dinsdag 31 mei 2016

Mart Smeets -- 1 juni 2012

Mart Smeets (1947) is sportverslaggever en -commentator. In 2012 schreef hij Dagboek van een sportgek. Foto: Iris Vetter.

Vrijdag 1 Juni
Vandaag de hele dag gesleuteld en gepuzzeld aan kleine artikeltjes voor de VARA Gids. Deze radiobode (zoals we die bladen vroeger noemden) is veelzijdig, goed gemaakt en heerlijk om voor te werken. Je kunt er genoeg 'sport' in kwijt en ondanks het soms zo dreinerige VARA-toontje (vaak niets mis mee) lezen veel mensen het. Deze gids is een fraai voorbeeld van hoe je in een digitale tijd nog een mooi, actueel en zelfs hip blaadje uit kunt geven.
Ik zit 's ochtends met de kaart van Frankrijk en wel 17 boeken voor mijn neus en ga opzoeken. Wie won waar, was dat noemenswaard? Nederlanders erbij?
Dan komt het moeilijkste deel: binnen de toegestane lijntjes proberen te schrijven. Dus niet ongelimiteerd doorknallen, maar de zaak beknopt en leuk zien te houden. Dat is vandaag een hels werk. Ik heb voortdurend de neiging uit te breken, maar weet meteen dat ik dan de redactie in Hilversum tot wanhoop ga brengen.
Ik mag maar een beperkt aantal woorden per etappe gebruiken en wil daar aardigheden en wetenswaardigheden in kwijt kunnen. Ook in deze beperking moet ik mij meesterlijk gedragen en dat lukt met moeite. Ik zit uren te schaven en te passen voordat ik de teksten wegstuur. In feite heb ik nu de Tour al gereden.
Als ik de boeken met Touruitslagen opgeruimd heb, zie ik dat ik ruim zes uur bezig ben geweest. In een doodstil huis. Soms een kop koffie en in het midden een dubbele boterham met kaas. Wie zegt daar dat je de Tour niet op juist die ingrediënten kunt rijden?
Later op de avond lees ik het bericht dat Bas Dost naar de Duitse club VfL Wolfsburg vertrekt. Ze denken daar dat hij in de Bundesliga net zo makkelijk gaat scoren als hij in de eredivisie voor Heerenveen deed. Daarover gaat een deel van ons tafelgesprek. Tussen de lamsbout en de Argentijnse wijn door voorspel ik dat dat niet gaat lukken. Dost lijkt me wel een prettig te interviewen voetballer. Hij moet in korte tijd veel van Gerald Sibon opgestoken hebben.
Karen vraagt me wie ik van het huidige Nederlands elftal het liefst groot voor de camera en gemonteerd zou willen portretteren. Met als opdracht dat het leuk, informatief en verrassend moet zijn. Ik peins me suf. Ik ben geneigd Bert van Marwijk te zeggen, maar dat is een te makkelijk antwoord. Het moet een speler zijn. Omdat ik ook lees dat Jetro Willems de volgende avond waarschijnlijk weer zal spelen tegen Noord-Ierland, noem ik zijn naam. Eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee wie hij is, waar hij vandaan komt en wat hij kan. Ik dacht altijd dat de linksback van PSV Pieters heette. Kan je nagaan hoe goed ik de laatste tijd opgelet heb.
Op de tweede plaats van mijn voorkeurslijstje komt Dirk Kuijt. Over voetbal, geloof, Katwijk en de wereld waarin hij terechtgekomen is.
Hoe komt het toch dat er zo weinige goede, interessante, langere portretten van Nederlandse voetballers gemaakt zijn? Ik kan ze me nauwelijks herinneren. Sierd de Vos sta op.

Jacob van Lennep -- 31 mei 1823

Jacob van Lennep (1802-1868) was een Nederlandse schrijver. In 1823 maakte hij met zijn vriend Dirk van Hogendorp een petit tour door zomers Nederland. Van deze tocht hield hij een dagboek bij, onder de titel Nederland in den goeden ouden tijd.

