• Edward Linley Sambourne (1844-1910) was een Britse cartoonist (voor Punch), tekenaar en fotograaf. Zijn dagboeken zijn te lezen op de site van 18 Stafford Terrace, ooit het huis waar Sambourne woonde.
Friday July 28
Woke with stiff neck. Waited all day for Frank's letter. Began Warpath at
1.0pm. Finished at 8.30. Did not go out.
Saturday July 29
Midge's baby born at 9.0pm. Rode to look at instruments & phos. After went
with M to F.Gordon's garden party. Harford, à Becketts, Bedfords, Archer etc
etc. Home late & tired. Midge's baby came, 'Dora'.
Sunday July 30
Hot day. Went to see Punch clipped. His tail. Lunched at home. Knocked
baby down with cushions etc etc. Lawn Tennis. The S.J's dined with us. Good
dinner.
Monday July 31
Worked on salmon. At 4.30 went to meet Tenniel & Burnand. Rode thro'
Holloway etc to Tottenham. Seven Sisters Road etc etc to Forest Hotel
Chingford. Dined. Billiards. Bed.
dinsdag 28 juli 2015
zondag 26 juli 2015
Fernando Pessoa -- 25 juli 1907
• Fernando Pessoa (1888-1935) was een Portugese dichter en schrijver. In Mijn droom is van mij (vertaling Harry Lemmens) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.
25 juli 1907
Ik ben het moe op mezelf te vertrouwen, mezelf te beklagen, medelijden met mezelf te hebben, huilend en wel om mijn eigen ik. Heb net een soort scène gehad met tante Rita over F. Coelho. Aan het eind daarvan voelde ik opnieuw een van die symptomen die steeds duidelijker en steeds erger in mij worden: een morele duizeligheid. Bij een fysieke duizeligheid tolt de innerlijke wereld rond. Ik heb de indruk dat ik een paar tellen het gevoel verlies voor de ware relatie tussen de dingen, het begrip verlies, in een afgrond van geestelijke verbijstering val. Dat is een afgrijselijk gevoel, je geschokt voelen door een ongeordende angst. Die gevoelens worden langzaam aan gewoon, lijken een pad voor me te banen naar een nieuw geestelijk leven, dat uitloopt op waanzin. In mijn familie is er geen enkel begrip voor mijn geestesgesteldheid, nee, totaal geen. Ze lachen me uit, drijven de spot met me, geloven me niet. Ze zeggen dat ik wil doen of ik een uitzonderlijk iemand ben. Nadenken over waar het verlangen vandaan komt om uitzonderlijk te willen zijn, doen ze niet. Ze kunnen niet begrijpen dat er tussen uitzonderlijk zijn en uitzonderlijk wénsen te zijn alleen het verschil van het bewustzijn bestaat, gevoegd bij het feit dat men uitzonderlijk wil zijn. Het is hetzelfde als met mij gebeurde bij het spelen met tinnen soldaatjes op mijn zevende en op mijn veertiende. In het eerste geval waren de soldaatjes dingen voor mij, en in het tweede geval dingen en speelgoed tegelijk; niettemin bleef de drang om te spelen bestaan en dat was de werkelijke, wezenlijke geestestoestand.
Ik heb niemand die ik in vertrouwen kan nemen. Thuis begrijpen ze niets. Mijn vrienden kan ik niet lastig vallen met die dingen. Ik heb geen echte naaste vrienden en zelfs die die ik, in de gebruikelijke zin van het woord, zo zou kunnen noemen, zijn niet intiem in de zin van wat ik onder intimiteit versta. Ik ben verlegen en walg ervan mijn angsten prijs te geven. Een intieme vriend is een van mijn idealen, een van mijn dagelijkse dromen, ofschoon het zeker is dat ik nooit een echt intieme vriend zal hebben. Geen enkele geaardheid past zich aan aan de mijne. Er is op de hele wereld niet één karakter te vinden dat zelfs maar líjkt te benaderen wat ik denk dat een intieme vriend moet zijn. Laten we hiermee ophouden. Een minnares of verloofde heb ik niet; dat is een ander ideaal van mij, ofschoon ik in het hart van dat ideaal alleen maar leegte vind, hoezeer ik ook zoek. Wat ik droom is onmogelijk! Wee mij! Arme Alastor! O Shelley, hoe goed begrijp ik jou! Zou ik mijn moeder in vertrouwen kunnen nemen? Wat zou ik haar nu graag bij mij hebben! Op haar hoef ik ook niet te rekenen, maar haar aanwezigheid zou mijn pijn wat verlicht hebben. Ik voel mij verlaten als een schipbreukeling op volle zee. En wat ben ik anders dan een schipbreukeling? Daarom kan ik alleen op mezelf rekenen. Op mijzelf? Wat voor vertrouwen kan ik hebben in deze regels? Helemaal geen. Als ik ze herlees, lijdt mijn geest, omdat die inziet hoe pretentieus, hoe literair-dagboekachtig ze zijn! Sommige heb ik zelfs gestileerd. De waarheid is echter dat ik lijd. Je kunt net zo goed lijden in een zijden pak als in een zak of kapotte deken gehuld. Meer niet.
