• Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.
1 oktober.
Heel de nacht en de dag door vervaarlijke kanonslagen. Nu blijkt het toch dat het op
de forten van Antwerpen gericht is. Gewichtige gebeurtenissen zijn ophanden. Twee
vliegtuigen heel hoog, ronken in de lucht.
Onderstaand berichtje stemt mij tot nadenken:
DE ‘ZEPPELINS’ EN HUNNE BOMMEN,
Europa weet nu tot welke lage trap het Duitsche militarisme gevallen is en kent nu
ook de laffe wapens waarmede de Pruis strijdt.
Duitschland heeft aan de bondslegers de eerste surprise voorbehouden, deze van
de houwitsers 42, die voor de eerste maal eene groote rol spelen en gebruikt werden
om de Belgische forten aan te vallen.
De Pruisen beroemen er zich nu op in het bezit te zijn van eene andere uitvinding,
van een verschrikkelijk tuig, dat van dienst kan zijn in dezen tijd en wiens uitwerksels
verschrikkelijk zullen zijn.
Een persoon, die deze proefnemingen heeft bijgewoond, vertelt het volgende;
Sedert drie weken, telkens als het zeer donker is, verlaat een Zeppelin zijn hangaar
van Friedrichshafen (Duitsche oever van het meer van Constance) en verheft zich
op eene hoogte van ongeveer 800 meters.
Na eens rondgevlogen te hebben, laat de bestuurbare luchtbal voorzichtig tot op
de oppervlakte van het water, eene reeks ronde manden dalen, die onmiddellijk
zinken.
Geheel de bewerking dezer vliegmachienen duurt enkele minuten en ieder
bestuurbare luchtbal, kan bij middel van kabels, minstens een vijftigtal dezer manden
laten vallen, die anders niet zijn dan torpedos.
De ontploffing dezer tuigen is verschrikkelijk; de waterverplaatsing is zoo geweldig
dat een schip, dat in de nabijheid is, onmiddellijk zinkt.
De Duitschers steunen zich vooral op deze nieuwe en moorddadige uitvinding en
hopen in den nacht, de vijandelijke kusten met deze torpedos te bezaaien en hopen
zelfs deze tuigen te midden der Engelse en Fransche eskaders te laten zinken, en hun
alzoo buitengewone verliezen toe te brengen. Ziedaar wat de nieuwe uitvinding van
de Pruisen en waartoe de barbaren in staat zijn. (De Landwacht)
Merk wel dat er van Franse zijde reeds lange tijd gemeld werd en spraak is van een
nieuw tuig dat verschrikkelijke uitwerkselen zou hebben - ik bedoel de geheimzinnige
uitvinding van Turpin, - een soort luchtkanon waardoor men doden zou door
verstikking. Deze uitvinding, nota bene, die al zo verschrikkelijk is als de mandjes
van de Zeppelin, werd door onze bladen met vreugde begroet en niemand dacht eraan
van iets ‘onmenselijks’ te spreken! Als oorlogsmannen over wetten, rechten en
bijzonderlijk over menselijkheid beginnen, wordt het vermakelijk. Een landsman
zegde me gister nog: als men iemand een oorveeg geeft, krijgt men 25 frank boete;
als men iemand vermoordt, wordt men voor zijn leven in 't kot gesloten. En nu, hoe
meer men moordt, hoe dapperder men wordt en hoe meer decoraties men krijgt! -
Ja, man, de landswetten en de opvatting der moraal in oorlogstijd is 't omgekeerde
van 't geen men anders gewoon was. Oorlog betekent: elkander uitmoorden,
vernietigen. Dat is de natuurlijke, primitieve wet: gij staat mij in de weg, gij moet
verdwijnen! Alle middels die ik daartoe gebruiken kan zijn toegelaten en goed. Het
recht van de sterkste zegepraalt. Nu heeft de beschaving echter in die moorderij een
soort wetten ingesteld en verordeningen toegebracht. Het is dus niet volstrekt gelijk
hoe en met welke middelen men zijn vijand aanvalt. De oorlog is weliswaar negatie
van alle wet, het opheffen van alle overeengekomen verplichting, en toch blijft er
iets daarboven zweven, iets vaags dat men noemt: menselijkheid. Daarbij verstaat
men een hele reeks verplichtingen die men zichzelf en de tegenpartij oplegt, maar
waarvan men juist zoveel in acht neemt alsdat men het wenselijk oordeelt, volgens
de omstandigheden. Al wie gerechtigd is te helpen moorden in 't groot moet een
uniform en de wapens bloot dragen. Men moet onder de bevelen staan van een
regelmatige overheid. Dit wordt vereist opdat men soldaten, die gerechtigd zijn te
doden, zoude uitkennen van de burgerij die niet doodt of mag gedood worden. Onder
een of ander voorwendsel wordt de burgerij toch vermoord, of men besteelt ze of
men hongert ze uit - 't geen op 't zelfde neerkomt. Dat noemt men dan, als een
verontschuldiging: de onvermijdelijke gevolgen van de oorlog. En daar de twee
oorlogvoerende partijen elkaar van evenveel kwaad en overtredingen weten te
beschuldigen, wordt er zero geplaatst bij de uitkomst, na het onderzoek. Maar de
middelen nu om elkaar te vermoorden! Van voor de oorlog - in vredestijd dus -
houden de mogendheden zich onledig met nieuwe moordtuigen te maken en de oude
