• Edward Linley Sambourne (1844-1910) was een Britse cartoonist (voor Punch), tekenaar en fotograaf. Zijn dagboeken zijn te lezen op de site van 18 Stafford Terrace, ooit het huis waar Sambourne woonde.
Monday August 1
Lovely day. Sailed with Con, Effie, Tabs, Ham & self over to Cowes. 1st
look at Cowes. Photod yacht etc etc. Landed. Bought lunch. Effie ill all
day. Roughish home. Threw sea water over Effie. Back at 7.50. Rowed
by two wretched boys. Better dinner. Discussion about Kings etc. Bed
11.0pm.
Tuesday August 2
In morning went with dear Roy & Hamilton to Cowes. Landed after being
towed. Bought loaf etc etc. Took boat & went on board Britannia. Back
in sea. Pinkum lay out a good way. Lunch. Such a lot. Roy good. Home
3.30. Got in mud. On to play Lawn Tennis with Bradshaws. Con Effie &
the baby left. Good game. Quiet dinner. Ju lost. Great call for Ju. Bed
11.30.
Wednesday August 3
Last day at The Hook. Photod Roy & Globe. Went in boat with Tabs,
Hamilton & Roy. On board the 'Sheila' owned by late Mr Percival. Sad
death at 28. Lobster crates. Back. Packed. Caught 2.25 train. Called
Garrick. After rattling good dinner at Grand Hotel. Called on Adams
about bag. Thunderstorm at Grand Hotel. Subscription got up for
Danvers. Home with Guthrie.
Thursday August 4
Fine morning. Worked on photo of self as Boulanger. Roy naughty.
Spoilt plate. Midge called. To dine with Tenniel. Dined with Tenniel. Met
Arthur à Beckett & Pilleau. Drove straight home.
donderdag 31 juli 2014
woensdag 30 juli 2014
Paul Klee -- 31 juli 1907
• Paul Klee (1879-1940) was een Zwitserse kunstenaar. Tussen 1898 en 1918 hield hij een dagboek bij.
Juli. Gedanken am offenen Fenster der Kassenverwaltung. Alles Vergangliche ist nur ein Gleichnis. Was wir sehen, ist ein Vorschlag, eine Möglichkeit, ein Behelf. Die wirkliche Wahrheit selbst liegt zunächst unsichtbar zugrunde. Farbig fesselt uns nicht die Beleuchtung, sondern das Licht. Licht und Schatten ist graphische Welt. An Phänomen reicher als ein sonniger Tag ist die diffuse Helligkeit leichter Verschleierung. Dünne Nebelschicht kurz vor Durchbruch des Gestirns. Abmalen läßt sich das schwer, weil der Moment so flüchtig ist. Es muß in die Seele dringen. Das Formale muß mit der Weltanschauung verschmelzen.
Die einfache Bewegung kommt mis banal vor. Das zeitliche Element ist zu eliminieren. Gestern und morgen als Gleichzeitiges. Die Polyphonie in der Musik kam diesem Bedürfnis einigermaßen entgegen. Ein Quintett wie in Don Giovanni steht uns näher als die epische Bewegung im Tristan. Mozart und Bach sind moderner als das Neunzehnte. Wenn in der Musik das Zeitliche durch eine zum Bewußtsein durchdringende Rückwartsbewegung überwunden werden könnte, so ware eine Nachblüte noch denkbar.
Wir forschen im Formalen um des Ausdrucks willen und der Aufschlüsse, die ach über unsere Seele dadurch ergeben. Die Philosophie habe eine Neigung zur Kunst; anfangs war ich erstaunt, was sie alles sahen. Denn ich hatte nur an die Form gedacht, das Übrige hatte sich von selber ergeben. Das erwachte Bewußtsein dieses 'Űbrige', hat mir indessen viel genützt und größere Variabilität im Schaffen ermöglicht. Ich konnte sogar nun wieder zum Illustrator von Ideen werden, nachdem ich mich formal durchgerungen hatte. Und nun sah ich gar keine abstrakte Kunst mehr. Nur die Abstraktion vom Vergänglichen blieb. Der Gegenstand war die Welt, wenn auch nicht diese sichtbare.
Die polyphone Malerei ist der Musik dadurch überlegen, als das Zeitliche hier mehr ein Räumliches ist. Der Begriff der Gleichzeitigkeit tritt hier noch reicher hervor. Um die Rückwartsbewegung, die ich mir für die Musik ausdenke, zu veranschaulichen, erinnere ich an das Spiegelbild in den Seitenfenstern der fahrenden Trambahn. Den Akzent in der Kunst nach dem Beispiel einer Fuge im Bild auf das Zeitliche zu verlegen, versuchte Delaunay durch Wahl eines unübersehbar langen Formates.
