donderdag 30 juni 2016

Hermann Hesse -- 1 juli 1955

Hermann Hesse (1877-1962) was een Zwitserse schrijver. In zijn gepubliceerde verspreide geschriften zijn ook wat dagboekbladen opgenomen.

1. Juli [1955]
[...] Ich habe mein Feuer angezündet und bin mit einem hohen Haufen noch halbgrüner Äste und Zweige beschäftigt, sie sind Überbleibsel der letzten schweren Gewitter-stürme und hauptsachlich des groten Mordes, der im Frühling auf Verordnung des Forstamtes an meinem Wald begangen worden ist, es liegen da und dort noch große Stapel von Ästen und Rindenriemen, Stoff für Hunderte von Feuern. Ich zerkleinere, was heut verbrannt werden soll, und scheide die starkern Stücke für den Wintervorrat aus. Ich knicke und breche die Zweige, vergesse allmählich die oben wartende festliche Post, die uns ohnehin für lange Zeit zu tun geben wird, und an Stelle der gewissen Bangigkeit vor all dieser Arbeit kommt ein eher fröhliches Gefühl in mir auf, Anklang an die gespannt erwartungsvolle Festvorfreude jener Geburtstage der Knabenzeit, als dieser Tag noch keine Briefe brachte und die Geschenke aus einem Knauel Angelschnur, ein paar Bogen Schreibpapier und einem Glastöpfchen voll Honig aus Onkel Friedrichs «Gütle» bestanden. Das lag und stand auf einem kleinen Tischchen, dazu ein runder Kirschkuchen mit so vielen brennenden Kerzen, als meinem Alter zustanden, und vor das Tischchen führte mich die Mutter an der Hand, und wir alle sangen das Geburtstagslied, in das auch der Papagei Polly oboenhafte Jubeltöne mischte. So etwas noch einmal zu erleben,würde einem das alte Herz sprengen.
[...]

woensdag 29 juni 2016

Franz Kafka -- 30 juni 1914

Franz Kafka (1883-1924) was een Tsjechische schrijver. Zijn dagboeken 1910-1923 zijn te lezen bij Gutenberg.

30. Juni. Hellerau. Leipzig mit Pick. Ich habe mich schrecklich aufgeführt. Konnte nicht fragen, nicht antworten, nicht mich bewegen, knapp noch in die Augen sehn. Mann, der für den Flottenverein wirbt, das dicke wurstessende Paar Thomas, bei dem wir wohnen, Prescher, der uns hinführt, Frau Thomas, Hegner, Fantl und Frau, Adler, Frau und Kind Anneliese, Frau Dr. K., Fräulein P., die Schwester der Frau Fand, K., Mendelssohn (Kind des Bruders, Alpinum, Engerlinge, Fichtennadelbad), Waldschenke, ›Natura‹, Wolff, Haas, Vorlesung von ›Narciß‹ im Garten von Adler, Besichtigung des Dalcrozehauses, Abend in der Waldschenke, Bugra – Schrecken über Schrecken.

Mißlungenes: Nichtfinden der ›Natura‹, Ablaufen der Struvestraße; falsche Elektrische nach Hellerau, kein Zimmer in der Waldschenke; vergessen, daß ich mich von E. dort antelephonieren lassen will, daher Umkehr; Fantl nicht mehr getroffen; Dalcroze in Genf; nächsten Morgen zu spät in die Waldschenke gekommen (F. hat nutzlos telephoniert); Entschluß, nicht nach Berlin, sondern nach Leipzig zu fahren; sinnlose Fahrt; irrtümlicherweise Personenzug; Wolff fährt gerade nach Berlin; Lasker-Schüler belegt Werfel; sinnloser Besuch der Ausstellung; schließlich zum Abschluß im ›Arco‹ ganz sinnlos Pick um eine alte Schuld gemahnt.

1.Juli. Zu müde.

5. Juli. Solche Leiden tragen müssen und verursachen!

W.N.P. Barbellion -- 29 juni 1915

W.N.P. Barbellion (1889-1919) was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings, een Britse natuurvorser. Hij overleed aan multiple sclerose. Zijn dagboeken worden nog steeds gelezen.

June 29.

Sleep

Sleep means unconsciousness: unconsciousness is a solemn state — you get it for example from a blow on the head with a mallet. It always weightily impresses me to see someone asleep — especially someone I love as to-day, stretched out as still as a log — who perhaps a few minutes ago was alive, even animated. And there is nothing so welcome, unless it be the sunrise, as the first faint gleam of recognition in the half -opened eye when consciousness like a mighty river begins to flow in and restore our love to us again.

When I go to bed myself, I sometimes jealously guard my faculties from being filched away by sleep. I almost fear sleep: it makes me apprehensive — this wonderful and unknowable Thing which is going to happen to me for which I must lay myself out on a bed and wait, with an elaborate preparedness. Unlike Sir Thomas Browne, I am not always so content to take my leave of the sun and sleep, if need be, into the resurrection. And I some- times lie awake and wonder when the mysterious Visitor will come to me and call me away from this thrilling world, and how He does it, to wliich end I try to remain conscious of the gradual process and to understand it: an impossibility of course involving a contradiction in terms. So I shall never know, nor will anybody else,

maandag 27 juni 2016

Louise Colet -- 28 juni 1852

• De Franse schrijfster Louise Colet (1810-1876) was enige jaren de minnares van schrijver Gustave Flaubert. In De Kluizenaar en zijn muze (vertaald door Edu Borger) zijn behalve brieven van beiden ook dagboekfragmenten van Colet opgenomen.

Memento over Alfred de Musset van maandag 28 juni 1852
Bij hem [De Musset] thuis voor mijn komedie in verzen. Wandeling in de Jardin des Plantes. Hij is voortreffelijk, voortreffelijk, tijdens het avondmaal! 's Avonds zijn sensatie. Die dag alleen maar aardig en vriendelijk, zonder hatelijkheden. Dinsdag avondmaal bij mij. Zijn dronken razernij in het Bois naar aanleiding van mijn opmerking: 'U bent een vreemd mens.' Mijn indrukken dien-omtrent beschreven in een brief aan Gustave. Wanneer hij afscheid van me neemt, zegt hij tegen me dat hij naar de hoeren gaat: "Ga uw gang!' Tot vrijdag geen bericht van hem. Vrijdag 2 juli een briefje. Ik schrijf terug dat hij kan komen. Verdriet, duizeligheid en verlangen naar eenzaamheid. Hij komt. We gaan weer naar de Jardin des Plantes. Avondmaal: geïmproviseerde verzen over de Académie, slappe lach, hij verklaart me geëmotioneerd zijn liefde. Ik zelf ook aangedaan: idiote vlaag van razende ijdelheid naar aanleiding van het op hem toepassen van de regels over Thiers (verzen over de Académie) die ik lachend citeer; hij vraagt me gebiedend zijn verzen terug. Ik geef ze terug en wijs hem het gat van de deur. Hij zegt dat hij de volgende dag zal komen. Hij komt. Impotent! Hij brengt een bezoek aan meneer Blanche, daarna naar het Bois; volkomen beschonken, zijn onbeschofte woedeaanval, zijn razernij wanneer ik tegen hem zeg dat hij 's avonds onmogelijk bij me kan komen. Ik zeg dat ik uit het rijtuig zal stappen, hij daagt me uit het te doen. 'Dwaas dreigement, komedie van een kermisklant,' roept hij uit, 'net als uw voor Alphonse Karr* bedoelde messteek! Probeer het maar, probeer het maar, het rijtuig rijdt te snel!' Hij maakt me kwaad en bang. Ik open het portier en spring. Ik val ondersteboven op het plaveisel; ik verwond mijn knieën, ik meen het nog ernstiger te zijn, want ik voel een soort schudding in mijn ingewanden. Ik vertrek evenwel geen spier, ik sta op en verstop mij in een huis in aanbouw. Dit vond plaats op het place de la Concorde, bijna recht tegenover de brug naar de Kamer. Het rijtuig stopt, de koetsier komt naar me toe. Hij zegt: 'Die meneer stuurt me om te kijken of u gewond bent.' Ik antwoord: 'Zeg tegen hem dat u mij niet heeft kunnen vinden.' Hij zegt: 'Hij is een ellendeling en u bent een moedige vrouw, dat zie ik wel. Wilt u dat ik hem aan zijn lot overlaat en dat ik u naar huis breng? oh! die arme vrouwen, die arme vrouwen!' Ik zeg hem: 'Nee, ga naar hem toe en zeg dat u mij niet gezien heeft.'
Het rijtuig rijdt verder! wat een lafaard, of liever gezegd, wat een bruut! Hij was stomdronken. Prachtige nacht, schitterende maan! Op dat moment was Gustave mij een brief aan het schrijven. Ik denk aan hem, aan mijn dochtertje, ik neem het besluit die man niet meer te zien en zijn brieven niet meer te beantwoorden. Ik had daar in één klap dood kunnen zijn. En mijn arme kind! en Gustave...! Ik probeer naar huis te lopen. Ik was gebroken, er passeert een coupé, ik stap erin. Ik kom thuis. Ik slaap. Gisteren veel bezoek. Sereniteit, terug naar het ware en het goede, 's Morgens zijn briefje waarin hij zegt dat hij zich dodelijk ongerust maakt, hij vraagt me bij wijze van gunst om een antwoord. Het dienstmeisje antwoordt dat ik mij niet wel voel en dat ik niet kan antwoorden - hij had me vanuit het café de la Régence geschreven, om tien uur 's ochtends. D'Arpentigny, op weg om bij mij het avondmaal te gebruiken, vindt hem daar om vijf uur, alweer stomdronken. Sindsdien geeft hij geen teken van leven meer.


 * Toen Louise Colet in 1840 zwanger was van baar dochtertje Henriette, terwijl zij al enige tijd geprotegeerd werd door de filosoof Cousin, schreef de journalist Alphonse Karr in een van zijn maandelijks verschijnende pamfletten (De wespen) dat Louise wellicht het slachtoffer was geworden van een 'piqüre de cousin', hetgeen zowel een muggenbeet als 'een prikje van Cousin' kan betekenen. Louise, in woede ontstoken, begaf zich gewapend met een keukenmes naar het huis van Karr om wraak te nemen. De journalist bracht het er levend af.

zondag 26 juni 2016

Friedrich Hebbel -- 27 juni 1836

Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

In de nacht van de 27ste op de 28ste juni
De Kaiserstuhl beklommen. Pad boven langs kasteel dat er nu precies zo uitzag als wanneer ’s avonds de schemering erop neerdaalt. Halverwege de berg de gouden maan die met iedere stap hoger rijst erachter tussen de bomen. Boven bij de toren het kampvuur, de studenten eromheen. Tijdens de klim roept er een: ‘Maak dat je wegkomt, rothond!’ ‘Wat gaan we nu beleven, wie is daar?’ luidt het onverwachte antwoord. Het bleek afkomstig van de zatte F., die het zich makkelijk had gemaakt op de treden. Eenmaal boven: de studenten, in een kring rond het vuur uitgestrekt op de grond; het lijkt wel een roversbende. Nog aardig wat licht, in het oosten morgenrood; de rest van de hemel donkerblauw, de bomen onder ons lijken in elkaar over te vloeien tot één groen veld, zo uitgestrekt als een vlakte. Om kwart over drie de zon. Klein eerst als een kaarsvlammetje. daarna snel wassend. De Kaiserstuhl, 1750 voet boven de zeespiegel, de toren tachtig voet hoog. Er gaat altijd een windvlaag vooraf aan de zonsopgang.

