zondag 29 november 2015

Jules Renard -- 29 november 1894

• Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.

29 november
Ik ben nergens succesvol geweest. Gil Blas, l'Echo de Paris, le Journal, le Figaro, la Revue hebdomadaire, la Revue de Paris enzovoort heb ik de rug toegekeerd. Niet een van mijn boeken haalt een tweede druk. Ik verdien gemiddeld vijfentwintig franc in de maand. Als de vrede in mijn gezin bewaard blijft, is dat de verdienste van een engelachtig lieve vrouw. Van mijn vrienden heb ik snel genoeg. Wanneer ik te veel op ze gesteld ben neem ik ze dat kwalijk, en wanneer ze niet meer op mij gesteld zijn, veracht ik ze. Ik deug nergens voor, niet om me als landeigenaar te gedragen, ook niet om liefdadigheid te bedrijven. Laten we het over mijn talent hebben. Ik hoef maar een bladzijde Saint-Simon of Flaubert te lezen en ik krijg een kleur. Mijn fantasie is een fles, de ziel van een fles die al leeg is. Met een beetje routine zou een verslaggever datgene evenaren wat ik zo zelfvoldaan mijn stijl noem. Ik vlei mijn collega's in brieven en ik verafschuw ze als ik ze zie. Mijn egoïsme stelt buitensporige eisen. Een eerzucht zo huizehoog dat ze makkelijk over de Arc de Triomphe heen kijkt, en dan die onoprechte geringschatting voor onderscheidingen! Als ze me het Kruis van het Legioen van Eer op een presenteerblaadje kwamen aanreiken, zou ik ziek worden van vreugde en alleen even tot mezelf komen om te zeggen: 'Neem dat ding maar weer mee!' De rimpel in mijn voorhoofd wordt iedere dag dieper, nog even en de mensen zullen er niet meer naar durven kijken en zich afwenden, alsof het een grafkuil was. Ik werk zelfs niet zoals iemand die na gedane arbeid uitgeput wil genieten van verdiende rust, en desondanks zijn er, ik zweer het, kwartiertjes dat ik tevreden ben met mezelf.

vrijdag 27 november 2015

Martine Bijl -- 27 november 1983

• Martine Bijl (1948) is een Nederlands zangeres, actrice, schrijfster en cabaretière. In 1983 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Zondag [27 november]
De nachtelijke storm heeft de bomen tot op hun bast uitgekleed. Er is geen redden meer aan: we zullen het de komende maanden met dit schilderij moeten doen. De roeiboot in de Vecht moet leeggehoosd. Ik realiseer me dat ik in geen weken een voet in de tuin heb gezet. De donkere zondag hoort thuis in een nachtboek. Tussen twee buien door knipt Henk de kale druiveranken bij. Verder doen we niets nuttigs en daar voel ik me, zoals altijd, schuldig over.
Vijf uur. Op naar Rijswijk. De hele dag hebben we geen trek in eten gehad, maar nu opeens wel. Bij de cafetaria in ons dorp slaan we twee zakken frites en een milkshake in, voor een wat simpele maagvulling onderweg. Bij de eerste bocht tuimelt de beker milkshake van het dashboard en stort zijn ijskoude, kleverige inhoud langs mijn kuit in mijn laars. Bij het eerstvolgende benzinestation bekijken we de schade. De wegenkaarten in het zijvakje blijken tevens doorweekt te zijn. Henk krijgt nu óók de pest in. 's Avonds, na de voorstelling, breekt een tand van mijn voorzet-gebitje, dat - met pruik en bril - een typetje moet ondersteunen. Geen dolle zondag, al met al.

dinsdag 24 november 2015

Victor Hugo -- 25 november 1846

• Victor Hugo (1802–1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman. Vertaalde dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd als Zelf gezien.