Juli. Gedanken am offenen Fenster der Kassenverwaltung. Alles Vergangliche ist nur ein Gleichnis. Was wir sehen, ist ein Vorschlag, eine Möglichkeit, ein Behelf. Die wirkliche Wahrheit selbst liegt zunächst unsichtbar zugrunde. Farbig fesselt uns nicht die Beleuchtung, sondern das Licht. Licht und Schatten ist graphische Welt. An Phänomen reicher als ein sonniger Tag ist die diffuse Helligkeit leichter Verschleierung. Dünne Nebelschicht kurz vor Durchbruch des Gestirns. Abmalen läßt sich das schwer, weil der Moment so flüchtig ist. Es muß in die Seele dringen. Das Formale muß mit der Weltanschauung verschmelzen.
Die einfache Bewegung kommt mis banal vor. Das zeitliche Element ist zu eliminieren. Gestern und morgen als Gleichzeitiges. Die Polyphonie in der Musik kam diesem Bedürfnis einigermaßen entgegen. Ein Quintett wie in Don Giovanni steht uns näher als die epische Bewegung im Tristan. Mozart und Bach sind moderner als das Neunzehnte. Wenn in der Musik das Zeitliche durch eine zum Bewußtsein durchdringende Rückwartsbewegung überwunden werden könnte, so ware eine Nachblüte noch denkbar.
Wir forschen im Formalen um des Ausdrucks willen und der Aufschlüsse, die ach über unsere Seele dadurch ergeben. Die Philosophie habe eine Neigung zur Kunst; anfangs war ich erstaunt, was sie alles sahen. Denn ich hatte nur an die Form gedacht, das Übrige hatte sich von selber ergeben. Das erwachte Bewußtsein dieses 'Űbrige', hat mir indessen viel genützt und größere Variabilität im Schaffen ermöglicht. Ich konnte sogar nun wieder zum Illustrator von Ideen werden, nachdem ich mich formal durchgerungen hatte. Und nun sah ich gar keine abstrakte Kunst mehr. Nur die Abstraktion vom Vergänglichen blieb. Der Gegenstand war die Welt, wenn auch nicht diese sichtbare.
Die polyphone Malerei ist der Musik dadurch überlegen, als das Zeitliche hier mehr ein Räumliches ist. Der Begriff der Gleichzeitigkeit tritt hier noch reicher hervor. Um die Rückwartsbewegung, die ich mir für die Musik ausdenke, zu veranschaulichen, erinnere ich an das Spiegelbild in den Seitenfenstern der fahrenden Trambahn. Den Akzent in der Kunst nach dem Beispiel einer Fuge im Bild auf das Zeitliche zu verlegen, versuchte Delaunay durch Wahl eines unübersehbar langen Formates.
dinsdag 29 juli 2014
P.J.M. Aalberse -- 30 juli 1925
• Piet Aalberse (1871-1948) was een Nederlandse katholieke politicus. Hij hield van 1891-1947 een dagboek bij.
donderdag 30 juli 1925
Het einde nadert. Vanmiddag is Colijn naar Soestdijk vertrokken, waar de koningin vertoeft, om H.M. mede te deelen, dat hij de opdracht tot kabinetsformatie aanvaardt. Maandag of dinsdag wordt dan ’t nieuwe kabinet benoemd en wij treden af. Na zeven jaren!!
’t Zijn zware jaren geweest, maar ze zouden aan mij ongemerkt voorbij zijn gegaan, wanneer ik niet de laatste jaren voortdurend met de zorgen voor Futura-Centrum enz. verveeld was geweest. Vooral sinds einde januari Defoer mijn oogen opende voor den werkelijken toestand, heb ik bijna geen leven meer gehad. Alle narigheid, die ik in heel mijn leven gehad heb, is, bij elkaar genomen, niet te vergelijken met het leed, den voortdurenden angst, de nijpende zorgen, die ik in dit half jaar gekend heb. Maanden achtereen sliep ik geen enkelen nacht meer dan twee à drie uur; mijn baard is geheel wit geworden; ik ben sterk vermagerd; maar ’t waren alle gevolgen van het ééne zelfde: voortdurende angst en zorg.
Onderwijl ging mijn werk aan het departement door; de ziekteverzekering kwam gereed, verschillende andere wetsontwerpen werden ingediend en geheel of ten deele afgehandeld. Tot het laatst toe heb ik veine gehad: ik treed nu af met het record van zeven jaren minister aan één stuk (evenals Ruijs, Van Karnebeek, Heemskerk en De Visser), en het andere record, dat ik met niemand deel: dat in al die jaren van de zeer vele wetsontwerpen, die ik indiende en verdedigde, er geen enkele verworpen is!
