• Hermann Hesse (1877-1962) was een Zwitserse schrijver. In zijn gepubliceerde verspreide geschriften zijn ook wat dagboekbladen opgenomen.
1. Juli [1955]
[...] Ich habe mein Feuer angezündet und bin mit einem hohen Haufen noch halbgrüner Äste und Zweige beschäftigt, sie sind Überbleibsel der letzten schweren Gewitter-stürme und hauptsachlich des groten Mordes, der im Frühling auf Verordnung des Forstamtes an meinem Wald begangen worden ist, es liegen da und dort noch große Stapel von Ästen und Rindenriemen, Stoff für Hunderte von Feuern. Ich zerkleinere, was heut verbrannt werden soll, und scheide die starkern Stücke für den Wintervorrat aus. Ich knicke und breche die Zweige, vergesse allmählich die oben wartende festliche Post, die uns ohnehin für lange Zeit zu tun geben wird, und an Stelle der gewissen Bangigkeit vor all dieser Arbeit kommt ein eher fröhliches Gefühl in mir auf, Anklang an die gespannt erwartungsvolle Festvorfreude jener Geburtstage der Knabenzeit, als dieser Tag noch keine Briefe brachte und die Geschenke aus einem Knauel Angelschnur, ein paar Bogen Schreibpapier und einem Glastöpfchen voll Honig aus Onkel Friedrichs «Gütle» bestanden. Das lag und stand auf einem kleinen Tischchen, dazu ein runder Kirschkuchen mit so vielen brennenden Kerzen, als meinem Alter zustanden, und vor das Tischchen führte mich die Mutter an der Hand, und wir alle sangen das Geburtstagslied, in das auch der Papagei Polly oboenhafte Jubeltöne mischte. So etwas noch einmal zu erleben,würde einem das alte Herz sprengen.
[...]
donderdag 30 juni 2016
woensdag 29 juni 2016
W.N.P. Barbellion -- 29 juni 1915
• W.N.P. Barbellion (1889-1919) was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings, een Britse natuurvorser. Hij overleed aan multiple sclerose. Zijn dagboeken worden nog steeds gelezen.
June 29.
Sleep
Sleep means unconsciousness: unconsciousness is a solemn state — you get it for example from a blow on the head with a mallet. It always weightily impresses me to see someone asleep — especially someone I love as to-day, stretched out as still as a log — who perhaps a few minutes ago was alive, even animated. And there is nothing so welcome, unless it be the sunrise, as the first faint gleam of recognition in the half -opened eye when consciousness like a mighty river begins to flow in and restore our love to us again.
When I go to bed myself, I sometimes jealously guard my faculties from being filched away by sleep. I almost fear sleep: it makes me apprehensive — this wonderful and unknowable Thing which is going to happen to me for which I must lay myself out on a bed and wait, with an elaborate preparedness. Unlike Sir Thomas Browne, I am not always so content to take my leave of the sun and sleep, if need be, into the resurrection. And I some- times lie awake and wonder when the mysterious Visitor will come to me and call me away from this thrilling world, and how He does it, to wliich end I try to remain conscious of the gradual process and to understand it: an impossibility of course involving a contradiction in terms. So I shall never know, nor will anybody else,
June 29.
Sleep
Sleep means unconsciousness: unconsciousness is a solemn state — you get it for example from a blow on the head with a mallet. It always weightily impresses me to see someone asleep — especially someone I love as to-day, stretched out as still as a log — who perhaps a few minutes ago was alive, even animated. And there is nothing so welcome, unless it be the sunrise, as the first faint gleam of recognition in the half -opened eye when consciousness like a mighty river begins to flow in and restore our love to us again.