6 oktober
Een deel van de catacomben van Parijs wordt gebruikt voor het kweken van champignons. Daar wordt nooit een vrouw toegelaten. Men beweert dat alleen al de aanwezigheid van een vrouw die haar maandstonden heeft, voldoende is om een hele champignonplant te laten verrotten. Het is vreemd gesteld met deze periodieke ongesteldheid, die allerlei mysterieuze gevolgen heeft. Zo staat het vast dat het blanketsel en de rouge waarmee actrices hun gezicht schminken, in die tijd niet wil blijven zitten.

25 november
Tot en met de vorige eeuw werden de aartshertoginnen van Oostenrijk tot de huwbare leeftijd zonder enige vorm van godsdienst grootgebracht, zodat zij gemakkelijker het geloof konden aannemen van de vorst met wie zij in het huwelijk zouden treden.

9 december
In 1581 zond de tsaar van het Moskovische Rijk een gezantschap naar de paus - door Montaigne vermeld - om Zijne Heiligheid te smeken Polen te beletten het Moskovische te vernietigen, met het argument dat de vernietiging van Moskovië het raam naar Europa wijd open zou zetten voor de Turk.

zondag 22 november 2015

Jan van Trigt -- 23 november 1946

• Jan van Trigt was in 1945-48 militair in Nederlands Indië en hield in die tijd een dagboek bij, dat is gepubliceerd als Duizend dagen Indië.

23 november 1946
De bom is gebarsten. Vier man van de Stafcie op rapport bij de bc. [bataljonscommandant] Even later gaat luit Oudshoorn ook op kamelendraf naar het bureau der zuchten. Als klap op de vuurpijl komt even later de sm. [sergeant-majoor] Bogmans voor de ronde tafel. Ik weet het niet, maar ik denk dat Vissers, Lussing, Kamphuis en Sikking, die zich later vrijwillig gemeld heeft, wel een boekje hebben opengedaan over wat er die avond gepasseerd is [Van Trigt heeft Bogmans een "schofterig beroerd mannetje" genoemd nadat deze in een dronken bui grove liedjes had gezongen]. Het zijn eerlijke jongens, die geen blad voor de mond nemen. Luitenant V.d. Liefvoort komt op me afstappen, ik heb een dag licht arrest. Voor mekaar! Die ene dag doet me geen kwaad, ben benieuwd hoe Bogmans ervan afkomt. Henny vertelt het me later. Vier dagen licht, dat gun ik hem van harte. Hij dacht me te nemen, maar de rollen zijn omgedraaid. Bovendien heeft hij een berisping gehad, die ook wel niet mals zal zijn geweest, de stommeling. Vanavond dus binnen blijven en ik ben toch al zo gewend om de boemel op te gaan. Er wordt wel eens gezegd, dat wie niet iets op z'n straflijst heeft staan geen soldaat is. Ik ben dus nu in elk geval soldaat.
De stemming onder de sergeanten en hogere kaste van onderofficieren is beneden peil. Ze voelen zich in een hoek geduwd. Kan kloppen, maar waarom de oo. [onderofficieren] het zoveel beter zou weten dan de andere jongens, kan ik met m'n pet niet bij. Soldaat, oppasser of luit, we zoeken allemaal naar wat gezelligheid. Ik weet wel dat de behuizing van de oo. niet al te best is, maar ze zijn verwend in Pladjoe en Tabanan.
Max de Jonge, de chauffeur, is ook al uit zijn slof geschoten. Hij wil weg met zijn wagen, maar een Jeep met vier man Gadjah Merah [Indisch-Nederlandse gevechtseenheid] rijdt voor hem, midden op de weg. Drie maal blijft die kar in de bocht staan en dat wordt Max teveel. Hij springt uit de wagen en verkoopt de chauffeur van de jeep een drijver, die hem zal heugen. Vol gas gaat de wagen ervandoor, ze doen niets terug.
De wapenstelerij wordt te erg. Gister weer een die een wapen wilde meenemen, maar we hadden hem in de smiezen. In z'n krullen gepakt en een paar opdoffers verkocht. Daarna naar huis gestuurd, waar die kinderen horen, op dit uur van de dag. De Hizboellah [Indonesische strijdgroep] wordt versterkt. Ze volgen na de Napindo's [Nasional Pelopor Indonesia]. Zeker de Ghurkas [Brits-Indische soldaat] van Palembang. Voorlopig heb ik ze niet hoog, ze lopen als hazen.

zaterdag 21 november 2015

Lady Bird Johnson -- 22 november 1963

• Claudia Alta Taylor (Lady Bird) Johnson (1912-2007) was de echtgenote van de voormalige Amerikaanse president Lyndon B. Johnson. Hieronder haar dagboekverslag van de dag dat president John Kennedy werd vermoord. Johnson en haar man zaten in een van de auto's achter die van Kennedy.