1 juli 1836
Bakker Cappelhof, achter de Breitengiebelstraße recommandeert zich met taarten in uw welwillende aandacht.

De roverhoofdman Evolia en hoe hij verscheurd werd. (Uit mijn kinderjaren.)

Een kever die vannacht om 1 uur, aangelokt door het licht, tegen mijn raam op botste en er koddig op rond begon te dribbelen, deed me er nog eens aan denken hoe amusant het menselijke streven naar waarheid en oprechtheid de Hogere Geest moet voorkomen.

zaterdag 25 juni 2016

Raphaël Waterschoot -- 26 juni 1915

Raphaël Waterschoot (1890-1962) was een Belgische architect. Tijdens WO 1 hield hij een oorlogsdagboek bij.

26 juni 1915 zaterdag
In Antwerpen verschijnt geene enkele gazette die gewoon was te verschijnen. Komen nog uit: De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Vaderland, 2 Hollandsche en Duitsch gezinde gazetten. Verder nog "Het Vlaamsche nieuws" een nieuw gestichte gazet van eenige maanden oud.

27 juni 1915 zondag
Vandaag is' Kermis. Er is niets bijzonders van stadswege te doen. In den namiddag geven een 13 Duitsche soldaten een concert op de Markt in de kiosk. Veel lawijt met den cymbale, genre Nord Deutsche Loyd als er n'en boot vertrekt of als er eene tritsmaatschappij [Groep mensen die tritsen, = een dobbelspel met drie steenen] feest. Weinig volk in de Warande maar vele soldaten.
Een complot! Albert Lentacker en zijne beide zusters schrijven op naam van Edmond een brief naar Papa Lentacker, waarin deze een kleed voor zijne zuster Leonie vraagt. Vader die in de waan verkeert dat alles serieus is bijt, en zoo kwam het dat op zekeren dag n'én draak een nieuw kostuum aan zijn dochter ten geschenke gaf!

28 juni 1915 maandag
Leonie Lentacker en haar Vader trekken ondersteuning. In plaats van geld geeft men kaartjes waarop de waaarde van 25 centiemen gedrukt staat; dit om te beletten dat mannen of vrouwen dit geld zouden verdrinken. Men is verplicht deze kaartjes in alle voedings en kleêrwinkels te ontvangen.
Gedurende gansch deze week, ter gelegenheid van kermis krijgen wij wit brood aan den prijzen 47 centiem de kilo.
Kolen kosten tegenwoordig 5,00 fr de 100 kgr

29 juni 1915 dinsdag
Papa gaat naar Antwerpen geen nieuws.

30 Juni 1915 woensdag
Om een brief te schrijven met beledigingen aan de Duitschers, krijgen Madame Vermeire van 't Brugsken met hare dochter, ieder 500 mark boete. Deze brief was op n'en smokkelaar gevonden die de Duitschers aangehouden hadden.

vrijdag 24 juni 2016

Constantijn Huygens jr. -- 25 juni 1693

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.

25 Dond.
Smergens was bij mij de Baron de Loo, Commandr van̅ Duytsche Ordre te Mechelen, komende met van Hill, om sauvegardes, oock Rademaecker.
Hoorde van haer, en̅ van de Wilde, en eerst van Pieter, dat het gisteren avondt en̅ snachts een verveerlijck weder was geweest, en̅ sulcken water gevallen, dat het aen het huys v. Myl. Portland, sijnde even buyten het laentje, dat van̅ Abdije komt, sess of 7 voeten had hoogh gestaen, dat veel menschen verdroncken waeren. Dat dese voormiddach omtrent elff ueren, de Hr van Ouwerkerck komende om naer 't Cloo(ster) te gaen, en willende over 't bruggetje passeren aen 't eynde van voorz. laentje, dat onder lagh, hij in 't water was gevallen, en̅ in seer groot peryckel van te verdrincken, maer dat Hans, een postillon van Breukelen, hem gesalveert hadde.
[...]
Was noch seer heet, maer regende niet van beduyden.
Schreef aen mijn vrouw, en̅ sondt mijn horlogie, om de cas een nieuwe voedering te doen insetten bij Visbach.

Charles Burney -- 24 juni 1770

Charles Burney (1726-1814) was een Engelse muziekhistoricus en componist. In 1770 maakte hij een studiereis naar het vasteland. Zijn reisjournaal is in het Nederlands vertaald (door Sas en Lucas Bunge) onder de titel Een posthoorn vol muziek.

Zondag [24 juni] vertrok ik om 4 uur 's morgens uit Parijs met de diligence naar Lyon. Eigenlijk konden er maar acht personen plaatsnemen maar aangezien er meer mensen waren, was het gevolg dat ik ongeveer gedecimeerd werd. In de te kleine ruimte waren zo veel benen met elkaar in de knoop dat de mijne opzwellingen gingen vertonen die even verontrustend als pijnlijk waren.
Het gezelschap bestond uit mijn vriend de kapitein met twee cadetten die aan zijn hoede toevertrouwd waren, een ridder van St.Louis, een landjonker uit de Provence, een jong officier, een bejaarde wijnkoopman, een koopman uit Amsterdam die te Milaan woonde, de lijfarts van de hertog van Parma en ikzelf. We dineerden te Fontainebleau, ongeveer 42 mijl van Parijs. Ondertussen waren we zo door elkaar geklutst dat de eerste kennismaking wel voorbij was. We leden van de hitte en het gebrek aan ruimte, maar we waren broeders in het lijden en hoewel er geen vrouwen in het gezelschap waren, stokte de conversatie geen moment zolang de ridder of de landjonker hun ogen maar open hielden: zelfs het liefelijke geslacht kon zich niet op zulke onvermoeibare praters beroemen. We brachten de nacht door te Pont-sur-Yonne in een afschuwelijke dorpsherberg — vergeleken met de Engelse inns zijn alle herbergen in Frankrijk even beroerd. Laat ik alleen zeggen dat het gebrek aan zindelijkheid alles overtreft wat ik zelfs in de armste dorpen van Engeland heb meegemaakt.

woensdag 22 juni 2016

Hans Christian Andersen -- 23 juni 1856

Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

Maandag 23 juni 1856 [Weimar] [...] Toen ik thuis was gekomen en me net verkleed had, kwam de aanzegging dat ik om zeven uur op Ettersburg verwacht werd, ik moest meteen in de kleren en een rijtuig huren, dat zal een dure geschiedenis worden, het nam me te veel in beslag! Ik kwam aan op Ettersburg, ontmoette eerst de kleine prinsesjes: ‘Ich kenne Sie auch!’ zei de jongste en maakte een kniebuiging. De groothertogin trad me zo vriendelijk tegemoet en heette me welkom. De groothertogin-weduwe was er en keek toe terwijl de groothertog mij omhelsde en me op beide wangen kuste. Tranen stonden me in de ogen; ik bedacht dat ik, de zoon van een arme schoenmaker en een wasvrouw, werd gekust door de neef van de keizer van Rusland; hoe twee uitersten samenkomen. [...]

Dinsdag 24 juni 1856 [Weimar] De kapper heeft me vandaag verteld, dat Goethe het tweede deel van Faust in proza heeft geschreven om het dan later in dichtvorm om te zetten, dat heeft Eckermann vervolgens gedaan, omdat Goethe inmiddels gestorven was etc. [...] In de schouwburg eerste bedrijf van Goethes Faust, tweede deel voor het eerst uitgevoerd. Het was feestelijk en de zaal was vol. Het stuk werd wel tot een afgerond geheel. De kleinzoon van Goethe zat in de loge van de hertog; ik zat er in mijn mooiste kleren vlakbij, maar erg moe en droeg al mijn ordetekens.

Vrijdag 27 juni 1856 [Leipzig] [...] Naar Liszt gegaan, hij was een wandeling aan het maken; heb met mevrouw Beaulieu over hem gesproken. Zijn verhouding met vorstin Wittgenstein wekt ergenis, haar Russische pas is niet verlengd en zij bestaat dus niet meer in Rusland. Haar dochter, die zoals dat heet onder de bescherming staat van de groothertogin-weduwe, bezit hun hele vermogen en daar leeft haar moeder nu van, daarom wil ze haar dochter niet laten gaan en was het haar schuld dat de verloving met Talleyrand werd verbroken. De groothertogin-weduwe had de dochter een kamer in het kasteel van gravin Fritsch gegeven en had gezegd dat ze zo vaak naar moeder toe kon gaan als ze maar wilde, maar haar moeder kon zich niet zoals haar dochter onder de mensen begeven, ‘waar mijn moeder niet mag komen, kom ik evenmin’ had het meisje gezegd en toen de bliksem insloeg in het oude kasteel waar gravin Fritsch woonde, is ze naar haar moeder gerend en is ze daar gebleven; dat is lief van haar. Liszt zegt: ‘Ik wil toch met de vorstin trouwen, zij wil het ook, maar men staat het ons niet toe, wat moet ik dan doen, ik kan haar nu ze niets meer heeft toch niet alleen laten! – wordt het ons te benauwd hier, dan vertrekken we naar India, ik kan met mijn pianospel toch wel een vrouw onderhouden.’ – Toen Johanna Wagner onlangs in Weimar was, was Liszt verrukt, de vorstin werd jaloers en kwade tongen zeggen dat ze zich heeft willen ophangen. – Meestal stuurt ze prinses Maria dan naar Liszt en laat haar op haar knieën tegen hem zeggen: ‘Maak mijn moeder niet ongelukkig, verlaat haar niet!’ – Arme prinses, ze groeit op, zegt men, tussen muzikanten.

dinsdag 21 juni 2016

Raymond Queneau -- 22 juni 1957

Raymond Queneau (1903-1976) was een Frans schrijver, dichter, dramaturg en wiskundige. Notities en fragmenten uit zijn dagboeken zijn opgenomen in Mijn moeder zong (vertaling door Jan Pieter van der Sterre). Michel Leiris was een bevriende schrijver.