Zaturdag 31 Mei.
Te 6 ure opgestaan zijnde en ons ontbijt, uit een glas melk bestaande, gebruikt hebbende, traden wij te 7 ure de Koepoort uit, en vervolgden door de optrekjens en breede iepenlaan onzen tocht over den straatweg, die in 1660 aangelegd, sinds dien tijd slecht onderhouden is door de schuld der boeren welke hem gedurig schrobden. Bijna onmogelijk is het hem te berijden, zoo ongelijk en gebroken zijn de klinkers. Noch is er geen voetpad en geen zand over den weg, 't geen voor den voetganger lastig is. Voor drie jaren werd door keuren van den schout de weg overal geboend; 't geen een zonderling gezicht moet opgeleverd hebben. De fraaie en zeer bezochte herberg de Nadorst voorbijgegaan zijnde, kwamen wij door het dorp Westerblokker en daarna aan Oosterblokker, waar wij ons verfrischten; het derde dorp is Westwoud, waar de kerk zeer vervallen is. Aan het tolhek naar Medemblik rusteden wij een half uur uit, en traden vervolgens Hoogkarspel en Lutjebroek door. Te Groote Broek rusteden wij weder een kwartier uit en kwamen vervolgens door Bovenkarspel te Enkhuizen. Al de bovengenoemde dorpen zijn aaneengeschakeld en zeer aardig aan den weg gebouwd: de boerenwooningen zijn groot en schoon, meest met zestig à honderd morgen lands voorzien (bij de stad ƒ 300 à ƒ 400, verder wel ƒ6oo à ƒ 1000 waard) doch veelal door de groote weelde der boeren met hypotheken bezwaard.
De stad doorloopen hebbende kwamen wij te 12 ure in de herberg de O. I. Toren aan; waar wij ons goed, dat wij van Amsterdam derwaarts gezonden hadden, vonden, en ons middagmaal bestelden.
NA het gebruik van karbenaden, ons gewoon middagmaal, bezochten wij den Heer DUYVENSZ* adv. en notaris, aan wien wij evenals aan den heer PAN door den Hoogleeraar TYDEMAN* uit Leyden aanbevolen waren. Het onthaal was zeer vriendelijk. Mev. DUYVENSZ die van haar spraakvermogen beroofd is, schonk ons thee. Na een zeer leerrijk gesprek bezichtigden wij onder geleide van gem. heer het stadhuis, dat buitengemeen fraai is. Al de vertrekken lopen op een groot en prachtig gebeeldhouwd bovenportaal uit. Van den toren leverde ons de zee, welke de uitgestrekte stad bespoelen komt, en de Friessche kust die aan de overzijde uit de wateren zich verhief, een trotsch en bekoorlijk schouwspel op. De stad rondwandelende, vonden wij dezelve in een bedroevend en diep verval. Overal waren de schoonste huizen gesloopt, en die nog bestonden dreigden in te storten of stonden alleen, als treurden zij eenzaam op een kerkhof. Groote grasweiden, waar runddieren, paarden of schapen liepen vertoonden zich daar, waar voorheen trotsche gebouwen stonden: de magazijnen der eens zoo bloeiende Oost Indische Compagnie bestaan niet meer, slechts een huisgezin, dat nog meest te Leyden woont houdt nog koets en paarden, terwijl er in 1800 achttien waren, die zulks doen konden; de kleine visscherij* levert weinig meer op; en de groote (haring)visscherij is bijna geheel vervallen. Vele oorzaken hebben hiertoe samengeloopen: de eerste is dat de haring visscherij niet meer zoo uitsluitend door onze natie wordt verricht als te voren, dat andere volken er zich mede bemoeid hebben en zelfs eenigzins het kaken hebben nagebootst. Daar nu hun haring veel goedkooper is, en de Russische boeren, bij welke veel consumptie van die visch is, weinig het onderscheid in smaak proeven, wordt die meer op den duur door hun gezocht dan de onze, die duurder is; ook heeft de haring zijne vorige standplaatsen verlaten; verscheidene visschers hebben dus om maar visch te huis te brengen zich onder de kusten begeven en daar hom- of kuit-zieke haring gevischt; andere verzuimden de haring welke 's avonds niet gekaakt was, over boord te werpen en kaakten dus den volgenden dag doode visch; hierdoor ontving de oude naam der Hollandsche haring een geweldigen knak; de meeste schuld echter ligt bij het aannemen van vreemde schippers, die zich het kaken slecht verstonden of min naauwgezet te werk gingen. Zoo verloren nu in het vorige jaar de reeders alles wat zij tot de uitrusting besteed hadden, 't geen ruim een ton bedroeg; de heer ABEGG, die van den koning van Pruissen geene premie voor de haringvisscherij erlangen kon, kwam in 1821 met vierentwintig buizen van Emden naar Enkhuizen, alwaar hij in triomf werd ingehaald, zoo zelfs dat de paarden van voor zijn rijtuig afgespannen werden, en hij door 't gepeupel voortgetrokken. Dan in twee jaren schoot hij ƒ 100.000 bij de visscherij in; hierom zendt hij dit jaar slechts de helft zijner buizen uit; de stad zal indien hare visscherij dit jaar even onvoordeelig uitvalt, dezelve geheel laten varen. –
Na eene wandeling langs de zeekant, zagen wij een lief en stil meer aan de stad gelegen: hier vermaken zich de Enkhuizenaars met zeiljachten, welke wij wat verder in gereedheid zagen brengen; sommige waren zeer net beschilderd. – Als eene bijzonderheid merkte ik op dat men aan de huizen waar een sterfgeval plaats had gehad, een zwarten lanfer* voor de deur hing.
Te negen uren, te huis gekeerd, verlustigden wij ons met het treflijk uitzicht over den haven op de groene golven, welke met booten bedekt waren en welke de ondergaande zon als zoovele smaragden deed schitteren. Kort daarop werden wij verzocht ons beneden in de societeit te bevinden, waar wij behalve onzen vriendelijken leidsman, zijnen schoonvader den Burgemeester VAN DER WILLIGE* een academievriend van den grave VAN HOGENDORP, den heer notaris HUNNINK* en andere heeren vonden. Spoedig geraakten wij onder het wijndrinken in algemeen gesprek. Over Urk spreekende, zeide VAN HOGENDORP dat hij den schout dier plaats bij den koning gezien had. Hierop ontstond een algemeen gelach, want juist was de Heer HUNNINK sints kort schout van Urk geworden. – Niet lang daarna verscheen ook de heer ABEGG, een grijzaard van een achtingswaardig voorkomen, met wien ik spoedig zeer gemeenzaam raakte. Toen ik op de voorspoedige reis zijner buizen dronk, zeide hij mij dat de Hollanders veel gelds verloren hadden, doch dat dit te herstellen was; maar dat zij veel van hun vorigen goeden naam kwijt waren en dat dit onherstelbaar bleef, hij spelde veel goeds uit onze reis en dronk op dezelve. Terwijl ontfingen wij van alle kanten aanzoeken om koffi enz. bij de menschen te komen drinken; dus verliep de avond zeer aangenaam en wij trokken van de laatsten weg.