It all began so beautifully. After a drizzle in the morning, the sun came out bright and clear. We were driving into Dallas. In the lead car were the President and Mrs. Kennedy, John and Nellie Connally, a Secret Service car full of men, and then our car with Lyndon and me and Senator Ralph Yarborough.

The streets were lined with people - lots and lots of people - the children all smiling, placards, confetti, people waving from the windows. One last happy moment I had was looking up and seeing Mary Griffith leaning out a window waving at me. (Mary for many years had been in charge of altering the clothes which I purchased at Neiman-Marcus.)

Then, almost at the edge of town, on our way to the Trade Mart for the Presidential luncheon, we were rounding the curve, going down a hill, and suddenly there was a sharp, loud report. It sounded like a shot. The sound seemed to me to come from a building on the right above my shoulder. A moment passed, and then two more shots rang out in rapid succession. There had been such a gala air about the day that I thought the noise must come from firecrackers - part of the celebration. Then the Secret Service men were down in the lead car. Over the car radio system, I heard "Let's get out of here!" and our Secret Service man, Rufus Youngblood, vaulted over the front seat on top of Lyndon, threw him to the floor, and said, "Get down."

Senator Yarborough and I ducked our heads. The car accelerated terrifically - faster and faster. Then, suddenly, the brakes were put on so hard that I wondered if we were going to make it as we wheeled left and went around the corner. We pulled up to a building. I looked up and saw a sign, "HOSPITAL." Only then did I believe that this might be what it was. Senator Yarborough kept saying in an excited voice, "Have they shot the President? Have they shot the President?" I said something like, "No, it can't be."

As we ground to a halt - we were still the third car - Secret Service men began to pull, lead, guide, and hustle us out. I cast one last look over my shoulder and saw in the President's car a bundle of pink, just like a drift of blossoms, lying in the back seat. It was Mrs. Kennedy lying over the President's body.

The Secret Service men rushed us to the right, then to the left, and then onward into a quiet room in the hospital - a very small room. It was lined with white sheets, I believe.

People came and went - Kenny O'Donnell, the President's top aide, Congressman Homer Thornberry, Congressman Jack Brooks. Always there was Rufe right there and other Secret Service agents… People spoke of how wide-spread this might be. There was talk about where we would go - to the plane, to our house, back to Washington.

Through it all Lyndon was remarkably clam and quiet. He suggested that the Presidential plane ought to be moved to another part of the field. He spoke of going back out to the plane in unmarked black cars. Every face that came in, you searched for the answer. I think the face I kept seeing the answer on was the face of Kenny O'Donnell, who loved President Kennedy so much. It was Lyndon who spoke of it first, although I knew I would not leave without doing it. He said, "You had better try and see Jackie and Nellie." We didn't know what had happened to John. I asked the Secret Service if I could be taken to them. They began to lead me up one corridor and down another. Suddenly I found myself face to face with Jackie in a small hallway. I believe it was right outside the operating room. You always think of someone like her being insulated, protected. She was quite alone. I don't think I ever saw anyone so much alone in my life. I went up to her, put my arms around her, and said something to her. I'm sure it was something like "God, help us all," because my feelings for her were too tumultuous to put into words.

And then I went to see Nellie. There it was different, because Nellie and I have gone through so many things together since 1938. I hugged her tight and we both cried and I said, "Nellie, John's going to be all right." And Nellie said, "Yes, John's going to be all right." Among her many other fine qualities, she is also strong.

