• Alexandra Radius (1942) is een Nederlandse ballerina. Begin juli 1981 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.
Donderdag
9.15 opgestaan. Viel vannacht moeilijk in slaap. Werd gewekt door telefoon: Bum Verbiesen. Een man die schrijft voor een of ander roddelblaadje. Vraagt om een kaartje. Bij mijn negatieve antwoord, weet hij meteen te melden, dat in de Volkskrant staat dat ik te oud zou zijn voor Aurora in Sleeping Beauty. Mooi begin van mijn premièredag! Wat zijn sommige mensen toch aardig. Zulke journalisten kunnen zelfs geen kranten lézen!
11.00 u. Les van Sonia Marchiolli, een heerlijke les. 12.15 u. Nog wat correcties en vervelende nieuwe veranderingen gekregen. 15.00 u. Gerust en wonderwel echt geslapen. 16.30 u. Licht gegeten, heeft me niet gesmaakt. 17.45 u. Ga naar theater, word thuis te nerveus. Vraag Han om alsjeblieft achter te komen na de eerste akte. Doe dezelfde voorbereidingen als gisteren, alleen is mijn warming-up veel langer. Dan begint de voorstelling en ik krijg er echt zin in. 23.45 u. De voorstelling een TRIOMF! Dansers, orkest, technisch personeel, kostuum-afdeling, alles liep perfect. Was echt een droomavond. Mijn Rozenadagio ging nog beter dan op de generale. En alle pas-de-deux met Henny liepen heerlijk. We zijn allemaal gelukkig. Champagne op het toneel. 24.00 u. Aurora is nu écht jarig! De hele groep zingt Happy Birthday. Iedereen uitgelaten. Veel vrienden komen me in de kleedkamer opzoeken. Heerlijk zo veel als er gekomen zijn. Snel alles af en uit. Nog een party bij Rudi thuis. Mijn kleedkamer is één bloemenzee en ik ben overladen met cadeaus. 2.00 u. Naar huis om nog even met ons beiden, plus twee vrienden. Joop en Wim, die blijven logeren, op verhaal te komen. 3.30 u. Naar bed. Heel tevreden, doodmoe. 4.00 u. Han zegt: 'Nu je mond houden en slapen.' Het was een geweldige dag. Toch weer al deze spanningen waard.
maandag 30 juni 2014
zondag 29 juni 2014
Herman Paul -- 30 juni 2013
• Herman Paul (1978) is godsdienstwetenschapper. Voor 'De jonge akademie' hield hij twee weken een dagboek bij.
Zondag
Leve de zondag, met zijn heilzame relativering van al onze drukte! Dat begint in de kerk, doorgaans, al blijf ik ditmaal met de kleine thuis, zodat mijn vrouw naar de kerk kan. Ik luister via internet mee en denk bij de gemeentezang die krakend uit mijn laptop komt aan een uitspraak van Frits van der Meer, de katholieke kunsthistoricus: ‘Ik heb wel eens gedacht dat de kerken van de Reformatie voortleven krachtens twee dingen: het stille lezen van de Schrift, en het niet aflaten van met man en macht samen te zingen.’
Ook de rest van de zondag staat in het teken van rust. Ik lees de kranten van de afgelopen dagen, begin in een stevig, Duitstalig boek, ben ’s middags aan de beurt om naar de kerk te gaan, praat na afloop met een paar vrienden bij en luister ’s avonds samen met mijn geliefde naar een cd met Renaissance-muziek van Jean Richafort. Op het Requium in memoriam Josquin des Prez valt onze kleine meid spontaan in slaap...
Zondag
Leve de zondag, met zijn heilzame relativering van al onze drukte! Dat begint in de kerk, doorgaans, al blijf ik ditmaal met de kleine thuis, zodat mijn vrouw naar de kerk kan. Ik luister via internet mee en denk bij de gemeentezang die krakend uit mijn laptop komt aan een uitspraak van Frits van der Meer, de katholieke kunsthistoricus: ‘Ik heb wel eens gedacht dat de kerken van de Reformatie voortleven krachtens twee dingen: het stille lezen van de Schrift, en het niet aflaten van met man en macht samen te zingen.’