22 juni 1957
Bezoek aan Michel Leiris (22 juni). Uitgelaten, euforisch? Hij had buisjes x (een barbituraat) opgespaard ‘voor het geval dat...’ Toen hij op een keer dronken thuiskwam zei hij bij zichzelf: ‘Dit is het moment.’
‘En hoeveel pillen heb je genomen?’
‘Een stuk of zestig.’
‘Hoe heb je het gedaan?’
‘Gewoon, opgegeten’ (gebaar).
Hij heeft het direct aan Zette verteld. Coma. Fraenkel. Drie dagen. Tracheotomie. Dacht dat hij in Brussel was toen hij bijkwam. De dokter: ‘U zou in analyse moeten.’ ‘Ik ben een recidivist.’ Maar de kerel had hem ‘goed gedaan’. Hij was heel gelukkig geweest in het ziekenhuis.
‘Heb je gewerkt?’
‘Ik heb een heleboel aantekeningen gemaakt.’
Hij gaat naar een Italiaanse opera in Enghien. Leibowitz komt hem halen. Op de trap bespreken ze hoe ze zullen rijden. Ik opper dat ze via porte de la Chapelle moeten. Zette (een beetje bitter): ‘Dan kom je langs je ziekenhuis.’
Ze is niet bij het voorafgaande gesprek geweest.

De kleine pleziertjes: in je agenda de naam en het adres doorhalen van iemand die overleden is.

maandag 20 juni 2016

Marcellus Emants -- 21 juni 1875

• De Nederlandse schrijver Marcellus Emants (1848-1923) bezocht Zweden en Lapland in 1875. Zijn journaal van die reis publiceerde hij in Op reis door Zweden.

Een Sint Jansdag in Lappmarken
[...] De komst der uitgenoodigde Lapsche dames maakte een einde aan de pijnlijke stilte, die op de teleurgestelde nieuwsgierigheid der ondervragers volgde. Nadat de schoonen eenige oogenblikken aan de deur geworsteld hadden, werd met vereende krachten eene der kleinsten naar binnen geduwd, die onmiddellijk rechts en links op den grond spuwde en vervolgens in den hoek naast onze kamenier nederhurkte. Ziende dat er geen levensgevaar aan verbonden was, schoven toen ook de overigen spuwende en giegelende naar binnen, om à l'instar van een opera koor een' halven cirkel tegenover het toeschouwend publiek te vormen.
De dames waren nu in Zondagsch toilet. De grauwe rokken met groen en geel volgens de oude mode of met rood volgens de nieuwe opgelegd, waren door middel van zilver vergulde gordels om het middel toegebonden, breede manchetten met kralen versierd omsloten de polsen, eene menigte breede zilveren ringen blonken aan de bruine vingers en zilveren ballen hingen aan de ooren. Een paar der allerdeftigsten hadden zelfs wollen handschoenen aangetrokken.
Toen het giegelen, nu en dan met schel gelach vermengd, begon te bedaren, verzocht ik den länsman mij te vertellen wat voor een lied ten gehoore zou gebracht worden. Een diepe teleurstelling was moeilijk te verbergen bij het vernemen van de tijding, dat het een psalm wezen zou. Waarde länsman, wilde ik zeggen, in Holland kan men elken Zondag zulke prachtige psalmen hooren van menschen, die even sterk in de zangkunst zijn als uwe Lappen, dat ik voor een dergelijk genot zulk een verre reis niet behoefde te maken.
Ik heb dit echter niet gezegd uit vrees van wederom op een lastig terrein te zullen komen wanneer ik over Holland sprak. Gelukkig hielp mij de inspecteur. ‘Wat psalmen?! Hebben wij er van morgen niet genoeg in de kerk gehoord. Zingt vroolijke liederen, Lapsche liederen!’
Hernieuwd gegiegel onder de dames, die ijverig om zich heen spuwden en ten slotte zeiden, dat zij wel nationale liederen kende, maar niet voor koor of quartet. Wij moesten ons dus met een solo vergenoegen.
Een gehandschoende prima donna legde haar' bijbel op zij, en nam plaats op een' stoel, terwijl de overigen op den vloer neerzakten. Zij zong een bruiloftslied, maar zonder eenige melodie. Men zou hieruit kunnen afleiden dat de Lappen 't voldoende oordeelen, wanneer er harmonie in het huwelijk is, maar ook die ontbrak. Zelfs geen woorden waren er te ontdekken in de lang aangehouden schelle galmen iiiaaa...iiiaaa iiiaaa, die de dame met wijdgeopenden mond en een alleronaangenaamst vischwijven-orgaan uitstootte.
Iiiaaa... nog eens iiiaaa... niets dan iiiaaa...!! Dergelijke wanhoopskreten moeten een sombere kleur over de bruiloften werpen.
Dat men alles niet ‘lief’ en ‘mooi’ behoefde te vinden had dit landelijke muziekpartijtje boven zijn verfijnde naamgenooten voor, maar de hoorder moest toch zijn tevredenheid betuigen en dat wel door middel van een' handdruk. Ziende dat de rijk geringde vingers steeds de rol van zakdoek vervulden, was 't mij wel zoo gemakkelijk en zoo aangenaam geweest aan het mooi- en liefvinden te gaan. Evenwel de etiquette had gesproken, men moest gehoorzamen.
De Lapsche dames, nieuwsgierig als allen, meenden bovendien dat een handdruk te geringe belooning was voor hare liederen en verlangden dat de vreemdeling op zijne beurt Hollandsche zangen of ten minste een' Hollandschen monoloog zou voordragen.
Die poets had de schoolmeester mij eigenlijk gespeeld, die ze had opgestookt eens te onderzoeken hoe deze vreemde vogel wel gebekt was. Ik wreekte mij door eene rede te houden, die alles behalve vleiend was voor het gezelschap en besloot met den wensch nimmer een der aanwezigen - den inspecteur en den schatter uitgezonderd - weder te zullen ontmoeten.
Een algemeen gelach was mijn belooning, en toen de schoolmeester, die zijn geografische kennis eens toonen wilde, mij achtereenvolgens verzocht proefjes van alle mogelijke Europeesche talen te geven (ik bedankte natuurlijk voor het meerendeel) ontaardde het lachen in een zenuwachtig door elkander rollen over den vloer. Nochtans belette deze uitbundige vroolijkheid niet, dat allen met een' psalm de voorstelling besloten. -

zondag 19 juni 2016

O.C.A. van Lidth de Jeude -- 20 juni 1944

Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.

20 Juni 1944 Een 'vredes'kabinet in Finland gereed. De Russen nabij Viborg. Vrees dat de Russen heel wat zwaardere voorwaarden zullen stellen dan eenige tijd geleden. Aanval op Cherbourg. In Duitschland een golf van delirium om de vliegende bommen; Goebbels overdrijft zoodanig dat de Duitsche militairen zich genoodzaakt achtten te verklaren, dat daarmede de oorlog niet gewonnen wordt! De 'kater' komt wel.Volgens bericht via Stockholm zouden de moffen dezen aanval 14 dagen kunnen volhouden en zouden daarna weer met een ander geheim wapen voor den dag komen. Wij zullen het rustig afwachten.
Vannacht in mijn bed geslapen en niets gehoord van de bommen die overkwamen. Minstens een vijftal is over het huis gevlogen, naar Rijkens mij mededeelde.
De'ban'op diplomatieke cijfer-telegrammen is heden middernacht opgeheven, waarmede een ernstige belemmering van den Codedienst is verdwenen.
In den Ministerraad wederom de eerste bestuursvoorziening.Van Kleffens deelt mede dat thans bericht van het Vaticaan wordt afgewacht, alvorens het Gezantschap aldaar wordt gepubliceerd. Polst zijn medeleden van het Kabinet of Nederland in navolging van België, Polen, Luxemburg en thans ook Noorwegen de Voorlopige Fransche Regeering (De Gaulle) zal erkennen. Wij zijn de laatsten der kleineren. Engeland en Amerika hebben dit nog niet gedaan. De formules gebezigd door de drie eerstgenoemde staten zijn zeer, - tè - diplomatiek opgesteld en daarvoor voelt Kleffens weinig. Er is geen gevestigde opinie. Sommigen vinden dat wij hier niet op den voorgrond moeten treden, zoolang Engeland en Amerika niet het voorbeeld geven; anderen, waartoe ik behoor, meenen dat voor ons geen reden bestaat deze 'voorlopige' regeering niet te erkennen. Wij behoeven geen regelingen met hen te treffen zooals Engeland en Amerika waaruit de moeilijkheden voortkomen en volgens Gerbrandy, die gisteren met H M bij Churchill lunchte, is de verhouding eerder verslechterd dan verbeterd. Wordt aan Van Kleffens overgelaten naar bevind van zaken te handelen, met de neiging wèl tot de erkenning over te gaan.
Bericht dat Kap. Thomson (werkzaam bij Afd. 11) - zie gisteren - overleden is.
'Roof-spotter'op het dak van Arlington House om te waarschuwen met fluitsignaal, als een vliegende bom overkomt.
Met Termijtelen over organisatie luchtvaartbureau.
Vroeg naar huis prachtig weer - eenige vliegende bommen ook vannacht, doch tenslotte maar in mijn bed geslapen.

Edward Linley Sambourne -- 19 juni 1908

Edward Linley Sambourne (1844-1910) was een Britse cartoonist (voor Punch), tekenaar en fotograaf. Zijn dagboeken zijn te lezen op de site van 18 Stafford Terrace, ooit het huis waar Sambourne woonde.

Friday June 19
Stafford Terrace. Up 7.40 & out by Lytham House. Writing letters before breakfast. Bright sunny morning. Snapped Princess, rather off the plate, & others. Back & all day at work on drawing of Haldane & Suffragettes. Got thro' easily. Finished 9.45. Roy & self dined. Mite called 12.30pm. Enlarged & took Suffragettes at 12.0. Bed 11.30pm. Saw 2 Plats going by bus from Kensington Church. (Red ink: Acct in Times (today) of Sir Nicholas O'Conor's will, page 14.) (Cutting glued in: Death of Admiral Rozhdestvensky. July 21.)

Saturday June 20
Stafford Terrace. Up at 7.50. Very tired. Out in most brilliant sun. Took 11 up Church St at 100 second. Sent shirts. After put things away & letters. Lunch. Dressed. At 2.15 drove in carriage to Paddington. Saw Lady Roxborough, Causton etc etc. Caught one of the 1st trains to Windsor for His Majesty's Garden Party. On to Castle with 3 Americans. Medalled police. Lovely day. Strong N.E wind. Indian bodyguard. Foreign officers. Saw Burnand, Bancroft, Pinero etc, Weigall & Mrs W. Trendall, Eve & Lawrence Fisher-Rowe, O.S, Phipson Beales, Col & Mrs Lucas, Whitaker Ellis, Coleridge, Grove & many others. Rivières, Mr & Mrs Abbey. Had tea & after 1 glass of Champagne. H.M.the King, Prince & Princess of Wales & Prince Edward etc. Band. Left at 6.0. Easy train back. Curious garrulous old lady in train. By cab to Stafford Terrace at 7.15. Out & wired R.H to come tomorrow. Dined by self at 8.20pm. Went to the Hungarian Exhibition after. Cold & no one there hardly. Back by the carriage. Bed at 11.30. Tired. (Red ink: Went to the King's Garden Party at Windsor. Lovely day.) (Red ink across page: H.M the King's Garden party at Windsor.)