te verbeteren. Die verbeteringen kijkt men van elkander af en men tracht zich zo veel
mogelijk op de hoogte te stellen van de mededinger, dat noemt men: gewapende
vrede. Telkens Engeland een nieuw oorlogsschip maakt, wordt er in Duitsland een
tegenover geplaatst en men maakt ze zo groot mogelijk. Kanonnen, idem, met de
sterkst mogelijke ontploffingskracht en de zwaarste obussen. Van weerskanten heeft
men geweren met vijf of zes kogels - in orde! Mitrailleusen, maxim- en
machinegeweren, in orde. Hier echter begint de verwarring! 't Geen men toepassen
mag aan een obus, granaat of schrapnel, t.t.z. zijn explosievermogen, wordt niet
toegelaten aan de geweerkogel. Dat heet men Dum-Dum en zoiets staat aangerekend
als onmenselijk! Men gebruikt er toch, of wederzijds beschuldigt men malkaar er te
gebruiken, maar men loochent het... et l'honneur est sauf! Een kanon dat met zijn
twee wielen op de grond staat, mag schieten overal en op alles, maar een granaat uit
een luchtschip geworpen, heet barbaarsheid. En zo is het met elke nieuwe uitvinding
op vernielingsgebied: zolang ze niet door wederzijds gebruik geheiligd werd, blijft
ze veroordeeld en als schandaligheid aangerekend! Ik vraag me wat er gebeuren zal
als men eens de levende soldaten afschaft en vervangen zal door mekanieke die veel
juister en sneller zullen schieten en nooit omvervallen of weglopen; - die geen
ravitaillement behoeven en de ambulance-dienst kunnen missen omdat ze door een
electrische stroom in werking worden gebracht!
woensdag 30 september 2015
dinsdag 29 september 2015
Valentin Boelgakov • 30 september 1910
• Valentin Boelgakov (1886-1966) was Tolstojs secretaris in het laatste jaar van diens leven. Zijn dagboek over die periode is vertaald (door Charles B. Timmer) als Het laatste levensjaar van Tolstoj.
30 september
Tolstoj heeft een tamelijk, vinnige brief geschreven aan een schoolmeisje uit de zesde klas van het gymnasium.
Hij zei: 'Daar heb je er weer zo een die het antwoord op de vraag over de zin van het leven bij Andrejev en Tsjechov zoekt. Terwijl het bij die een warboel is. En als het bij zulke vooraanstaande mensen al een warboel is, wat moeten wij dan doen? Het gewone geredeneer. Ontzettend jammer!' Tolstoj kwam vanavond laat nog een keer uit zijn slaapkamer bij mij in de 'Remingtonkamer'; hij had zijn riem al afgedaan, begon zich te verontschuldigen en zocht met zijn ogen op tafel rond.
'Zoekt u de brief aan dat meisje soms?' vroeg ik in het vermoeden dat hij aan die brief die hij kort tevoren had getekend en nog wat had aangevuld, nog iets wilde toevoegen of er iets in wilde veranderen.
'Ja, aan dat meisje... Die hoeft... nee, die hoeft helemaal niet verzonden te worden. Ik heb er nog eens goed over nagedacht... laat haar maar, je zou haar nog kunnen kwetsen.'
Hij verzocht mij alleen het schoolmeisje de bundels Voor iedere dag te sturen en haar te schrijven dat zij daarin antwoord op al haar vragen kon vinden. 'En die brief, gooit u die maar weg!'
Met een wat verlegen glimlach, maar kennelijk tevreden met zich zelf verontschuldigde hij zich nog een keer dat mijn werk aan het overtikken van de brief voor niets was geweest en trok zich toen in zijn slaapkamer terug.
Behalve al het andere werk heeft hij vandaag nog een heel interessante brief aan Molotsjnikov geschreven, waarin hij deze bedankte voor zijn mededelingen over de in de gevangenis zittende Solovjov en Smirnov en dan schrijft: 'Wat een kracht! En hoe verblijdend, hoe blij ben je om hen en hoe schaam je je voor je zelf. Schrijft u mij tot wie ik mij moet wenden om ze overgeplaatst te krijgen! Van wie hangt dat af? Het is het enige wat ik kan doen achter mijn kop koffie die ik voorgezet krijg en die speciaal voor mij wordt gezet: te schrijven en nog eens te schrijven. Wat afschuwelijk! Was ook ik maar met die heilige luizen besmet! En hoeveel van zulke onder de luizen zittende leraren zijn er niet, of zijn er nu niet in de maak!'
Belinki kwam binnen en vertelde dat er ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Brussel onder meer ook een zogenaamde 'optocht van wijzen' was gehouden. Die 'wijzen' werden door gegrimeerde en in bij hen passende kleren gestoken mannen uitgebeeld. Er waren personificaties van Confucius en Boeddha bij en ook een van Tolstoj. Degeen die zo'n wijze moest voorstellen, was goed op de hoogte van diens leer en beantwoordde vragen uit het publiek.
'Een teken des tijds,' opperde Doesjan. 'Er wordt dus meer aandacht aan de religie besteed.'
'Ach kom!' antwoordde Tolstoj. 'In tegendeel, ze maken van de religie een klucht.'
[...]152-2015>
30 september
Tolstoj heeft een tamelijk, vinnige brief geschreven aan een schoolmeisje uit de zesde klas van het gymnasium.