25 juli 1907
Ik ben het moe op mezelf te vertrouwen, mezelf te beklagen, medelijden met mezelf te hebben, huilend en wel om mijn eigen ik. Heb net een soort scène gehad met tante Rita over F. Coelho. Aan het eind daarvan voelde ik opnieuw een van die symptomen die steeds duidelijker en steeds erger in mij worden: een morele duizeligheid. Bij een fysieke duizeligheid tolt de innerlijke wereld rond. Ik heb de indruk dat ik een paar tellen het gevoel verlies voor de ware relatie tussen de dingen, het begrip verlies, in een afgrond van geestelijke verbijstering val. Dat is een afgrijselijk gevoel, je geschokt voelen door een ongeordende angst. Die gevoelens worden langzaam aan gewoon, lijken een pad voor me te banen naar een nieuw geestelijk leven, dat uitloopt op waanzin. In mijn familie is er geen enkel begrip voor mijn geestesgesteldheid, nee, totaal geen. Ze lachen me uit, drijven de spot met me, geloven me niet. Ze zeggen dat ik wil doen of ik een uitzonderlijk iemand ben. Nadenken over waar het verlangen vandaan komt om uitzonderlijk te willen zijn, doen ze niet. Ze kunnen niet begrijpen dat er tussen uitzonderlijk zijn en uitzonderlijk wénsen te zijn alleen het verschil van het bewustzijn bestaat, gevoegd bij het feit dat men uitzonderlijk wil zijn. Het is hetzelfde als met mij gebeurde bij het spelen met tinnen soldaatjes op mijn zevende en op mijn veertiende. In het eerste geval waren de soldaatjes dingen voor mij, en in het tweede geval dingen en speelgoed tegelijk; niettemin bleef de drang om te spelen bestaan en dat was de werkelijke, wezenlijke geestestoestand.
Ik heb niemand die ik in vertrouwen kan nemen. Thuis begrijpen ze niets. Mijn vrienden kan ik niet lastig vallen met die dingen. Ik heb geen echte naaste vrienden en zelfs die die ik, in de gebruikelijke zin van het woord, zo zou kunnen noemen, zijn niet intiem in de zin van wat ik onder intimiteit versta. Ik ben verlegen en walg ervan mijn angsten prijs te geven. Een intieme vriend is een van mijn idealen, een van mijn dagelijkse dromen, ofschoon het zeker is dat ik nooit een echt intieme vriend zal hebben. Geen enkele geaardheid past zich aan aan de mijne. Er is op de hele wereld niet één karakter te vinden dat zelfs maar líjkt te benaderen wat ik denk dat een intieme vriend moet zijn. Laten we hiermee ophouden. Een minnares of verloofde heb ik niet; dat is een ander ideaal van mij, ofschoon ik in het hart van dat ideaal alleen maar leegte vind, hoezeer ik ook zoek. Wat ik droom is onmogelijk! Wee mij! Arme Alastor! O Shelley, hoe goed begrijp ik jou! Zou ik mijn moeder in vertrouwen kunnen nemen? Wat zou ik haar nu graag bij mij hebben! Op haar hoef ik ook niet te rekenen, maar haar aanwezigheid zou mijn pijn wat verlicht hebben. Ik voel mij verlaten als een schipbreukeling op volle zee. En wat ben ik anders dan een schipbreukeling? Daarom kan ik alleen op mezelf rekenen. Op mijzelf? Wat voor vertrouwen kan ik hebben in deze regels? Helemaal geen. Als ik ze herlees, lijdt mijn geest, omdat die inziet hoe pretentieus, hoe literair-dagboekachtig ze zijn! Sommige heb ik zelfs gestileerd. De waarheid is echter dat ik lijd. Je kunt net zo goed lijden in een zijden pak als in een zak of kapotte deken gehuld. Meer niet.
donderdag 23 juli 2015
Joannes Veltkamp -- 23 juli 1760
• Joannes Veltkamp (1733-1818) maakte als scheepschirurgijn in 1759-1764 vier reizen voor de admiraliteit van Amsterdam. Zijn reisjournalen zijn in boekvorm uitgegeven.
