maandag 30 november '14.
Een drietal dagen geleden zijn negen bommen in de stad op het kwartier der Muide geworpen ter plaats, waar reserven van naphte zich bevinden. Zij hebben twee personen lichtgekwetst en weinig stoffelijke schade aangericht. Een Engelsche vlieger heeft het gedaan. Dien ten gevolge zijn twaalf gijzelaars gepakt, waaronder een wethouder en de pastoor van St. Baafs.
Terwijl ik het bovenste schrijf, weergalmen luide zegezangen. Kijken door den spioen! Langs den boulevard zijn in verdoovenden motregen talrijke reeksen stadwaarts trekkende soldaten te zien.
Er staat uitgeplakt, dat de vijand over den IJser is.
Alle openbare uurwerken moeten de uurverandering ondergaan. Alles is op een uur vroeger gesteld.
De vrouwtjes uit het bestedelingenhuis weigerden den tweeden morgen op te staan: "Wij, die toch van heel den dag niets te doen hebben," zeiden zij.
Het broodrantsoen wordt ingesteld.
De belastingsbriefjes zijn afgegeven met beduidende verhooging.
Theatervoorstellingen, concerten en allerlei vermakelijkheden van allen aard zijn opgeschorst. Een paar kinemas zijn nog open.
Ze hebben geen ander wapen dan een knolligen stok, en een tromp om de politie ter hulp te roepen in geval van nood of aanranding.
Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een Oorlogsdagboek bij.
zaterdag 30 november 2013
dinsdag 26 november 2013
Alexander Ver Huell -- 27 november 1863
27 Nov.
Het programma van den Optogt, van de volksvermakelykheden, vuurwerken etc: is vastgesteld. Wat amuzeer ik me met het zien der half vrolyke gezigten van al die ultra-libéralen hier, van de mannen van de Arnhemmer-Courant etc: die nu nog grooter Oranje-strikken en meer bombarie maken als de anderen. De toppen der dennen die voor de nieuwe spoorwegen zijn gehakt zijn komen goed te pas - geheele straten zijn er meê beplant en door rood-wit-en blaauw geschilderde dubbele latten met lampions zijn zij verbonden. De hemel geve dat er geen Novemberstorm met dat bosch zonder wortels, kome spelen! Op de Velper-weg en op een paar andere plaatsen staan eerebogen. Voor wien? De bergstraat, waar ik woon, illumineert met guirlandes langs de boomen en twee gaz-piramides met zonnen boven en onder aan de straat.
In Amsterdam begint men voor het Nationaal Mu.m te ijveren.
Van avond las ik in een allerliefst werkje dat ik kocht: ‘chez Victor Hugo. par un passant’ met etsjes van Lalanne. Ik vond er een beschrijving in van de wijze waarop V.H. teekent En plotseling - zoo als trouwens mij altyd geschiedt - viel mij een idée om te schetsen in - ik zag het geheel met zijn donkeren voorgrond en helderen achtergrond, voor mijn geest staan. Het was een profane compositie. en toch geloof ik dat ik er een schoone plaat van zoude gemaakt hebben. Zoo er iets is wat mij aan onmiddelyke tusschenkomst van een Geest van het Kwaad, konde doen gelooven, het zijn deze (zooals men zegt) ingevingen. Geheel buiten mijn wil komen sacrilège, menschenhatende, godslasterlijke concepten mij plotseling en zonder eenige aanleiding, juist soms als ik vervuld ben van edele impressie's uit schoone en goede lectuur geput; mij voor de verbeelding dringen, en zóó duidelyk en teekenachtig, zóo geestig, en origineel dat ik alle moeite heb om de verleiding te weerstaan om ze op het papieren over te brengen. Maar juist sedert mij dit, door lange ondervinding, helder is geworden, strijd ik er tegen en dwing ik mijn geest tot aesthetische en goede scheppingen. Maar het kost mij moeite - want ik zoû veel beter réusseeren en stellig naam maken door wilde, hartstochtelyke, vreesselyke tooneelen. Zoo viel mij eens in, zag ik in eens duidelyk voor mij staan, bij het lezen van dezen regel ‘Le résultat est un dessin inattendu, de volgende scène, zonder dat ik er over gedacht had, of gelezen had zonder de minste aanleiding. Ik zag op een donker-zwarten sépia voorgrond, twee Romeinsche soldaten, op een platteform over een lage vestingmuur leunen. De een ziet men op den rug, de ander keert zich met een groven lach om en wijst naar drie gekruisten op een heuvel in het verschiet, voor den hel verlichten horizont.
