouden. Ik wierp mij onder een paar struiken in de vuile modder en trok mijn kimono over mijn voeten; ik bad dat zij het zouden opgeven; mijn hart brak haast, door vrees en doodsangst.
Zij vonden mij evenwel na een minuut of tien, sleurden mij overeind en sloegen mij in het gezicht. Ook speurden zij in het rond of ik daar iets verstopt had — zij schenen niet te kunnen begrijpen, dat ik alleen mijzelf voor hen had verborgen. Hun gedachtengang is heel anders dan de onze.
Ik viel om en mijn bril vloog op de grond. Mijn hart bonsde van angst, mijn mond was dor en droog. Een van de mannen liet mij hardhandig overeind komen, terwijl een ander mijn bril opraapte en aan mij teruggaf.
De aanvoerder vloekte mij vreselijk uit en sloeg mij opnieuw om het hoofd met een soort gummistok. Zij duwden mij terug naar de veranda. De jongste van de beide verplegers was op de loop gegaan, maar Hugh bleef aldoor trouw bij mij in de buurt. Ik stond daar sidderend, met afschuw vervuld en ellendig tegen een paal van de veranda, en de „liotina" stak mij zijn pistool in het gezicht en verklaarde — of liever, eiste van mij de verklaring — dat hij mij niet had aangeraakt of iets dergelijks. De anderen bewogen hem ertoe mij niet dood te schieten. Bijna verlangde ik ernaar, dat hij het wel zou doen en hieraan een eind maken — mijn hart was dicht bij Jezus, en vrede en rust begonnen zich te vermengen met de razende angst. „Als een lam dat ter slachting geleid wordt", kwam mij voor de geest, en ik voelde dat de kracht van de Heer in de plaats van mijn zwakheid trad — Hij ging zonder zich te verzetten naar de schande van het kruis.

Voor de loop van het pistool 
Hugh poogde tussenbeide te komen en vroeg hun mij met rust te laten — zij sloegen hem neer en ranselden hem onbarmhartig af. Zij zeiden dat zij mij wilden meenemen naar Paulis en bevalen mij naar binnen te gaan en kleren aan te trekken. De luitenant dwong mij mijn huis in en naar mijn slaapkamer te gaan, voortdurend zijn pistool tegen mij aandrukkend. Daar beval hij mij eerst, mij aan te kleden; dankbaar greep  ik naar het eerste het beste stuk kleren, dat ik zag. Maar ineens duwde hij mij grof op het bed neer — en o, lieve, lieve God, wel een halfuur van geestelijke en lichamelijke foltering — maar ik riep in mijn pijn en vrees en schande en ellende tot Jezus, en ik deed een beroep op zijn kostbaar bloed.
Eindelijk het hij mij los. Hij beval mij opnieuw mij aan te kleden en bleef vlak bij mij staan met zijn zaklamp (ik had geen lamp meer en zag hem al die tijd niet, maar hij hield onafgebroken zijn zaklantaren op mij gericht) — en durfde zelfs de eis te stellen, dat ik mijn mooiste jurk zou kiezen en een schoon vest, want ik was nu zijn vrouw; hij nam mij mee naar Paulis om mij aan zijn vrienden voor te stellen. Daarop dreef hij mij als 't ware weer naar buiten, waar ik met drie anderen in de cabine gestopt werd en naar Ibambi gereden. Ik probeerde onderweg liederen in het Swahili te zingen, om mijn dodelijk verschrikte hart tot rust te brengen en om deze woestelingen de naam Jezus te doen horen, opdat de duivel in hen zou sidderen van vrees.
Zij vroegen mij hoeveel mensen er waren op de zendingspost van Ibambi, en wat het getal van de Amerikanen was. Ik wist niet wat ik antwoorden moest, en daar sloeg de aanvoerder mij alweer — in mijn lichamelijke ontreddering was ik lafhartig genoeg om uit angst voor verdere wreedheden te vertellen wat zij wilden weten. Evenwel stopten zij niet eens bij de zendingspost; zij reden anderhalve mijl daar voorbij naar de zakenwijk, waar het hoofdkwartier van de „leeuwen" was, want (zeiden zij) er waren meer „leeuwen" nodig om zon grote groep te omsingelen en gevangen te nemen. Ik werd een kaal vertrek ingeduwd — stoelen langs de wanden en een grote tafel in het midden, waarop een bierfles en twee glazen stonden — en naar een slaapkamer erachter; ik moest op het bed gaan liggen. Alle moed begaf mij — lieve God, schreide ik, ik kan niet meer verdragen — maar de bruut werd weggeroepen. Ik kroop naar een stoel in de hoek en ging zitten, pogend mijn wanhoop de baas te worden, woorden noemend uit de Heilige Schrift, en de Heer Jezus aanroepend om nieuwe kracht en geloof door Hem — mijn kracht en geloof waren volslagen uitgeput. Zij hepen de hele nacht het voorste vertrek in en uit, maar sloegen meestal geen acht op mij. Om half vijf in de morgen werden vijf rooms-katholieke zusters, drie priesters en een jonge man van de katoenfabriek te Ibambi naar binnen gedreven. O, wat een golf van veraderning overspoelde mij bij het zien van een blank gezicht. Ik durfde echter niet naar hen toe te gaan, en niemand zei een woord. Om vijf uur joegen zij vier Grieken (die hier vlakbij woonden) de kamer in. Even later schepte ik moed om naar voren te komen. Zij vroegen mij, bij hen te blijven zitten — en stilaan „ontdooiden" wij allen. Wij voelden de onderlinge vriendschap, ontluikend in gedempte zinnen, een stille blik, een sobere glimlach.
[...]