CADIZ
De 23e juli kwamen wij in de baai van Cadiz. Cadiz is een aanzienlijke stad in Spanje en ligt aan de Spaanse zee, en is zeer volkrijk. Het heeft twee poorten naast elkander, naar de zeekant. De ene poort is voor de ingaande en de andere voor de uitgaande, zodat men in de poorten elkander niet tegenloopt, en allen die geen officieren zijn, worden gevisiteerd. Wie de inkomende poort inkomt, wordt onderzocht of hij ook snuif- en rooktabak bij zich heeft, zelfs als de dozen vol zijn of wat teveel is, dat wordt eruit genomen, en daar wordt maar een klein gedeelte voor gebruik ingelaten. En in de poort voor de uitgangers worden zij onderzocht of zij ook goud, zilver of geld van waarde bij zich hebben, en wie boven de waarde bij zich heeft, dat wordt hem afgenomen en wie veel bij zich heeft wordt dan nog daarbij als een sluiker naar de bastilie gebracht. In die poorten zijn verscheidene picaroens die dat uitvoeren. Zelfs de ezels die het vuilnis uit de stad dragen worden door hen gevisiteerd. Zij steken de manden of zakken met priemen door of zij er ook iets in voelen, dat aan tol onderhevig is. Alles wat er uitgaat, daar moet vijf procent over betaald worden. Deze stad heeft veel schone kloosters en kerken waarvan sommige zeer kostelijk van binnen zijn. Zij zijn hier nog aan het bouwen aan een kerk, waar zij al over de twintig jaar mee doende zijn geweest (zoals mij onderricht is) en ze zouden nog ruim zo lang werk hebben, voor zij klaar zijn, niettegenstaande zij machines daarbij hebben, zoals kranen waarin kerels lopen, om de materialen naar boven te draaien. En daar zijn ook gegraven putten waar zij het water uitpompen. De gehele kerk wordt van binnen en buiten van wit marmer, en de licht- of luchtgaten van binnen met fraai lof- en traliewerk, zeer kunstig van koper gemaakt.
Het koor was bijna klaar, en had van voren in zijn front zeven pilaren die zeer kostelijk waren. De voetstukken waren van zwart marmer met gulden aren vermengd, de schachten van rood marmer met witte aren, en het bovenstuk van wit albast, alles zo kunstig glad gemaakt als een spiegel, naar de Romeinse bouworde. Al deze pilaren waren, een half voet van dezelve af, met een halve stenen muur ommetseld, tegen het beschadigen. Daarin waren deuren en venstertjes gemaakt, om het te kunnen bezichtigen. Een altaar dat achterin het koor stond was ook zeer kostelijk, en zeker de twee pilaren die aan weerszijden daarvoor stonden, die wel tien a twaalf voet hoog waren. Toen ik die van ver zag, meende ik dat die van glas waren, waar enig vocht of water in was, waar wolken in dreven. Maar toen ik daar naderbij kwam en dezelve betastte zag en voelde ik wel dat het kostelijk agaat was.
Op deze ree kregen wij een zeer harde wind, zo, dat er verscheidene schepen naar zee dreven. Een schip raakte tegen de Porco (een klip die opzij van de baai ligt) vast en viel geheel overzij. Het volk salveerde zich met de sloep naar de stad. Toen de kapitein met zijn volk in de stad was, raakte het schip wederom los, en dreef naar de overkant tegen de wal. Het volk met de kapitein trok er met een bark wederom naartoe. Deze wind die dan uit het oosten waait, wordt daar Lavanto genoemd.De kleding van de vrouwen is hier op een andere manier dan in Malaga. Zij gaan hier op de straat meer bedekt en kunnen hun klederen of hulsel zo om hun gezicht toe trekken, dat men hen in 't geheel niet herkennen kan. Dat kleed bestaat uit een zwarte zijden rok met het hulsel daaraan vast, dat zij als zij uitgaan maar over alles heentrekken. Zo ook de mannen met hun mantels die zij om hun gezicht slaan, zodat niets dan de ogen vrij blijven, en dan een grote ronde hoed op hun hoofd, zodat zij met u op straat kunnen spreken, zonder dat men hen herkennen kan.
CADIZ
De 23e juli kwamen wij in de baai van Cadiz. Cadiz is een aanzienlijke stad in Spanje en ligt aan de Spaanse zee, en is zeer volkrijk. Het heeft twee poorten naast elkander, naar de zeekant. De ene poort is voor de ingaande en de andere voor de uitgaande, zodat men in de poorten elkander niet tegenloopt, en allen die geen officieren zijn, worden gevisiteerd. Wie de inkomende poort inkomt, wordt onderzocht of hij ook snuif- en rooktabak bij zich heeft, zelfs als de dozen vol zijn of wat teveel is, dat wordt eruit genomen, en daar wordt maar een klein gedeelte voor gebruik ingelaten. En in de poort voor de uitgangers worden zij onderzocht of zij ook goud, zilver of geld van waarde bij zich hebben, en wie boven de waarde bij zich heeft, dat wordt hem afgenomen en wie veel bij zich heeft wordt dan nog daarbij als een sluiker naar de bastilie gebracht. In die poorten zijn verscheidene picaroens die dat uitvoeren. Zelfs de ezels die het vuilnis uit de stad dragen worden door hen gevisiteerd. Zij steken de manden of zakken met priemen door of zij er ook iets in voelen, dat aan tol onderhevig is. Alles wat er uitgaat, daar moet vijf procent over betaald worden. Deze stad heeft veel schone kloosters en kerken waarvan sommige zeer kostelijk van binnen zijn. Zij zijn hier nog aan het bouwen aan een kerk, waar zij al over de twintig jaar mee doende zijn geweest (zoals mij onderricht is) en ze zouden nog ruim zo lang werk hebben, voor zij klaar zijn, niettegenstaande zij machines daarbij hebben, zoals kranen waarin kerels lopen, om de materialen naar boven te draaien. En daar zijn ook gegraven putten waar zij het water uitpompen. De gehele kerk wordt van binnen en buiten van wit marmer, en de licht- of luchtgaten van binnen met fraai lof- en traliewerk, zeer kunstig van koper gemaakt.