When I go to bed myself, I sometimes jealously guard my faculties from being filched away by sleep. I almost fear sleep: it makes me apprehensive — this wonderful and unknowable Thing which is going to happen to me for which I must lay myself out on a bed and wait, with an elaborate preparedness. Unlike Sir Thomas Browne, I am not always so content to take my leave of the sun and sleep, if need be, into the resurrection. And I some- times lie awake and wonder when the mysterious Visitor will come to me and call me away from this thrilling world, and how He does it, to wliich end I try to remain conscious of the gradual process and to understand it: an impossibility of course involving a contradiction in terms. So I shall never know, nor will anybody else,
maandag 27 juni 2016
Louise Colet -- 28 juni 1852
• De Franse schrijfster Louise Colet (1810-1876) was enige jaren de minnares van schrijver Gustave Flaubert. In De Kluizenaar en zijn muze (vertaald door Edu Borger) zijn behalve brieven van beiden ook dagboekfragmenten van Colet opgenomen.
Memento over Alfred de Musset van maandag 28 juni 1852
Bij hem [De Musset] thuis voor mijn komedie in verzen. Wandeling in de Jardin des Plantes. Hij is voortreffelijk, voortreffelijk, tijdens het avondmaal! 's Avonds zijn sensatie. Die dag alleen maar aardig en vriendelijk, zonder hatelijkheden. Dinsdag avondmaal bij mij. Zijn dronken razernij in het Bois naar aanleiding van mijn opmerking: 'U bent een vreemd mens.' Mijn indrukken dien-omtrent beschreven in een brief aan Gustave. Wanneer hij afscheid van me neemt, zegt hij tegen me dat hij naar de hoeren gaat: "Ga uw gang!' Tot vrijdag geen bericht van hem. Vrijdag 2 juli een briefje. Ik schrijf terug dat hij kan komen. Verdriet, duizeligheid en verlangen naar eenzaamheid. Hij komt. We gaan weer naar de Jardin des Plantes. Avondmaal: geïmproviseerde verzen over de Académie, slappe lach, hij verklaart me geëmotioneerd zijn liefde. Ik zelf ook aangedaan: idiote vlaag van razende ijdelheid naar aanleiding van het op hem toepassen van de regels over Thiers (verzen over de Académie) die ik lachend citeer; hij vraagt me gebiedend zijn verzen terug. Ik geef ze terug en wijs hem het gat van de deur. Hij zegt dat hij de volgende dag zal komen. Hij komt. Impotent! Hij brengt een bezoek aan meneer Blanche, daarna naar het Bois; volkomen beschonken, zijn onbeschofte woedeaanval, zijn razernij wanneer ik tegen hem zeg dat hij 's avonds onmogelijk bij me kan komen. Ik zeg dat ik uit het rijtuig zal stappen, hij daagt me uit het te doen. 'Dwaas dreigement, komedie van een kermisklant,' roept hij uit, 'net als uw voor Alphonse Karr* bedoelde messteek! Probeer het maar, probeer het maar, het rijtuig rijdt te snel!' Hij maakt me kwaad en bang. Ik open het portier en spring. Ik val ondersteboven op het plaveisel; ik verwond mijn knieën, ik meen het nog ernstiger te zijn, want ik voel een soort schudding in mijn ingewanden. Ik vertrek evenwel geen spier, ik sta op en verstop mij in een huis in aanbouw. Dit vond plaats op het place de la Concorde, bijna recht tegenover de brug naar de Kamer. Het rijtuig stopt, de koetsier komt naar me toe. Hij zegt: 'Die meneer stuurt me om te kijken of u gewond bent.' Ik antwoord: 'Zeg tegen hem dat u mij niet heeft kunnen vinden.' Hij zegt: 'Hij is een ellendeling en u bent een moedige vrouw, dat zie ik wel. Wilt u dat ik hem aan zijn lot overlaat en dat ik u naar huis breng? oh! die arme vrouwen, die arme vrouwen!' Ik zeg hem: 'Nee, ga naar hem toe en zeg dat u mij niet gezien heeft.'