Ware ik voor drie jaar, zooals ik gewild had, afgetreden, met hoeveel vreugde zou ik op mijn ministerieelen loopbaan hebben teruggezien. Maar de drie jaar, die ik er onder drang van Ruijs en Nolens bijvoegde, hebben me in de ellende gebracht. Ware ik vrij man geweest, dan had ik me aan Futura en Centrum gewijd en ik zou nu niet straatarm zijn en bovendien nog vol angst voor de toekomst zijn. Wat een ellendigen tijd heb ik doorgemaakt! Sinds 15 maart heb ik niets meer opgeteekend. De lust ertoe ontbrak me en eigenlijk ook de moed.
Maandag ga ik een nieuw leven beginnen, een leven vol zorg en zwaren arbeid, maar, Goddank, thans toch al weer met eenig perspectief, dat 1. de debacle, die ik vreesde en die me moreel vernietigd zou hebben, voorkomen wordt en 2. dat, als ik, met hard werken, erin slaag Het Centrum en daardoor Futura er bovenop te werken, na ongeveer tien jaren mijn bescheiden vermogen van ongeveer f 50.000, dat thans méér dan verloren is, weer zal hebben hersteld. Als mijn gezondheid nu maar wat verbetert. Ik ben nerveus, ’t minste wat er gebeurt slaat me neer of irriteert me, telkens nog weer heb ik slapelooze nachten; de steenpuisten komen steeds weer terug; dan heb ik dit, dan dat: alles gevolg van een geschokt zenuwstelsel en verarmd bloed. Toch hoop ik, dat dit zich spoedig herstellen zal, als ik erin slaag de zaken weer tot bloei te brengen. ’t Zijn de voortdurende angst, de zorg voor de naaste toekomst, die me knauwen. Kom ik die te boven, dan zal mijn gezondheid zich vanzelf weer herstellen. Eigenlijk zou ik eenige maanden rust moeten nemen. maar het kan niet, het mag niet. Ik moet terstond met alle kracht, die me over is, aan ’t werk, anders loopen de zaken nog mis. En bovendien, ik zou niet weten, waarvan ik ’t zou moeten betalen. Dit jaar is mijn inkomen al met ongeveer f 9000,– verminderd. Mijn broer is me al met f 2000,– bijgesprongen, anders was ik al vastgeloopen. De ± f 1400,– voor de premie levensverzekering heb ik op mijn polis opgenomen. Met heel zuinig te leven, zal ik er nu verder, hoop ik, kunnen komen.
Het meest drukt me de gedachte aan mijn gezin. Lies en de kinderen gaan onder dit alles gebukt. En ik ga gedrukt onder ’t zware verwijt, dat ik hun dit aangedaan heb. Die gedachte is verschrikkelijk. En toch! Ik wist niet, dat de zaken er zoo slecht voor stonden. Smits heeft me altijd misleid, ofschoon ik geloof, dat hij eerder zichzelf misleidde. Hij wilde eenvoudig den werkelijken toestand niet zien. Vier jaren lang is dividend uitgekeerd, terwijl nu achteraf blijkt, dat er groote verliezen geleden werden. Hij heeft deze in de balansen altijd weggewerkt, door de commercieele waarden, naar thans gebleken is, veel te hoog op te voeren. Zoo kwam er steeds een schijnwinst. Had ik meer tijd gehad, om me, gelijk vroeger, met de zaken te bemoeien, dan zou ik het eer bemerkt hebben. Thans was het laat – ik hoop nog steeds, echter: niet te laat.
Ik zal trachten om met behulp van mijn zakagenda nog enkele feiten en stadia vast te leggen, maar uiteraard zal dit onvolledig zijn.
donderdag 30 juli 1925
Het einde nadert. Vanmiddag is Colijn naar Soestdijk vertrokken, waar de koningin vertoeft, om H.M. mede te deelen, dat hij de opdracht tot kabinetsformatie aanvaardt. Maandag of dinsdag wordt dan ’t nieuwe kabinet benoemd en wij treden af. Na zeven jaren!!