Het koor was bijna klaar, en had van voren in zijn front zeven pilaren die zeer kostelijk waren. De voetstukken waren van zwart marmer met gulden aren vermengd, de schachten van rood marmer met witte aren, en het bovenstuk van wit albast, alles zo kunstig glad gemaakt als een spiegel, naar de Romeinse bouworde. Al deze pilaren waren, een half voet van dezelve af, met een halve stenen muur ommetseld, tegen het beschadigen. Daarin waren deuren en venstertjes gemaakt, om het te kunnen bezichtigen. Een altaar dat achterin het koor stond was ook zeer kostelijk, en zeker de twee pilaren die aan weerszijden daarvoor stonden, die wel tien a twaalf voet hoog waren. Toen ik die van ver zag, meende ik dat die van glas waren, waar enig vocht of water in was, waar wolken in dreven. Maar toen ik daar naderbij kwam en dezelve betastte zag en voelde ik wel dat het kostelijk agaat was.
Op deze ree kregen wij een zeer harde wind, zo, dat er verscheidene schepen naar zee dreven. Een schip raakte tegen de Porco (een klip die opzij van de baai ligt) vast en viel geheel overzij. Het volk salveerde zich met de sloep naar de stad. Toen de kapitein met zijn volk in de stad was, raakte het schip wederom los, en dreef naar de overkant tegen de wal. Het volk met de kapitein trok er met een bark wederom naartoe. Deze wind die dan uit het oosten waait, wordt daar Lavanto genoemd.De kleding van de vrouwen is hier op een andere manier dan in Malaga. Zij gaan hier op de straat meer bedekt en kunnen hun klederen of hulsel zo om hun gezicht toe trekken, dat men hen in 't geheel niet herkennen kan. Dat kleed bestaat uit een zwarte zijden rok met het hulsel daaraan vast, dat zij als zij uitgaan maar over alles heentrekken. Zo ook de mannen met hun mantels die zij om hun gezicht slaan, zodat niets dan de ogen vrij blijven, en dan een grote ronde hoed op hun hoofd, zodat zij met u op straat kunnen spreken, zonder dat men hen herkennen kan.
dinsdag 21 juli 2015
Gerrit de Veer -- 22 juli 1597
• Gerrit de Veer (ca. 1570 - na 1598) was een bemanningslid van de expeditie onder leiding van Jacob van Heemskerk en Willem Barentsz, die vastraakte in het poolijs en moest overwinteren op Nova Zembla. Zij reisjournalen werden gepubliceerd als Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort (1598).
22 juli
We kwamen bij Capo de Cant en gingen daar aan land om vogels en eieren te zoeken. We vonden niets en zeilden dus verder. Maar rond half elf zagen we een rots die vol vogels zat. We zeilden erheen en gooiden stenen naar de vogels. Zo vingen we 22 vogels en vonden we vijftien eieren. Als we nog wat langer waren gebleven, hadden we wel honderd of tweehonderd vogels kunnen krijgen, maar de schipper wachtte op ons en we wilden geen moment van die gunstige wind verliezen, daarom zeilden we snel verder.
Om één uur kwamen we weer bij een rots vol vogels. We vingen er wel 125, die we gewoon van hun nest tilden of met een steen in het water gooiden. Waarschijnlijk hadden ze nog nooit mensen gezien, anders waren ze wel weggevlogen. Om zich te beschermen tegen vossen en andere wilde dieren hadden ze hun nest op een hoge steile rots gemaakt, en nu waren ze zorgeloos; ze verwachtten geen vijanden. Eerlijk gezegd was die klip voor ons haast ook te gevaarlijk om te beklimmen. Vooral bij het afdalen moesten we heel voorzichtig zijn om niet onze armen en benen te breken.
Iedere vogel had maar één ei in het nest. Dat ei lag op de kale grond, zonder stro of ander zacht materiaal. Het is een wonder dat ze dat ei in die kou kunnen uitbroeden, maar waarschijnlijk is dat ook de reden waarom ze maar één ei hebben. Zo gaat alle warmte naar dat ene ei, in plaats van over vele eieren verdeeld te worden. We raapten veel eieren, maar de meeste waren rot.
Toen we wilden vertrekken stak er een krachtige n.w. wind op. De zee zat vol ijs en we probeerden er voorbij te komen, maar dat lukte niet. Door al het laveren werden we uiteindelijk ingesloten door het ijs, maar toen zagen we een opening naar het land toe, waar we doorheen voeren. De schipper, die met de sloep verder van het land af was gebleven, dacht dat we verloren waren, maar toen hij zag dat we verder het ijs in voeren, vermoedde hij dat we een opening hadden gezien en kwam hij achter ons aan.
