vrijdag 30 oktober 2015

Monique van de Ven -- 31 oktober 1982

• Monique van de Ven (1952) is een Nederlandse actrice. In 1982 hield ze op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij, ter gelegenheid van de première van haar film Ademloos.

Zondag [31/10]
Om negen uur vind ik mezelf met negen andere akteurs op het Gelderlandplein waar we in een behoorlijke wind 'n scène draaien. We verwarmen ons in een sporthal waar allerlei dames verwoed handbal spelen. Kerkklokken luiden. Ondanks alle drukte (ik had dit weekend best vrij willen zijn) vind ik het heerlijk allemaal nieuwe mensen te leren kennen. Breng de middag toch nog op z'n zondags door; thee, koekjes, Jeroen en Herma K., en een open haard.
Draai nog een scène, en zak vervolgens languit om naar vrienden en collega's op televisie te kijken...

Maandag [1/11]
Veel te veel wegopbrekingen in Amsterdam. Blijf vandaag bijna in een gigantisch gat in trambaan steken met auto. Dacht een snellere route te nemen. Fout dus.
Bodega Keyzer heeft iets familie-achtigs. Vaag herken je gezichten. De haring is zuur, niet zout. Ik neem dus garnalen. Heb wat later toekomstgesprek in Hilversum. Heerlijk dat er mensen zijn die me kunnen en willen leiden. Rij, terug naar Amsterdam, nu voor de twintigste keer dezelfde route. Stop spontaan bij Els S. Mady voegt zich later bij ons voor het eten. Ik laat haar geen keuze: Hazepeper dus.
Vervolg (20ste keer nog) weg naar Amsterdam. Blijven tot drie uur 's nachts in een wat melige stemming. Een logeerkamer is iets heel speciaals: knisperende lakens, groene dekens, schuine balken, en een wasmachine. M'n pen ziet er na zes dagen schrijven verfomfaaid uit, afgekloven dop.

donderdag 29 oktober 2015

Nadine Wedel -- 30 oktober 1998

• Nadine Wedel was in 1998 zestien jaar en verliefd op Christoph.

Hi! 30.10.98
Hatte leider keine Zeit zum Schreiben. Aber jetzt geht's mal! Auf alle Fälle waren wir Mittwoch wieder im Handkuss. Mich labern alle an wegen meinen neuen Haaren. Die Rastazöpfe bringen's voll. Ich saß ja auch 13 Stunden da. Hammerhart! Ich durfte auch 480 DM blechen!!!
So Typen wollten die Haare immer anfassen und der Opelfreund (Christoph) hat mich gleich zu sich heim eingeladen.

Hi! 3.11.98
Nix weiter passiert. Latsche abends immer durch die Stadt in der Hoffnung, daß Christoph vorbeifährt. Vergeblich! Vielleicht drivt er ja morgen an mir vorbei. Bitte! Naja, bums, muß noch lernen.

Hi! 4.11.98
Wieder ein Tag ohne ihn gesehen zu haben!

Hi! 8.11.98

Wieder eine Woche meines Lebens (ohne Freund) vorbei! Ich habe Christoph diese Woche kein einziges Mal gesehen, obwohl ich immer durch die Stadt latsch.
Mia ist mit Jakob ins Okay und mit ihm zusammengekommen. Ich bin immer noch der einzige Arsch, der noch solo ist. Ich will Chris! Heute war'n ma' Fußball glotzen wegen Ben und dem Enzo. Dann sind wir beim Chris klingen, doch der war nicht daheim. Ich hoffe so, daß ich morgen mal Christoph sehe. Ich muß unbedingt mit ihm labern. Ich mag ihn!

For you

Jeden Tag, warte ich
um zu sehen nur dich.
Doch ich weiß nicht wo du bist,
ob du daheim oder im Auto sitzt.
Darum lauf' ich durch die Stadt,
aber ich hab's bald satt,
weil du doch nie fährst zurzeit,
früher warst du immer bereit.
Ich hab' dich überall getroffen,
nun darf ich nur noch hoffen.
Heute wollte ich dich besuchen,
leider konnte ich nur fluchen,
denn du warst nicht daheim.
Wie sollt' es auch anderst sein!
Dann hoff' ich eben auf morgen,
und mach mir keine Sorgen.
Morgen bist du sicher da,
und dann geht das klar:
Ich liebe dich, Chris! by N.W.

woensdag 28 oktober 2015

Willem IJsbrantsz. Bontekoe -- 29 oktober 1623

Willem IJsbrantszoon Bontekoe (1587-1657) was een Nederlandse schipper en koopman. Hij is tot op de dag van vandaag bekend door zijn verslag van een reis naar Oost-Indië.