’t Zijn zware jaren geweest, maar ze zouden aan mij ongemerkt voorbij zijn gegaan, wanneer ik niet de laatste jaren voortdurend met de zorgen voor Futura-Centrum enz. verveeld was geweest. Vooral sinds einde januari Defoer mijn oogen opende voor den werkelijken toestand, heb ik bijna geen leven meer gehad. Alle narigheid, die ik in heel mijn leven gehad heb, is, bij elkaar genomen, niet te vergelijken met het leed, den voortdurenden angst, de nijpende zorgen, die ik in dit half jaar gekend heb. Maanden achtereen sliep ik geen enkelen nacht meer dan twee à drie uur; mijn baard is geheel wit geworden; ik ben sterk vermagerd; maar ’t waren alle gevolgen van het ééne zelfde: voortdurende angst en zorg.
Onderwijl ging mijn werk aan het departement door; de ziekteverzekering kwam gereed, verschillende andere wetsontwerpen werden ingediend en geheel of ten deele afgehandeld. Tot het laatst toe heb ik veine gehad: ik treed nu af met het record van zeven jaren minister aan één stuk (evenals Ruijs, Van Karnebeek, Heemskerk en De Visser), en het andere record, dat ik met niemand deel: dat in al die jaren van de zeer vele wetsontwerpen, die ik indiende en verdedigde, er geen enkele verworpen is!
Ware ik voor drie jaar, zooals ik gewild had, afgetreden, met hoeveel vreugde zou ik op mijn ministerieelen loopbaan hebben teruggezien. Maar de drie jaar, die ik er onder drang van Ruijs en Nolens bijvoegde, hebben me in de ellende gebracht. Ware ik vrij man geweest, dan had ik me aan Futura en Centrum gewijd en ik zou nu niet straatarm zijn en bovendien nog vol angst voor de toekomst zijn. Wat een ellendigen tijd heb ik doorgemaakt! Sinds 15 maart heb ik niets meer opgeteekend. De lust ertoe ontbrak me en eigenlijk ook de moed.
Maandag ga ik een nieuw leven beginnen, een leven vol zorg en zwaren arbeid, maar, Goddank, thans toch al weer met eenig perspectief, dat 1. de debacle, die ik vreesde en die me moreel vernietigd zou hebben, voorkomen wordt en 2. dat, als ik, met hard werken, erin slaag Het Centrum en daardoor Futura er bovenop te werken, na ongeveer tien jaren mijn bescheiden vermogen van ongeveer f 50.000, dat thans méér dan verloren is, weer zal hebben hersteld. Als mijn gezondheid nu maar wat verbetert. Ik ben nerveus, ’t minste wat er gebeurt slaat me neer of irriteert me, telkens nog weer heb ik slapelooze nachten; de steenpuisten komen steeds weer terug; dan heb ik dit, dan dat: alles gevolg van een geschokt zenuwstelsel en verarmd bloed. Toch hoop ik, dat dit zich spoedig herstellen zal, als ik erin slaag de zaken weer tot bloei te brengen. ’t Zijn de voortdurende angst, de zorg voor de naaste toekomst, die me knauwen. Kom ik die te boven, dan zal mijn gezondheid zich vanzelf weer herstellen. Eigenlijk zou ik eenige maanden rust moeten nemen. maar het kan niet, het mag niet. Ik moet terstond met alle kracht, die me over is, aan ’t werk, anders loopen de zaken nog mis. En bovendien, ik zou niet weten, waarvan ik ’t zou moeten betalen. Dit jaar is mijn inkomen al met ongeveer f 9000,– verminderd. Mijn broer is me al met f 2000,– bijgesprongen, anders was ik al vastgeloopen. De ± f 1400,– voor de premie levensverzekering heb ik op mijn polis opgenomen. Met heel zuinig te leven, zal ik er nu verder, hoop ik, kunnen komen.
Het meest drukt me de gedachte aan mijn gezin. Lies en de kinderen gaan onder dit alles gebukt. En ik ga gedrukt onder ’t zware verwijt, dat ik hun dit aangedaan heb. Die gedachte is verschrikkelijk. En toch! Ik wist niet, dat de zaken er zoo slecht voor stonden. Smits heeft me altijd misleid, ofschoon ik geloof, dat hij eerder zichzelf misleidde. Hij wilde eenvoudig den werkelijken toestand niet zien. Vier jaren lang is dividend uitgekeerd, terwijl nu achteraf blijkt, dat er groote verliezen geleden werden. Hij heeft deze in de balansen altijd weggewerkt, door de commercieele waarden, naar thans gebleken is, veel te hoog op te voeren. Zoo kwam er steeds een schijnwinst. Had ik meer tijd gehad, om me, gelijk vroeger, met de zaken te bemoeien, dan zou ik het eer bemerkt hebben. Thans was het laat – ik hoop nog steeds, echter: niet te laat.