Bij het vasteland vonden we een goede ankerplaats, beschut tegen bijna alle winden. De schipper arriveerde daar twee uur na ons. We vonden aan land wat eieren en raapten hout om vuur te maken. Toen kookten we de vogels die we hadden gevangen. De wind was n.w. met mottig weer.
22 juli
We kwamen bij Capo de Cant en gingen daar aan land om vogels en eieren te zoeken. We vonden niets en zeilden dus verder. Maar rond half elf zagen we een rots die vol vogels zat. We zeilden erheen en gooiden stenen naar de vogels. Zo vingen we 22 vogels en vonden we vijftien eieren. Als we nog wat langer waren gebleven, hadden we wel honderd of tweehonderd vogels kunnen krijgen, maar de schipper wachtte op ons en we wilden geen moment van die gunstige wind verliezen, daarom zeilden we snel verder.
Om één uur kwamen we weer bij een rots vol vogels. We vingen er wel 125, die we gewoon van hun nest tilden of met een steen in het water gooiden. Waarschijnlijk hadden ze nog nooit mensen gezien, anders waren ze wel weggevlogen. Om zich te beschermen tegen vossen en andere wilde dieren hadden ze hun nest op een hoge steile rots gemaakt, en nu waren ze zorgeloos; ze verwachtten geen vijanden. Eerlijk gezegd was die klip voor ons haast ook te gevaarlijk om te beklimmen. Vooral bij het afdalen moesten we heel voorzichtig zijn om niet onze armen en benen te breken.
Iedere vogel had maar één ei in het nest. Dat ei lag op de kale grond, zonder stro of ander zacht materiaal. Het is een wonder dat ze dat ei in die kou kunnen uitbroeden, maar waarschijnlijk is dat ook de reden waarom ze maar één ei hebben. Zo gaat alle warmte naar dat ene ei, in plaats van over vele eieren verdeeld te worden. We raapten veel eieren, maar de meeste waren rot.
Toen we wilden vertrekken stak er een krachtige n.w. wind op. De zee zat vol ijs en we probeerden er voorbij te komen, maar dat lukte niet. Door al het laveren werden we uiteindelijk ingesloten door het ijs, maar toen zagen we een opening naar het land toe, waar we doorheen voeren. De schipper, die met de sloep verder van het land af was gebleven, dacht dat we verloren waren, maar toen hij zag dat we verder het ijs in voeren, vermoedde hij dat we een opening hadden gezien en kwam hij achter ons aan.
Bij het vasteland vonden we een goede ankerplaats, beschut tegen bijna alle winden. De schipper arriveerde daar twee uur na ons. We vonden aan land wat eieren en raapten hout om vuur te maken. Toen kookten we de vogels die we hadden gevangen. De wind was n.w. met mottig weer.
maandag 20 juli 2015
Calamity Jane -- 21 juli 1893
• Van Calamity Jane (Martha Jane Canary, 1852-1903) zijn enige brieven en dagboekfragmenten bewaard gebleven (waarvan de echtheid niet vaststaat). Het dagboek was gericht aan haar dochter Janey (Jean Irene O'Neil), die ze na haar geboorte afstond voor adoptie, en die ze nooit heeft teruggezien.
July 1893
I experienced the worst hailstorm today that I ever saw in this country and never expect to see another one like it if I live to be a hundred. I was driving the stage. Hailstones as large as a coffee cup struck the top of the coach and split it like a knife I was near an abandoned shack with an old shed nearby so I hurried the horses into the shed it helped a little but the rear end of the coach had to stand in the storm. I wasn't soon enough getting in to the shed for when it was over I noticed one of the horses had been struck hard enough with a hail stone to put out one of his eyes. The Indians as well as the whites suffered losses. I saw hundreds of cattle and horses floating down the river. l had a letter today from Bill Cody asking me to go with his Wild West Show. The next time I write in this I will be a long ways from here.
July 1893
I experienced the worst hailstorm today that I ever saw in this country and never expect to see another one like it if I live to be a hundred. I was driving the stage. Hailstones as large as a coffee cup struck the top of the coach and split it like a knife I was near an abandoned shack with an old shed nearby so I hurried the horses into the shed it helped a little but the rear end of the coach had to stand in the storm. I wasn't soon enough getting in to the shed for when it was over I noticed one of the horses had been struck hard enough with a hail stone to put out one of his eyes. The Indians as well as the whites suffered losses. I saw hundreds of cattle and horses floating down the river. l had a letter today from Bill Cody asking me to go with his Wild West Show. The next time I write in this I will be a long ways from here.
zondag 19 juli 2015
Søren Kierkegaard -- 20 juli 1837
• Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.