Den 28. dito quamen wy voor de voornoemde revier; setten het onder het eylandt met de pagoden, daer al 't volck was afgevlucht, behalven een oudt man, die wy vonden. Lieten, ghelijck onse ordre was, een witte vlagge waeyen, hopende datter yemand van Aymuy by ons soude komen, om ons te verspreecken [spreken].
Den 29 dito wierdt onder ons goedt ghevonden, dat men op yder schip 30 a 40 swabbers soude maecken en 8 a 9 balijs [tobbes] met water, als oock een deel leeren emmers langhs 't schip souden stellen, om (of de Chinesen ons met branders toequamen) de brant te uytten; als oock, dat men scherpe wacht soude houden en dat twee schuyten een derden deel van een mijl vande schepen alle nachten op de wacht souden leggen, oock om water te halen. Roeyden de stucken op en waren wel op onse hoede. En alsoo niemandt van Aymuy by ons quam, schreven den 30. dito een brief aenden totock [door de Chinese overheid aangestelde commissaris] van Aymuy en bestelden die met die oude Chinees, die wy op 't eylandt vonden. Wy schreven, dat wy aldaer gekomen waren, om met haer den handel en vrede te versoecken, gelijck wy inde voorige conferentie tusschen haer en ons gehouden gedaen hadden, en voort eenighe complementen tot sulck schrijven wel voeghende. Publiceerden oock dien selfden dagh dese navolgende Ordonnantie, op alle de schepen.

Ordonnantie,
Waer naer sich het volck vande schepen, leggende in de reviere van Chinchieu, sullen hebben te reguleren.
Alsoo wy met ons vier schepen alhier in de Reviere van Chinchieuw legghen, om soo veel als moghelijck is die van China 't uytvaren naer Manilha ofte eenige andere onser vyanden plaetsen te beletten; derhalven wel te vermoeden is, dat de Chineesen niet sullen naer laten hun uytterste devoir te doen, om ('t zy met openbaer gewelt, onder schijn van vrede, ofte andere bedrieghelijcke middelen) met haer brandt-schepen, (diese mette stroom souden mogen afseynden) ons van hier te drijven; waeromme hoogh-noodigh is, datter vooral in alle de schepen ofte boots en de chaloupen ('t zy datse aen boort ofte een stuck boven stroom vande schepen als uytleggers mochten leggen) goede, scharpe ende behoorelijcke wacht wordt ghehouden. Ende alsoo bevinden, dat deselve dickmalen by de matroosen seer slechtelijck werden waer genomen, sonder acht te nemen wat schade ende onheil daer door te verwachten hebben; werdt hier mede by den E. Commandeur Christiaen Francxz ende Raet gheordonneert ende bevoolen, ghelijck wy ordonneren ende beveelen midts desen, aen alle scheeps-officieren ende matroosen, niemant uytgesondert: dat yder sijn wachte ter plaetse daer hy soude mogen gestelt werden, behoorlijck sal waernemen, op pene dat de gene, die slapende ofte ter contrarie doende bevonden werdt, driemael vande rhaa sal vallen, ende met hondert slaghen voor de mast gheleerst werden1). Ider wacht sich voor schade, alsoo dese voorsz. Ordonnantie, sonder eenige dissimulatie aende contraventeurs, naer behooren sal ghe-executeert werden, want 't selve in aequiete ende naer gelegenheit der saken alsoo bevinden te behooren. Actum in 't schip Groningen, legghende inde Reviere van Chinchieuw, desen 30. October 1623.

maandag 26 oktober 2015

Ernest Shackleton -- 27 oktober 1915

October 27, 1915
The end came at last about 5 p.m. the pressure started again irresistibly and surely but slowly pressed her rudder over to port cracking & splitting the sternpost; they were gone. She was doomed. No ship built by human hands could have withstood the strain. I ordered all hands on to the floe and as the floe near us was cracking. We started to sledge all the gear across the pressure to what was seeming a safer place but I found that the safe place was bad – the floe splitting in the usual way.


In August 1914 Ernest Shackleton and a crew of twenty seven set sail for the Antarctic in an attempt to cross the continent on foot. Disaster struck when his ship, the Endurance, was trapped fast in the pack ice, just eighty five miles from their destination. The ship was crushed like matchwood by the pressure, leaving the crew stranded on an ice floe. With three life boats and provisions salvaged from the sinking ship, Shackleton led the men to safety. The ordeal lasted 20 months. Shackleton kept this diary during the months spent marooned on the ice.

zaterdag 24 oktober 2015

Samuel Pepys -- 25 oktober 1668

• Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken.