Alexander Ver Huell (1822-1897) was een nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.
Het programma van den Optogt, van de volksvermakelykheden, vuurwerken etc: is vastgesteld. Wat amuzeer ik me met het zien der half vrolyke gezigten van al die ultra-libéralen hier, van de mannen van de Arnhemmer-Courant etc: die nu nog grooter Oranje-strikken en meer bombarie maken als de anderen. De toppen der dennen die voor de nieuwe spoorwegen zijn gehakt zijn komen goed te pas - geheele straten zijn er meê beplant en door rood-wit-en blaauw geschilderde dubbele latten met lampions zijn zij verbonden. De hemel geve dat er geen Novemberstorm met dat bosch zonder wortels, kome spelen! Op de Velper-weg en op een paar andere plaatsen staan eerebogen. Voor wien? De bergstraat, waar ik woon, illumineert met guirlandes langs de boomen en twee gaz-piramides met zonnen boven en onder aan de straat.
In Amsterdam begint men voor het Nationaal Mu.m te ijveren.
Van avond las ik in een allerliefst werkje dat ik kocht: ‘chez Victor Hugo. par un passant’ met etsjes van Lalanne. Ik vond er een beschrijving in van de wijze waarop V.H. teekent En plotseling - zoo als trouwens mij altyd geschiedt - viel mij een idée om te schetsen in - ik zag het geheel met zijn donkeren voorgrond en helderen achtergrond, voor mijn geest staan. Het was een profane compositie. en toch geloof ik dat ik er een schoone plaat van zoude gemaakt hebben. Zoo er iets is wat mij aan onmiddelyke tusschenkomst van een Geest van het Kwaad, konde doen gelooven, het zijn deze (zooals men zegt) ingevingen. Geheel buiten mijn wil komen sacrilège, menschenhatende, godslasterlijke concepten mij plotseling en zonder eenige aanleiding, juist soms als ik vervuld ben van edele impressie's uit schoone en goede lectuur geput; mij voor de verbeelding dringen, en zóó duidelyk en teekenachtig, zóo geestig, en origineel dat ik alle moeite heb om de verleiding te weerstaan om ze op het papieren over te brengen. Maar juist sedert mij dit, door lange ondervinding, helder is geworden, strijd ik er tegen en dwing ik mijn geest tot aesthetische en goede scheppingen. Maar het kost mij moeite - want ik zoû veel beter réusseeren en stellig naam maken door wilde, hartstochtelyke, vreesselyke tooneelen. Zoo viel mij eens in, zag ik in eens duidelyk voor mij staan, bij het lezen van dezen regel ‘Le résultat est un dessin inattendu, de volgende scène, zonder dat ik er over gedacht had, of gelezen had zonder de minste aanleiding. Ik zag op een donker-zwarten sépia voorgrond, twee Romeinsche soldaten, op een platteform over een lage vestingmuur leunen. De een ziet men op den rug, de ander keert zich met een groven lach om en wijst naar drie gekruisten op een heuvel in het verschiet, voor den hel verlichten horizont.