Hij zei: 'Daar heb je er weer zo een die het antwoord op de vraag over de zin van het leven bij Andrejev en Tsjechov zoekt. Terwijl het bij die een warboel is. En als het bij zulke vooraanstaande mensen al een warboel is, wat moeten wij dan doen? Het gewone geredeneer. Ontzettend jammer!' Tolstoj kwam vanavond laat nog een keer uit zijn slaapkamer bij mij in de 'Remingtonkamer'; hij had zijn riem al afgedaan, begon zich te verontschuldigen en zocht met zijn ogen op tafel rond.
'Zoekt u de brief aan dat meisje soms?' vroeg ik in het vermoeden dat hij aan die brief die hij kort tevoren had getekend en nog wat had aangevuld, nog iets wilde toevoegen of er iets in wilde veranderen.
'Ja, aan dat meisje... Die hoeft... nee, die hoeft helemaal niet verzonden te worden. Ik heb er nog eens goed over nagedacht... laat haar maar, je zou haar nog kunnen kwetsen.'
Hij verzocht mij alleen het schoolmeisje de bundels Voor iedere dag te sturen en haar te schrijven dat zij daarin antwoord op al haar vragen kon vinden. 'En die brief, gooit u die maar weg!'
Met een wat verlegen glimlach, maar kennelijk tevreden met zich zelf verontschuldigde hij zich nog een keer dat mijn werk aan het overtikken van de brief voor niets was geweest en trok zich toen in zijn slaapkamer terug.
Behalve al het andere werk heeft hij vandaag nog een heel interessante brief aan Molotsjnikov geschreven, waarin hij deze bedankte voor zijn mededelingen over de in de gevangenis zittende Solovjov en Smirnov en dan schrijft: 'Wat een kracht! En hoe verblijdend, hoe blij ben je om hen en hoe schaam je je voor je zelf. Schrijft u mij tot wie ik mij moet wenden om ze overgeplaatst te krijgen! Van wie hangt dat af? Het is het enige wat ik kan doen achter mijn kop koffie die ik voorgezet krijg en die speciaal voor mij wordt gezet: te schrijven en nog eens te schrijven. Wat afschuwelijk! Was ook ik maar met die heilige luizen besmet! En hoeveel van zulke onder de luizen zittende leraren zijn er niet, of zijn er nu niet in de maak!'
Belinki kwam binnen en vertelde dat er ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Brussel onder meer ook een zogenaamde 'optocht van wijzen' was gehouden. Die 'wijzen' werden door gegrimeerde en in bij hen passende kleren gestoken mannen uitgebeeld. Er waren personificaties van Confucius en Boeddha bij en ook een van Tolstoj. Degeen die zo'n wijze moest voorstellen, was goed op de hoogte van diens leer en beantwoordde vragen uit het publiek.
'Een teken des tijds,' opperde Doesjan. 'Er wordt dus meer aandacht aan de religie besteed.'
'Ach kom!' antwoordde Tolstoj. 'In tegendeel, ze maken van de religie een klucht.'
[...]152-2015>
maandag 28 september 2015
Robert Fripp -- 29 september 2000
• Robert Fripp (1946) is een Britse gitarist. Hij houdt een online dagboek met foto's bij.
13.38
Up at 03.30. A reflective breakfast & then grocery shopping via Starbucks. A new Starbucks is being built on the way to the old Starbucks, which is only 100 yards away. Then back to the hotel for practising.
18.57
Beaton Bunnerius Bun has died.
He has been in lodgings with Toyah's parents since just before we left Reddish and, although an old prince of his kind now, he has been much loved and cared for. They took him to the local vet for an eye operation and the vet, without reference to anyone, decided to put him down. He was an old bun, you see, and not worth the operation.
Toyah has just called with this news & is very upset. She planned to be with Bun when he died, as she was with Cecil Ratticus Roo, Beaton's predecessor (I was in Argentina with Crimson, September 1994). Toyah's mother is too upset to talk.
What arrogance on behalf of the vet, an American might say, shortly before calling their lawyer. This is an aspect of Englishness I grew up inside: professionals of many kinds, particularly those to do with health, knew better than you. So, they made choices on your behalf, without consultation.
When I was 18 I was given a deviated septum at Westbourne Hospital. No-one explained to me what was going to happen, the nature of the operation, the results or procedure involved, or offered any choice in the matter. In America, strangely still without social health care, I found it refreshing to be part of discussions with doctors on the fate of my body, on the rare occasions I needed consultations. Like, as if patients had choices in their own lives.
My Father was in Boscombe Hospital shortly before Christmas 1984, with a build-up of fluid (dropsy had killed his mother at the age of 59). The hospital wanted to keep him in over Christmas, and were most concerned that Dad wanted to come home for the holiday: Christmas was always the focus of the Fripp family year. My Mother reminded me, several years later, that I'd said: "If my Dad wants to die at home, I'll take him home". And so I did, regardless of professional concerns. (Dad flew away the following April).
My dear Mother was herself very clear that there should be no attempts to artificially prolong her life, or to resuscitate her when she was clearly gone (she witnessed these attempts on others in her own last days in hospital).
So, my family are quite straightforward in matters of their dying, and concerned that they have the last word in this, their own sacred process. We are not prepared to allow "professionals" to take our decisions for us. This extends to the lives of pets, who are (as anyone with a pet will know) part of the feeling life of the family. Children feel this, their first brush with mortality, very keenly. Even for those a little wrinklier, who have known death & dying, their inner child continues to experience & mourn the loss of a pet.