donderdag 27 oktober 2016

Peter R. de Vries -- 28 oktober 2005

• Peter R. de Vries (1956) is een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Vrijdag [28 oktober]
Peter Schouten, perschef Wytze de Back en ik checken nog een keer alle punten voor de persconferentie aanstaande maandag. Schouten verwacht problemen met het aan de deur `nagelen' van onze proclamatie. Tijdens een verkenningsbezoek, eerder deze week, deed men buitengewoon moeilijk en werd hij van het kastje naar de muur gestuurd. Met een beroep op `de openbare orde' kun je vandaag de dag alles verbieden.
De proclamatie is gedrukt en ziet er top uit. Als Schouten 'm bij de drukker heeft opgehaald, zijn we er allemaal even vol van.
's Avonds naar Ajax-Heerenveen. Mijn zoon en ik hebben al jaren een seizoenkaart, maar omdat Royce er niet is, trakteer ik stafchef Schouten die zich tot 1 maart voor het symbolische bedrag van 1 euro voor ons uit de naad werkt op een avondje Arena. Met de 0-0 wordt mijn incasseringsvermogen weer op de proef gesteld. Daarna samen een biertje gehaald in de stad. Aan het aantal keren dat ik word aangeklampt, merk ik dat ons politieke avontuur begint te leven. Als ik aan de bar met een mooie vrouw sta te praten, komt Schouten er even later stafchefferig bij staan en knipoogt: `Dit gaat toch wel over het partijprogramma...?'

dinsdag 25 oktober 2016

Jan Wolkers -- 26 oktober 1972

• Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. Zijn dagboek van 1972 is verschenen bij de Bezige Bij.

Donderdag 26 oktober 1972
Jantje is jarig. 47 jaar. Jeugd jaagt voorbij, dood staat onwrikbaar.
We gaan naar Zeeland. Vlissingen. Mooi weer. Sluier mist maar toch voldoende uitzicht. Pas doodgereden haas langs de weg. Bloedbad. Een haas maakt een verschrikkelijke plas bloed. Scheld en vloek weer op die klootzakken die niet uitkijken. Mooie rijen boompjes met alleen maar een krans van gele blaadjes gevederd aan de buitenkant van de kruin. Blauwgroene koolvelden die in de mist verdwijnen. Bij Vrouwenpolder rechtsaf naar Oost-Kapelle. Zie mezelf weer fietsen met mijn schilderspullen. De schreeuw in het donker om dat meisje bij de zomerhuisjes. Ik zie dat meisje weer bloedduidelijk in haar rode wollen bikini. Haar bruine huid en haar navel in haar buikje. Als ik het tegen Karina zeg, van die schreeuw, zegt ze: 'Verschrikkelijk.' Ze heeft medelijden met me zoals ik me toen voelde. Het was toen 1948. Vierentwintig jaar later. In me is niet zoveel veranderd. Het bos is erg mooi. Voorbij Domburg de golfvelden vochtig en melancholiek in de mist. Karina zegt dat ze van zoetigheid altijd melancholiek wordt. West-Kapelle. De toren met het rode lichtbaken. Geschilderd door Rousseau le Douanier. Zoutelande met de mooie hoge duinen. Soms heet een huis 'Golfsang' of 'Ter Duin'. Naar Vlissingen door de mooie behaagde weggetjes die in de zomer altijd behangen zijn met hooi. De sensatie. Ineens de boulevard en de grijze zee.
Bij Brittannia eten we een kreeft, paté de Strasbourg en gerookte paling. We drinken er roze champagne bij. Ruinard.

Italo Svevo -- 25 oktober 1917

• Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In Autobiografisch profiel (vertaald door Yolanda Bloemen) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.

25 oktober 1917
Het moet de gewenning aan de bescherming zijn waarin we voortdurend leven die er voor zorgt dat we ons beter voelen tussen mensen met wie we al jaren omgaan. De anderen worden door ons als 'onbekenden' aangemerkt, terwijl we van de eersten zeggen dat we ze kennen. Al met al hebben we de behoefte te beschermen of beschermd te worden. Anders ziet onze geest geen doel in het leven. Met mensen die we 'niet kennen' is er maar één probleem: we zijn nog minder oprecht dan anders. Zo haalde ik het op een reis in mijn hoofd tegen beter weten in op dieven af te geven. Mijn gespreksgenoot was beledigd omdat hij er net met de kas vandoor ging. Zoiets overkomt me natuurlijk niet met mensen die ik ken. Met mensen die we 'niet kennen' zouden we juist oprechter kunnen zijn dan gewoonlijk omdat we ons niet compromitteren. Het zou een goede oefening zijn. Ik heb het geprobeerd, maar ik ben er niet in geslaagd doordat ik na de eerste woorden mijn gespreksgenoot 'ken'. Een blik, een uitroep zijn reeds voldoende om mij duidelijk te maken dat hij wil dat ik zus en zo in elkaar zit, en daaruit ontstaat bij mij direct de wens hem zijn zin te geven. Zo sluipt in relaties die op de meest ongebruikelijke wijze zijn aangeknoopt maar al te snel de gebruikelijke conventie binnen. Wellicht zullen we wanneer we tijd en ruimte achter ons zullen laten elkaar allemaal zo goed kennen dat dat de weg naar de oprechtheid zal zijn. We zullen elkaar meteen tutoyeren, en we zullen elkaar over en weer uitlachen zoals we verdienen. Dat zal uiteindelijk de dood betekenen van de literatuur die helaas een zeer intiem deel van ons wezen uitmaakt en we zullen allemaal bij elkaar tot in het binnenste kunnen zien. Macaber vooruitzicht.