Alexander Ver Huell (1822-1897) was een nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.
maandag 25 november 2013
Alfred Kerr -- 26 november 1899
Het regent, af en toe huilt de wind, het is november. Gönczi komt terug, Dressel is zoek, baron von Mirbach gaat het goed, de prins van Montenegro legt de eed af, op de Friedrichstrasse lopen kleine zeehondjes van blik, als kerstspeelgoed, het tuchthuisontwerp is afgekeurd, de keizer bezoekt zijn grootmoeder, Berlijn wordt in gemeenten opgedeeld, de heer Kirschner wordt als laatste burgemeester naar het Märkische Museum gestuurd, op de Petri-platz komt geen nieuwe kerk (want er staat er al eentje). Het is november, het regent, af en toe huilt de wind.
Deze zeehonden – menigeen zou ze de Berlijners ten voorbeeld willen stellen. Want ze roetsjen op hun buik. Ze roetsjen op hun buik, de hele straat over, tenminste als de wind, de wind, dat hemelse kind, de plassen een beetje heeft opgedroogd. Ze roetsjen op hun buik, ze kwispelen met hun staart, ze piepen niet als je op ze gaat staan en alles aan ze is van blik. Ze doen het alleen als je ze opwindt, het staat je vrij ze om het even in je zak te steken – en dit is dan het speelgoed van de laatste winter waarin we afscheid nemen van deze grootse eeuw - van deze buitengewone eeuw, die begint met Napoleon en eindigt met Wilhelm II, de eeuw van de techniek, die mechanische zeehondjes voortbrengt – laat ik het kort en goed samenvatten: van de negentiende eeuw. Hand op m'n hart. Nooit heb ik er werk van gemaakt feiten te verdoezelen, steeds was het verre van mij de waarheid onder stoelen of banken te steken, en aldus kom ik er bij deze rond voor uit – wat mijn bekentenis ook voor gevolgen moge hebben – dat geen enkel kerstspeeltje van de afgelopen jaren de beweeglijkheid en volmaaktheid van onze komische zeehond evenaart. Hij gaat links, hij gaat naar rechts, je ligt dubbel, hij gaat achteruit, je lacht je dood, hij wil vooruit, de tranen lopen over je wangen, want iemand trekt hem aan zijn touwtje de lucht in, en daar hangt hij dan te bengelen en te kronkelen – het is uit met de zelfstandigheid!
Zoals gezegd: je ligt in een deuk.
Alfred Kerr (1867-1948) was een Duitse schrijver, dichter en theatercriticus. Dagboeknotities van hem verschenen in Aus dem Tagebuch eines Berliners.
Deze zeehonden – menigeen zou ze de Berlijners ten voorbeeld willen stellen. Want ze roetsjen op hun buik. Ze roetsjen op hun buik, de hele straat over, tenminste als de wind, de wind, dat hemelse kind, de plassen een beetje heeft opgedroogd. Ze roetsjen op hun buik, ze kwispelen met hun staart, ze piepen niet als je op ze gaat staan en alles aan ze is van blik. Ze doen het alleen als je ze opwindt, het staat je vrij ze om het even in je zak te steken – en dit is dan het speelgoed van de laatste winter waarin we afscheid nemen van deze grootse eeuw - van deze buitengewone eeuw, die begint met Napoleon en eindigt met Wilhelm II, de eeuw van de techniek, die mechanische zeehondjes voortbrengt – laat ik het kort en goed samenvatten: van de negentiende eeuw. Hand op m'n hart. Nooit heb ik er werk van gemaakt feiten te verdoezelen, steeds was het verre van mij de waarheid onder stoelen of banken te steken, en aldus kom ik er bij deze rond voor uit – wat mijn bekentenis ook voor gevolgen moge hebben – dat geen enkel kerstspeeltje van de afgelopen jaren de beweeglijkheid en volmaaktheid van onze komische zeehond evenaart. Hij gaat links, hij gaat naar rechts, je ligt dubbel, hij gaat achteruit, je lacht je dood, hij wil vooruit, de tranen lopen over je wangen, want iemand trekt hem aan zijn touwtje de lucht in, en daar hangt hij dan te bengelen en te kronkelen – het is uit met de zelfstandigheid!