Het rijtuig rijdt verder! wat een lafaard, of liever gezegd, wat een bruut! Hij was stomdronken. Prachtige nacht, schitterende maan! Op dat moment was Gustave mij een brief aan het schrijven. Ik denk aan hem, aan mijn dochtertje, ik neem het besluit die man niet meer te zien en zijn brieven niet meer te beantwoorden. Ik had daar in één klap dood kunnen zijn. En mijn arme kind! en Gustave...! Ik probeer naar huis te lopen. Ik was gebroken, er passeert een coupé, ik stap erin. Ik kom thuis. Ik slaap. Gisteren veel bezoek. Sereniteit, terug naar het ware en het goede, 's Morgens zijn briefje waarin hij zegt dat hij zich dodelijk ongerust maakt, hij vraagt me bij wijze van gunst om een antwoord. Het dienstmeisje antwoordt dat ik mij niet wel voel en dat ik niet kan antwoorden - hij had me vanuit het café de la Régence geschreven, om tien uur 's ochtends. D'Arpentigny, op weg om bij mij het avondmaal te gebruiken, vindt hem daar om vijf uur, alweer stomdronken. Sindsdien geeft hij geen teken van leven meer.
* Toen Louise Colet in 1840 zwanger was van baar dochtertje Henriette, terwijl zij al enige tijd geprotegeerd werd door de filosoof Cousin, schreef de journalist Alphonse Karr in een van zijn maandelijks verschijnende pamfletten (De wespen) dat Louise wellicht het slachtoffer was geworden van een 'piqüre de cousin', hetgeen zowel een muggenbeet als 'een prikje van Cousin' kan betekenen. Louise, in woede ontstoken, begaf zich gewapend met een keukenmes naar het huis van Karr om wraak te nemen. De journalist bracht het er levend af.
Memento over Alfred de Musset van maandag 28 juni 1852
Bij hem [De Musset] thuis voor mijn komedie in verzen. Wandeling in de Jardin des Plantes. Hij is voortreffelijk, voortreffelijk, tijdens het avondmaal! 's Avonds zijn sensatie. Die dag alleen maar aardig en vriendelijk, zonder hatelijkheden. Dinsdag avondmaal bij mij. Zijn dronken razernij in het Bois naar aanleiding van mijn opmerking: 'U bent een vreemd mens.' Mijn indrukken dien-omtrent beschreven in een brief aan Gustave. Wanneer hij afscheid van me neemt, zegt hij tegen me dat hij naar de hoeren gaat: "Ga uw gang!' Tot vrijdag geen bericht van hem. Vrijdag 2 juli een briefje. Ik schrijf terug dat hij kan komen. Verdriet, duizeligheid en verlangen naar eenzaamheid. Hij komt. We gaan weer naar de Jardin des Plantes. Avondmaal: geïmproviseerde verzen over de Académie, slappe lach, hij verklaart me geëmotioneerd zijn liefde. Ik zelf ook aangedaan: idiote vlaag van razende ijdelheid naar aanleiding van het op hem toepassen van de regels over Thiers (verzen over de Académie) die ik lachend citeer; hij vraagt me gebiedend zijn verzen terug. Ik geef ze terug en wijs hem het gat van de deur. Hij zegt dat hij de volgende dag zal komen. Hij komt. Impotent! Hij brengt een bezoek aan meneer Blanche, daarna naar het Bois; volkomen beschonken, zijn onbeschofte woedeaanval, zijn razernij wanneer ik tegen hem zeg dat hij 's avonds onmogelijk bij me kan komen. Ik zeg dat ik uit het rijtuig zal stappen, hij daagt me uit het te doen. 'Dwaas dreigement, komedie van een kermisklant,' roept hij uit, 'net als uw voor Alphonse Karr* bedoelde messteek! Probeer het maar, probeer het maar, het rijtuig rijdt te snel!' Hij maakt me kwaad en bang. Ik open het portier en spring. Ik val ondersteboven op het plaveisel; ik verwond mijn knieën, ik meen het nog ernstiger te zijn, want ik voel een soort schudding in mijn ingewanden. Ik vertrek evenwel geen spier, ik sta op en verstop mij in een huis in aanbouw. Dit vond plaats op het place de la Concorde, bijna recht tegenover de brug naar de Kamer. Het rijtuig stopt, de koetsier komt naar me toe. Hij zegt: 'Die meneer stuurt me om te kijken of u gewond bent.' Ik antwoord: 'Zeg tegen hem dat u mij niet heeft kunnen vinden.' Hij zegt: 'Hij is een ellendeling en u bent een moedige vrouw, dat zie ik wel. Wilt u dat ik hem aan zijn lot overlaat en dat ik u naar huis breng? oh! die arme vrouwen, die arme vrouwen!' Ik zeg hem: 'Nee, ga naar hem toe en zeg dat u mij niet gezien heeft.'