20 juli
Zoals er voor iemand met zwakke zenuwen ogenblikken zijn waarin zijn oogzenuwen zo microscopisch scherp worden dat hij de lucht kan zien, zodat die voor hem* niet langer een medium is, zo zijn er ook in geestelijk opzicht extatische momenten, waarin het hele bestaan zo poëtisch lijkt, zo open en doorzichtig voor contemplatie, dat de kleinste kleinigheid van de gewoonste haastwerk- en routineprodukten van de snode oneindigheid de diepste waarheden schijnen weer te geven, allegorisch tenminste, ja, ze schijnen hun realiteit alleen maar te bezitten voor zover ze zulke allegorieën zijn en daardoor en daarin hun bestaan te vinden.
[In de marge]* Dit is trouwens iets dat de hele meer recente ontwikkeling karakteriseert, namelijk dat die zich voortdurend bewust is van het medium, wat welhaast in gekte moet eindigen net alsof iemand iedere keer dat hij de zon, de sterren, enzovoort zag, zich bewust werd dat de aarde draait.
Zonder datum
Dat ik ongelukkig ben met het heden komt omdat ik jaloux ben op het verleden.
20 juli
Zoals er voor iemand met zwakke zenuwen ogenblikken zijn waarin zijn oogzenuwen zo microscopisch scherp worden dat hij de lucht kan zien, zodat die voor hem* niet langer een medium is, zo zijn er ook in geestelijk opzicht extatische momenten, waarin het hele bestaan zo poëtisch lijkt, zo open en doorzichtig voor contemplatie, dat de kleinste kleinigheid van de gewoonste haastwerk- en routineprodukten van de snode oneindigheid de diepste waarheden schijnen weer te geven, allegorisch tenminste, ja, ze schijnen hun realiteit alleen maar te bezitten voor zover ze zulke allegorieën zijn en daardoor en daarin hun bestaan te vinden.
[In de marge]* Dit is trouwens iets dat de hele meer recente ontwikkeling karakteriseert, namelijk dat die zich voortdurend bewust is van het medium, wat welhaast in gekte moet eindigen net alsof iemand iedere keer dat hij de zon, de sterren, enzovoort zag, zich bewust werd dat de aarde draait.
Zonder datum
Dat ik ongelukkig ben met het heden komt omdat ik jaloux ben op het verleden.
Ralph Tuijn -- 19 juli 2007
• Ralph Tuijn roeide in 2007 in 281 dagen de Stille Oceaan over. Zijn reisdagboek is gepubliceerd als Zes miljoen slagen.
19 juli - Er komt snel een enorme, zwarte wolkenmassa aanzetten. Dit is niet zomaar een bui, het zal een sombere dag worden. Net als ik begin te roeien, barst het los, zeldzaam hard. Een vreselijk harde wind, die aanvoelt als windkracht 10, steekt op. De golven worden afgevlakt en de regen slaat hard en pijnlijk horizontaal op mijn huid. Ik houd mijn hoofd naar beneden. Een half uur lang roei ik met een gemiddelde snelheid van 4,5 knopen, daarna neemt de wind wat af, maar het blijft hozen. Snel pak ik twee pannetjes, een deksel, een emmer en twee kopjes en ik zet een trechter op een jerrycan. Ik roei verder met mijn mond open en lik geregeld het zoete water van mijn schouders en bovenarmen. Na 45 minuten stopt de harde regen. Ik kijk in mijn mok, die in die korte tijd bijna helemaal is gevuld. Dat betekent dat er ongeveer acht centimeter regen is gevallen. Ik doe het water in de jerrycans en heb zo'n twaalf liter. Geweldig, ik hoef vandaag niet drie uur te pompen, want ik heb voor twee dagen water.
In de middag draait de wind naar zuidoost en neemt toe tot kracht acht. Onregelmatige golven zorgen ervoor dat de boot moeilijk op koers te houden is. Ik kan alleen de golfrichting volgen en die duwt me regelrecht naar het eiland Starbuck. Eén grote watervlakte, een piepklein eiland met flinke brekende golven eromheen, waarom word ik dan precies naar die kant gegooid? De golven worden vijf meter hoog en beginnen om te slaan.
En dan gebeurt er een klein wonder. Na het plassen wil ik de plasfles omspoelen. Een golf slaat hem uit mijn handen en ik geef de moed meteen op. Er flitsen beelden door mijn hoofd van een uitgehongerd Indiaas zwerfkind, dat met de 35 euro die deze fles opgebracht zou hebben, had kunnen overleven en dan... waait de harde wind de fles zó terug de boot in!
Het lukt me niet meer om de Zeeman Challenger recht op de golven te houden en ik kom overdwars te liggen, waardoor de klappen een stuk heviger worden en de kans groter wordt dat ik omsla. Met geen mogelijkheid krijg ik hem weer recht. Ik gooi een zeeanker uit. Daarmee kan ik mijn boot in een veiliger positie ten opzichte van de golven brengen en de drift richting Starbuck enigszins remmen. Ik sluit mezelf op in de kajuit, waar ik flink heen en weer wordt gehost. Enorme golven slaan over het dek. Als dit twee dagen duurt, ben ik kansloos. Verbitterd wacht ik af. De harde wind houdt een uur of vier aan, dan neemt hij iets af en trekt de richting weer bij, zodat ik al snel op een mooie, veilige koers zit.