Ook de rest van de zondag staat in het teken van rust. Ik lees de kranten van de afgelopen dagen, begin in een stevig, Duitstalig boek, ben ’s middags aan de beurt om naar de kerk te gaan, praat na afloop met een paar vrienden bij en luister ’s avonds samen met mijn geliefde naar een cd met Renaissance-muziek van Jean Richafort. Op het Requium in memoriam Josquin des Prez valt onze kleine meid spontaan in slaap...
Michel Leiris -- 29 juni 1934
• Michel Leiris (1901-1990) was een Franse etholoog, dichter en schrijver. In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989.
27 juni
Naar aanleiding van mijn boek spreekt Marie Bonaparte over 'masochistische passiviteit'. Ze bedoelt dat in verwijtende zin. Haar gelijkenis met Maurice Rostand doet mij denken aan moeder Mac-Mich. Ik geef haar als uitleg aangaande mijn idee van subjectiviteit: dat ik door deze subjectiviteit naar haar toppunt te voeren, door me zo particulier, persoonlijk mogelijk te tonen, object word voor de anderen.
29 juni
Hervatting van de analyse bij Borel. Belang van Malkam Ayyahou.
Dr. Odier zegt tegen Jeannine, over mijn boek: 'Het exhibitionisme van een kleine jongen.'
30 juni
Droom: als ik aan het einde van een openbare bijeenkomst (in het Trocadéro?) Marie Bonaparte tegenkom, pakt zij mijn rechterhand, neemt het middelste vingerkootje van mijn gekromde wijsvinger tussen haar tanden en blijft zo tamelijk lang al pratend doorlopen. Ze nodigt me uit gauw eens bij haar te komen, zodat ze verder kan gaan te zeggen wat zij van mijn boek denkt, maar ik kijk in mijn agenda en kan geen enkele vrije dag vinden.
Er is een film vertoond over een componist. In een van de liederen - die gezongen werden door de jeune premier (een Oostenrijks officier met snor en in een rijk met koorden versierd huzarenjasje) - kwam het woord marcade voor, een samentrekking van het woord marquise en de naam van een bloem - een woord dat me bovendien deed denken aan Arcade en Désirade, de personages uit het stuk van [Roger] Vitrac. Het is een burlesk chanson (dat voor mij vertaald wordt), waarin de spot wordt gedreven met de componist: 'Als hij dirigeert, vertraag dan al zijn bewegingen maar.' {Dit is gericht tot de cameramannen zelf.}
Andere droom: onder de metro die op de boulevard de Grenelle bovengronds loopt, staat een arbeider te praten over de oorlog van '14-'18: 'Een compagnie vernietigd door de storm ... Toen dat werd rondverteld, ... Ach! de arme stakkers ... Het was wel iets anders dan een storm!' Na een pauze: 'Maar te hopen dat ze geen nieuwe oorlog voorbereiden ...'
Vertaling: Michel van Nieuwstadt
27 juni
Naar aanleiding van mijn boek spreekt Marie Bonaparte over 'masochistische passiviteit'. Ze bedoelt dat in verwijtende zin. Haar gelijkenis met Maurice Rostand doet mij denken aan moeder Mac-Mich. Ik geef haar als uitleg aangaande mijn idee van subjectiviteit: dat ik door deze subjectiviteit naar haar toppunt te voeren, door me zo particulier, persoonlijk mogelijk te tonen, object word voor de anderen.
29 juni
Hervatting van de analyse bij Borel. Belang van Malkam Ayyahou.
Dr. Odier zegt tegen Jeannine, over mijn boek: 'Het exhibitionisme van een kleine jongen.'
30 juni
Droom: als ik aan het einde van een openbare bijeenkomst (in het Trocadéro?) Marie Bonaparte tegenkom, pakt zij mijn rechterhand, neemt het middelste vingerkootje van mijn gekromde wijsvinger tussen haar tanden en blijft zo tamelijk lang al pratend doorlopen. Ze nodigt me uit gauw eens bij haar te komen, zodat ze verder kan gaan te zeggen wat zij van mijn boek denkt, maar ik kijk in mijn agenda en kan geen enkele vrije dag vinden.