Sunday June 21
Stafford Terrace. Up 8.15 & out. To Kensington Court. R.H. Wired Beasley & Grosvenor Street. Back. Breakfast. Roy to go on river. Motor called 11.30am. Grey dull morning. Wrote many letters. Lunch 1.20, out 2.0. Great crowd of Suffragettes. Met Manley & wife. Cab to Berkeley Square. Walked to C.S. Had to wait 25 minutes. At 3.0 photod R.H. Out at 5.0. Home by bus. Seen by Spencer. 300,000 in Park. Huge crowds. Home by 4 wheeler. Wrote on mount of Spielmann's drawing. Developed 1 doz plates of yesterday & filled boxes. Dined by self at 8.15. A very good dinner. Read & to bed 11.45. Roy motored from the river to Lyndhurst & home 1.30 from Southampton. (Red ink: Photod R.H. Great Suffragette meeting in the Park.)

Erich Mühsam -- 18 juni 1912

Erich Mühsam (1878-1934) was een schrijver en beeldbepalende anarchist en activist tegen het nationaalsocialisme. Zijn dagboeken 1910-1912 staan hier.

München, Dienstag, d. 18. Juni 1912
(...) Heut früh war ich beim ›Simplicissimus‹, wo ich lange mit Olaf Gulbransson sprach. Nachher wurde Thoma sichtbar und dann Geheeb, der mir Zeichnungen zum Textieren heraussuchte, darunter ein prachtvolles Revolutionsbild von Th. Th. Heine. Ich bin neugierig, wie man mir meine Arbeit bezahlen wird.
Von Hans sind die angekündigten 100 Mark noch nicht eingetroffen, dagegen von Onkel Leopold eine Karte mit der Mitteilung, daß ich die Ärzterechnungen an ihn schicken darf. – Ferner kam ein sehr merkwürdiger Brief. Frieda König, die mich seit zwei Jahren fortwährend ihrer glühenden Liebe versichert, tobt in kindlichen Versen gegen mich los. »An Erich Mühsam! Geschrieben von dir vernichteten Mädchen.« In ganz unausgeschriebenen Lettern und in sehr dürftiger Orthographie und Grammatik macht sie ganz wilde leidenschaftliche und haßerfüllte, nicht immer ganz rhythmische Verse gegen mich. Erst beschreibt sie, wie sie mich als unerfahrenes Mädchen zuerst sah: »Du warst ein häßlich Geselle –« folgt meine Beschreibung frei nach dem Dichter Rigo in meiner Novelle ›Carmen‹. Wie ich sie dann verführte: »Hier kan ich meine Wohllust stiellen.« Und dann wütende Anfälle gegen mich, der ich ihr »das Teuerste mit List geraubt«. »Erich, elender Jude,« »Erich, Scheußsal könnt ich dich erwürgen –« – »Erich du elender Wicht« – und das Gedicht schließt mit dem freundlichen Wunsch: »Erich diese Zeilen sollen dich quällen Tag und Nacht. Vielleicht kann ich mich doch noch rächen«. Ich war, als ich das gelesen hatte, zuerst ganz konsterniert. Habe ich dem Mädchen wirklich so unrecht getan? Vor ganz kurzer Zeit war sie noch bei mir und versicherte mich ihrer leidenschaftlichen Liebe. Seit ich ihr die Virginität nahm, hat sie soundsoviele Verhältnisse gehabt und dabei, wie sie behauptete, immer nur mich geliebt. Und jetzt plötzlich dieser Abfall! »Ich war verstock und begegnet dir nur mit Falschheit« behauptet sie plötzlich. Ich weiß nicht, was ich davon denken soll. Ich beruhige mich an der Zeile: »Du hast mir das Teuerste mit List geraubt«. Daß einem Mädel die Jungfernschaft noch zwei Jahre nach ihrem Verlust als »das Teuerste« erscheinen sollte, ist einfach nicht wahr, ist Phrase und anerzogene Moralität. Damit habe ich nichts zu schaffen. Ich mag sehr roh sein, aber ich weiß wahrlich andere Dinge, die mich »Tag und Nacht quällen«, als dieser Erguß. Schwamm drüber. Der Brief fliegt in den Papierkorb. Das Mädel wird nicht mehr empfangen.
(...)

donderdag 16 juni 2016

George Orwell -- 17 juni 1940

George Orwell (1903-1950) was een Britse schrijver en journalist. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Diaries. gedeeltes eruit zijn hier te lezen. De Nederlandse vertaling (van Nelleke van Maaren) is gepubliceerd in de reeks Privé Domein.

17.6.40. De Fransen hebben gecapituleerd. Dat viel te verwachten op grond van de uitzending van gisteravond en had in feite al voorzien kunnen worden toen ze niet in staat bleken Parijs te verdedigen, de enige plek waar het wellicht mogelijk was geweest de Duitse tanks tegen te houden. Strategisch gezien draait het allemaal om de Franse vloot, waarover nog geen nieuws is. [...] Behoorlijke opwinding vandaag over de Franse capitulatie en overal hoor je mensen erover spreken. Gebruikelijke commentaar: ‘Goddank hebben wij een marine.’ Een Schotse militair met medailles van de vorige oorlog, licht dronken, hield in een metrowagon een vaderlandslievende toespraak die de andere passagiers nogal goed leken te vinden. Zo’n run op de avondbladen dat ik er pas na vier pogingen eentje kon bemachtigen. Wanneer ik tegenwoordig een recensie schrijf, ga ik achter de schrijfmachine zitten en tik het stuk achter elkaar op. Tot voor kort, tot zes maanden geleden, deed ik dat nooit en zou ik hebben gezegd dat ik dat niet kon. Vrijwel alles wat ik schreef, werd minstens twee keer geschreven, en mijn boeken als geheel drie keer – afzonderlijke passages wel vijf of tien keer. Het is echt niet omdat ik gemakkelijker ben gaan schrijven, alleen omdat het me niet langer kan schelen zolang het werk ermee door kan en een beetje geld oplevert. Dat is een verslechtering die regelrecht aan de oorlog te wijten is. Groot gedrang in het Canada House, waar ik heen ging voor informatie, omdat G. [Gwen O’Shaughnessy, schoonzuster van Orwells echtgenote Eileen] overweegt haar kind naar Canada te sturen. Behalve moeders staan ze niemand tussen de 16 en 60 toe het land te verlaten, blijkbaar zijn ze bang voor een golf van paniekvluchtelingen

woensdag 15 juni 2016

Marion R. -- 16 juni 1988

• Marion R. was in 1988 16 jaar oud. Fragmenten uit haar dagboek van toen zijn opgenomen in een Duitse bloemlezing van dagboekfragmenten van jongeren.

16. Juni 1988
Heute sind wir mit dem "Bock"-Layout [Layout der Schülerzeitung] fertig geworden - SUPER!! Eddie war auch 3 Mal kurz da, um was zu kopieren. Mein Gott, er hat mich so angeschnauzt die ganze Zeit. War sauer, weil ich seinen Scheißbericht nicht reingebracht hab und weil ich unter die Jethro Tull Kritik kein Slime-Bild geklebt habe. So ein Arsch!

19. Juni 1988
Oh Gott!!!! Oh!! Heute war der Christian im K5!!! Nach dem Klassik-Open-Air sind wir noch ins K5 gefahren, und da war er, schöner als eh und je. Und heute hatte ich meine Kontaktlinsen an, und die anderen haben gesagt, meine Augen würden dadurch total irre leuchten, wie wenn man einen Wolf anstrahlt. Aaah, HAPPY!! Und - ich bilde mir‘s wahrscheinlich ein, aber solche Träume sind immer so aufmunternd - er hat die ganze Zeit hergeschaut zu mir. Ganz anders als sonst. Ich bin richtig aufgebaut, weil der Christian so hergeschaut hat. Das nächste Mal muss ich Tschüss zu ihm sagen.

Oh Christian, könnte ich nur mal mit dir reden! Heute war ich so nah dran. Die Kontaktlinsen verbessern wahnsinnig das Selbstbewusstsein, ist schon toll. Vor dem K5 sind wir auch noch mal von ein paar Jungs angelabert worden, das wär mir mit Brille nie passiert. Ich muss mal wieder meinen Matrosenanzug anziehen, fällt mir gerade ein. Vielleicht morgen?

3. Juli 1988
Ohje, gestern Abend waren wir im K5, da kam Eddie... er war ja so wahnsinnig schön gestern Abend - aber er hat kein einziges Wort mit mir gewechselt. Ich glaube, mittlerweile wissen echt alle, wie‘s um mich steht, und sicher erfährt er‘s auch demnächst mal, über 100 Ecken.

Ich fall echt fast um, wenn ich ihn sehe, er ist mein absoluter Traumtyp. Trotzdem: Vom Geistigen her ist er der absolute Arsch. Hasst Ökos, zertrampelt Naturschutzgebiete, ist anscheinend auch noch überzeugter Katholik (Kloster etc.) und außerdem kann man sein saudummes Geschwätz NIE ernst nehmen. Und trotzdem hat er etwas. Wahnsinn, das bringt mich einfach zum SCHREIEN!!!!! Wenn ER DOCH WÜSSTE, verdammt nochmal!!

Was geht bloß in diesem wunderschönen Kopf vor. Was ist das nur für ein Mensch. Wer ist da drin in diesem coolen Körper?

Boudewijn Büch -- 15 juni 1998

Boudewijn Büch was een Nederlandse schrijver en programmamaker. Een boekenkast op reis is zijn 'persoonlijke kroniek' over 1998.