De avond wordt even opgevrolijkt door een stormvogel die aan boord komt, een roodpootgent. Hij is prachtig en heeft een spanwijdte van wel anderhalve meter. Voortdurend stijgt hij tegen de wind in op. Eenmaal op hoogte draait hij naar links en zet een ruime cirkel in, waarna hij aan de andere kant weer komt aanzetten om op de meest onlogische plekken te landen: op de reserve-riemen, op het toplicht of op de Inmarsatkoepel. Moeizaam balancerend staat hij daar dan een beetje te fladderen als een jonge vogel die met zijn eerste vlieglessen bezig is. Wanneer hij uit evenwicht raakt, zakt hij onderuit op zijn zitvlak en glijdt dan zo het water in. Vervolgens begint het rondjes vliegen opnieuw.
Ik ga naast hem zitten en kan hem zonder probleem over zijn rug en vleugels aaien. Ik scheur een pakje Sultana open en houd het voor zijn prachtige, circa tien centimeter lange snavel. Hij neemt een hap en spuugt het onmiddellijk weer uit. Even later doet hij het weer en blijft dat doen tot het pakje leeg is en de boot bezaaid ligt met Sultana. Ik word een beetje nerveus van zijn zenuwachtige gedrag, pak hem op en zet hem op de stabielere piepschuimverpakking van de watermaker. Hij begint wat te kletsen: 'Kak, kak.' Hij klinkt een beetje als een slome kip. Ik pak de filmcamera en begin hem te filmen. Hij draait heel schattig zijn hoofd met een vragende blik richting de lens en dan hoor ik 'pffffff'. Zoals je kunt verwachten van een vogel met een spanwijdte van anderhalve meter knalt uit zijn achterwerk een enorme witte drab, over het kussentje van het roeizitje. Daarna stijgt hij af en toe op en komt hij weer terug. Uiteindelijk is het helemaal donker, waardoor hij de boot waarschijnlijk niet meer kan vinden en voorgoed verdwenen is.
Ik maak het zitje schoon en ga weer roeien. Bij de derde slag donder ik achterover. Het is gebeurd met de tweede schoen die ik nu los aan mijn voet heb hangen. Zo valt er écht niet meer te roeien, dus ga ik op zoek naar nieuwe schoenen. Even later kom ik uit de voorkajuit met een paar Adidas. Er zat een ander merk roeischoenen op de universele Adidasbevestigingsplaten, waarop vreemd genoeg de nieuwe Adidasschoenen niet passen, zodat ik een uur lang met mijn handboortje een paar nieuwe gaten probeer te maken.
Ik kan weer verder roeien, maar de schoenen zitten vreselijk. Mijn tenen krijgen geen lucht meer en schuren bij elke slag, zodat zich weer snel blaren vormen.
Ook heb ik alweer een tijdje last van mijn billen, waarop zich flinke puisten hebben gevormd. Alles heb ik geprobeerd. Ik besluit mijn geheime wapen in te zetten: de siliconen borstimplantaten. Een paar weken geleden doken ze op toen ik de wasabi en de sojasaus zocht. Eergisteren was ik op zoek naar de touwen voor de eis en kwam toen eindelijk de soja en de wasabi tegen, zo-t nu alles op de boot weer terecht is. Het is wel even wennen, roeien op implantaten. Het lijkt wel alsof ik op een skippybal zit. Maar ze ontlasten de billen het zit ook nog eens lekker. Langzaam verdwijnen de bulten zelfs.
19 juli - Er komt snel een enorme, zwarte wolkenmassa aanzetten. Dit is niet zomaar een bui, het zal een sombere dag worden. Net als ik begin te roeien, barst het los, zeldzaam hard. Een vreselijk harde wind, die aanvoelt als windkracht 10, steekt op. De golven worden afgevlakt en de regen slaat hard en pijnlijk horizontaal op mijn huid. Ik houd mijn hoofd naar beneden. Een half uur lang roei ik met een gemiddelde snelheid van 4,5 knopen, daarna neemt de wind wat af, maar het blijft hozen. Snel pak ik twee pannetjes, een deksel, een emmer en twee kopjes en ik zet een trechter op een jerrycan. Ik roei verder met mijn mond open en lik geregeld het zoete water van mijn schouders en bovenarmen. Na 45 minuten stopt de harde regen. Ik kijk in mijn mok, die in die korte tijd bijna helemaal is gevuld. Dat betekent dat er ongeveer acht centimeter regen is gevallen. Ik doe het water in de jerrycans en heb zo'n twaalf liter. Geweldig, ik hoef vandaag niet drie uur te pompen, want ik heb voor twee dagen water.