Het rijtuig rijdt verder! wat een lafaard, of liever gezegd, wat een bruut! Hij was stomdronken. Prachtige nacht, schitterende maan! Op dat moment was Gustave mij een brief aan het schrijven. Ik denk aan hem, aan mijn dochtertje, ik neem het besluit die man niet meer te zien en zijn brieven niet meer te beantwoorden. Ik had daar in één klap dood kunnen zijn. En mijn arme kind! en Gustave...! Ik probeer naar huis te lopen. Ik was gebroken, er passeert een coupé, ik stap erin. Ik kom thuis. Ik slaap. Gisteren veel bezoek. Sereniteit, terug naar het ware en het goede, 's Morgens zijn briefje waarin hij zegt dat hij zich dodelijk ongerust maakt, hij vraagt me bij wijze van gunst om een antwoord. Het dienstmeisje antwoordt dat ik mij niet wel voel en dat ik niet kan antwoorden - hij had me vanuit het café de la Régence geschreven, om tien uur 's ochtends. D'Arpentigny, op weg om bij mij het avondmaal te gebruiken, vindt hem daar om vijf uur, alweer stomdronken. Sindsdien geeft hij geen teken van leven meer.
* Toen Louise Colet in 1840 zwanger was van baar dochtertje Henriette, terwijl zij al enige tijd geprotegeerd werd door de filosoof Cousin, schreef de journalist Alphonse Karr in een van zijn maandelijks verschijnende pamfletten (De wespen) dat Louise wellicht het slachtoffer was geworden van een 'piqüre de cousin', hetgeen zowel een muggenbeet als 'een prikje van Cousin' kan betekenen. Louise, in woede ontstoken, begaf zich gewapend met een keukenmes naar het huis van Karr om wraak te nemen. De journalist bracht het er levend af.
zondag 26 juni 2016
Friedrich Hebbel -- 27 juni 1836
• Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.
In de nacht van de 27ste op de 28ste juni
De Kaiserstuhl beklommen. Pad boven langs kasteel dat er nu precies zo uitzag als wanneer ’s avonds de schemering erop neerdaalt. Halverwege de berg de gouden maan die met iedere stap hoger rijst erachter tussen de bomen. Boven bij de toren het kampvuur, de studenten eromheen. Tijdens de klim roept er een: ‘Maak dat je wegkomt, rothond!’ ‘Wat gaan we nu beleven, wie is daar?’ luidt het onverwachte antwoord. Het bleek afkomstig van de zatte F., die het zich makkelijk had gemaakt op de treden. Eenmaal boven: de studenten, in een kring rond het vuur uitgestrekt op de grond; het lijkt wel een roversbende. Nog aardig wat licht, in het oosten morgenrood; de rest van de hemel donkerblauw, de bomen onder ons lijken in elkaar over te vloeien tot één groen veld, zo uitgestrekt als een vlakte. Om kwart over drie de zon. Klein eerst als een kaarsvlammetje. daarna snel wassend. De Kaiserstuhl, 1750 voet boven de zeespiegel, de toren tachtig voet hoog. Er gaat altijd een windvlaag vooraf aan de zonsopgang.
1 juli 1836
Bakker Cappelhof, achter de Breitengiebelstraße recommandeert zich met taarten in uw welwillende aandacht.
De roverhoofdman Evolia en hoe hij verscheurd werd. (Uit mijn kinderjaren.)
Een kever die vannacht om 1 uur, aangelokt door het licht, tegen mijn raam op botste en er koddig op rond begon te dribbelen, deed me er nog eens aan denken hoe amusant het menselijke streven naar waarheid en oprechtheid de Hogere Geest moet voorkomen.