Beaton was a spirited & characterful bun. He would hurtle up the flights of stairs to the bedroom & sleep under our bed, snoring loudly throughout the night before running back downstairs at daylight. Although a celibate, this was probably not a choice he would have made for himself. The only intimate connection he developed was with the towel he laid on, which became the unresponsive object of his passion. Bun was also drawn to music, and would sit by my feet when he heard me practising in the study. As a younger, adventurous, bun he would go exploring in the garden, hiding in the heart of bushes when pursued. He was even known to escape down the village street. But he always returned for food and his towel. Beaton starred in several magazines, sometimes allowing Toyah to appear in the photo with him.
13.38
Up at 03.30. A reflective breakfast & then grocery shopping via Starbucks. A new Starbucks is being built on the way to the old Starbucks, which is only 100 yards away. Then back to the hotel for practising.
18.57
Beaton Bunnerius Bun has died.
He has been in lodgings with Toyah's parents since just before we left Reddish and, although an old prince of his kind now, he has been much loved and cared for. They took him to the local vet for an eye operation and the vet, without reference to anyone, decided to put him down. He was an old bun, you see, and not worth the operation.
Toyah has just called with this news & is very upset. She planned to be with Bun when he died, as she was with Cecil Ratticus Roo, Beaton's predecessor (I was in Argentina with Crimson, September 1994). Toyah's mother is too upset to talk.
What arrogance on behalf of the vet, an American might say, shortly before calling their lawyer. This is an aspect of Englishness I grew up inside: professionals of many kinds, particularly those to do with health, knew better than you. So, they made choices on your behalf, without consultation.
When I was 18 I was given a deviated septum at Westbourne Hospital. No-one explained to me what was going to happen, the nature of the operation, the results or procedure involved, or offered any choice in the matter. In America, strangely still without social health care, I found it refreshing to be part of discussions with doctors on the fate of my body, on the rare occasions I needed consultations. Like, as if patients had choices in their own lives.
My Father was in Boscombe Hospital shortly before Christmas 1984, with a build-up of fluid (dropsy had killed his mother at the age of 59). The hospital wanted to keep him in over Christmas, and were most concerned that Dad wanted to come home for the holiday: Christmas was always the focus of the Fripp family year. My Mother reminded me, several years later, that I'd said: "If my Dad wants to die at home, I'll take him home". And so I did, regardless of professional concerns. (Dad flew away the following April).
My dear Mother was herself very clear that there should be no attempts to artificially prolong her life, or to resuscitate her when she was clearly gone (she witnessed these attempts on others in her own last days in hospital).
So, my family are quite straightforward in matters of their dying, and concerned that they have the last word in this, their own sacred process. We are not prepared to allow "professionals" to take our decisions for us. This extends to the lives of pets, who are (as anyone with a pet will know) part of the feeling life of the family. Children feel this, their first brush with mortality, very keenly. Even for those a little wrinklier, who have known death & dying, their inner child continues to experience & mourn the loss of a pet.
Beaton was a spirited & characterful bun. He would hurtle up the flights of stairs to the bedroom & sleep under our bed, snoring loudly throughout the night before running back downstairs at daylight. Although a celibate, this was probably not a choice he would have made for himself. The only intimate connection he developed was with the towel he laid on, which became the unresponsive object of his passion. Bun was also drawn to music, and would sit by my feet when he heard me practising in the study. As a younger, adventurous, bun he would go exploring in the garden, hiding in the heart of bushes when pursued. He was even known to escape down the village street. But he always returned for food and his towel. Beaton starred in several magazines, sometimes allowing Toyah to appear in the photo with him.
zondag 27 september 2015
Samuel Pepys -- 27 september 1668
• Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken.
Sunday 27 September 1668
(Lord’s day). Up, and to my office to finish my journall for five days past, and so abroad and walked to White Hall, calling in at Somerset House Chapel, and also at the Spanish Embassador’s at York House, and there did hear a little masse: and so to White Hall; and there the King being gone to Chapel, I to walk all the morning in the Park, where I met Mr. Wren; and he and I walked together in the Pell-Mell, it being most summer weather that ever was seen: and here talking of several things: of the corruption of the Court, and how unfit it is for ingenious men, and himself particularly, to live in it, where a man cannot live but he must spend, and cannot get suitably, without breach of his honour: and did thereupon tell me of the basest thing of my Lord Barkeley, one of the basest things that ever was heard of of a man, which was this: how the Duke of York’s Commissioners do let his wine-licenses at a bad rate, and being offered a better, they did persuade the Duke of York to give some satisfaction to the former to quit it, and let it to the latter, which being done, my Lord Barkeley did make the bargain for the former to have 1500l. a-year to quit it; whereof, since, it is come to light that they were to have but 800l. and himself 700l., which the Duke of York hath ever since for some years paid, though this second bargain hath been broken, and the Duke of York lost by it, [half] of what the first was. He told me that there hath been a seeming accommodation between the Duke of York and the Duke of Buckingham and Lord Arlington, the two latter desiring it; but yet that there is not true agreement between them, but they do labour to bring in all new creatures into play, and the Duke of York do oppose it, as particularly in this of Sir D. Gawden. Thence, he gone, I to the Queen’s Chapel, and there heard some good singing; and so to White Hall, and saw the King and Queen at dinner and thence with Sir Stephen Fox to dinner: and the Cofferer with us; and there mighty kind usage, and good discourse. Thence spent all the afternoon walking in the Park, and then in the evening at Court, on the Queen’s side; and there met Mr. Godolphin, who tells me that the news, is true we heard yesterday, of my Lord Sandwich’s being come to Mount’s Bay, in Cornwall, and so I heard this afternoon at Mrs. Pierce’s, whom I went to make a short visit to. This night, in the Queen’s drawing-room, my Lord Brouncker told me the difference that is now between the three Embassadors here, the Venetian, French, and Spaniard; the third not being willing to make a visit to the first, because he would not receive him at the door; who is willing to give him as much respect as he did to the French, who was used no otherwise, and who refuses now to take more of him, upon being desired thereto, in order to the making an accommodation in this matter, which is very pretty. So a boat staying for me all this evening, I home in the dark about eight at night, and so over the ruins from the Old Swan home with great trouble, and so to hear my boy read a little, and supper and to bed. This evening I found at home Pelling and Wallington and one Aldrige, and we supped and sung.