I turned and went back to the small white room where Lyndon was. Mac Kilduff, the President's press man on the trip, and Kenny O'Donnell were coming and going. I think it was from Kenny's face that I first knew the truth and from Kenny's voice that I first heard the words "The President is dead." Mr. Kilduff entered and said to Lyndon, "Mr. President."

It was decided that we would go immediately to the airport. Hurried plans were made about how we should get to the cars and who was to ride in which car. Our departure from the hospital and approach to the cars was one of the swiftest walks I ever made.

We got in. Lyndon told the agents to stop the sirens. We drove along as fast as we could. I looked up at a building and there, already, was a flag at half-mast. I think that was when the enormity of what had happened first struck me.

When we got to the field, we entered Air Force One for the first time. There was a TV set on and the commentator was saying, "Lyndon B. Johnson, now President of the United States." The news commentator was saying the President had been shot with a 30-30 rifle. The police had a suspect. They were not sure he was the assassin.

On the plane, all the shades were lowered. We heard that we were going to wait for Mrs. Kennedy and the coffin. There was a telephone call to Washington - I believe to the Attorney General [Robert Kennedy]. It was decided that Lyndon should be sworn in here as quickly as possible, because of national and world implications, and because we did not know how widespread this was as to intended victims. Judge Sarah Hughes, a Federal Judge in Dallas - and I am glad it was she - was called and asked to come in a hurry to administer the oath.

Mrs. Kennedy had arrived by this time, as had the coffin. There, in the very narrow confines of the plane - with Jackie standing by Lyndon, her hair falling in her face but very composed, with me beside him, Judge Hughes in front of him, and a cluster of Secret Service people, staff, and Congressmen we had known for a long time around him - Lyndon took the oath of office.

It's odd the little things that come to your mind at times of utmost stress, the flashes of deep compassion you feel for people who are really not at the center of the tragedy. I heard a Secret Service man say in the most desolate voice - and I hurt for him: "We never lost a President in the Service." Then, Police Chief Curry of Dallas came on the plane and said, "Mrs. Kennedy, believe me, we did everything we possibly could." That must have been an agonizing moment for him.

We all sat around the plane. The casket was in the corridor. I went in the small private room to see Mrs. Kennedy, and though it was a very hard thing to do, she made it as easy as possible. She said things like, "Oh, Lady Bird, we've liked you two so much… Oh, what if I had not been there. I'm so glad I was there."

I looked at her. Mrs. Kennedy's dress was stained with blood. One leg was almost entirely covered with it and her right glove was caked, it was caked with blood - her husband's blood. Somehow that was the one of the most poignant sights - that immaculate woman, exquisitely dressed, and caked in blood.

I asked her if I couldn't get someone in to help her change and she said, "Oh, no. Perhaps later I'll ask Mary Gallagher but not right now." And then with almost an element of fierceness - if a person that gentle, that dignified, can be said to have such a quality - she said, "I want them to see what they have done to Jack."

I tried to express how we felt. I said, "Oh, Mrs. Kennedy, you know we never even wanted to be Vice President and now, dear God, it's come to this." I would have done anything to help her, but there was nothing I could do, so rather quickly I left and went back to the main part of the airplane where everyone was seated.

The flight to Washington was silent, each sitting with his own thoughts. One of mine was a recollection of what I had said about Lyndon a long time ago - he's a good man in a tight spot. I remembered one little thing he had said in the hospital room - "Tell the children to get a Secret Service man with them."

Finally we got to Washington, with a cluster of people waiting and many bright lights. The casket went off first, then Mrs. Kennedy, and then we followed. The family had come to join her. Lyndon made a very simple, very brief, and I think, strong statement to the people there. Only about four sentences. We got in helicopters, dropped him off at the White House, and I came home with Liz Carpenter.

vrijdag 20 november 2015

James Woodforde -- 21 november 1774

• James Woodforde (1740-1803) was dominee in het dorp Weston Longville in het Engelse Norfolk. Hij hield 44 jaar een dagboek bij; gedeeltes daaruit zijn gepubliceerd als The Diary of a Country Parson 1758 – 1802.

