maandag 31 maart 2014

Jacob David Mees -- 1 april 1872

Maandag, 1 april 1872
's Morgens gelezen in Goethes Liebschaften und Liebesbriefe waarin gesproken wordt over Goethe's eerste liefde voor Gretchen.
ll 1/2 uur uit. Het had de geheele morgen geregend, maar nu was het droog. Overal de driekleur, oranjewimpels, en groengemaakte huizen etc. Met familie Vollenhoven naar de Ada [schip]. M.V. [Marie van Vollenhoven] zag er erg vrolijk en lief uit, met een oranje roos boven op haar hoed. Op het schip stond ik naast Lotje Jacob, die vrolijk was als altijd. Voor ons organiseerden zich de 60 Batavieren, slechts één zagen wij dronken wegbrengen. Zij voldeden zeer goed. gekleed in beerenhuiden en schapenvachten, lang blont haar, gewapend met knotsen en strijdbijlen. De vrouwen der Batavieren in een ruwe wagen getrokken door ossen waren zeer leelijk en kwamen in regenmantels. Verdere optocht bepaald schitterend, Jacques Vollenhoven als Willem I schitterde niet boven de anderen uit door costuum of houding. Jongens van ambachtschool met triompfwagen zeer aardig. Zeilmakers zeer netjes, vooral hun boot met pagaaien [roeiriemen]. Vleeschhouwers, sommige in oud costuum, alle zeer netjes, met blinkende bijlen, deden mij denken aan de ferme slachters, gilde uit den Leeuw van Vlaanderen. Erasmus, studeerende op zijn wagen, uitstekend. Turnvereeniging eenvoudig en netjes. Het geheel imposant, en een waardige optocht voor een groote vrijheidslievende koopstad. [Brielle]
Van het schip naar 't Hooft, waar ik de optocht nog eens op mijn gemak zag. Daar het ondertusschen hard geregend had, zagen alle maar vooral de Batavieren er wat minder netjes uit. De oude krijgers, dragers van het zilveren kruis genoten bepaald, dikwijls kwam men hen van uit het volk de hand drukken. Met Frans 't Hooft naar Fritschy, van daar weder naar feestterrein, waaraan verschillende afdeelingen van de optocht terugkwamen. Eten bij Vollenhoven. Naast M.V., gezellig. Na het eten even in de tuin, regen, in koepeltje met M. en E[mmerentia van] V[ollenhoven] en een logee freule Dido etc, daarna op zolder gehangen, gezeten, gepraat, geklaagd over regen. Fockema en Vogelsang uit den Briel, laatste erg opgewonden over Willem III die 3 kwartier stil had gestaan, en te voet door den Briel was gewandeld. Om 8 1/2 met hen, Jacques Vollenhoven, D. Havelaar, Riemsdijk, Frans 't Hooft en Jaap Mees van Willemskade op het feestterrein, dat kolossaal netjes versierd en geëlimineerd was, vooral de boog aan het einde. Hoorden muziek en zingen van mannenkoor. Toen de stad in, overal vrolijk vol, nergens standjes, vlaggen, groen geëlumi-neerd. Hetgeen de armere menschen langs de Dijk, de steegjes van Dijk naar Baan, en steegen tusschen Hoogstraat en Vest, doen ter opluistering van het feest staat in geen verhouding tot hetgeen de rijkere doen. De liefde voor Oranje is het sterkst onder de lagere klassen. Op Hoogstraat, Wagenstraat etc. vele optochten van zingende mannen en vrouwen geheel in oranje en wit. Zien groote markt, waar een naald mooie eluminatie van Bunnekamp & Mähler en Sinckel. Drinken bier in Taverne Alsacienne, Beierman bij ons. Zien Delfsche poort, prachtig geëlumineerd. Door Raamstraat en Zandstraat terug. Bezoeken in Zandstraat [beruchte uitgaansstraat] 3 danshuizen. Groote en Kleine Fontein, en London Packet, alle even walchelijk. Rondom zitten boeren met open monden te kijken, sommige met vrouwen of dochters. Midden door de zaal loopen allervuilste hoeren, in het wit met oranje sjerpen, rokken van onderen zwart van vuil en slik, van boven vuil door vele handen waarmede zij aangepakt worden, door jenever, bitter en cognac die over hen heen gestord worden, doorgezwete etc. gezigten alsof zij met pomade waren ingesmeerd.
Van Zandstraat naar Boompjes om vuurwerk op Maas te zien. Dit was niet veel bijzonders, altijd hetzelfde. Fockema, Vogelsang, Riemsdijk en Beierman af. Bier drinken bij Samuel. Salon des Mazes waar gedanst werd, direct weder uit. Walhalla kolossaal warm, hoorde een Zweedsch liedje, toen weer uit. Nog eens Zandstraat. Toen naar Zuid-Hollandsch waar wij andere vrienden zouden vinden. Dit was gesloten, na een tijd op een bank voor de deur te hebben gezeten naar Eisler, bierknijp, vol. Hier Barth bij ons. Tafel digt bij secreet, daardoor beefstuk eten onsmakelijk. Frits en Theo Löhnis, Govert en Ferrand Mees bij ons. Deze waren met dames uit geweest, in de volte ieder dame aan arm. Van anderen gescneiden, zeer gezellig. Met hen gingen wij naar Lourens, hier werd niet gedanst, spoedig er weer uit. Na nog eens in Zandstraat de overtuiging te hebben versterkt dat de danshuizen walchelijk waren, splitsten wij ons en ging ik met Frits en Teo Löhnis en Barth van Stolk naar Bellevue, een chique kast. Wij kwamen in kamer beneden te zitten daar al het andere in gebruik was. 2 meiden disponibel. Elise, die uit haar bed kwam, heeft de geheele tijd in haar hemd bij ons gezeten. Zij was goed gewasschen tot aan haar voeten toe. Gezigt goed, beenen mooi. Op alles had zij direct een antwoord klaar, vrolijke prettige meid. Luchtige kleeding, zeer gezellig. Antoinette was niet leelijk maar sprak minder, en ook was zij pas met een man naar boven geweest, dit was een onsmakelijk idee, Nadat wij hier 2 uur gezeten hadden en ons uitstekend geamuseerd hadden, gingen wij naar buis, het was al dag en om 5 1/2 uur deed ik de deur open.