Sunday 27 September 1668
(Lord’s day). Up, and to my office to finish my journall for five days past, and so abroad and walked to White Hall, calling in at Somerset House Chapel, and also at the Spanish Embassador’s at York House, and there did hear a little masse: and so to White Hall; and there the King being gone to Chapel, I to walk all the morning in the Park, where I met Mr. Wren; and he and I walked together in the Pell-Mell, it being most summer weather that ever was seen: and here talking of several things: of the corruption of the Court, and how unfit it is for ingenious men, and himself particularly, to live in it, where a man cannot live but he must spend, and cannot get suitably, without breach of his honour: and did thereupon tell me of the basest thing of my Lord Barkeley, one of the basest things that ever was heard of of a man, which was this: how the Duke of York’s Commissioners do let his wine-licenses at a bad rate, and being offered a better, they did persuade the Duke of York to give some satisfaction to the former to quit it, and let it to the latter, which being done, my Lord Barkeley did make the bargain for the former to have 1500l. a-year to quit it; whereof, since, it is come to light that they were to have but 800l. and himself 700l., which the Duke of York hath ever since for some years paid, though this second bargain hath been broken, and the Duke of York lost by it, [half] of what the first was. He told me that there hath been a seeming accommodation between the Duke of York and the Duke of Buckingham and Lord Arlington, the two latter desiring it; but yet that there is not true agreement between them, but they do labour to bring in all new creatures into play, and the Duke of York do oppose it, as particularly in this of Sir D. Gawden. Thence, he gone, I to the Queen’s Chapel, and there heard some good singing; and so to White Hall, and saw the King and Queen at dinner and thence with Sir Stephen Fox to dinner: and the Cofferer with us; and there mighty kind usage, and good discourse. Thence spent all the afternoon walking in the Park, and then in the evening at Court, on the Queen’s side; and there met Mr. Godolphin, who tells me that the news, is true we heard yesterday, of my Lord Sandwich’s being come to Mount’s Bay, in Cornwall, and so I heard this afternoon at Mrs. Pierce’s, whom I went to make a short visit to. This night, in the Queen’s drawing-room, my Lord Brouncker told me the difference that is now between the three Embassadors here, the Venetian, French, and Spaniard; the third not being willing to make a visit to the first, because he would not receive him at the door; who is willing to give him as much respect as he did to the French, who was used no otherwise, and who refuses now to take more of him, upon being desired thereto, in order to the making an accommodation in this matter, which is very pretty. So a boat staying for me all this evening, I home in the dark about eight at night, and so over the ruins from the Old Swan home with great trouble, and so to hear my boy read a little, and supper and to bed. This evening I found at home Pelling and Wallington and one Aldrige, and we supped and sung.
zaterdag 26 september 2015
Freerk Pieters -- 26 september 177?
• Freerk Pieters (?-?) raakte als commandeur van een walvisvaarder ergens voor 1770 vast in het ijs. Zijn journaal is gepubliceerd als Aan-teekening, gehouden op het schip de Vrouw Maria.
Maandag, 25 dito, de wind o.n.o. Hard Vriezende en Koud. Des Middags deelden wy wy 2 vaaten Brood;+ moesten daar 4 Weeken mee toe en hadden nog maar 2 vaaten over. Begonden nu malkander al vry wat Benaauwd aan te zien.
Dingsdag, 26 dito, gingen 7 Mannen van ons z.o. in het Veld op, om eens te zien hoe het daar aan de Buitenkant gesteld was. Zy waaren 18 Glaazen uit. Wy haalden nog 11 vaaten Water van het Veld.
In deezen Toestand bleeven wy in Bezetting. Gebrek in alles nam van Hand tot Hand toe en de Vrees voor een droevig Einde kreeg al langs hoe meer plaats. Geen wonder, waarlyk, want wy zaagen geen de minste uitkomst.
Donderdag, 5 October, begonnen wy des Middags een Nood-gebed te doen.+ Zaagen nu geen Scheepen meer.
Zondag, 8 dito, schooten wy een Vos.
Dingsdag, 10 dito, hadden wy de Breedte van 71 gr. 50 m.
Saturdag, 14 dito, Deinsden het Veld, daar wy aan laagen, in stukken van malkander en wy kreegen hier en daar om het Schip een Wak.