Sunday 25 October 1668
(Lord’s day). Up, and discoursing with my wife about our house and many new things we are doing of, and so to church I, and there find Jack Fenn come, and his wife, a pretty black [haired] woman: I never saw her before, nor took notice of her now. So home and to dinner, and after dinner all the afternoon got my wife and boy to read to me, and at night W. Batelier comes and sups with us; and, after supper, to have my head combed by Deb., which occasioned the greatest sorrow to me that ever I knew in this world, for my wife, coming up suddenly, did find me imbracing the girl con my hand sub su coats; and endeed, I was with my main in her cunny. I was at a wonderful loss upon it, and the girle also, and I endeavoured to put it off, but my wife was struck mute and grew angry, and so her voice come to her, grew quite out of order, and I to say little, but to bed, and my wife said little also, but could not sleep all night, but about two in the morning waked me and cried, and fell to tell me as a great secret that she was a Roman Catholique and had received the Holy Sacrament, which troubled me, but I took no notice of it, but she went on from one thing to another till at last it appeared plainly her trouble was at what she saw, but yet I did not know how much she saw, and therefore said nothing to her. But after her much crying and reproaching me with inconstancy and preferring a sorry girl before her, I did give her no provocation, but did promise all fair usage to her and love, and foreswore any hurt that I did with her, till at last she seemed to be at ease again, and so toward morning a little sleep [...]

maandag 19 oktober 2015

Jan van Trigt -- 20 oktober 1946

• Jan van Trigt was in 1945-48 militair in Nederlands Indië en hield in die tijd een dagboek bij, dat is gepubliceerd als Duizend dagen Indië.

20 oktober 1946
De afgelopen weken hebben in het teken van de verplaatsing gestaan, maar nu wordt het helemaal erg. Tabanan raakt leeg en de bevolking lijkt het in de gaten te hebben. Het schijnt ze niet op hun gemak te stellen. Ik kan het me voorstellen, want dan krijgen ze weer last van de bendes, die hier en daar nog de kop opsteken. Ik schrijf veel brieven naar alle windstreken. De verbinding gaat met een paar dagen ook weg, zijn we de herrie gelukkig kwijt.
Feest in Menghwi en Denpasar, weer voor het afscheid. Veel knapen met een snee in de neus, beroerde boel, maar wat doe je eraan? Piet ligt in de hoek van de wagen en de anderen legen hun maag over hem. Hij merkt er niets meer van. Joop komt door de deur en schiet zo op z'n nest, hij heeft mazzel dat hij geen veldbed heeft, maar een tempatje, laag bij de grond. Wij eten Chinees bij 'De luis aan de ketting'. Heel goed en de service is af. Het servies ook, dat verhuist voor een deel naar onze zak, ik had geen lepel meer...

21 oktober 1946
Spullen gepakt na nog een laatste maal heerlijk gegeten te hebben uit de tent van de Chinees. We werden op onze wenken bediend en hij liet niets na het ons naar de zin te maken. We zijn nog maar met 7 man hier achtergebleven. Het hokje waar de wacht zat is totaal verlaten. De bedienden zien het afscheid komen en zijn ook heel rustig. Toch zal het ervan moeten komen en wel vandaag.
Eindelijk komt de 3-tonner, de spullen zitten er al op, twee bezems aan de zijkanten. We nemen afscheid van de baboes en djongossen, die we hartelijk danken voor al het werk dat ze voor ons gedaan hebben. We zijn aan hen gewend geraakt, ze hebben eenmaal gestaakt, maar dat mag niet hinderen. Wajang en de anderen storten tranen met tuiten. Ik kan er ook niets aan doen, maar ik heb ze beloofd terug te komen, als ik ooit hier in Indië ga wonen. Gemakkelijk gezegd, maar wat moet je anders beloven?
We rijden een ererondje, komen weer langs het huis en dan gaat het in de richting van Denpasar, waar we in het tentenkamp aankomen. Warm is het in die dingen. Het hele kamp bestaat uit diezelfde tenten, honderden. Wassen is er niet bij, maar daar weten we wel wat op. Naar de M.P., waar we eerder gezeten hebben. Een schrijfmachine gebracht en wat papier, dus kunnen we 'werken'. Dat gebeurt niet, het mandiën wel.

22 oktober 1946
Nog steeds aan het inpakken. Compo rations uitgedeeld. Vandaag parade voor C-, Y-Brigade, lopen heel goed die jongens. Wat zal Palembang en Pladjoe ons brengen?
Hier laten we een dode achter. Zijn graf is goed verzorgd, maar hij zelf kan niet mee en blijft daar rusten. Hopelijk zal voor het graf gezorgd blijven worden. Wat is het heet op de aloon-aloon. Ik neem afscheid van ds Struik, zijn vrouw en hun schattige baby.