Ik zal trachten om met behulp van mijn zakagenda nog enkele feiten en stadia vast te leggen, maar uiteraard zal dit onvolledig zijn.
maandag 28 juli 2014
William en Marta Pattison -- 29 juli 1914
• De Brit William Pattison en zijn Duitse vrouw Marta trouwden in 1910. Toen WO 1 uitbrak, was Marta met haar dochters op familiebezoek in Duitsland, en kon niet naar huis terugkeren. In hun dagboeken deden ze ieder apart verslag van de situatie.
[Marta] July 27 Our dear little Renée walked a few steps by herself today.... Frida is often homesick and wants to go home on the big ship, right down Linthorpe Road [in Middlesbrough] to Daddy. Had a letter from my dear husband, but there was no mention of a possible war. I get frightened when I think of any such possibility.
[Marta] July 28 Renée can now walk well by herself. Hurrah! I wish my dear Willy were here now and could see how she so daintily trips around. Germany's mobilisation is now expected any time. What is going to become of us?
[Marta] July 29 I went first to the Consulate and was told I should just stay quietly here... I am in a dreadful state. If only Willy were here so that we could discuss the matter and I could get his advice.
[William] July 31 Received a letter and newspaper from Marta saying that war rumours were in the air....At the end of the letter, Marta says: 'I wish I was at home and all this horrid war up in the moon. It is spoiling my holiday because one gets quite nervous.'
This made me fearfully uneasy, for I have been relying on their knowing the position better than I did - there was little or no excitement here... That night I sent a telegram to Frankfurt saying they should go at once, with Otto, to Rotterdam, if it was safe to travel and I would go to Rotterdam with them.
[Marta] July 31 Mobilisation is expected hourly. I went therefore to the station to send my husband a telegram. It is too late to get away ourselves, as all trains are being held ready for troop transport.
The station is occupied by troops. I sent the telegram: I STAY PLEASE DO NOT COME. LOVE. And yet, I wish I were with my dear Willy, for I feel dreadful. Everything is in turmoil, I think sometimes I must be dreaming. It is a terrible state to be in.
[William] August 1 After an almost sleepless night expecting a reply to my telegram, I was at the office at 8.30 and found the telegram I was expecting....It said: 'I am staying here, please don't come.' So now I don't know whether they will set off or not.
[Marta] August 1: A telegram arrived from my dear husband saying that if it was safe, I should leave at once and he would meet me in Rotterdam. I was naturally very bothered by this [but].. it happened as I had feared, there was no longer any proper rail connection, and Otto was only able to send a telegram - in German - saying: TRAVEL NO LONGER SAFE. MUST STAY HERE.
So the war that I feared has come. All around, there are weeping women and children saying Goodbye to their loved ones. There are many hurried weddings, where the man has to go away.
It is dreadful to go down the streets. Everyone is rushing about, vast numbers of cars, and the soldiers all in new uniforms - everything has a warlike look about it and there is no longer any hope of my [Willy] getting back home soon.
[Marta] August 3 Renée can now walk very well, and Friedele speaks German very well. If only Willy could see and hear it all. I wish I knew if he is well and if he has the same longing for us as we have for him.
[Marta] August 4 What a night that was! We now know that we are really at war. I was wakened during the night by continuous gunfire, and Mother, Father and Otto were up too.
And now, the worst of all: England has declared war on Germany! And I am quite cut off from my dear husband and cannot write to him any more. What will become of him?
[William] August 4 The eventful day. Rumours abroad that Germany has declared war on England. Government have proclaimed a four day Bank Holiday. Banks do not open until Friday - bank rate is 10% - unprecedented!
[Marta] July 27 Our dear little Renée walked a few steps by herself today.... Frida is often homesick and wants to go home on the big ship, right down Linthorpe Road [in Middlesbrough] to Daddy. Had a letter from my dear husband, but there was no mention of a possible war. I get frightened when I think of any such possibility.
[Marta] July 28 Renée can now walk well by herself. Hurrah! I wish my dear Willy were here now and could see how she so daintily trips around. Germany's mobilisation is now expected any time. What is going to become of us?
[Marta] July 29 I went first to the Consulate and was told I should just stay quietly here... I am in a dreadful state. If only Willy were here so that we could discuss the matter and I could get his advice.
[William] July 31 Received a letter and newspaper from Marta saying that war rumours were in the air....At the end of the letter, Marta says: 'I wish I was at home and all this horrid war up in the moon. It is spoiling my holiday because one gets quite nervous.'
This made me fearfully uneasy, for I have been relying on their knowing the position better than I did - there was little or no excitement here... That night I sent a telegram to Frankfurt saying they should go at once, with Otto, to Rotterdam, if it was safe to travel and I would go to Rotterdam with them.