Zondag, 15 dito, Boorden wy des Morgens omtrent 10 Scheeps lengtens door het Ys. Raakten onderwyl weer Bezet: maar, des Middags werkten wy weer zoo ver voort als wy konden. Zaagen een Beer en een Vos voor ons Schip over loopen.
Maandag, 25 dito, de wind o.n.o. Hard Vriezende en Koud. Des Middags deelden wy wy 2 vaaten Brood;+ moesten daar 4 Weeken mee toe en hadden nog maar 2 vaaten over. Begonden nu malkander al vry wat Benaauwd aan te zien.
Dingsdag, 26 dito, gingen 7 Mannen van ons z.o. in het Veld op, om eens te zien hoe het daar aan de Buitenkant gesteld was. Zy waaren 18 Glaazen uit. Wy haalden nog 11 vaaten Water van het Veld.
In deezen Toestand bleeven wy in Bezetting. Gebrek in alles nam van Hand tot Hand toe en de Vrees voor een droevig Einde kreeg al langs hoe meer plaats. Geen wonder, waarlyk, want wy zaagen geen de minste uitkomst.
Donderdag, 5 October, begonnen wy des Middags een Nood-gebed te doen.+ Zaagen nu geen Scheepen meer.
Zondag, 8 dito, schooten wy een Vos.
Dingsdag, 10 dito, hadden wy de Breedte van 71 gr. 50 m.
Saturdag, 14 dito, Deinsden het Veld, daar wy aan laagen, in stukken van malkander en wy kreegen hier en daar om het Schip een Wak.
Zondag, 15 dito, Boorden wy des Morgens omtrent 10 Scheeps lengtens door het Ys. Raakten onderwyl weer Bezet: maar, des Middags werkten wy weer zoo ver voort als wy konden. Zaagen een Beer en een Vos voor ons Schip over loopen.
donderdag 24 september 2015
Coba Jansen -- 25 september 1944
• Coba Jansen (?-1992) was een Nijmeegse die de strijd tussen de Duitsers en de geallieerden van dichtbij meemaakte. Ze hield in de oorlog een dagboek bij.
25 september – 1 oktober
Deze tweede week van het gevecht in Nijmegen is veel zwaarder geweest voor de Nijmegenaren dan de vorige.
Dinsdag tegen de avond had de Fransman twee Engelsen meegebracht, die zich wilden wassen en scheren. De arme kerels hadden dit in geen dagen kunnen doen. Daar opeens een hevig luchtgevecht. Wij allen vlogen in de kelder. En toen was het vreselijke, de Duitsers bombardeerden onze straat. Zij kwamen in drie vlagen over ons huis scheren, telkens bombarderend. De angst voor de Duitse vliegtuigen komt er wel in. Een heel blok huizen, schuin tegenover ons, weggevaagd. En het ergste, verschillende doden. Mien en Cor Verhallen zijn weg van angst. Het was inmiddels donker geworden, maar Mien is niet meer te houden. Zij vluchten in de nacht nog de stad uit, naar Wijchen en dat te voet. “Ga toch mee”, zeggen ze. Maar wij kunnen niet scheiden van ons huis en goed, maar blijven toch wel angstig achter, daar allen weg zijn.
Het schieten gaat regelmatig door. De volgende dag was ieder in vluchtstemming. Het werkte aanstekelijk. Wij wisten niet wat we zouden doen. Wij besloten bij onze boer in Malden ’s nachts te gaan slapen, want wij waren van alle doorstane gebeurtenissen en slapeloze nachten zeer vermoeid.
Donderdag ’s morgens gingen Lida en de Fransman naar huis, eens kijken. Toen zij terug kwamen vertelden zij dat onze buurt ’s nachts hevig Duits granaatvuur had gehad. Ons huis had voor en achter 7 granaten gehad. Wij allen weer vlug naar huis. Het was daar één ruïne. Geen enkele ruit heel. Alles onder puin. “C’est la guerre.” Wij het ergste een beetje opgeruimd en de ramen dichtgespijkerd en ’s avonds doodmoe met onze dekens naar Malden, onder stromende regen en steeds dekking zoekend voor de luchtgevechten. Want Duitse gevechtsvliegtuigen vallen voortdurend de Engelse kampementen aan. De omgeving van de stad is nl. één tentenkamp geworden, waar het tweede Engelse leger in kampeert. Ieder kijkt zijn ogen uit naar de rustige, laconieke Engelsen, zich steeds wassend en scherend of er geen oorlog is. Ieder groepje heeft zijn eigen tent. Het lijkt meer op een padvinderskamp, dan een leger in gevecht. En daar gaan die akelige Moffen nu ook bommen op gooien. Zo blijven wij in het gevechtsfront. Bij die boer lig je met 60 man op stro op een zolder. En ook daar gierden ’s nachts de Duitse vliegtuigen. Ik zei tegen Truus, toen wij ’s morgens na een slapeloze nacht naar huis gingen, “Ik ga ’s nachts niet meer naar Malden. Ik richt ons fijn souterrain en kelder voor woonhuis in en dan gaan wij er niet meer uit. De bommen en granaten zijn overal. Maar dat viel niet mee, want de halve buurt en de hele stad was op de vlucht naar Wijchen etc. Bij de enkele overgebleven buren ging je vragen wat zij deden en die zeiden ook “blijven”. “Waar moeten wij met onze grote gezinnen naar toe?” zeiden mijnheer van Lier en mijnheer van de Meer. Toen kwam de familie van Lier vragen of wij ’s nachts bij hun in de kelder kwamen slapen. Nou, dat namen wij dankbaar aan, want de nachten waren afschuwelijk.