In de nacht van de 27ste op de 28ste juni
De Kaiserstuhl beklommen. Pad boven langs kasteel dat er nu precies zo uitzag als wanneer ’s avonds de schemering erop neerdaalt. Halverwege de berg de gouden maan die met iedere stap hoger rijst erachter tussen de bomen. Boven bij de toren het kampvuur, de studenten eromheen. Tijdens de klim roept er een: ‘Maak dat je wegkomt, rothond!’ ‘Wat gaan we nu beleven, wie is daar?’ luidt het onverwachte antwoord. Het bleek afkomstig van de zatte F., die het zich makkelijk had gemaakt op de treden. Eenmaal boven: de studenten, in een kring rond het vuur uitgestrekt op de grond; het lijkt wel een roversbende. Nog aardig wat licht, in het oosten morgenrood; de rest van de hemel donkerblauw, de bomen onder ons lijken in elkaar over te vloeien tot één groen veld, zo uitgestrekt als een vlakte. Om kwart over drie de zon. Klein eerst als een kaarsvlammetje. daarna snel wassend. De Kaiserstuhl, 1750 voet boven de zeespiegel, de toren tachtig voet hoog. Er gaat altijd een windvlaag vooraf aan de zonsopgang.
1 juli 1836
Bakker Cappelhof, achter de Breitengiebelstraße recommandeert zich met taarten in uw welwillende aandacht.
De roverhoofdman Evolia en hoe hij verscheurd werd. (Uit mijn kinderjaren.)
Een kever die vannacht om 1 uur, aangelokt door het licht, tegen mijn raam op botste en er koddig op rond begon te dribbelen, deed me er nog eens aan denken hoe amusant het menselijke streven naar waarheid en oprechtheid de Hogere Geest moet voorkomen.
zaterdag 25 juni 2016
Raphaël Waterschoot -- 26 juni 1915
• Raphaël Waterschoot (1890-1962) was een Belgische architect. Tijdens WO 1 hield hij een oorlogsdagboek bij.
26 juni 1915 zaterdag
In Antwerpen verschijnt geene enkele gazette die gewoon was te verschijnen. Komen nog uit: De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Vaderland, 2 Hollandsche en Duitsch gezinde gazetten. Verder nog "Het Vlaamsche nieuws" een nieuw gestichte gazet van eenige maanden oud.
27 juni 1915 zondag
Vandaag is' Kermis. Er is niets bijzonders van stadswege te doen. In den namiddag geven een 13 Duitsche soldaten een concert op de Markt in de kiosk. Veel lawijt met den cymbale, genre Nord Deutsche Loyd als er n'en boot vertrekt of als er eene tritsmaatschappij [Groep mensen die tritsen, = een dobbelspel met drie steenen] feest. Weinig volk in de Warande maar vele soldaten.
Een complot! Albert Lentacker en zijne beide zusters schrijven op naam van Edmond een brief naar Papa Lentacker, waarin deze een kleed voor zijne zuster Leonie vraagt. Vader die in de waan verkeert dat alles serieus is bijt, en zoo kwam het dat op zekeren dag n'én draak een nieuw kostuum aan zijn dochter ten geschenke gaf!
28 juni 1915 maandag
Leonie Lentacker en haar Vader trekken ondersteuning. In plaats van geld geeft men kaartjes waarop de waaarde van 25 centiemen gedrukt staat; dit om te beletten dat mannen of vrouwen dit geld zouden verdrinken. Men is verplicht deze kaartjes in alle voedings en kleêrwinkels te ontvangen.
Gedurende gansch deze week, ter gelegenheid van kermis krijgen wij wit brood aan den prijzen 47 centiem de kilo.
Kolen kosten tegenwoordig 5,00 fr de 100 kgr
29 juni 1915 dinsdag
Papa gaat naar Antwerpen geen nieuws.
30 Juni 1915 woensdag
Om een brief te schrijven met beledigingen aan de Duitschers, krijgen Madame Vermeire van 't Brugsken met hare dochter, ieder 500 mark boete. Deze brief was op n'en smokkelaar gevonden die de Duitschers aangehouden hadden.