Zoals gezegd: je ligt in een deuk.
Alfred Kerr (1867-1948) was een Duitse schrijver, dichter en theatercriticus. Dagboeknotities van hem verschenen in Aus dem Tagebuch eines Berliners.
zondag 24 november 2013
Wouter Jacobsz -- 25 november 1572
[...] Toen de dag was aangebroken hoorden we dat omtrent vijftienhonderd geuzen, allemaal haakschutters, hadden geprobeerd de buitenwachten met een vendel soldaten te verrassen en uit te moorden. Ze kropen over de grond en verspreidden zich in een wijde kring om ons leger in zijn geheel te omsingelen, waardoor niemand zou kunnen ontsnappen. Door Gods genade hadden die van ons hen gezien en ze hebben zich dapper gedragen in deze aanslag: ongeveer zeven of acht van hen hebben ze doodgeslagen en tien man gevangengenomen; aan onze zijde zijn er maar drie man gedood en zes of zeven gewond.
Toen deze gevangenen op de pijnbank gelegd werden, hebben ze onmiddellijk bekend dat hun aantal overeenkwam met het aantal dat ik al noemde, dat het hun bedoeling was de stad te overrompelen, de priesters en de religieuzen, mannen en vrouwen, op te hangen, de kloosters te plunderen, de rechters te vierendelen en alle burgers die ze te pakken konden krijgen, dood te steken. Dit biechtten deze gevangenen op, onafhankelijk van elkaar, zodat wat ze zeiden de waarheid wel moest zijn; het leek of ze uit één mond spraken.
Vermeld moeten nog worden de schurkenstreken van de geuzen, die ze openlijk bedreven. Er was een vrouw die een kind van zeven of acht weken op haar schouders droeg. Ze schoten het kind dood, zijn darmen puilden uit zijn lijf en het overleed. Een ander kind van ongeveer vier of vijf jaar doorstaken ze en het bleef dood liggen.
Wouter Jacobsz (1521-1595) was een Amsterdamse kloosterbroeder die tussen 1572 en 1579 verslag deed van de 'troebelen', oftewel de opstand van de geuzen. Zijn verslag is gepubliceerd als Dagboek van broeder Wouter Jacobsz 1572-1579.
Wouter Jacobsz (1521-1595) was een Amsterdamse kloosterbroeder die tussen 1572 en 1579 verslag deed van de 'troebelen', oftewel de opstand van de geuzen. Zijn verslag is gepubliceerd als Dagboek van broeder Wouter Jacobsz 1572-1579.
Friedrich Hebbel -- 24 november 1843
[...] In de Jardin des Plantes bekeek ik de dieren die tot twee uur uit hun kooien en stallen mogen om gelucht te worden. Allereerst een groot aantal adelaars. Wanneer je zo'n vogel met zijn heldere, gebiedende oog in een eenzaam woud op een tak zou zien zitten, zou dat respect inboezemen. Eén vogel deed me het plezier zijn wieken enkele malen achtereen uit te spreiden en vervolgens een poging tot vliegen te doen. Het dier dook ineen en verhief zich vervolgens in de lucht en ik smaakte het genoegen de beweging te mogen gadeslaan. Nu kwam ik terecht in het slangenkabinet en ik dwong mezelf ook deze weerzinwekkende creaturen met de nodige aandacht te observeren om hun karakteristieke kenmerken aan de weet te komen. Ze lagen in hun glazen vitrines op wollen dekens en er waren boomtakken in geplaatst waar ze zich omheen wonden. Wat een tegenstelling tussen een slange- en een adelaarsoog en desondanks bij beide diersoorten vastberadenheid, een verzadigde vorm. Hun blik betekent voor de geest hetzelfde wat hun beet voor het lichaam betekent. Er ligt iets destructiefs en ontredderds in hun blik. De ratelslang strekte in een sidderende beweging haar gespleten, stekelachtige tong telkens een duim ver uit haar bek. Ook zag ik twee kleine krokodillen. Mooie meisjes keken door de ramen naar binnen en verlustigden zich in de levende wanstaltigheden die kruipend en