Weimar, 15 juni Het weer is opnieuw niet best, maar ik besluit de ochtend door te brengen met research in antiquariaten en daar heb ik geen mooi weer voor nodig. Maar eerst ga ik met de filmploeg het Goethe Haus binnen. De werk- en slaapkamer van de dichter blijven mij maar van slag brengen, ook na het zo-, zoveelste bezoek.
Antiquariaat Ludwig Thelemann (eigenaar U. Botta) aan de Rittergasse 21 blijkt voor het zoveelste jaar een zegen te zijn. In het bijzonder ben ik blij met de complete jaargang 1818 van Weimarisches officielles Wochenblatt voor de spotprijs van 240 dm. Bij mijn vriend Thomas Mechold van antiquariaat Zwiebelfisch (‘vriend’ bedoel ik ironisch; Mechold is een zure, vervelende man) in een binnenhof aan de Heinrich-Heine-Strasse koop ik onder andere noodgeld uit de tijd van de Weimar Republiek. Op dit noodgeld staat een portret van Goethe. Bij de man van de muntenwinkel bij de Herder Platz koop ik twee mooie Goethe-penningen: een uit 1828 en een (oude) van biscuitporselein.
Het Goethe Antiquariat is verhuisd en is nu boven de mineralenwinkel in de Kauf-Strasse gevestigd. Dit antiquariaat zat vroeger in de Untergraben en toen was het niks. Nu is het nog steeds niks. Voor een late Duitse vertaling van de gedichten van Ossian (geschreven door James Macpherson, 1736-1796; Goethe werd erg door deze fake-poëzie beïnvloed en de verzen komen ook voor in zijn Werther) uit 1828 vragen ze 450 DM!
Ook nog wat bijzondere souvenirs gekocht.
Om 13.00 gaan filmen. Eerst bij het Sächsischer Hof aan de Herder Platz waar Goethes eerste woning was toen hij in 1775 in Weimar, op uitnodiging van de hertog, aankwam. Daarna op het Frauenplan bij Goethes laatste woonhuis gedraaid. Ten slotte naar het Fürstengruft waar Goethe al sedert 1832 naast zijn vriend Friedrich Schiller (1759-1805) ligt. Het doet mij steeds wat om in die vochtige kelder naast mijn grote helds gebeente te staan. Ik merk dat de alarminstallatie onklaar is en kan sedert decennia voor het eerst door het hek kruipen en een hengsel, het slot en het hout van Goethes kist aanraken! Ontroerd.
Gefilmd op de begraafplaats rond Goethes tombe: de graven van zijn vriend Eckermann, Ottillie von Goethe-Pogwisch (schoondochter), Alma, Walter en Wolfgang von Goethe (kleinkinderen). De vogels fluiten keihard op de begraafplaats – bijna te hard – en het gaat regenen. We kunnen niet verder. Ik ga voort met boekenzoeken. Tijdens het diner bij de smakelijke Italiaan aan de overkant van de treurige ddr-bioscoop Theater des Friedens (waar ik zulke krankzinnige herinneringen van jaren her heb liggen) bellen de twee technische mannen van het nob dat ze in Weimar zijn aangekomen. In een zaaltje van het hotel tobben we lang over onze geluidsproblemen. Aan de nob-mannen is niks mis – ze doen méér dan hun best – maar niemand op de wereld weet hoe ons camera-/geluidsprobleem moet worden opgelost. We krijgen weer een andere camera. Ik laat de technische mannen met mijn ploeg achter en ga aan dit dagboek werken. Uit mijn raam zie ik prachtig licht over de Markt vallen. Het is een mooie avond geworden.
Ik voel mij goed. Wat wel heerlijk is: voor het eerst in al mijn Goethe-jaren kan ik met het ‘complete werk’ van Goethe op de laptop op reis. Ik heb de grootste – en nog steeds beste – editie van Goethes oeuvre ooit verschenen (de zogenaamde ‘Sophien Ausgabe’ – verschenen in de late jaren van de negentiende en de eerste jaren van de twintigste eeuw; 132 dikke delen) bij mij op cd-rom. Deze Chadwyck-Healey-cd-rom-editie kostte een lieve cent (zestienduizend gulden!), maar het gemak is onvoorstelbaar.

maandag 13 juni 2016

Jannis Plastargias -- 14 juni 1991

• Jannis Plastargias, in 1991 vijftien jaar oud, hield indertijd een dagboek bij.

14. Juni 1991
Ich bin noch fünfzehn (ui, noch ganze drei Wochen!) und nicht normal. Nee, das ist wirklich wahr. Ich kann gar nicht normal sein. Nicht dass ich wüsste, was normal zu sein bedeutet. Ich weiß nur, dass ich es offensichtlich nicht bin. Vor allem, wenn ich mit meinen Freunden zusammen bin und mit ihnen rede. Worüber? Über Mädels.

Franks Traumfrau heißt Anna. Die von Matthias Elsa. Die von Christoph Nicole. Und meine Tom. Tja, Tom. Ich weiß, das hört sich nicht gerade weiblich an. Das liegt daran, dass SIE halt ein ER ist. Wie gesagt, liebes Tagebuch: Ich bin nicht normal. Tom. Er ist so niedlich. Seine braunen, wuscheligen Locken. Ich LIEBE Locken! Er macht mich so wahnsinnig. Seine glasklaren, grünen Augen. Seine Anwesenheit macht mich nervös. Er ist jetzt in der Klasse von Matthias, kommt aus München und hat so einen furchtbar süßen Akzent. Schon sein Servus ist so schrecklich goldig. Ich möchte ihm 20-mal am Tag hallo sagen. Mir schlottern die Knie. Propellerflugzeuge veranstalten ein Wettrennen in meinem Magen und schütteln meine sämtlichen Eingeweide durcheinander. Wenn man ein Ultraschallbild von meinem Magen machen würde, wenn er neben mir steht, würde ich als Phänomen in die Geschichte der Medizin eingehen.

Wieso gebe ich diesen heterosexuellen Arschlöchern recht, wenn sie Leute wie mich "nicht normal" nennen? Ich weiß ja, dass ich normal bin. Auch wenn ich es noch keinem sagen werde. Die letzten Wochen habe ich viel über mich nachgedacht und nichts mehr geschrieben.

Es beschäftigt mich. Wieso denke und fühle ich nicht wie die anderen, wieso können sie mich nicht verstehen? Wieso müssen sie mich doof anmachen, wenn ich auf den Satz: "Hey, die hat ja eine Hand voll!" nicht reagiere? Mich interessieren die Brüste meiner Klassenkameradinnen nicht.

Ich weiß auch nicht, was mich an Jungs interessiert. Ein knackiger Arsch, eine männliche Brust? Ich weiß nicht. Sein Gesicht, seine Augen? Das viel mehr, aber, ich weiß nicht, ich kann so etwas nicht verallgemeinern. Es ist ein Gefühl. Ich lerne einen Jungen kennen und es macht klick - oder auch nicht. Wieso, weshalb, warum? Ich weiß es nicht. Es ist halt so. Gut, nicht dass ich mich schon in viele Jungs verliebt hätte. Ich bin fünfzehn. Ich habe noch nicht viel erlebt.

Das erste Mal hatte ich dieses besondere Gefühl einem Jungen gegenüber vor einem Jahr. Ich habe es nicht hier hinein geschrieben, das ganze Jahr nicht. Ich dachte: Wenn ich es aufschreibe, dann ist es so, dann kann ich nicht mehr "normal" sein. Dann bin ich es. Schwul! Ich bin es auch. Es ist jetzt okay für mich. Wirklich. Trotzdem sag ich es keinem.
Ich meine, es hätte eine Irrung-Wirrung sein können, war es allerdings nicht. Meine Empfindungen für ihn hielten ein ganzes Jahr. Bis vor drei Wochen. Wieso ich das so genau weiß? Ich weiß es nicht. Vielleicht war es schon früher, viel früher. Nur habe ich genau vor drei Wochen beschlossen, nicht mehr in ihn verliebt zu sein. Und zwei Tage später lernte ich Tom kennen.

Aber zurück zu dem davor. Er heißt Stefan. Kurze, dunkle Haare, rehbraune, wunderschöne Augen, ein absolut süßes Lächeln ... Stopp! Ich will ja schließlich nicht wieder anfangen, von ihm zu schwärmen. Wie merkte ich, dass ich in ihn verliebt war, liebes Tagebuch? Erst einmal gar nicht. Es war seltsam. Er kam aus Lahr und ich lernte ihn bei einem Tischtennisturnier kennen. Seine Schwester Christine fand mich toll und laberte mich an. Sie lud mich ein, sie zu besuchen. Und ich ging hin. Wir saßen in ihrem Zimmer. Stefan kam herein. Ich fragte ihn, ob wir manchmal zusammen trainieren könnten. Warum nicht? Ja, klar. Sie lud mich nochmals ein, machte sich an mich heran. Ich blockte aber ab. "Ist dein Bruder da?" fragte ich und besuchte ihn in seinem Zimmer.

Als ich daheim war, fragte ich mich immer wieder: "Sag mal, Jannis, warum verliebst du dich nicht in Christine? Wieso denkst du öfter an ihren Bruder als an sie?" Es befremdete mich damals, dieses Gefühl Stefan gegenüber. Wir trainierten miteinander und langsam dämmerte es mir: Ich war in ihn verliebt. Er war zwar kein Mädchen, für die ich am Anfang der Pubertät noch leise und schüchtern geschwärmt hatte, aber trotzdem war ich in ihn verliebt. In ihn. In einen Jungen. In Stefan. Ich möchte nicht weiter darüber schreiben, liebes Tagebuch.
Es reicht zu erwähnen, dass er mir ständig von "geilen Tussis" erzählte, und das trotz meiner dicken Andeutungen. Er wollte es nicht kapieren. Und er wollte auch nicht die Qualen begreifen, die er mir bereitete. Hätte er sonst ständig diese Frauengeschichten erzählt? Man hat es eben schwer, wenn man nicht "normal" ist.

Ich meine, es ist doch so: Ein Mädchen verliebt sich in einen Jungen, baggert ihn an. Wie viele Jungs würden sofort zugreifen, selbst wenn sie nicht in das Mädchen verliebt wären? Wie ist meine Chance? Ich verliebe mich in einen Jungen. Und? Fünf von hundert wären interessiert. Aber genau diese fünf habe ich noch nicht getroffen. Und Tom? Na ja, ich weiß nicht. Ich kenne ihn ja noch nicht so lange. Nun hoffe ich, dass er einer von diesen Fünfen ist, und - dass er genauso "unnormal" ist wie ich. Morgen sehe ich ihn wieder. Hoffe ich.

zondag 12 juni 2016

J.L. Heldring -- 13 juni 1958

J.L. Heldring (1917-2013), de latere hoofdredacteur van de NRC, bracht een bezoek aan Polen in juni 1958, en beschreef dat in een 'Pools dagboek' (1, 2).

Zaterdag 13 juni
Gesprek met O. en P., beiden professor in de sociologie. Het regime zal er niet in slagen de bevolking te dekatholiseren. De kerken zijn voller dan vóór de oorlog, maar niet zo vol als tijdens de stalinistische periode. De gezinsband is hechter dan vóór de oorlog. Hoe staat het met de moraal van de jeugd? Is niet veranderd vergeleken met de vooroorlogse periode. Het lijkt alleen maar zo, dat zij losser geworden is. Dat komt omdat er veel meer studenten zijn dan toen en bovendien is het contingent meisjes onder hen veel groter. Als men echter de reusachtige psychische spanningen in aanmerking neemt waaronder Polen de laatste twintig jaar heeft geleefd, de onmetelijke verwoestingen en de grote volksverhuizingen binnen Polen, dan is die moraal eigenlijk verrassend hoog gebleven.

Men moet in Polen, zeggen ze, onderscheid maken tussen de intellectuelen en de intelligentsia. In Polen acht zich al een vakarbeider die zijn handen niet vuil maakt te behoren tot de intelligentsia en kijkt dus neer op het proletariaat. Hij neemt de vormen en denkwijze over van de szlachta, de kleine adel, waaruit Polens eerste intelligentsia werd gerecruteerd. (Het heeft me getroffen dat zelfs mensen die er uitzien als arbeiders de hand van vrouwen kussen.) Wel wordt de tegenwoordige intelligentsia voornamelijk gerecruteerd uit de arbeiders- en boerenbevolking, maar dat betekent nog niet dat zij een proletarische intelligentsia is. Integendeel. Wat dat betreft is het streven van de partij dus volkomen mislukt.