Er is een film vertoond over een componist. In een van de liederen - die gezongen werden door de jeune premier (een Oostenrijks officier met snor en in een rijk met koorden versierd huzarenjasje) - kwam het woord marcade voor, een samentrekking van het woord marquise en de naam van een bloem - een woord dat me bovendien deed denken aan Arcade en Désirade, de personages uit het stuk van [Roger] Vitrac. Het is een burlesk chanson (dat voor mij vertaald wordt), waarin de spot wordt gedreven met de componist: 'Als hij dirigeert, vertraag dan al zijn bewegingen maar.' {Dit is gericht tot de cameramannen zelf.}
Andere droom: onder de metro die op de boulevard de Grenelle bovengronds loopt, staat een arbeider te praten over de oorlog van '14-'18: 'Een compagnie vernietigd door de storm ... Toen dat werd rondverteld, ... Ach! de arme stakkers ... Het was wel iets anders dan een storm!' Na een pauze: 'Maar te hopen dat ze geen nieuwe oorlog voorbereiden ...'
Vertaling: Michel van Nieuwstadt
Käthe Kollwitz -- 28 juni 1921
28. Juni 1921 Gertrud und Ottilie heut wie Elisabeth und Maria. Beide hochschwanger.
Mutter gestern mit so ganz freundlich gütigem Ton zu mir: "Komm doch ein bißchen häufiger zu mir rüber!"
Mit Karl zusammen im Großen Schauspielhaus 'Die Weber' gesehn. Aufpeitschende Wirkung der Massenszenen. "Jäger soll rauskommen! Jäger soll rauskommen! Hölz soll rauskommen."
Etwas von dem Gefühl wie damals, als ich zum ersten Mal die 'Weber' sah, kam über mich. Von dem Gefühl, das die Weber treibt, das Auge um Auge - Zahn um Zahn, das Gefühl, das ich damals hatte, als ich die 'Weber' machte. Meine 'Weber'.
Inzwischen hab ich eine Revolution mitdurchgemacht und hab mich davon überzeugt, daß ich kein Revolutionär bin. Mein Kindertraum, auf der Barrikade zu fallen, wird schwerlich in Erfüllung gehn, weil ich schwerlich auf eine Barrikade gehn würde seitdem ich in Wirklichkeit weiß, wie es da ist. So weiß ich jetzt, in was für einer Illusion ich die ganzen Jahre gelebt habe, glaubte Revolutionär zu sein und war nur Evolutionär, ja mitunter weiß ich nicht, ob ich überhaupt Sozialist bin, ob ich nicht vielmehr Demokrat bin. Wie gut es ist, wenn die Wirklichkeit einen auf Herz und Nieren prüft und einen ohne Beschönigung an die Stelle stellt, die man aus seiner Illusion heraus nie für die richtige nahm. Mit Konrad ist es glaub ich etwas Ahnliches. Ja - er auch ich waren wohl fähig gewesen revolutionär zu handeln, wenn die wirkliche Revolution das Gesicht gehabt hätte, das wir an ihr erwarteten. Da sie aber eine höchst irdische schlackenhafte unideale Erscheinung in Wirklichkeit zeigte - jede wohl zeigen muß - haben wir genug von ihr. Kommt aber ein Künstler wie Hauptmann [auteur van Die Weber] und zeigt uns Revolution in künstlerischer Verklärung, so fühlen wir uns auch wieder als Revolutionäre, verfallen in die alte Täuschung.
Interessanter Abend im Sozialwissenschaftlichen Verein über Georgien. Kautsky und Bernstein anwesend und leidenschaftlich für Georgien sprechend. Holitscher spielte eine traurige Figur.
Was ist es nur mit Otty? Seit Wochen wartet sie auf die Entbindung und es kommt und kommt nicht.
woensdag 25 juni 2014
Oskar A.H. Schmitz -- 26 juni 1906
• Oscar Adolf Hermann Schmitz (1873-1931) was een Duitse schrijver. Fragmenten uit zijn dagboeken staan online bij Gutenberg.