26 juni 1915 zaterdag
In Antwerpen verschijnt geene enkele gazette die gewoon was te verschijnen. Komen nog uit: De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Vaderland, 2 Hollandsche en Duitsch gezinde gazetten. Verder nog "Het Vlaamsche nieuws" een nieuw gestichte gazet van eenige maanden oud.
27 juni 1915 zondag
Vandaag is' Kermis. Er is niets bijzonders van stadswege te doen. In den namiddag geven een 13 Duitsche soldaten een concert op de Markt in de kiosk. Veel lawijt met den cymbale, genre Nord Deutsche Loyd als er n'en boot vertrekt of als er eene tritsmaatschappij [Groep mensen die tritsen, = een dobbelspel met drie steenen] feest. Weinig volk in de Warande maar vele soldaten.
Een complot! Albert Lentacker en zijne beide zusters schrijven op naam van Edmond een brief naar Papa Lentacker, waarin deze een kleed voor zijne zuster Leonie vraagt. Vader die in de waan verkeert dat alles serieus is bijt, en zoo kwam het dat op zekeren dag n'én draak een nieuw kostuum aan zijn dochter ten geschenke gaf!
28 juni 1915 maandag
Leonie Lentacker en haar Vader trekken ondersteuning. In plaats van geld geeft men kaartjes waarop de waaarde van 25 centiemen gedrukt staat; dit om te beletten dat mannen of vrouwen dit geld zouden verdrinken. Men is verplicht deze kaartjes in alle voedings en kleêrwinkels te ontvangen.
Gedurende gansch deze week, ter gelegenheid van kermis krijgen wij wit brood aan den prijzen 47 centiem de kilo.
Kolen kosten tegenwoordig 5,00 fr de 100 kgr
29 juni 1915 dinsdag
Papa gaat naar Antwerpen geen nieuws.
30 Juni 1915 woensdag
Om een brief te schrijven met beledigingen aan de Duitschers, krijgen Madame Vermeire van 't Brugsken met hare dochter, ieder 500 mark boete. Deze brief was op n'en smokkelaar gevonden die de Duitschers aangehouden hadden.
vrijdag 24 juni 2016
Constantijn Huygens jr. -- 25 juni 1693
• Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.
25 Dond.
Smergens was bij mij de Baron de Loo, Commandr van̅ Duytsche Ordre te Mechelen, komende met van Hill, om sauvegardes, oock Rademaecker.
Hoorde van haer, en̅ van de Wilde, en eerst van Pieter, dat het gisteren avondt en̅ snachts een verveerlijck weder was geweest, en̅ sulcken water gevallen, dat het aen het huys v. Myl. Portland, sijnde even buyten het laentje, dat van̅ Abdije komt, sess of 7 voeten had hoogh gestaen, dat veel menschen verdroncken waeren. Dat dese voormiddach omtrent elff ueren, de Hr van Ouwerkerck komende om naer 't Cloo(ster) te gaen, en willende over 't bruggetje passeren aen 't eynde van voorz. laentje, dat onder lagh, hij in 't water was gevallen, en̅ in seer groot peryckel van te verdrincken, maer dat Hans, een postillon van Breukelen, hem gesalveert hadde.
[...]
Was noch seer heet, maer regende niet van beduyden.
Schreef aen mijn vrouw, en̅ sondt mijn horlogie, om de cas een nieuwe voedering te doen insetten bij Visbach.
25 Dond.
Smergens was bij mij de Baron de Loo, Commandr van̅ Duytsche Ordre te Mechelen, komende met van Hill, om sauvegardes, oock Rademaecker.
Hoorde van haer, en̅ van de Wilde, en eerst van Pieter, dat het gisteren avondt en̅ snachts een verveerlijck weder was geweest, en̅ sulcken water gevallen, dat het aen het huys v. Myl. Portland, sijnde even buyten het laentje, dat van̅ Abdije komt, sess of 7 voeten had hoogh gestaen, dat veel menschen verdroncken waeren. Dat dese voormiddach omtrent elff ueren, de Hr van Ouwerkerck komende om naer 't Cloo(ster) te gaen, en willende over 't bruggetje passeren aen 't eynde van voorz. laentje, dat onder lagh, hij in 't water was gevallen, en̅ in seer groot peryckel van te verdrincken, maer dat Hans, een postillon van Breukelen, hem gesalveert hadde.