[Marta] July 31 Mobilisation is expected hourly. I went therefore to the station to send my husband a telegram. It is too late to get away ourselves, as all trains are being held ready for troop transport.
The station is occupied by troops. I sent the telegram: I STAY PLEASE DO NOT COME. LOVE. And yet, I wish I were with my dear Willy, for I feel dreadful. Everything is in turmoil, I think sometimes I must be dreaming. It is a terrible state to be in.
[William] August 1 After an almost sleepless night expecting a reply to my telegram, I was at the office at 8.30 and found the telegram I was expecting....It said: 'I am staying here, please don't come.' So now I don't know whether they will set off or not.
[Marta] August 1: A telegram arrived from my dear husband saying that if it was safe, I should leave at once and he would meet me in Rotterdam. I was naturally very bothered by this [but].. it happened as I had feared, there was no longer any proper rail connection, and Otto was only able to send a telegram - in German - saying: TRAVEL NO LONGER SAFE. MUST STAY HERE.
So the war that I feared has come. All around, there are weeping women and children saying Goodbye to their loved ones. There are many hurried weddings, where the man has to go away.
It is dreadful to go down the streets. Everyone is rushing about, vast numbers of cars, and the soldiers all in new uniforms - everything has a warlike look about it and there is no longer any hope of my [Willy] getting back home soon.
[Marta] August 3 Renée can now walk very well, and Friedele speaks German very well. If only Willy could see and hear it all. I wish I knew if he is well and if he has the same longing for us as we have for him.
[Marta] August 4 What a night that was! We now know that we are really at war. I was wakened during the night by continuous gunfire, and Mother, Father and Otto were up too.
And now, the worst of all: England has declared war on Germany! And I am quite cut off from my dear husband and cannot write to him any more. What will become of him?
[William] August 4 The eventful day. Rumours abroad that Germany has declared war on England. Government have proclaimed a four day Bank Holiday. Banks do not open until Friday - bank rate is 10% - unprecedented!
zondag 27 juli 2014
Raphaël Waterschoot -- 27 juli 1915
•
Raphaël Waterschoot (1890-1962) was een Belgische architect. Tijdens WO 1 hield hij een oorlogsdagboek bij.
27 juli 1915 dinsdag
Papa gaat naar Antwerpen; alles is er rustig. Na een jaar oorlog zijn er zo'n 20 St Nikolazenaren dood die ik persoonlijk ken. Hoeveel onbekenden zijn er dan niet gevallen!
28 juli 1915 woensdag
Alle honden moeten op 't bevel der Duitschers op het stadhuis aangegeven, genummerd en van eene medalie voorzien worden.
29 juli 1915 donderdag
De secretaris van kardinaal Mercier heeft 3 maand gevang of 2000 mark boete opgeloopen wegens ongehoorzaamheid tegenover Duitsche soldaten. Hij doet zijn straf in den amigo [gevangenis] uit.
30 juli 1915 vrijdag
N'en Duitsche soldaat wordt hier gedegradeerd en tot 3 jaar tuchthuis veroordeeld om brieven helpen smokkelen. Een Belgisch wijf dat de brieven oversmokkelde krijgt insgelijks 3 jaar.
31 juli 1915 zaterdag
Vader Lentacker trekt van den Belgsiche staat voor zijn zoon Edmond.'s Avonds en gansch den nacht door hevig kanongebulder in de verte waar te nemen;'t is dus nog oorlog zou men zeggen. Verjaring der Belgische mobilisatie.
27 juli 1915 dinsdag
Papa gaat naar Antwerpen; alles is er rustig. Na een jaar oorlog zijn er zo'n 20 St Nikolazenaren dood die ik persoonlijk ken. Hoeveel onbekenden zijn er dan niet gevallen!
28 juli 1915 woensdag
Alle honden moeten op 't bevel der Duitschers op het stadhuis aangegeven, genummerd en van eene medalie voorzien worden.
29 juli 1915 donderdag
De secretaris van kardinaal Mercier heeft 3 maand gevang of 2000 mark boete opgeloopen wegens ongehoorzaamheid tegenover Duitsche soldaten. Hij doet zijn straf in den amigo [gevangenis] uit.
30 juli 1915 vrijdag
N'en Duitsche soldaat wordt hier gedegradeerd en tot 3 jaar tuchthuis veroordeeld om brieven helpen smokkelen. Een Belgisch wijf dat de brieven oversmokkelde krijgt insgelijks 3 jaar.