Dit wordt hevig betwist door Q., de officiële ideoloog van de partij, die ik vanmiddag spreek. Hij is erg optimistisch over de toekomst van de partij. De jeugd is alweer heen over de beroeringen van 1956, die inderdaad haar geloof in het communisme hadden geschokt. Het feit dat onlangs zeven studenten vrijwillig tot de partij waren toegetreden - dwang bestaat er niet meer en het partijlidmaatschap maakt je eerder impopulair dan populair onder je medestudenten - achtte hij reusachtig bemoedigend. Het Poolse experiment wordt met grote aandacht gevolgd in het gehele Oosten, zelfs door hen die ertegen zijn. Als het niet lukt, is het niet erg (zegt hij), want de partij zal er haar macht niet door verliezen, maar hij heeft alle hoop dat het wel zal lukken. Al is de vorming van een marxistisch denkend en voelend volk een kwestie van generaties. Vele mensen klagen over Polens geopolitieke situatie, omringd door communistische landen. Q. zegt, dat die situatie juist goed is, want zij o.a. heeft het mogelijk gemaakt dat Polen dit experiment kon ondernemen. Als Polen meer in de frontlijn (met het Westen of met Joegoslavië) had gelegen, dan zou het niet gekund hebben. Hij is, hoewel een verwoed tegenstander van de ‘bourgeois ideologieën’, toch een groot voorstander van het zenden van zoveel mogelijk Polen naar het Westen. Vele van zijn collega's uit andere Oosteuropese landen houden hun hart vast en vragen: met welke ideeën besmet komen deze jongelui uit het Westen terug (als ze inderdaad terugkomen)? Tot nu toe is er geen enkele Pool niet teruggekomen en - wat nog belangrijker is - de mythologie die er in Polen over het Westen heerst wordt erdoor aangetast. De Polen die het Westen bezoeken ontdekken, dat het niet alles goud is wat daar blinkt.

Wat is een revisionist? vraag ik hem. Als iemand me het eindelijk kan vertellen, moet hij het wel zijn. Een lang exposé volgt. In de eerste plaats is de Poolse definitie van revisionisme een andere dan die van de andere communisten. Ideologisch is de kwestie eigenlijk niet van belang. Wij, Poolse communisten, zijn niet van mening dat iemand die aan sommige marxistische theses een andere uitleg geeft dan de tot dusver gangbare of zelfs van mening is dat sommige van die theses in het licht van de thans heersende omstandigheden wijziging behoeven, zich daarmee automatisch tot een revisionist stempelt. Als hij maar op de grondslagen van het marxisme blijft. Zo niet, dan is er geen plaats voor hem in de partij. Maar, zoals gezegd, deze kant van de kwestie is niet belangrijk. Op de politieke kant komt het aan. Van de politieke kant bekeken, is een revisionist iemand die theorieën bepleit die de leidende positie van de partij in het land in gevaar zouden kunnen brengen. Alles wat zweemt naar het introduceren van de Westerse democratie in ons land,is revisionisme. In Engeland heeft het twee eeuwen geduurd alvorens de bourgeoisie, die tegen het eind van de zeventiende eeuw de macht in handen kreeg, haar positie stevig genoeg vond om een totale parlementaire democratie toe te laten. In Frankrijk duurde dit proces een eeuw. Dus is het begrijpelijk, dat het in Polen niet van de ene dag op de andere kan. Maar, zo zei hij, het zal niet zolang duren als in Engeland of Frankrijk.

Ik maak de opmerking: wat is dan het verschil tussen u en de Joegoslaven? Hij slaat achterover van de domheid van die vraag. In de eerste plaats zijn de Joegoslaven ideologisch revisionisten, omdat zij theorieën verkondigen die met de beste wil van de wereld niet als marxistisch aangemerkt kunnen worden. En in de tweede plaats zijn zij, in politiek opzicht, veel minder liberaal dan de Polen. Het eerste kan ik niet beoordelen. Het tweede is waar, maar waarom ze daarom revisionisten zijn, is me nog niet duidelijk. Het is jammer, dat dit gesprek maar een klein uur kon duren. Eindelijk had ik een orthodoxe communist te pakken. Orthodox dan naar Poolse maatstaven. In een Russisch tijdschrift is Q. onlangs voor revisionist uitgekreten.

Een ander merkwaardig ding is, dat Q., die een belangrijk man in Polen is (lid van het centraal comité enz.), onmiddellijk bereid was om mij in mijn hotel op te zoeken, toen ik hem laatst door de telefoon vroeg of ik hem mocht ontmoeten. Per slot van rekening wist hij niets van mij af en is Nederland niet het belangrijkste land ter wereld. Wat kan het hem dan schelen om met een Nederlandse journalist te spreken? Daar zou je in Nederland eens om moeten komen! Ik zie niet dadelijk de officiële partij-ideoloog van de P.v.d.A. (wie is dat overigens?) naar het hotel van de eerste de beste journalist uit, zeg, Finland (laat staan Polen!) komen. Zelfs in aanmerking nemende de beperkte woonruimte waaronder zelfs partijgroten lijden en die het hun moeilijk maakt mensen aan huis te ontvangen, vind ik deze tegemoetkomendheid merkwaardig. Hij had me ook op de universiteit kunnen ontvangen, waar hij hoogleraar is.

Klaartje de Zwarte-Walvisch -- 12 juni 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

Zaterdag 12 juni
Voortleven alsof er niets gebeurd is. Kan men dat? Er zijn dingen waarop ik zelf geen antwoord meer weet te geven. Niet denken is maar het beste. Niet realiseren. Met de dag wordt ons leed nijpender en vergroot. De leidsters schreeuwen en razen tegen ons dat het niet meer om aan te horen is. Gistermorgen werden we bedreigd met veertien dagen pakketsperring. D.w.z. veertien dagen leven op het vieze eten. Alle pakketten worden dan ingehouden. Geen pakket en geen mannenbezoek. Dit zijn de dingen waarmee we het eerst bedreigd worden. Ze weten ons altijd op de juiste manier te treffen. Gisteren is er een nieuw dreigement afgekondigd. Wanneer het gebeurt dat wij vrouwen zonder de zozeer verfoeide ster lopen, worden we gestraft op de volgende manier. Het hoofd wordt helemaal kaalgeknipt en de jodenster zal ons op de blote huid getatoeëerd worden. Is het wonder dat we gruwen en rillen van elke maatregel die er genomen wordt ? We worden bedreigd met de vuilste en gemeenste dingen, want smeriger dan bovengenoemde maatregel is toch niet denkbaar. Opgejaagd als wilde beesten hebben we helemaal geen rust meer. Mannen mogen niet meer in het vrouwenkamp komen. Zware etensketels dragen, bedden verplaatsen, kortom alle zware werkjes moeten door de vrouwen ten uitvoer gebracht worden. En dit alles met zeer weinig voeding. Het brood is beschimmeld nog voordat we het krijgen. Daar moeten we stukken van wegsnijden voor het gegeten kan worden.

zaterdag 11 juni 2016

Louis Hahn -- 11 juni 1942

• Louis Hahn (?-?) hield in 1941/'42 in opdracht van de stad Emden een soort oorlogsjournaal bij.

8. Juni. Bericht über den britischen Luftangriff auf Emden.
Wehrmachtsbericht vom 7. Juni 1942:
Britische Bomber griffen in der letzten Nacht die Stadt Emden an. Die Zivilbevölkerung hatte Verluste. Zahlreiche Gebäude, vor allem wieder Wohnhäuser, wurden zerstört oder beschädigt. Sechs der angreifenden Flugzeuge wurden abgeschossen.
[...]

10. Juni. [...] Die Beisetzung der Opfer auf dem Bolardusfriedhof in Emden findet am Freitag, 12. Juni, nachmittags 2 Uhr statt.
[...]
Todesanzeigen der Opfer des Fliegerangriffs:
Johannes Bootsmann, 34 Jahre alt, Graf Johannstraße 24
Almuth Bootsmann, 5 1/2 Jahre alt,
Berta Jacobs, 68 Jahre alt, Geibelstraße 7
Jan Jacobs, 35 Jahre alt,


11. Juni. Weitere Todesanzeigen:
Reichsbahninspektor Klaas de Groot Kriegsverdienstkreuz, Außenhafen
Henrika Dorneck, geb. Munderloh, 33 Jahre alt, Polderhauptweg
Willi Dorneck, 4 1/2 Jahre alt,
Paul Terbuyken, 35 Jahre alt, Küstenbahndamm 7
Frieda Terbuyken, geb. Arends, 32 Jahre alt,
Richard Terbuyken, 10 Jahre alt,
Liane Terbuyken, 7 Jahre alt,
Paul Terbuyken, 4 Jahre alt,
Horst Terbuyken, 6 Wochen,
Bette Raveling, 51 Jahre alt, Polderhauptweg 9
Johann Hagen, 13 Jahre alt,
Johann Wortelker, 16 Jahre alt, Außenhafen.
Künna Engelberts, geb. de Boer, 77 Jahre alt.

13. / 14. Juni. Bericht über die Trauerfeier für die Bombenopfer. „ Größer als die Trauer ist unserer Lebenswille“. Kreisleiter Horstmann, Obgm. Renken, Abordnungen der Wehrmachtsteile, Erika von Beethoven. Verlesung der Namen durch Kreisleiter. Rede des Kreisleiters, Lied vom guten Kameraden, Kreisleiter legt Kranz des Gauleiters Paul Wegener nieder. Major Bolte Kranz des Regierungspräs. Rodenberg, Obgm. Renken Kranz der Stadt, Obersturmführer Bennmann für SA Sturm 2/2.
Freitag, 12. Juni vorm. traf Regierungspräsident Rodenberg in E. ein. Besichtigung der Schadenstellen. Besprechung mit Obgm.

donderdag 9 juni 2016

Nico Rost -- 10 juni 1944

Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

Dachau, 10 Juni 1944
‘Die alte Erde steht noch, und der Himmel wölbt sich noch über mir’ Een uitspraak van Goethe, die me te binnen schiet. Ik heb ze vroeger ergens gelezen - als ik me niet vergis in de ‘Gespräche mit Eckermann’ - en er toen eigenlijk niet veel bij gedacht. Nu, hier in Dachau, met de wonde aan m'n been in het Revier, begin ik er de diepe beteekenis pas van tebeseffen. Zoolang het nog zóó is - zooals Goethe zegt - is nog niets verloren, heb ik nog houvast. Sta ik nog met beide voeten op de aarde en zie ik de toekomst nog voor me.
Zóólang is er geen enkele reden om te wanhopen. Goethe heeft weer gelijk en ik ben hem dankbaar.
Ik heb - ondanks Forest, Scheveningen en Vught - tot nu toe immers ook geluk gehad. M'n been doet weliswaar pijn, het abces zou ik echter niet graag missen, want zoolang het nog open is behoedt het mij niet alleen voor ‘transport’, maar ben ik voorloopig ook veilig voor een zwaar commando, vrij van appèl en kan ik hier zelfs lezen en schrijven.
Dit weer in een bed liggen, met lakens, is een herademing, vooral na de veertien dagen quarantaine. Het is hier zoo rustig, dat het me bijna - onrustig maakt. De Stube, waar ik lig vormt een wereld op zichzelf. Van het kamp bemerk ik hier niets - alleen het fluitje voor het appèl en het schuifelen van duizenden voeten. Van uit m'n bed zie ik een andere Revier-barak: barak 5. De Pool, die boven me ligt, beweert, dat daar proeven genomen worden en velen sterven, maar door het raam is niets bijzonders te zien - alleen bedden, zooals bij ons, en ook een kom met goudvisschen, waar nu de zon op schijnt. Alles hier geeft me een gevoel van onwerkelijkheid: de rust, de zon, de goudvisschen en zelfs de verplegers die nu, tijdens de middagrust, in het smalle blok-straatje voor m'n raam - handbal spelen!