Jacob David Mees (1852-1875) was een bankierszoon en rechtenstudent. Hij hield van 1872-1874 een dagboek bij.

zondag 30 maart 2014

Eugène Delacroix -- 31 maart 1855

6 februari. [1855] Gedineerd bij de prinses [Marcelline Czartoriska]. Ik vind haar nog steeds aantrekkelijk. Ze droeg een jurk waarin ze zich hoogst ongemakkelijk voelde; de stof was zo schitterend dat hij gemaakt leek te zijn van twintig el glanzend harnas; door die absurde overdaad lijken alle vrouwen op elkaar en hebben ze iets weg van tonnen.
Na het eten ben ik even naar Fould gegaan, maar was op tijd terug om haar te beluisteren (de prinses) samen met Franchomme; maar het grootste plezier heb ik beleefd aan de twee of drie stukken van Chopin die ze voor me had gespeeld voor ik bij de minister op bezoek ging.
Aan het diner beweerde Grzymala dat Mme Sand geld van Meyerbeer had aangenomen voor de lovende artikelen die ze over hem heeft geschreven. Ik kan dat niet geloven en protesteerde. De arme vrouw heeft hard geld nodig: ze schrijft te veel en ze schrijft voor het geld; maar dat ze zich zou verlagen tot het niveau van broodschrijver van stukjes in de krant is iets wat ik niet kan geloven! [...]