Tegen donker kwamen de rotmoffen weer aan, als gieren op hun prooi, de Waalbrug, loerend. De brug wordt ’s avonds en ’s nachts door de Engelsen met een zwaar rookgordijn afgedekt. Maar ook tegen de schemer kregen de bewoners van onze buurt het te kwaad en dan ging iedereen, die geen stevige kelder bezat, naar een ander, die er wel een had, om er de nacht door te brengen. Zo sliepen bij Hendrik, een eindje bij ons vandaan, 40 mensen in de kelder. En zo gingen wij, meer voor onze rust, nu aar Van Lier. Wij hadden overdag ons beddengoed er al heen gebracht en ’s avonds namen wij onze radio mee, want dat was voor de nieuwsberichten.
Vrijdag 29 september
De volgende dag werden wij uitgerust wakker en gingen direct thuis aan het opruimen van het puin. De enig overgebleven buren, Reijs en Veldhuis, waren ons zeer dankbaar, dat wij thuis bleven en niet gingen vluchten. Het geeft moed als je met meerderen bent.
25 september – 1 oktober
Deze tweede week van het gevecht in Nijmegen is veel zwaarder geweest voor de Nijmegenaren dan de vorige.
Dinsdag tegen de avond had de Fransman twee Engelsen meegebracht, die zich wilden wassen en scheren. De arme kerels hadden dit in geen dagen kunnen doen. Daar opeens een hevig luchtgevecht. Wij allen vlogen in de kelder. En toen was het vreselijke, de Duitsers bombardeerden onze straat. Zij kwamen in drie vlagen over ons huis scheren, telkens bombarderend. De angst voor de Duitse vliegtuigen komt er wel in. Een heel blok huizen, schuin tegenover ons, weggevaagd. En het ergste, verschillende doden. Mien en Cor Verhallen zijn weg van angst. Het was inmiddels donker geworden, maar Mien is niet meer te houden. Zij vluchten in de nacht nog de stad uit, naar Wijchen en dat te voet. “Ga toch mee”, zeggen ze. Maar wij kunnen niet scheiden van ons huis en goed, maar blijven toch wel angstig achter, daar allen weg zijn.
Het schieten gaat regelmatig door. De volgende dag was ieder in vluchtstemming. Het werkte aanstekelijk. Wij wisten niet wat we zouden doen. Wij besloten bij onze boer in Malden ’s nachts te gaan slapen, want wij waren van alle doorstane gebeurtenissen en slapeloze nachten zeer vermoeid.
Donderdag ’s morgens gingen Lida en de Fransman naar huis, eens kijken. Toen zij terug kwamen vertelden zij dat onze buurt ’s nachts hevig Duits granaatvuur had gehad. Ons huis had voor en achter 7 granaten gehad. Wij allen weer vlug naar huis. Het was daar één ruïne. Geen enkele ruit heel. Alles onder puin. “C’est la guerre.” Wij het ergste een beetje opgeruimd en de ramen dichtgespijkerd en ’s avonds doodmoe met onze dekens naar Malden, onder stromende regen en steeds dekking zoekend voor de luchtgevechten. Want Duitse gevechtsvliegtuigen vallen voortdurend de Engelse kampementen aan. De omgeving van de stad is nl. één tentenkamp geworden, waar het tweede Engelse leger in kampeert. Ieder kijkt zijn ogen uit naar de rustige, laconieke Engelsen, zich steeds wassend en scherend of er geen oorlog is. Ieder groepje heeft zijn eigen tent. Het lijkt meer op een padvinderskamp, dan een leger in gevecht. En daar gaan die akelige Moffen nu ook bommen op gooien. Zo blijven wij in het gevechtsfront. Bij die boer lig je met 60 man op stro op een zolder. En ook daar gierden ’s nachts de Duitse vliegtuigen. Ik zei tegen Truus, toen wij ’s morgens na een slapeloze nacht naar huis gingen, “Ik ga ’s nachts niet meer naar Malden. Ik richt ons fijn souterrain en kelder voor woonhuis in en dan gaan wij er niet meer uit. De bommen en granaten zijn overal. Maar dat viel niet mee, want de halve buurt en de hele stad was op de vlucht naar Wijchen etc. Bij de enkele overgebleven buren ging je vragen wat zij deden en die zeiden ook “blijven”. “Waar moeten wij met onze grote gezinnen naar toe?” zeiden mijnheer van Lier en mijnheer van de Meer. Toen kwam de familie van Lier vragen of wij ’s nachts bij hun in de kelder kwamen slapen. Nou, dat namen wij dankbaar aan, want de nachten waren afschuwelijk.
Tegen donker kwamen de rotmoffen weer aan, als gieren op hun prooi, de Waalbrug, loerend. De brug wordt ’s avonds en ’s nachts door de Engelsen met een zwaar rookgordijn afgedekt. Maar ook tegen de schemer kregen de bewoners van onze buurt het te kwaad en dan ging iedereen, die geen stevige kelder bezat, naar een ander, die er wel een had, om er de nacht door te brengen. Zo sliepen bij Hendrik, een eindje bij ons vandaan, 40 mensen in de kelder. En zo gingen wij, meer voor onze rust, nu aar Van Lier. Wij hadden overdag ons beddengoed er al heen gebracht en ’s avonds namen wij onze radio mee, want dat was voor de nieuwsberichten.