In de middag draait de wind naar zuidoost en neemt toe tot kracht acht. Onregelmatige golven zorgen ervoor dat de boot moeilijk op koers te houden is. Ik kan alleen de golfrichting volgen en die duwt me regelrecht naar het eiland Starbuck. Eén grote watervlakte, een piepklein eiland met flinke brekende golven eromheen, waarom word ik dan precies naar die kant gegooid? De golven worden vijf meter hoog en beginnen om te slaan.
En dan gebeurt er een klein wonder. Na het plassen wil ik de plasfles omspoelen. Een golf slaat hem uit mijn handen en ik geef de moed meteen op. Er flitsen beelden door mijn hoofd van een uitgehongerd Indiaas zwerfkind, dat met de 35 euro die deze fles opgebracht zou hebben, had kunnen overleven en dan... waait de harde wind de fles zó terug de boot in!
Het lukt me niet meer om de Zeeman Challenger recht op de golven te houden en ik kom overdwars te liggen, waardoor de klappen een stuk heviger worden en de kans groter wordt dat ik omsla. Met geen mogelijkheid krijg ik hem weer recht. Ik gooi een zeeanker uit. Daarmee kan ik mijn boot in een veiliger positie ten opzichte van de golven brengen en de drift richting Starbuck enigszins remmen. Ik sluit mezelf op in de kajuit, waar ik flink heen en weer wordt gehost. Enorme golven slaan over het dek. Als dit twee dagen duurt, ben ik kansloos. Verbitterd wacht ik af. De harde wind houdt een uur of vier aan, dan neemt hij iets af en trekt de richting weer bij, zodat ik al snel op een mooie, veilige koers zit.
De avond wordt even opgevrolijkt door een stormvogel die aan boord komt, een roodpootgent. Hij is prachtig en heeft een spanwijdte van wel anderhalve meter. Voortdurend stijgt hij tegen de wind in op. Eenmaal op hoogte draait hij naar links en zet een ruime cirkel in, waarna hij aan de andere kant weer komt aanzetten om op de meest onlogische plekken te landen: op de reserve-riemen, op het toplicht of op de Inmarsatkoepel. Moeizaam balancerend staat hij daar dan een beetje te fladderen als een jonge vogel die met zijn eerste vlieglessen bezig is. Wanneer hij uit evenwicht raakt, zakt hij onderuit op zijn zitvlak en glijdt dan zo het water in. Vervolgens begint het rondjes vliegen opnieuw.
Ik ga naast hem zitten en kan hem zonder probleem over zijn rug en vleugels aaien. Ik scheur een pakje Sultana open en houd het voor zijn prachtige, circa tien centimeter lange snavel. Hij neemt een hap en spuugt het onmiddellijk weer uit. Even later doet hij het weer en blijft dat doen tot het pakje leeg is en de boot bezaaid ligt met Sultana. Ik word een beetje nerveus van zijn zenuwachtige gedrag, pak hem op en zet hem op de stabielere piepschuimverpakking van de watermaker. Hij begint wat te kletsen: 'Kak, kak.' Hij klinkt een beetje als een slome kip. Ik pak de filmcamera en begin hem te filmen. Hij draait heel schattig zijn hoofd met een vragende blik richting de lens en dan hoor ik 'pffffff'. Zoals je kunt verwachten van een vogel met een spanwijdte van anderhalve meter knalt uit zijn achterwerk een enorme witte drab, over het kussentje van het roeizitje. Daarna stijgt hij af en toe op en komt hij weer terug. Uiteindelijk is het helemaal donker, waardoor hij de boot waarschijnlijk niet meer kan vinden en voorgoed verdwenen is.
Ik maak het zitje schoon en ga weer roeien. Bij de derde slag donder ik achterover. Het is gebeurd met de tweede schoen die ik nu los aan mijn voet heb hangen. Zo valt er écht niet meer te roeien, dus ga ik op zoek naar nieuwe schoenen. Even later kom ik uit de voorkajuit met een paar Adidas. Er zat een ander merk roeischoenen op de universele Adidasbevestigingsplaten, waarop vreemd genoeg de nieuwe Adidasschoenen niet passen, zodat ik een uur lang met mijn handboortje een paar nieuwe gaten probeer te maken.
Ik kan weer verder roeien, maar de schoenen zitten vreselijk. Mijn tenen krijgen geen lucht meer en schuren bij elke slag, zodat zich weer snel blaren vormen.
Ook heb ik alweer een tijdje last van mijn billen, waarop zich flinke puisten hebben gevormd. Alles heb ik geprobeerd. Ik besluit mijn geheime wapen in te zetten: de siliconen borstimplantaten. Een paar weken geleden doken ze op toen ik de wasabi en de sojasaus zocht. Eergisteren was ik op zoek naar de touwen voor de eis en kwam toen eindelijk de soja en de wasabi tegen, zo-t nu alles op de boot weer terecht is. Het is wel even wennen, roeien op implantaten. Het lijkt wel alsof ik op een skippybal zit. Maar ze ontlasten de billen het zit ook nog eens lekker. Langzaam verdwijnen de bulten zelfs.
Abonneren op:
Posts (Atom)