Na het appèl
Ik blijf geluk hebben! Tien bedden verder ligt M., een Duitscher, een politieke emigrant, dien ik in Brussel vaak ontmoet heb. Hij is hier al sinds '42, zat eerst een jaar in Siegburg en ligt nu sinds 7 weken met een maagzweer. Ik heb hem eerst niet herkend, zoo vermagerd was hij. M. schijnt vanmiddag met den Stubenpfleger, een Oostenrijks ‘Schutzbündler’ uit Weenen-Ottakring, over me gesproken te hebben, want die werd plotseling heel anders, bracht een schaal pap, en beloofde me zelfs papier voor m'n aanteekeningen uit de cantine te bezorgen.

11 Juni
Toen ik dr H. een van onze Nederlandsche dokters, vanmorgen vroeg om me uit de bibliotheek - ik mag als patiënt niets halen - een Duitsch boek te bezorgen, het liefst een deel Goethe of Lessing, weigerde hij. ‘Een Fransch of Engelsch boek graag, maar geen Duitsch!’
Z'n standpunt lijkt me heel bekrompen en onjuist.
Ik heb hem dat gezegd en gevraagd of hij, als psycho-analyticus misschien weigerde om b.v. Freud te lezen, die zijn werken toch ook in het Duitsch heeft geschreven. Verder citeerde ik Stalin's woorden ‘Hitlers komen en gaan - de Duitsche staat en het Duitsche volk blijven.’
Dus ook klassieken als Goethe en Lessing. Hij vond dat communistische propaganda en wat erg goedkoop. Misschien had ik anders moeten debatteeren - ik heb het nu echter gezegd. Laat hem ook maar eens over iets goedkoops nadenken!
Ik geloof trouwens, dat we onmogelijk gecompliceerde problemen kunnen doorgronden, als we er niet in slagen de meest elementaire waarheden te begrijpen.

C.O. Jellema -- 9 juni 1980

C.O. Jellema (1936-2003) was dichter en essayist. In 2009 verscheen een keuze uit zijn dagboeken onder de titel Een web van dromen.

9 juni 1980
De angst: ik heb me mijn leven lang met beuzelarijen beziggehouden en niet in staat tot iets meer dan dat. Door Meckels Suchbild en door Rehms leuterboek over Rilke. Verstopt met onbenulligheden.
Machteloze erotiek: de fysiotherapeut op het huisconcert bij de Lichers. Het hanteren door het te transformeren.
In gesprekken beweer ik, wat ik achteraf pas ontdek, vaak het omgekeerde van wat waar is. Tegen Miep Kamphuis een tijd geleden, dat ik geen schuldgevoelens ken. Ik meende het. Maar ik word beheerst door schuldgevoelens! Gisteravond tegen Wïm Ietswaart, dat Hesses probleem van driftleven, het duistere, en de geest, het heldere, mij totaal niet aansprak. Het is niet waar: de drang naar (anonieme) seksuele belevenissen ligt voortdurend op de loer en ik geef er me niet aan over omdat ik die zie als iets onzindelijks.
Ik voel me weer Niemand.

woensdag 8 juni 2016

Marga Klompé -- 8 juni 1949

Marga Klompé (1912-1986) was een Nederlandse politica, en in 1956 de eerste vrouwelijke minister van Nederland. Na haar aantreden als kamerlid in 1948 hield ze een jaar lang een dagboek bij, dat is verschenen onder de titel In liefde en rechtvaardigheid.

Dinsdag 7 juni
Gewerkt en geslapen. Eind van de middag naar Den Haag. 's Avonds prachtige zonsondergang langs de zee. Heb mij erg eenzaam gevoeld en even later begrepen dat ik afstand moet doen en voor iets anders gereserveerd word. Ik doe dit ook wel graag en met liefde.

Woensdag 8 juni
Pieter Idenburg is vandaag jarig.
's Morgens boodschappen gedaan en 2 jurken gekocht. Kopje koffie gedronken bij Jeanette. Het drama met de koningin wordt steeds erger. Een medium van mejuffrouw Hofman wordt nu inwonend secretaris op het Loo. Toch vind ik het geen gewetensconflict van Jeanette [Geldens, particulier secretaresse van koningin Wilhelmina]. Zij moet in ieder geval blijven zitten om de schok op te vangen.
Coby en Co Obenheuyser op een kopje koffie gehad daarna begroting van Buitenlandse Zaken in Eerste Kamer. Gesprek met Van Houten. Heeft Herman Beel toch in een hoekje gedreven? Zal daar morgen meer over horen. Jan ter Lingen tegen het lijf gelopen. Gesprek bij mij over Spanje. Dit is de eenige vorm voor dit politiek onmondige volk. Evangelisering protestanten stotend voor de katholieken. Men werkt momenteel communisme in de hand. Iedere man op de tram zegt mij wat hij denkt.
Later op de avond Pierre - Andriessen, tenslotte ook Beaufort. Gesprek over Indië. Er zal waarschijnlijk een moordpartij in Djokja komen. Dan zullen wij niet mogen inspringen. Republiek zal niet om hulp vragen.
1. Sultan wil niet daar zijn eer in het geding is.
2. Laatste zet vertrouwen van bevolking gaat dan weg en wij worden als collaborateurs beschouwd.
Alternatief van doorzetten nog eens bekeken. Intelligentsia en bevolking krijg je niet meer mee dus gaat niet. Bovendien beginnen wij al te demobiliseren. Afwachten dus.
Nog het gesprek over richtlijnen buitenlandsche politiek.

maandag 6 juni 2016

Wim Kan -- 7 juni 1964

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Zaterdag 6 juni. Middag 14.00 uur
Met Ol naar Treslong Hillegom voor de Beatles. Veldslagen. Vond het toch wel weer erg leuk. Zaten tussen tweehonderd tieners. Ik naast bepaald heel leuke. Lekker brutaal van je en jij en ik wou dat ik ook beroemd was. Mooie, wat gewichtige sfeer van de varamensen er omheen. Verder was alles play-back. Gewoon weer als steeds, één grote nep. Geluidsopname was al oud en de Beatles deden alsof ze zongen! Na afloop nog gepraat met de politie: ‘De paarden zijn vannacht al naar Blokker gestuurd,’ Alarmerende zinnen. Maar iedereen wordt er toch een beetje door aangestoken.
Straks gaan Ol en ik via bezoek aan Jack Bow naar Blokker.

Zondag 7 juni. Avond 19.00 uur. Werkhuisje Kudelstaart
Nuchter Nederland beleefde zijn zoveelste collectieve driftbui. Als de dijken breken, gaan we d'r allemaal aan. Een journalist bemorst, beschadigd, bezweet en misselijk komt uit het rampgebied naar het eiland waar wij als waarnemers staan. Het verbodene is onderdeel van de vertoning. Vijfentwintig dure minuten zijn snel voorbij. She loves you, yeah (3×). Uit. De Beatles vluchten. Paul [McCartney] tegen een politiereus: Help! Help me. Snel een kamertje in. Bestuur staat op de deur. Buiten staat de massa achter de hekken. De vluchtauto staat klaar. Wachten tot het kan. Na een half uur wagen ze het erop. De Beatles worden in een auto geduwd. Politiemannen drukken de menigte naar buiten. De paarden steigeren. De Franse revolutie wordt uiteen geslagen. De Beatle-auto geeft vol gas. Twee volgauto's er achteraan. In het voorste rijtuig met grote achterlichten: Marie Antoinette! Het volk achter haar aan, ze weet te ontkomen, nog net, op het aller-allerlaatste moment... naar Hongkong, naar Australië, naar een nieuw gevaar. Rust is weergekeerd. Besteedde de hele dag aan Blokker-indrukken door ze driemaal op te schrijven (eenmaal in dagboek, tweemaal voor eventueel een stukje in een krant). Ol had inmiddels Henk van der Meyden al opgebeld. Geloof dat het stukje al weg is nu. Las ijverig kranten. Vol Beatles en over verboden boeken. Fanny Hill moet uit de handel. Boek van Jan Cremer in beslag genomen. Achter Wolkers schijnt de zon (mijn zoon wil nu officier van justitie worden).

zondag 5 juni 2016

Hendrik Haecxs -- 6 juni 1646

• Hendrik Haecxs (?-?) was eem koopman en lid van "den hoogen raad van Brazilië" van 1645-1654. Zijn dagboek uit die jaren si te lezen bij de dbnl.