26. Juni.
Samstag Abends mit Franzi nach Isle-Adam gefahren. Abends bei Dreyfus im Garten. Wir bewohnten, wie schon am vorigen Sonntag mit den Mädchen, unser neues Haus. Sonntag ein nasser, trauriger Morgen. Rudern unmöglich, Baden unmöglich. Alle hübschen Plätze sind propriété privée. Ich möchte mich endlich einmal wieder ausdehnen können, meine Seele an die Außenwelt hingeben, nicht wie jetzt schon solange sie umspinnen mit tausend Plänen, Hoffnungen, Gedanken und Arbeiten, um mich gegen die Außenwelt zu schützen. Das Leben sollte wieder einmal selbst etwas sein. Nachmittags mit Dreyfus in schöner Flußlandschaft in Heuhaufen ausgeruht, abends bei ihnen im Garten. Ich war sehr matt und etwas verstimmt, habe, glaube ich, infolgedessen mißfallen. Andere erwecken in solcher Stimmung Teilnahme, ich mindestens Befremden, wenn nicht Abneigung.
Gestern unangenehme Aufregung in der Scheidungssache. Man will mir zur verdammten Pflicht machen, was ich ja gern freiwillig täte, nämlich für Louisa zu sorgen, bis sie ihre Ausbildung in dem neuen Beruf vollendet hat. In Franzis Beisein schreibe ich abends an Louisa. Dann erzählt er mir seine schlechten Erfahrungen in der Kaulbachstraße. Suchocki hat ihn schofel genannt, nachdem er 3 Jahre von ihm gelebt und am Schluß eine Kleinigkeit nicht nach seinem Wunsche erhielt. Die vollkommene Besitzlosigkeit scheint doch zur Rancune und zum Undank zu prädisponieren. Was habe ich alles für Louisa getan! Aber nun ist das alles selbstverständlich und von Dank keine Spur. Ein klein wenig, genügend zur Unabhängigkeit muß man doch offenbar besitzen, um ein Gentleman, d. h. ein bis ins Kleinste anständiger Mensch sein zu können.
26. Juni.
Samstag Abends mit Franzi nach Isle-Adam gefahren. Abends bei Dreyfus im Garten. Wir bewohnten, wie schon am vorigen Sonntag mit den Mädchen, unser neues Haus. Sonntag ein nasser, trauriger Morgen. Rudern unmöglich, Baden unmöglich. Alle hübschen Plätze sind propriété privée. Ich möchte mich endlich einmal wieder ausdehnen können, meine Seele an die Außenwelt hingeben, nicht wie jetzt schon solange sie umspinnen mit tausend Plänen, Hoffnungen, Gedanken und Arbeiten, um mich gegen die Außenwelt zu schützen. Das Leben sollte wieder einmal selbst etwas sein. Nachmittags mit Dreyfus in schöner Flußlandschaft in Heuhaufen ausgeruht, abends bei ihnen im Garten. Ich war sehr matt und etwas verstimmt, habe, glaube ich, infolgedessen mißfallen. Andere erwecken in solcher Stimmung Teilnahme, ich mindestens Befremden, wenn nicht Abneigung.
Gestern unangenehme Aufregung in der Scheidungssache. Man will mir zur verdammten Pflicht machen, was ich ja gern freiwillig täte, nämlich für Louisa zu sorgen, bis sie ihre Ausbildung in dem neuen Beruf vollendet hat. In Franzis Beisein schreibe ich abends an Louisa. Dann erzählt er mir seine schlechten Erfahrungen in der Kaulbachstraße. Suchocki hat ihn schofel genannt, nachdem er 3 Jahre von ihm gelebt und am Schluß eine Kleinigkeit nicht nach seinem Wunsche erhielt. Die vollkommene Besitzlosigkeit scheint doch zur Rancune und zum Undank zu prädisponieren. Was habe ich alles für Louisa getan! Aber nun ist das alles selbstverständlich und von Dank keine Spur. Ein klein wenig, genügend zur Unabhängigkeit muß man doch offenbar besitzen, um ein Gentleman, d. h. ein bis ins Kleinste anständiger Mensch sein zu können.
dinsdag 24 juni 2014
Helena Colijn-Groenenberg -- 25 juni 1942
• Helena Colijn-Groenenberg (1867-1947) was de vrouw van de Nederlandse politicus Hendrik Colijn. In de oorlogsjaren, tijdens een gedwongen verblijf in Thüringen in Duitsland, hield ze een dagboek bij dat is verschenen als Dagboek van mevrouw Colijn.