23 oktober 1946
Het is voor de verandering weer eens heet. Wanneer krijgen we winter? Ik zoek mijn heil bij de M.E, waar het koel is en de mandiebak in de buurt staat. Vanavond weer bij ds Struik, nog wat koffie naar binnen werken. Ze hebben hem vaandrig gemaakt, dus er kan wel wat af. Waar Joop is weet ik niet. Nu met Herbert de Vos op stap, hij is wat stil, maar ik kan hem soms een handje geven.
In de kantine is het weer feest, het houdt niet op. Er wordt gedanst als vanouds. Ikzelf doe niet mee, want ik kan er niets van, maar ik mag het graag aankijken. Het bestuderen van al die gezichten doet me groot genoegen. Majoor Lindt heeft het weer erg druk met verschillende zaken, die geen knip voor de neus waard zijn. Ik kan me indenken dat het luit Van de Meer Mohr de keel uithangt met mensen als hij en Bensen om zich heen. De majoor is oud, maar laat hem maar schuiven.

24 oktober 1946
Morgen inschepen. Nu eerst naar de band waarin Joop Termeulen uit Amsterdam speelt. Ze spelen goed, het fräulein dat erbij zingt glimlacht als een engeltje en is ook zo gekleed, maar staat me toch niet aan. Er treedt ook een Oostenrijkse op, 'Cilli Wang', ze is zo lelijk als de nacht en voert enkele vreemde dansen op. Het spook, de vrek en het danspaar, allen door haar alleen opgevoerd, doen het goed. Dan weer met Herbert op de koffie. We blijven zo kort mogelijk, maar kunnen er niet onderuit, deze laatste dag. We hebben goede uren gehad, ze hebben veel voor mij en onze jongens gedaan. Hij laat natuurlijk zijn zoon zien, die groeit als kool. Hij praat over later, als we uit dienst komen. Ik moet hem beslist schrijven als ik van plan ben om in Indië te blijven. Hij zal me een betrekking aanbieden bij Kolff en Co, in Batavia of Soerabaja. Ik beloof hem niets, maar ik zal er aan denken. Je weet nooit hoe het stuivertje kan rollen. Post komt er niet meer voor we in Palembang zijn, dus even geduld.

zondag 18 oktober 2015

Nicolaas Beets -- 18 oktober 1834

• Nicolaas Beets (1814-1903) was een Nederlandse schrijver. In zijn studententijd hield hij van 1833-1836 een dagboek bij.

's Gravenhage Zaterdag 18 Oct.
De hevige storm van gisteren en eergisteren heeft te Zandvoort éen**, te Katwijk drie, en te Scheveningen waarheen ik mij begeef, een vijfde schip doen stranden. 't Was een Brik, gevoerd door een Deen, komende van Bordeaux met een lading wijn en pruimen en bestemd naar Hamburg. In de herberg zag en sprak ik den Kapitein, die met twee der bemanning, de eenige die van de zes behouden waren, aan den gemeenen haard zat. Een stoere kerel; Noords mannelijk schoon; kort van stel, goed in 't vleesch, forsch gespierd; groote blauwe oogen, blond-bruin haar, bruinroode wangen, spierwitte tanden. Hij zat daar neder met al het uiterlijk van een man die een zwaren worstelstrijd heeft doorgestaan. Tweemaal vierentwintig uren had hij met de stormen gekampt, en daarin wel gewisselijk de geheele gamma der mannelijke gemoedsbewegingen doorgeloopen. Zes uren had hij met hoop op behoud voor anker gelegen. 's Namiddags te twee uren was dit bezweken, en hem niets overgebleven dan op de kust aan te houden, ten einde zoo ver mogelijk op het strand te schieten. 't Was gelukt, maar vier jonge mannen, aan wie deelgenootschap in allerlei gevaar hem verknocht had, had hij voor zijne oogen zien verdrinken; hijzelf en de beide overigen, daarna niet dan met levensgevaar gered. Zoo zat hij daar neder, vrijwezende; niet klagend, niet morrend, niet wrevelig, maar zijn lot getroost, met de bewustheid zijn plicht te hebben gedaan. Ik althans heb hem geen andere klacht hooren uiten, dan dat hij ‘meer dan de helft zijner mannen had verloren; dat hij vier lijken zou zien aanspoelen!’


** Te Zandvoort strandde het brikschip de Goede Wil, onder kapitein Langeland, met steenkolen van Sunderland naar Dordrecht onderweg, te Katwijk het fregat de Surinaamsche Vriend, onder kapitein J.A. de Lange, van Suriname naar Amsterdam, het brikschip Guardian, onder kapitein Flatten, met steenkolen van Sunderland naar Rotterdam, en een onbekend schip. Tussen Scheveningen en Ter Heide strandde het brikschip de Susanna, onder kapitein P. Ipsen, met wijn van Bordeaux naar Altona.