31 juli 1915 zaterdag
Vader Lentacker trekt van den Belgsiche staat voor zijn zoon Edmond.'s Avonds en gansch den nacht door hevig kanongebulder in de verte waar te nemen;'t is dus nog oorlog zou men zeggen. Verjaring der Belgische mobilisatie.
donderdag 24 juli 2014
J.J. van Aken -- 25 juli 1940
• Jacobus Joseph van Aken (1878-1942) was in de eerste oorlogsjaren burgemeester van Zevenbergen. Hij hield in die tijd een dagboek bij.
25 juli 1940
Heden nacht alles rustig van morgen zijn door burgers pamfletten (2-tal) gevonden mij ter hand gesteld. Zij zijn in de Duitsche taal gesteld met het wapen van het Duitsche Rijk en hoofd. Zij waarschuwt de bevolking dat de oorlog nog lang kan duren, dat Nederland geheel belegd is met Duitsche militairen en dat aanvallen uit vliegtuigen verwacht kunnen worden. Bij nader inzicht en na daar omtrent de ober-luitenant alhier gehoord en hem een exemplaar te laten lezen weet ook hij zeker dat deze pamphletten van Engelschen oorsprong zijn en uit Engelsche vliegtuigen zijn geworpen. Van een en ander geef ik volgens mijn instructie, telefonisch kennis aan den Stabs-offizier der Ordnungspolizei bei dem beaustraasen in ‘s-Bosch (Paleis van Justitie, telef. no. 3341) waarna de twee pamfletten per post worden doorgezonden.
Heden gaat van mij een bekendmaking uit aan de bevolking en herbergiers, dat de vergunning en verloofshouders ingevolge de Drankwet vanaf 27 juli a.s. gesloten moeten zijn van s-avonds 10½ uur tot 5 uur ‘s-morgens. Dit geldt ook voor militairen. De plaatselijke commandant ober-luitenant Ingenhoven verzocht mij een door hem, in de Duitsche taal gestelde bekendmaking in het Nederlandsch om te zetten en op de gebruikelijke plaatsen in de gemeente aan te doen brengen. Het is zijne bekendmaking no. 1 in het kort inhoudende: dat hij sinds 23 juli hier is gevestigd in Hotel de Wit waar hij zijn bureau heeft Markt no. 11, dat hij daar te spreken is voor civiele personen; dat de herbergen en tapperijen om 10.30 uur gesloten moeten zijn, ook voor militairen; dat, mede ter beveiliging van de burgers een wacht wordt ingesteld van s-avonds 9 tot s-morgens 5 uur.
Heden ontving ik nog een telegram van het hoofd v/h departement van Bin. Zaken, namens de Duitsche autoriteiten, houdende dat eventueele bomaanvallen in de nacht direct telegrafisch moeten gemeld worden (als reeds eerder bepaald) en in ieder geval voor 6 uur s-morgens, dat zeer scherpt moet uitgezien worden door de uitkijkposten van de L.Dienst.
25 juli 1940
Heden nacht alles rustig van morgen zijn door burgers pamfletten (2-tal) gevonden mij ter hand gesteld. Zij zijn in de Duitsche taal gesteld met het wapen van het Duitsche Rijk en hoofd. Zij waarschuwt de bevolking dat de oorlog nog lang kan duren, dat Nederland geheel belegd is met Duitsche militairen en dat aanvallen uit vliegtuigen verwacht kunnen worden. Bij nader inzicht en na daar omtrent de ober-luitenant alhier gehoord en hem een exemplaar te laten lezen weet ook hij zeker dat deze pamphletten van Engelschen oorsprong zijn en uit Engelsche vliegtuigen zijn geworpen. Van een en ander geef ik volgens mijn instructie, telefonisch kennis aan den Stabs-offizier der Ordnungspolizei bei dem beaustraasen in ‘s-Bosch (Paleis van Justitie, telef. no. 3341) waarna de twee pamfletten per post worden doorgezonden.
Heden gaat van mij een bekendmaking uit aan de bevolking en herbergiers, dat de vergunning en verloofshouders ingevolge de Drankwet vanaf 27 juli a.s. gesloten moeten zijn van s-avonds 10½ uur tot 5 uur ‘s-morgens. Dit geldt ook voor militairen. De plaatselijke commandant ober-luitenant Ingenhoven verzocht mij een door hem, in de Duitsche taal gestelde bekendmaking in het Nederlandsch om te zetten en op de gebruikelijke plaatsen in de gemeente aan te doen brengen. Het is zijne bekendmaking no. 1 in het kort inhoudende: dat hij sinds 23 juli hier is gevestigd in Hotel de Wit waar hij zijn bureau heeft Markt no. 11, dat hij daar te spreken is voor civiele personen; dat de herbergen en tapperijen om 10.30 uur gesloten moeten zijn, ook voor militairen; dat, mede ter beveiliging van de burgers een wacht wordt ingesteld van s-avonds 9 tot s-morgens 5 uur.