25 juni 1942
Wij herdenken de geboortedag van [zoon] Henk. Waar is hij? En waar zijn al onze zonen met hun kinderen? Maar niet al te veel denken, anders wordt het bij mij leelijk mis. Ik ga jullie liever vertellen dat Oom Piet op 20 Juni hier binnen kwam stappen. Wat een vreugde! Wij hadden drie gezellige dagen. 23 Juni moest hij weer vertrekken; die dagen waren te snel voorbij. Het weer was prachtig! Oom Piet genoot er ook van. Op Vaders verjaardag waren wij dus niet zoo alleen. Er was veel te praten. Oom Piet behandelt voor Vader familiezaken.
25 juni 1942
Wij herdenken de geboortedag van [zoon] Henk. Waar is hij? En waar zijn al onze zonen met hun kinderen? Maar niet al te veel denken, anders wordt het bij mij leelijk mis. Ik ga jullie liever vertellen dat Oom Piet op 20 Juni hier binnen kwam stappen. Wat een vreugde! Wij hadden drie gezellige dagen. 23 Juni moest hij weer vertrekken; die dagen waren te snel voorbij. Het weer was prachtig! Oom Piet genoot er ook van. Op Vaders verjaardag waren wij dus niet zoo alleen. Er was veel te praten. Oom Piet behandelt voor Vader familiezaken.
maandag 23 juni 2014
Nina d'Aubigny von Engelbrunner -- 24 juni 1790
• Nina d’Aubigny (1770–1847) was een Duitse zangeres en schrijfster van een dagboek over haar verblijf in Nederland.De 23ste [juni 1790] te Neunkirchen in de tuin van de postmeester van een stopplaats bij Paderborn Ik zet mijn verhaal voort. Toen we eenmaal goed wakker waren, gebruikten we - terwijl de paarden gewisseld werden - een heel onsmakelijk ontbijt te Ossendorf. Mijn vader stapte het rijtuig uit om te voet de weg over een vreselijke berg af te leggen. Dit maakte ons erg ongerust, omdat we hem al enkele mijlen achtereen uit het oog hadden verloren, en we ons niet konden voorstellen dat hij in zo'n afgelegen gebied wegen zou kennen die hem sneller zouden doen lopen dan vier postpaarden. We wisten niet of het beter zou zijn terug te keren, dan wel onze weg naar Paderborn te vervolgen. Tenslotte ontdekten we, met behulp van de scherpe ogen van de heer De S-, dat hij ver voor ons uit liep. Ik vergat melding te maken van een Benedictijns klooster genaamd Hardenhausen. Tot mijn grote ongenoegen moesten we het passeren zonder een bezoek te brengen aan dc hoogheilige heren. Ik verzeker u dat dit het mooiste klooster is dat ik ben tegengekomen. Ik begrijp goed de nare gevoelens die deze arme paters moeten hebben nu de Franse grondwet ze heeft teruggeworpen in de wereld. Vooral diegenen die de mooiste bezittingen hebben zijn de dupe.
Vlak bij Paderborn werden de paarden gewisseld met die van de Prins van Valois en Prins Louis. Paderborn is een heel oude, kleine stad. We gebruikten er het diner. Tegen vijf uur, na het diner en na u een brief te hebben geschreven, gingen we naar bed teneinde om middernacht te kunnen vertrekken. De slaap drukte zwaar op onze oogleden. Na een paar uur te hebben geslapen wekte Susette mij en kleedden we ons haastig weer aan, omdat we dachten dat de dag al ver genoeg gevorderd was om te vertrekken. Toen we bepakt en bezakt de kamer van mijn vader wilden opzoeken, vertelde een meisje ons toevallig dat het pas negen uur 's avonds was. Flink boos over deze onbezonnen streek zat er voor ons niets anders op dan maar weer naar bed te gaan. Een geborduurd kleed scheidde ons bed van een grote zaal waarheen diegenen zich begaven die met de post wilden vertrekken. Daar hadden wc geen last van, behalve een beetje van de vier Indiërs die naar Parijs en Amsterdam vertrokken. Na voor de tweede keer de hulp van Morpheus te hebben ingeroepen, werd ik voor dc tweede keer gewekt, nu door Mama. Voor de tweede keer toilet maken, voor de tweede keer op zoek naar mijn vaders kamer en .... tweede ramp, zelfs nog erger dan de eerste. We vonden mijn vader, die juist op het punt stond naar bed te gaan. De postmeester wil ons niet laten vertrekken met minder dan zes paarden en twee postiljons, maar Vader wil niet toegeven, omdat de reis dan een derde duurder zou worden.