Adij 5 Junii Martis,
Voer d'Hr. President en Ick smorgens aen lant en besagen de waterplaets, die wij seer schoon en met vers water uttet geberchte loopende bevonden ontrent 1000 passen van strant en heel effen en hart om de vaten te rollen. Vonden door ordre van den Gouverneur aldaer 4 paerden en eenige esels, daermede wij hem in comp. van de Hr. Colonel Schop2) met een convoij van 100 soldaten ontrent 4 uren marcherens gingen besoecken. Sagen onder wegens veel bocken, oock wilde gansen en hoenders, waervan wij der al eenige schooten. Ontrent het dorp coomende, daer in alles 57 kotten stonden van klipsteenen opgeset, quam ons den Gouverneur eenige passen van sijn huijs verwillekommen; voor de deure van het huijs stonden 6 negros met lange roers, die salvo schooten. Hij trakteerde ons na sijn maniere heel wel, hadden eenen os geslacht, waervan wij gesoden en gebraden vleijs aten, oock gestoofde kool en melck die heel goet was, sagender ontrent de 40 koebeesten. Den drank was schoon water, het broot waren koeckjens van mielje gebacken, heel smaeckelijck en goet, en, na dat wij ontrent de 2 uren hadden getaeffelt, leijde hij ons in sijnen tuijn daer seer weijnich groente was, met alle dese drooge tijt, alsoot er in 8 maenden niet en hadde geregent; verhaelde ons, dattet der in de regentijt, die ontrent de 4 maenden duerde, seer groen overal was, dat ooc waerschijnlijck is ut reden, dat wij alle het velt soo wij passeerden, hoewel seer klippich en steenich, met lanck drooch gras en swart van de sonne gebrant overvloedich sagen. Aen het Westendt is een soutplaet, daer d'Engelsen jaerlijcx sout coomen halen waerin haere meeste rijcdommen bestaen, als mede in het vangen van de bocken, waerna se de vellen mede aen d'Engelsen om hantschoenen te maecken vercoopen. Het vleijs derselver senden se met barcquen na Madera, gesouten en gedroocht, om tegens wijnen te trocqueren. Ontrent 3 a 4 mijlen westwaert leijt het eijlandt St. Jago, dat de Gouverneur seijt seer vruchtbaer te wesen en wel van 20.000 menschen, meest swarten, wert bewoont en geregeert van eenen bisschop, die over alle deze 10 Eijlanden inspectie heeft. Op Ilia de Maij mogen op t'alderhoochste 150 menschen wesen, waervan eenige getrouwt. De ongetroude, wat groen wordende, gaen naer St. Jago en halen daer hun herte voor 5 a 6 weken op en comen dan weerom, dat des bisschops mijter al can verdouwen sonder straffe te doen. (28) Wij namen na den middach ons afscheijt en, savents wederom aen strant bij ons volck coomende, en conden van wegen de groote barninge niet wederom aen boort coomen, soo dat aldaer mosten vernachten. S'morgens, sijnde

Adij 6 Junij,
Voeren met den dach wederom na boort, en ontrent den middach quam ons den Gouverneur met vier Gasten negros besoecken. Wij tracteerden hem wel en hielden hem snachts bij ons, maer s'morgens lieten hem, na dat wel ontbeten hadde, wederom aen lant setten. Vereerden hem een deel wit bisschuijt, kaes, gebrande wateren, spaense en franse wijn, ooc een deel gedroochde bocken [bokking], en lietense varen.

zaterdag 4 juni 2016

Cola Debrot -- 5 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.

5.6.1956
- Bij het oversteken van de Pont du Mont Blanc naar de Rive Gauche schoot mij een passage te binnen van Stendhal. Het staat meen ik in de Mémoires d'un Touriste. Hij beschouwt het als een buitenkans in Genève over de brug te lopen. Men kan uit de verte de jonge vrouwen zien aankomen. Men heeft dan de gelegenheid ze tot in de bijzonderheden op te nemen. De jonge vrouwen van Genève zijn bijzonder aantrekkelijk, meent hij; maar het duurt niet lang, zo voegt hij eraan toe, of zij vertonen de deformaties van het calvinisme. Hij meent dat de Milanese schonen (les belles milanaises) daarentegen, wat het uiterlijk schoon betreft, geen schade ondervinden van hun omgang met de jezuïetische biechtvaders.
Ik liep zojuist over de brug en vroeg mij de oorzaak af van het verschil tussen de meiskens van Genève en van Milaan. Het katholicisme is een menselijker godsdienst dan het calvinisme. Het veroorlooft bepaalde vormen van uitgelatenheid, die het uiterlijk schoon ten goede komen. Vooral waar het in Milaan niet gaat om het boven-Moerdijkse katholicisme. In ieder geval wordt de voetganger op zijn tocht van Rive Droite naar Rive: Gauche (en vice versa) ruimschoots beloond. De jonge vrouwen komen over de brug met heur schoonheden.

Jean Cocteau -- 4 juni 1952

Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar.

4 juni 1952
Snelheid van een libel, een vlieg, een insect dat zich verplaatst. De voertuigen die schotels worden genoemd zullen wel verbaasd zijn over onze traagheid. Misschien zijn ze daarom zo geïntrigeerd.
Misschien kunnen ze niet landen-kunnen ze alleen landen met behulp van speciale voorzieningen die ze in hun eigen wereld kermen.

Vanochtend nieuwe schotel waargenomen door duizenden mensen in Spanje (Malaga). Gedurende een uur, van 13.30 tot 14.30 uur heeft hij zich verplaatst.

5 juni 1952
Het is waarschijnlijk dat de schotels die op het moment overal worden gesignaleerd slechts een en dezelfde zijn die zijn formatie is kwijtgeraakt en zich benauwd afvraagt hoe hij hem weer terug kan vinden. Als ik in mijn veronderstelling gelijk heb, beleven de wezens die erin zitten een afgrijselijk drama en vliegen met duizelingwekkende snelheid van het ene naar het andere punt in onze hemel om onze aardbol een beetje te benaderen en zich als een pijl uit de boog uit de voeten te maken zodra ze zich geobserveerd voelen.
Als dit schip de afmetingen heeft die het volgens onze berekeningen moet hebben, kan het een vijftigtal wezens van onze maat bevatten, ofwel een veelheid aan wezens met de maat van een insect of misschien zelfs één wezen dat in verhouding tot ons een reuzenmaat heeft. In elk geval vertoont het gedrag van dit schip eerder een vorm van onrust dan van nieuwsgierigheid. Het imiteert het doldrieste traject van een bromvlieg gevangen in een kamer.

donderdag 2 juni 2016

Karel van de Woestijne -- 3 juni 1916

Karel van de Woestijne (1878-1929) was een Belgische schrijver. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog hield hij enige maanden een dagboek bij.

3 Juni
Ik heb vandaag een pijnlijke, tevens diep-aandoenlijke plechtigheid bijgewoond: de huwelijksinzegening van een verminkt soldaat. Zulke huwelijken zijn in den laatsten tijd geen zeldzaamheid: de jongens, ongeschikt voor verderen dienst, en die daardoor weer den vaderlandschen grond mogen betreden, vinden de trouwe meisjes terug die zich door een arm of een been minder niet laten afschrikken. Beter: de geleden verminking wordt wel eens aanleiding tot het aanknoopen van teedere betrekkingen en de wettelijke bezegeling ervan; onze dochters geven er blijk van, dat sentimentaliteit nog geenszins de wereld uit is, wat men ook mocht meenen; en zijn het de dochters niet, dan zijn het de moeders die zich, met al den invloed waar zij over beschikken, een verminderd maar roemvol schoonzoon aanschaffen; want zoo niet meer van onzen, dan is sentimentaliteit in elk geval een kenmerk van hààr tijd.
- In hoeverre zulke huwelijken aan te moedigen zijn, moge hier buiten beschouwing blijven. De meeste menschen zien hier alleen het romaneske van, ik beken, er ter wettiging niets anders in te vinden. Een geluk dat op een belooning gelijkt eenerzijds, eene opoffering anderdeels die ook iets als vaderlandsliefde wil zijn: of zij in zich de macht-der-bestendiging hebben die, in het huwelijksleven, het abnormale van een dergelijken echt kan vergeten doen: ik weet het niet. En wil er ook niet verder over redeneeren, - waar ik ieder op aarde, vooral in dezen tijd, gaarne de illusie gun die hem een oogenblik gelukkig kan maken. Opperde ik mogelijke bezwaren, dan alleen om te komen tot vermelding van het feit, dat een Werk zich speciaal bezighoudt met verminkte verloofden, en hun huwelijk bespoedigt en mogelijk maakt door het schenken van meubelen, linnen, wat weet ik al. Dit ‘Aide au Mariage’ is een nieuwe onderafdeeling van het comité ‘Aide et apprentissage aux Invalides de la Guerre’: nieuw voedsel voor de weldadigheidskoorts die de Brusselsche burgerij heeft aangegrepen, die wel eens niets anders is dan een ijdelheidsverschijnsel, maar waar de schoone zijde niet minder alle waardeering van verdient. - Of die ‘Aide au Mariage’ het, met het oog op de toekomst van het ras of zelfs maar het geluk, het gezonde en stevige geluk der echtelingen, niet mis heeft, laat ik dus buiten bespreking: ik heb gezien hoe de dames het er van ganscher harte op aanleggen om den jonggehuwden dan toch één dag vreugde te bezorgen, en verder dan toch déze verzekering: een vriendelijk en gezellig thuis. Het was ontroerend te zien hoe ijvervol zij in de kerk haar best deden om het feestelijke van den dag te verhoogen. En zij slaagden er dan ook wel in.
Anders was het huwelijk, zooals ik zei, wel eenigszins pijnlijk, hoe ontroerend ook. Bij vaderlandsche orgelmuziek die stoet, geopend door vier invalides die lastig liepen; waarna onbeholpen witte maagdekens met bloemen; en daarna het bleeke, zorgelijk-schijnende bruidje en de opgetogen, maar op zijn stok zwaar-leunende bruidegom en de heerige getuigen: er was de tragiek in, die de romantici zochten in het abnormale, het wanstaltige. - Misschien ben ik de eenige die het aldus heeft gevoeld? Ik hoop het van harte, want ik word niet gaarne een vreugdestoorder. Moge dit huwelijk dan ook gezegend wezen! Maar ik zal naar geen trouw van verminkten meer gaan zien...

woensdag 1 juni 2016

Barbara Pym -- 2 juni 1934

Barbara Pym (1913-1980) was een Engelse schrijfster. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in A very private eye. An autobiography in diaries and letters.

1 June. The last day of being sweet-and-twenty. And very sad it made me to think so. In fact at about lunch time I could have been in tears about it. In the afternoon I went with Harry to the Bath and West Show - it was lovely, though very hot. The fine bulls and pigs took my mind off Schools for a while. Among those present (also looking at the pigs) were Mr Barnicot and Count Roberto Weiss.
Supper with Jock and Lorenzo was lovely - they said I looked blonde and Aryan, like something on the cover of Die Woche! We drank sherry and Liebfraumilch and I feit a little dazed and amorous.

2 June. My 21 st birthday - and in many ways not a happy day. Was excited in the morning waiting for Links and Hilary to come. We had a good meal at the Cadena and tea in my rooms - it was very hot. They went quite soon afterwards and down the Banbury Road too. They took me with them some of the way. And I called on Henry on spec. as I was rather depressed by then. He was in, as it happened and iust going to have his tea. Then he had a bath while I read Spence's Anecdotes to him. The bath put him in rather a bad temper though. I retired to the other room and was sitting on the floor reading Goethe when Jockie came in and he was very pleased to see me. He was frightfully funny imitating Bodley's Librarian with whom he'd been to tea. I had supper with them and slipped away before 10.30. Jockie read Jane Austen to me and Barnicot played chess with Henry. When I got back I felt miserable and conscience stricken - so that I cried much in bed. Silly Sandra, but I suppose it was a relief.

4 June. I did 7 hours revision today - Wordsworth and Beowulf. It was rather cheerless. After dinner, at about 9.15, I got into a panic about Gawain and longed for congenial company. So I rushed to 86 Banbury Rd. Henry came to the door but seemed bad tempered and not pleased to see me. But Jockie was sweet - also Barnicot in his silent way - and together they managed to calm me. Henry drove me home, and was surprisingly sweet. He told me to try and get to bed early and said I was to come and see them whenever I liked. I loved him for being a little kind - it made such a difference.