31 maart. [1855] - Ik voel me beter: ik heb mijn werk weer opgevat. De prinses is tegen vier uur naar mijn schilderijen komen kijken; ze heeft me uitgenodigd om maandag naar Gounod te komen luisteren. Ze droeg een foeilelijke groene sjaal die haar niet stond, en zag er toch charmant uit. De geest heeft grote invloed op de liefde; men zou op deze vrouw verliefd kunnen worden, ook al is ze niet jong meer en niet knap en mist ze alle frisheid. Toch een vreemd gevoel! Wat er aan ten grondslag ligt is altijd het idee van bezit, maar bezit van wat, als een vrouw niet knap is? Van het lichaam, dat niets aantrekkelijks heeft? Want als men verliefd is op de geest, kan men er ook van genieten zonder haar onaantrekkelijke lichaam te bezitten - er zijn honderden knappe vrouwen die niets onderhoudends hebben. De wens om alles te bezitten van een persoon die je gemoed in beroering heeft gebracht, een zekere nieuwsgierigheid, wat in de liefde een krachtige drijfveer is, of mogelijk de illusie dat men dieper doordringt tot haar ziel en haar geest, die gevoelens bundelen zich samen tot één gevoel; en wie zegt ons dat we, op het moment dat onze ogen menen niet meer dan een uiterlijk onaantrekkelijk object te zien niet onwillekeurig worden gedreven door bepaalde charmes die appelleren aan onze eigen aard? De uitdrukking in de ogen van een vrouw volstaat om ons te bekoren.

Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen.


Vertaling: Joop van Helmond

Marcelline Czartoriska (in 1874)

Michel Leiris -- 29 maart 1934

29 maart
Droom van twee dagen terug: ik ben op een schip met Léna - en nog meer mensen, onder wie Z[ette] - en we staan op het punt aan land te gaan. Léna na had een pop bij zich, die zij verloren is {verwijzing naar de handtas die ze op het bal in werkelijkheid kwijtgeraakt is} en waarnaar we op zoek moeten. Ik ren over trappen en door de scheepssalons, die vol passagiers zijn. Ik kom een klein meisje tegen {van ongeveer dertien jaar; herinnering aan het meisje van de groep De Rode Valken dat me tijdens de rondleiding door het Etnografisch Museum vragen stelde} dat een pop gevonden heeft. Ik bekijk de pop; het is echt die van Léna. Ik vraag het meisje de pop terug, en ze geeft hem, trots dat ze het verloren voorwerp heeft gevonden. Ik praat wat met haar, we gaan samen het schip af {misschien gaat het alleen maar om een trap?}, lopen wat langs de kade. Het meisje lijkt zich in mijn gezelschap erg te vermaken. Het valt me op dat ze voor haar leeftijd erg vrouwelijk is. Na verloop van tijd vind ik dat ze lang genoeg bij me gebleven is: haar ouders zullen zich ongerust maken, ze zullen zich afvragen wat ik toch met haar uitspook, enzovoort. Ik zeg tegen het meisje dat het nu wel tijd voor haar is om terug te keren, anders krijgt ze vast op haar kop. Het meisje zegt me dat ze aan dansen doet, wordt dan stilaan steeds aanhaliger en begint me welbewust te verleiden. Ze voert me mee naar een hotel of een appartement. Ik bevind me met haar in een grote kamer-en zij is nu Léna. Het Léna-meisje heeft voorbereidingen voor een soort orgie getroffen: twee matrozen zijn daar, met twee prostituees, die aanstalten maken de liefde te bedrijven, tegelijk met het meisje en mij (maar er zal niet van paar gewisseld worden). Het duurt allemaal een beetje lang; men vergewist zich ervan of alle deuren goed op slot zijn. Het meisje is niet langer Léna maar Z[ette]. Ik begin me uit te kleden (mijn broek uit te doen) om de liefde te gaan bedrijven. Op dat moment gaat er een deur - die we over het hoofd hadden gezien - open, en mijn schoonzus Jeanne komt het vertrek binnen om voor Z[ette] iets (een keteltje warm water?) te brengen. Het Léna-Z[ette]-meisje en ik zijn er vreselijk van in de war dat we betrapt worden in gezelschap van partners voor een orgie.
Een detail van dat vertrek: een soort smalle, hoge kast, waarin onder elkaar drie ronde luiken voor voyeurs zijn aangebracht, of die luiken zijn zelf al de hoofden van voyeurs. De matrozen (?) vuren revolverschoten af op deze kast.


Michel Leiris (1901-1990) was een Franse etholoog, dichter en schrijver. In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989.