I went to the Music Room this evening being Choral Night - A great deal of Company present -
I gave to go in being a Subscription - 0 : 1 : 0
I gave my Bedmakers Boy Jack this morn' 0 : 1 : 0
The Music Room was quite full - stayed till near 11.
Mem: there was a little Boy only 7. Years old by name Master Weichsell from London who played a Concerto on the Violin this evening at the Music Room & played so exceedingly well that astonished the whole Company present - He was much applauded indeed & highly deserved it also -
He was obliged to get on a Stool to be seen. The famous Crosdall gave us two Solo's on the Violencello - very great Execution indeed-

woensdag 18 november 2015

Bernie IJdis -- 19 november 1999

Filmmaker Bernie IJdis (1945) hield in 1999 op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij, toen tijdens het eerste Jakarta International Filmfestival zijn film Jalan Raya Pos/De Groote Postweg (1996) vertoond werd, een film die tot dan toe in Indonesië was verboden.

Vrijdag [19 november]
We maken een wandeling langs het huis van Soeharto en dat van Megawati. Op de terugweg worden we overvallen door een regenbui. Tot op de laatste vezel nat, lopen we het hotel met de venijnig koude airconditioning in.
Ik krijg een e-mail uit India van Adoor Gopalakrishnan, een vooraanstaand onafhankelijk filmmaker. Hij heeft kennelijk gehoord dat mijn film in Dakar niet doorgaat. Daar wordt nu een Afrikaanse speelfilm gemaakt waarin 250 bedelaars figureren. Tegen deze achtergrond wilde ik een film over bedelaars maken. Ondanks de steun van BBC, WDR en NPS werkte het Filmfonds niet mee. Adoor schrijft: ,,Mijn vriendelijke advies luidt niet ontstemd of ontmoedigd te raken. Zelfs ik heb op mijn leeftijd nog veel harde lessen te leren. We spelen allemaal het spel om te leren.'' Wat leuk om dat hier te krijgen.
We moeten vandaag verhuizen naar het prachtige Hotel Mandarin Oriental, waar de festivalgasten zijn ondergebracht. Met een taxi naar onze afspraak met Joesoef Isak. Bijzonder om hier te zijn nu er politiek zoveel aan de hand is. Gus Dur stelt zich in het parlement controversieel op en neemt geen blad voor de mond. In Jakarta wordt daar met opluchting op gereageerd. Joesoef is bevriend met Gus Dur en ook Pram is kortgeleden bij hem op bezoek geweest. Daar is Pram helemaal niet zo positief over, zeg ik. Joesoef: ,,Ach, da's Pram.''

Zaterdag [20 november]
Het festival begint te leven, vanmorgen een groot stuk in de Jakarta Post over Jalan Raya Pos, met een foto erbij. Het is een voorzichtig artikel. We ontbijten met Natacha en met Kam Yoke van het Singapore Filmfestival waar Jalan Raya Pos al een paar jaar geleden heeft gedraaid. Ilse, die zitting heeft in de commissie van het Hubert Bals Fonds van het Rotterdams Filmfestival, bespreekt het programma van zeventien Indonesische shorts dat in Jakarta te zien is. Misschien ook leuk voor het festival in Rotterdam. Natacha vraagt naar mijn nieuwe film in Afrika. Ze zegt dat ze hem bij voorbaat wil programmeren voor volgend jaar. ,,Het onderwerp is zo herkenbaar hier door de economische crisis'', zegt ze. Ik weet niet waarom, maar ik durf haar niet te vertellen dat de film niet doorgaat.
Openingsavond van het festival. Ondanks avondkleding ongedwongen sfeer. Toespraken van de gouverneur van Jakarta, hoofdsponsor DHL en een duo-speech van Shanty en Natacha. Hun sleutelwoord is `onafhankelijkheid'. De jonge generatie kijkt niet meer vragend naar boven en wacht niet meer af. Ze zijn niet meer tegen te houden en nemen zelf het initatief voor de revival van de Indonesische filmindustrie. Het festival zelf is daar een voorbeeld van.