Heden ontving ik nog een telegram van het hoofd v/h departement van Bin. Zaken, namens de Duitsche autoriteiten, houdende dat eventueele bomaanvallen in de nacht direct telegrafisch moeten gemeld worden (als reeds eerder bepaald) en in ieder geval voor 6 uur s-morgens, dat zeer scherpt moet uitgezien worden door de uitkijkposten van de L.Dienst.
woensdag 23 juli 2014
Jacob van Lennep -- 24 juli 1823
• Jacob van Lennep (1802-1868) was een Nederlandse schrijver. In 1823 maakte hij wandelend een petit tour door zomers Nederland. Van deze tocht hield hij een dagboek bij, onder de titel Nederland in den goeden ouden tijd.
Donderdag 24 Julij.
Bij onze uittrede uit de herberg werden wij door zulke hevige regenvlagen begroet, dat wij het raadzaam vonden ons naar den postwagen te begeven, schoon gewaarschuwd dat dezelve over den weg naar Deventer, die acht uren gaans is, elf uren bezig is. Dan, onderweg naderde ons een voerman en nam ons in zijne halve kapwagen, met welke wij langs een akeligen weg onder gedurige stortregens voortreden. Doornat kwamen wij te Rijssen aan, bleven aldaar een uur, hielden voorts aan de Bathemer molen stil en trokken verder. Wat dichter bij Deventer zagen wij dat men hier bezig was een straatweg aan te leggen, die over Hengelo en Enschede naar het Pruissische grondgebied loopen moet. Na negen en een half uur rijdens stapten wij te Deventer aan het logement en posthuis de Maan af. Hier het middagmaal gebruikt hebbende, begaven wij ons te vijf ure naar het postkantoor. Men wees ons af zeggende, dat het niet voor zes ure openstond. Te zes ure aldaar gekeerd, vonden wij slechts één' klerk die ons verhaalde dat er wel brieven waren, doch dat hij dezelve wegens de afwezendheid des direkteurs en der andere klerken niet af konde geven. Na hierover een groot leven gemaakt te hebben, liepen wij in toorn weg, doch naauwlijks waren wij te huis, of de klerk verscheen en bracht ons de brieven. Ik ontfing er zes. Na de lezing bezochten wij den Heer Van Doornink [ontvanger te Deventer van 1802-1846], doch kwamen ongelukkig ten huize van zijn' broeder, die ook ontvanger is; niemand vindende, lieten wij kaartjens achter, alsmede bij den advocaat Van Marle, academievriend van Van Hogendorp. Te half elf gingen wij, na geschreven te hebben, bedwaarts.
Donderdag 24 Julij.
Bij onze uittrede uit de herberg werden wij door zulke hevige regenvlagen begroet, dat wij het raadzaam vonden ons naar den postwagen te begeven, schoon gewaarschuwd dat dezelve over den weg naar Deventer, die acht uren gaans is, elf uren bezig is. Dan, onderweg naderde ons een voerman en nam ons in zijne halve kapwagen, met welke wij langs een akeligen weg onder gedurige stortregens voortreden. Doornat kwamen wij te Rijssen aan, bleven aldaar een uur, hielden voorts aan de Bathemer molen stil en trokken verder. Wat dichter bij Deventer zagen wij dat men hier bezig was een straatweg aan te leggen, die over Hengelo en Enschede naar het Pruissische grondgebied loopen moet. Na negen en een half uur rijdens stapten wij te Deventer aan het logement en posthuis de Maan af. Hier het middagmaal gebruikt hebbende, begaven wij ons te vijf ure naar het postkantoor. Men wees ons af zeggende, dat het niet voor zes ure openstond. Te zes ure aldaar gekeerd, vonden wij slechts één' klerk die ons verhaalde dat er wel brieven waren, doch dat hij dezelve wegens de afwezendheid des direkteurs en der andere klerken niet af konde geven. Na hierover een groot leven gemaakt te hebben, liepen wij in toorn weg, doch naauwlijks waren wij te huis, of de klerk verscheen en bracht ons de brieven. Ik ontfing er zes. Na de lezing bezochten wij den Heer Van Doornink [ontvanger te Deventer van 1802-1846], doch kwamen ongelukkig ten huize van zijn' broeder, die ook ontvanger is; niemand vindende, lieten wij kaartjens achter, alsmede bij den advocaat Van Marle, academievriend van Van Hogendorp. Te half elf gingen wij, na geschreven te hebben, bedwaarts.
Abonneren op:
Posts (Atom)