Vertaling: Michel van Nieuwstadt

vrijdag 28 maart 2014

Achilles Cools -- 28 maart 2004

28 maart
Het laatste uur is het mooiste van de dag. Het landschap be­staat alleen nog maar uit over- en onderbelichte partijen. Rietkragen lichten feloranje op, het gras wordt dieper, de overdag grauwkleurige ezels zien rosser, zelfs mijn handen zijn bruiner. De struiken zijn al zo donker dat de details weg­vallen. Daarna wordt het licht zachter en trekt de kleur lang­zaam uit het landschap. Alleen de hemel blijft nog een tijd­je rood. Zelfs aan de meest grauwe dag valt dankzij het tweeduister nog wat te beleven.
De merels blazen hun waterfluitjes. Allemaal willen ze vlak voor het slapengaan nog eens oefenen, zich nog eens op hun best laten horen. Roodborsten gorgelen heldere klanken over en weer, naar elkaar. In de verte trompetteren Canadese gan­zen; het geluid komt steeds dichterbij, vliegt over, en ver­dwijnt weer langzaam naar de andere kant. In de velden lan­den gakkerende eenden, en kieviten duiken nog eens roepend over het stukje land dat ze veroverd hebben. Een zanglijster blijft het langst volhouden. Zij zingt een nieuw lied, een dat ik nooit eerder gehoord heb.
Tien minuten later is het spektakel afgelopen. De hemel is weer leeg, het rood verandert in paars. Velden worden ondieper, struiken vervagen. In de schemering loop ik terug naar huis, in sommige woonkamers staren mensen naar de flitsende beelden van de televisie.


Achilles Cools (1949) is een kunstenaar die zijn inspiratie vindt in de biologie. Uitgebroed. Dagboek van een beeldenmaker.


>>> 28 maart 2004

donderdag 27 maart 2014

Wim Schermerhorn -- 27 maart 1947

Donderdag 27 Maart 1947, 8 uur
Gisteravond laat heb ik den bewusten brief voor Posthuma nog gedicteerd, maar hij krijgt hem pas vandaag, niettegenstaande zijn secretaresse aan Hannie Lenderink had gezegd, dat hij dien dag nog een brief van mij verwachtte. Het is wel begrijpelijk, dat deze haast mijn achterdocht nog een beetje versterkt. Ik hoop toch eerlijk, dat het Kabinet ten spoedigste een beslissing neemt, want aan dezen krankzinnigen toestand moet een einde komen. Natuurlijk vond ook De Boer deze geste van Posthuma volstrekt onbegrijpelijk en toen ik het hem. vertelde, wees hij met zijn vinger naar het voorhoofd. Dit lijkt mij een passend gebaar.
Gistermorgen had ik ook De Boer nog even bij mij, die mij vertelde dat men hier in scheepvaartkringen bepaalde bedoelingen met hem had na zijn aftreden als commissaris-generaal, gebaseerd op het feit dat hij, zoowel met de commissie-generaal als met de Indonesische regeering, goede persoonlijke verbindingen had. Hij zei nadrukkelijk: ‘Och, dit is natuurlijk nog maar een voorloopig idee en ik weet heelemaal niet, hoe men er in Nederland over zal denken, maar je weet, dat deze ontslag-aanvrage eigenlijk alleen een protest is. Ik zal echter graag aan den opbouw van deze zaak, zij het dan in een andere positie, willen meewerken. Alleen heb ik eerst een paar maanden vacantie noodig’. Ik vond dit gesprek nog wel even de moeite waard om vast te leggen, omdat het echt de stemming van dezen man weergeeft, die naar mijn gevoel op het oogenblik bezig is milder te worden tegenover de situatie alhier. Het protest geldt op het oogenblik practisch alleen Den Haag. Het is ook wel beroerd, dat het Kabinet hem nog geen draad antwoord heeft gegeven.


Wim Schermerhorn (1894-1977) was een Nederlandse politicus. Hij speelde een rol bij de onderhandelingen voor het Akkoord van Linggadjati (over de onafhankelijkheid van Indonesië) en hield over deze periode een dagboek bij.