[...]
Was noch seer heet, maer regende niet van beduyden.
Schreef aen mijn vrouw, en̅ sondt mijn horlogie, om de cas een nieuwe voedering te doen insetten bij Visbach.
Charles Burney -- 24 juni 1770
• Charles Burney (1726-1814) was een Engelse muziekhistoricus en componist. In 1770 maakte hij een studiereis naar het vasteland. Zijn reisjournaal is in het Nederlands vertaald (door Sas en Lucas Bunge) onder de titel Een posthoorn vol muziek.
Zondag [24 juni] vertrok ik om 4 uur 's morgens uit Parijs met de diligence naar Lyon. Eigenlijk konden er maar acht personen plaatsnemen maar aangezien er meer mensen waren, was het gevolg dat ik ongeveer gedecimeerd werd. In de te kleine ruimte waren zo veel benen met elkaar in de knoop dat de mijne opzwellingen gingen vertonen die even verontrustend als pijnlijk waren.
Het gezelschap bestond uit mijn vriend de kapitein met twee cadetten die aan zijn hoede toevertrouwd waren, een ridder van St.Louis, een landjonker uit de Provence, een jong officier, een bejaarde wijnkoopman, een koopman uit Amsterdam die te Milaan woonde, de lijfarts van de hertog van Parma en ikzelf. We dineerden te Fontainebleau, ongeveer 42 mijl van Parijs. Ondertussen waren we zo door elkaar geklutst dat de eerste kennismaking wel voorbij was. We leden van de hitte en het gebrek aan ruimte, maar we waren broeders in het lijden en hoewel er geen vrouwen in het gezelschap waren, stokte de conversatie geen moment zolang de ridder of de landjonker hun ogen maar open hielden: zelfs het liefelijke geslacht kon zich niet op zulke onvermoeibare praters beroemen. We brachten de nacht door te Pont-sur-Yonne in een afschuwelijke dorpsherberg — vergeleken met de Engelse inns zijn alle herbergen in Frankrijk even beroerd. Laat ik alleen zeggen dat het gebrek aan zindelijkheid alles overtreft wat ik zelfs in de armste dorpen van Engeland heb meegemaakt.
Zondag [24 juni] vertrok ik om 4 uur 's morgens uit Parijs met de diligence naar Lyon. Eigenlijk konden er maar acht personen plaatsnemen maar aangezien er meer mensen waren, was het gevolg dat ik ongeveer gedecimeerd werd. In de te kleine ruimte waren zo veel benen met elkaar in de knoop dat de mijne opzwellingen gingen vertonen die even verontrustend als pijnlijk waren.
Het gezelschap bestond uit mijn vriend de kapitein met twee cadetten die aan zijn hoede toevertrouwd waren, een ridder van St.Louis, een landjonker uit de Provence, een jong officier, een bejaarde wijnkoopman, een koopman uit Amsterdam die te Milaan woonde, de lijfarts van de hertog van Parma en ikzelf. We dineerden te Fontainebleau, ongeveer 42 mijl van Parijs. Ondertussen waren we zo door elkaar geklutst dat de eerste kennismaking wel voorbij was. We leden van de hitte en het gebrek aan ruimte, maar we waren broeders in het lijden en hoewel er geen vrouwen in het gezelschap waren, stokte de conversatie geen moment zolang de ridder of de landjonker hun ogen maar open hielden: zelfs het liefelijke geslacht kon zich niet op zulke onvermoeibare praters beroemen. We brachten de nacht door te Pont-sur-Yonne in een afschuwelijke dorpsherberg — vergeleken met de Engelse inns zijn alle herbergen in Frankrijk even beroerd. Laat ik alleen zeggen dat het gebrek aan zindelijkheid alles overtreft wat ik zelfs in de armste dorpen van Engeland heb meegemaakt.
Abonneren op:
Posts (Atom)