Vrijdag 29 september
De volgende dag werden wij uitgerust wakker en gingen direct thuis aan het opruimen van het puin. De enig overgebleven buren, Reijs en Veldhuis, waren ons zeer dankbaar, dat wij thuis bleven en niet gingen vluchten. Het geeft moed als je met meerderen bent.
woensdag 23 september 2015
Jan Janse -- 24 september 1906
• Jan Janse (?-?) was van 1905-1907 stuurmansleerling aan boord van het viermastbarkschip Jeanette Françoise en hield in die tijd een dagboek bij.
21 Sept. Vrijdag
26° 28'Z.Br. & 8° 12'O.L. Stengen gesmeerd, en campagne geolied. Den oude heeft groote ruzie met den tweeden gehad. Deze laatste heeft zich, hoewel buiten z'n schuld, zooals hij verklaart, in eene minder verkiezelijke pose, tegenover Nelly bevonden, deze is daarop vreeselijk gaan schelden, heeft een soort zenuw beroerte, of hoe noem je zoon ding, gehad heeft, toen ze bij kwam papa op de hoogte gebracht, waarop deze in vreeselijke woede op de tweeden is toegesteven en hem allerlei beleedigingen heeft toegevoegd, zooals ploert enz. De tweede gevoeld zich natuurlijk ontzettend beleedigd en heeft gezworen de zaak voor den rechtbank te brengen. Hij heeft voor zich zelf een proces-verbaal opgemaakt, waarbij o.a. ook mij aangehaald als getuige. Ik wil echter niets er mee te doen hebben. Hij moet 't zelf maar uitmaken. De kapt. behandeld hem gewoon als een straatjongen, de toegang tot de kajuit is hem verboden, aan de eerste tafel mag hij niet meer meeëten enz. Hij zeide tegen ons: Je hoeft dien ploert geen stuurman te noemen, zoo was hij door z'n drift heen.
Zaterdag 22 Sept
25° Z.Br. & 6° O.L. Koers N.N.W. half W. flinke bries, als 't zoo doorgaat komen we deze week nog te St.Helena.
Zondag 23 Sept.
Hedenmorgen een albatros gevangen, de matrozen eten hem op in de olie gebakken, ik proef ook eens doch vind 't vleesch te taai & te tranig. Koers N.N.W. Vi W. Z.O. wind.
Maandag 24 Sept.
Hedenmiddag weder hevige ruzie tusschen den ouwe & den 2C st. 't Kwam omdat de kapt. hem in z'n "wacht te kooi" lastig viel door hem iets terug te brengen, wat hij Nelly in Indië had cadeau gemaakt, 't Eind van 't liedje was dat de kapt. dreigde hem op St.Helena aan den wal te zetten, hetgeen de 2e met een "als je een kerel bent dan doe je het" beantwoordde. 22° 34'Z.Br. & 11° 51'O.L. Regenachtig, flinke bries.
21 Sept. Vrijdag
26° 28'Z.Br. & 8° 12'O.L. Stengen gesmeerd, en campagne geolied. Den oude heeft groote ruzie met den tweeden gehad. Deze laatste heeft zich, hoewel buiten z'n schuld, zooals hij verklaart, in eene minder verkiezelijke pose, tegenover Nelly bevonden, deze is daarop vreeselijk gaan schelden, heeft een soort zenuw beroerte, of hoe noem je zoon ding, gehad heeft, toen ze bij kwam papa op de hoogte gebracht, waarop deze in vreeselijke woede op de tweeden is toegesteven en hem allerlei beleedigingen heeft toegevoegd, zooals ploert enz. De tweede gevoeld zich natuurlijk ontzettend beleedigd en heeft gezworen de zaak voor den rechtbank te brengen. Hij heeft voor zich zelf een proces-verbaal opgemaakt, waarbij o.a. ook mij aangehaald als getuige. Ik wil echter niets er mee te doen hebben. Hij moet 't zelf maar uitmaken. De kapt. behandeld hem gewoon als een straatjongen, de toegang tot de kajuit is hem verboden, aan de eerste tafel mag hij niet meer meeëten enz. Hij zeide tegen ons: Je hoeft dien ploert geen stuurman te noemen, zoo was hij door z'n drift heen.
Zaterdag 22 Sept
25° Z.Br. & 6° O.L. Koers N.N.W. half W. flinke bries, als 't zoo doorgaat komen we deze week nog te St.Helena.
Zondag 23 Sept.
Hedenmorgen een albatros gevangen, de matrozen eten hem op in de olie gebakken, ik proef ook eens doch vind 't vleesch te taai & te tranig. Koers N.N.W. Vi W. Z.O. wind.
Maandag 24 Sept.
Hedenmiddag weder hevige ruzie tusschen den ouwe & den 2C st. 't Kwam omdat de kapt. hem in z'n "wacht te kooi" lastig viel door hem iets terug te brengen, wat hij Nelly in Indië had cadeau gemaakt, 't Eind van 't liedje was dat de kapt. dreigde hem op St.Helena aan den wal te zetten, hetgeen de 2e met een "als je een kerel bent dan doe je het" beantwoordde. 22° 34'Z.Br. & 11° 51'O.L. Regenachtig, flinke bries.
Abonneren op:
Posts (Atom)