>>> 27 maart 1947

dinsdag 25 maart 2014

William Howard Russell -- 26 maart 1861

We werden wakker toen de trein om zes uur 's ochtends Washington binnenreed. Ongemerkt hadden we 's nachts brede rivieren overgestoken en grote steden doorkruist. Ik keek uit het raam en zag een enorme massa wit marmer die hoog boven ons uit torende, bekroond door een onvoltooide, door steigers omringde koepel waaruit hijskranen hun zwarte armen staken. Dit was het Capitool. Rechts ervan was een open vlakte met modder, zand en veld­jes vol schuurtjes en hutten, waarachter je een rudimentair stratenplan zag met kleine huizen van rode baksteen waar enkele kerktorens bovenuit staken.

Voor het station troffen we een luidruchtige massa zwarten, die de koetsiers van de huurrijtuigen bleken te zijn. Meneer Sanford had echter zijn eigen rij­tuig klaar staan en hij bracht me rechtstreeks naar Willard's Hotel. We reden over Pennsylvania Avenue, een brede en lange straat, omzoomd door hemel-bomen in wit gekalkte houten bepakkingen. Aan weerszijden staan huizen in alle maten, vormen en materialen, van timmerhout tot marmer. Er waren maar weinig winkels open en je zag er voornamelijk zwarten, verdiept in hun eigen beslommeringen.

Hier vlakbij staat het reusachtige, lompe Willard's Hotel, dat wordt bevolkt door de leden van het nieuw gevormde Congres en degenen die naar nieuwe baantjes komen solliciteren. Het was zo vol in de hal, dat ik er nauwelijks door kwam. De schrijfzaal was vol (het gekras van de pennen klonk er als een wind­vlaag), de rooksalon, de bar, de kapsalon, de receptie, de damessalon - alles was vol. Niet minder dan 2500 gasten gebruiken dagelijks de maaltijd in de eetzaal. Die bestaat uit een kale ruimte zonder tapijten, met eenvoudige tafels en stoelen. Die staan in rijen dicht op elkaar en zitten vol etende en pratende gasten. Het personeel schuift onophoudelijk de stoelen heen en weer, wat op de kale vloer een hels kabaal veroorzaakt waardoor je nauwelijks een woord verstaat van wat je buurman zegt.

Het lawaai, de verscheidenheid aan gasten en de bedompte kamers maken dat een Europeaan zich hier allerminst op zijn gemak voelt - en dan zwijg ik nog over het weerzinwekkende vuil in de gangen, waar toch meer dan genoeg kwispedoors staan.


William Howard Russell (1821-1907), was een Brits-Ierse (oorlogs)verslaggever. My diary North and South (1863).

• Willard's Hotel, Washington DC















>>> 26 maart 1861

maandag 24 maart 2014

Margaret Smell -- 25 maart 1913

“Tuesday [March 25] morning between 5 and 6 o’clock we were awakened from our slumbers by the shrieking of whistles, the like of which we never heard. Before we could dress ourselves and reach the window the flood of water came rushing down the street. Every moment gaining power and drawing nearer. We soon escaped to the second story of the house carrying all the available articles, especially the eatable things we could carry with us. The dark, muddy water grew higher and higher as the day advanced. Ere night came we were privileged to seek further safety by a temporary bridge from window to window built of door shutters to a more substantial house with an attic.
When we escaped we found there were 23 of our party that escaped to the attic. And now the darkness of night came upon us and the crucial water drawing nearer and nearer. We sought our hard bunks being the only thing we could do, as we dare not strike a match or have a bit of light, except a flashlight, on account of escaping gas and fear of explosion which really were occurring not far from us. But alas, we did not seek our bunks expecting to sleep and rest, but rather to bear the horrible strain of perhaps our fatal doom, as best we could, and to listen to the heart rending cries for help – help of many others, near us – but not so fortunate as we were, then we heard them franticly chopping through the roofs there seeking safety on the roofs, facing a cold pitiless rain but many houses were swept from their foundations carrying their human freight with them down through the cold waters of death without a days warning to meet their God.”


Margaret Smell (?-?) was op bezoek in Dayton, Ohio, toen daar de overstroming plaatsvond. Dagboek.

Meer 'Flood Diaries'