likkend en hun koppen omhoogstekend achter het glas hun akelige spelletjes deden. Je zag er een volmaakt contrast: het vertrekpunt en het uiteindelijk stadium van het animale scheppingsproces, zonder dat je de tussenschakels begreep. Vervolgens heuvelopwaarts naar de olifanten, giraffen enzovoorts. Vooral de olifant met zijn kleine roodachtige spleetoogjes fascineerde me. Een dier als een verlaten huis waarin de vensters, op een klein achteraf geboord gaatje na, vergeten zijn. De pasja van Egypte heeft dit schitterende exemplaar cadeau gedaan. Het dier bedelde, zijn slurf tussen de palissaden van zijn kleine behuizing stekend, bij de omstanders om brood dat het, als men het hem in brokjes toewierp, met buitengewone en bijna gracieuze handigheid en snelheid naar binnen wist te werken. Samen met hem zat er een lamme hond te schooieren die echter, omdat niemand acht sloeg op zijn gebedel, genoegen moest nemen met de voor de olifant bestemde brokjes als die op de grond terechtkwamen. Het was me het plaatje wel, die olifant en die hond, die er uiteraard aan deze kant van de palissade voor zorgde steeds buiten het bereik van de slurf te blijven. [...]
Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.
Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.
zaterdag 23 november 2013
Harry Graf Kessler -- 23 november 1918
Warschau. 23. November 1918. Sonnabend
[...] Abends gegen zehn, während ich mit Meyer im Speisesaal des ›Bristol› allein aß, hörten wir plötzlich in der Hotelhalle einen lauten Stimmenwirrwarr und Lärmen einer großen Schar von Menschen. Ich ging mit Meyer an die Tür des Speisesaals, um zu sehen, was los sei. Plötzlich kam ein Kellner an mich herangelaufen und rief mir leise zu: »Fliehen Sie; hier, hier durch die Hintertür.« Die Menge schrie: »Nieder, Kesslera«, wollte meine Zimmer stürmen; »Kesslera heraus, heraus.« Einige wilde Leute liefen im Rudel die Treppe hinauf, ein gestikulierender Mann hielt von einem Tische eine Ansprache, die ich nicht verstand. Der Hotelwirt kam zu mir und sagte, wir müßten morgen vor zehn aus dem Hotel ausziehen, sonst werde er erschossen. Ich besprach mich mit Meyer, ging nach oben, holte Gülpen, vor dessen Tür im Korridor die erschreckte Gesandtschaft sich versammelt hatte, und begab mich mit ihm und Meyer nach dem Sachsenplatz 6, um mit Pilsudski zu reden. Er war abwesend; die Wache gab uns aber einen Mann mit, der uns in eine ziemlich entlegene Straße führte, wo er sein sollte. Es war eine etwas altmodische, halb elegant mit verschlissenen Empiremöbeln eingerichtete Wohnung. Zunächst kam sein Adjutant Winiawa, mein Freund vom Kormin, dann Sosnkowski, der General geworden ist und jetzt den Korpsbezirk Warschau kommandiert. Diesem sagte ich, ich käme als Privatmann, nicht als Gesandter, um ihm mitzuteilen, daß hundert bis zweihundert Leute ins »Bristol« eingedrungen seien und meinetwegen den Wirt bedroht hätten. Dieser habe uns deshalb morgen früh um zehn auf die Straße gesetzt. Da ich nicht gern in dieser Weise ausziehen möchte, bäte ich, den Wirt zu beruhigen und das Hotel unter militärischen Schutz zu nehmen. Sosnkowski sagte zu und bat mich, auf Pilsudski zu warten, der gleich kommen müsse. Wir plauderten dann noch lachend, obwohl es Sosnkowski offenbar unangenehm gewesen war, als ich sagte, die Menge habe gedroht, morgen früh um zehn Uhr wiederzukommen, und obwohl er dazwischen auch auf die Bugetappe kam; vierzig Leute seien auf einen Haufen von unseren Soldaten erschossen worden. Da es bald eins wurde, brach ich auf, ohne auf Pilsudski zu warten.
Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij.
[...] Abends gegen zehn, während ich mit Meyer im Speisesaal des ›Bristol› allein aß, hörten wir plötzlich in der Hotelhalle einen lauten Stimmenwirrwarr und Lärmen einer großen Schar von Menschen. Ich ging mit Meyer an die Tür des Speisesaals, um zu sehen, was los sei. Plötzlich kam ein Kellner an mich herangelaufen und rief mir leise zu: »Fliehen Sie; hier, hier durch die Hintertür.« Die Menge schrie: »Nieder, Kesslera«, wollte meine Zimmer stürmen; »Kesslera heraus, heraus.« Einige wilde Leute liefen im Rudel die Treppe hinauf, ein gestikulierender Mann hielt von einem Tische eine Ansprache, die ich nicht verstand. Der Hotelwirt kam zu mir und sagte, wir müßten morgen vor zehn aus dem Hotel ausziehen, sonst werde er erschossen. Ich besprach mich mit Meyer, ging nach oben, holte Gülpen, vor dessen Tür im Korridor die erschreckte Gesandtschaft sich versammelt hatte, und begab mich mit ihm und Meyer nach dem Sachsenplatz 6, um mit Pilsudski zu reden. Er war abwesend; die Wache gab uns aber einen Mann mit, der uns in eine ziemlich entlegene Straße führte, wo er sein sollte. Es war eine etwas altmodische, halb elegant mit verschlissenen Empiremöbeln eingerichtete Wohnung. Zunächst kam sein Adjutant Winiawa, mein Freund vom Kormin, dann Sosnkowski, der General geworden ist und jetzt den Korpsbezirk Warschau kommandiert. Diesem sagte ich, ich käme als Privatmann, nicht als Gesandter, um ihm mitzuteilen, daß hundert bis zweihundert Leute ins »Bristol« eingedrungen seien und meinetwegen den Wirt bedroht hätten. Dieser habe uns deshalb morgen früh um zehn auf die Straße gesetzt. Da ich nicht gern in dieser Weise ausziehen möchte, bäte ich, den Wirt zu beruhigen und das Hotel unter militärischen Schutz zu nehmen. Sosnkowski sagte zu und bat mich, auf Pilsudski zu warten, der gleich kommen müsse. Wir plauderten dann noch lachend, obwohl es Sosnkowski offenbar unangenehm gewesen war, als ich sagte, die Menge habe gedroht, morgen früh um zehn Uhr wiederzukommen, und obwohl er dazwischen auch auf die Bugetappe kam; vierzig Leute seien auf einen Haufen von unseren Soldaten erschossen worden. Da es bald eins wurde, brach ich auf, ohne auf Pilsudski zu warten.
Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij.
donderdag 21 november 2013
Berniece Pearce -- 22 november 1963
Friday, November 22, 1963
Altered skirt and dress for Mrs. Brummett. President Kennedy assassinated in Dallas, Texas today. Linda had appointment with Dr. Bergmann this a.m. Aletha got her plaid coat late aft., tried on skirt, and left dress and skirt to be altered.
Berniece Pearce (1908-1998)
Altered skirt and dress for Mrs. Brummett. President Kennedy assassinated in Dallas, Texas today. Linda had appointment with Dr. Bergmann this a.m. Aletha got her plaid coat late aft., tried on skirt, and left dress and skirt to be altered.
Berniece Pearce (1908-1998)
Abonneren op:
Posts (Atom)