Omdat we toch niets konden beslissen, kozen we voor de derde keer de weg naar bed. Men vertrouwde mij het sluiten van de deur toe, maar – waardoor weet ik niet – dat lukte niet goed. Het ongeluk achtervolgde ons deze nacht. Ongestoord kleedden we ons uit en op het moment dat we alle drie in ons hemd stonden, ging dc deur open en kwam er iemand binnen die ik niet kon herkennen. We slaakten allemaal een kreet, maar de persoon in kwestie werd daardoor helemaal niet bang en ging pas de kamer uit nadat we hard hadden gegild dat hij beslist niet in zijn eigen kamer was. Later hoorden we dat het een non was geweest, die vermoedelijk dacht dat ze te midden van haar zusters was terechtgekomen. We gingen weer slapen en om 6 uur werden we door mijn vader gewekt. Hij had zoveel misbaar gemaakt dat de postmeester toegaf en twee van de paarden wilde terugsturen.
Henri had zoals gewoonlijk de zotheid naar een café te gaan omdat hij geen ogenblik had geloofd dat we zonder hem zouden kunnen vertrekken, maar we lieten hem er in lopen en hij moest ons te voet volgen. Een kleine mijl van Paderborn ligt Neuhaus. de residentie van de bisschop van Paderborn. We aten te Kaug een heerlijke maaltijd die uit pompernikkel [grof Westfaals roggebrood], boter, Hollandse kaas en goed bier bestond. Toen we het dorp uitgingen werd ons rijtuig omringd door een troep kinderen – sommigen zongen, anderen speelden op de flageolet. 'Het is hier het land van de melomanen,' riep iedereen. Eerst gaven we ze geld, maar omdat we ze niet konden doen ophouden, moesten we ze afschrikken door hen stokslagen te beloven.
Ik heb nooit mooiere akkers gezien dan die in Westfalen; elk domein wordt omgeven door een echt stuk bos dat aan de eigenaar van de hofstede behoort. Ik denk dat, zodra we genoeg kapitaal hebben om een stuk land te kopen, ik alleen in dit land mijn keuze zal maken. Het roggebrood en de Westfaalse hammen hebben een geweldige uitwerking op de inwoners. Ze zien er allemaal zo mollig en weldoorvoed uit dat je zou menen Katholieke priesters te zien. We aten wat groenten in Neuenkirchen en vertrokken meteen daarna naar Herschied. Maar alvorens verder te gaan moet ik nog een woord van lof spreken over de postmeester te Neuenkirchen. Ja, dat is wel de grootste schelm aller schelmen, die postmeester die zich vrij voelt om de reiziger af te zetten en die streng de hand houdt aan alle tarieven voor zover dat in zijn voordeel is, maar die er zich – op mijn woord – zelf nooit aan houdt. Als dat zo doorgaat zal men zich met goud en juwelen moeten laten behangen om te kunnen voldoen aan de gelddorst van deze ellendelingen. Mijn vader had het plan om de gravin van Rehda, een groot musicienne, te gaan opzoeken, maar de post heeft in Rehda geen stopplaats en daarom stopten wij daar niet. Toen we langs de poort van Rehda reden gingen de graaf en zijn hele gevolg juist op jacht. Er brak een flink onweer los, dat de reizigers goed deed. Ik zou nog wel een stopplaats verder hebben willen rijden, maar mijn vader was moe en wilde rusten. Ons bed in Herzebrock werd slechts gevormd door een paar stoelen, maar – hoewel dit geen grote herberg was – werden we er beter bediend dan in andere. Het deed me goed te constateren hoe ijverig iedereen hier is, en ik werd vooral getroffen door de manier waarop ze hier de mestvaalt maken. Die lijkt hier precies op die van Kliggog. Het is opmerkelijk hoe anders de mensen hier zijn dan in Hessen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