zondag 29 mei 2016

John Cheever -- 30 mei 1960

John Cheever (1912-1982) was een Amerikaanse schrijver. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands vertaald (door Frank van Dixhoorn) als Verscheurde stilte.

Memorial Day. Een nieuw notitieboek. Een man met een gepoederde pruik en een tricorne loopt met een grote trom langs de drankzaak. Ik neem mijn jongste zoon niet mee naar de optocht, wat ik twee jaar geleden nog wel zou hebben gedaan. Zo oud ben ik geworden, of schichtig. Ga met Ben naar 'The Bridge on the River Kwai' en denk aan X. die last heeft van zwaarmoedigheid en door de stad loopt, op zoek naar films waarin gestorven wordt, afschuwelijk en abrupt, films over martelingen, aardbevingen, overstromingen en moordaanslagen - elke variant van menselijk leed waardoor zijn eigen toestand wat minder erg zou lijken. Als ik in de bioscoop zit vraag ik me af of deze cafarde, dat eindeloze hunkeren, die mysterieuze, ontzettende zwaarmoedigheid waar ik last van heb misschien niet meer is dan simpel alcoholisme. Dus ik kijk vol verlangen naar de zachte sterren, maar die zullen me niet helpen. Ik denk aan morele crises, maar wat weet ik eigenlijk van onthouding, van zelfdiscipline?

• De menselijke ellende beschrijven, ingrijpend en onafzienbaar, zonder een sfeer van ontkenning te creëren. Ellende ontdoen van zelfbeklag en morbiditeit, pijn verheffen. Maar kun je zo iets doen - kun je omgaan met tragiek - zonder een beetje moreel gezag, een beetje gevoel voor goed en kwaad?

• Nu ik minder gedronken heb dan normaal of (zoals mijn vader zou zeggen) niet reeds vol zit, voel ik me voor het eerst sinds lange tijd vrij van de cafarde. Kwart voor negen. Zomertijd. Wat zou het makkelijk zijn om dit gewoon te zien als een kwestie van zelfdiscipline. Regen en donder halverwege de middag, de eerste van de maand. Onze oerangst voor droogte en de gevolgen daarvan voor het gewas, in dit geval ruim een hectare gazon en drieënveertig rozestruiken.

zaterdag 28 mei 2016

Alexander Ver Huell -- 29 mei 1864

Alexander Ver Huell (1822-1897) was een nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.

29.
Engelberts is bij mij geweest. Nu wordt het mij duidelyk waarom veel menschen na het afbreken van mijn engagement tegen mij party kozen. - Engelberts verzekert mij dat de H.r Quarles van Ufford zijn schoonvader hem verteld had dat iemand mij met een vrouw in Rotterdam over straat had zien gaan kort voordat mijn engagement af was. Van morgen gaf ik hem dezen brief aan zijn schoonvader mede.
Hoog Welgeboren Heer
Henri verzekert mij dat aan UE. is verhaald - dat iemand mij kort voor het afbreken van mijn engagement in Rotterdam in gezelschap eener vrouw, over straat heeft zien gaan. Ik doe nu, wat elk man van eer, en U zelf, in mijn plaats doen zoû - en verzoek u mij de naam te willen noemen van hem die U deze lasterlyke onwaarheid mededeelde Met de meeste Hoogachting enz: -

1 Junij
Ontving een brief van de vrouw van Henri Engelberts die mij verzoekt aan de zaak geen gevolg te geven om Henri niet in verlegenheid tegenover zijn schoonouders te brengen. - Zij schrijft ‘de bron waartoe u zoû opklimmen is welligt een burgerman of schooljongen, die zal gedacht hebben u te zien. -’
N.B. ik was vóór den eten terug en 's morgens naar Rotterdam gegaan, had even den tyd om bij Hancken een kies te laten plombeeren en mijn oude knecht Termate te bezoeken, deed dit in een vigilante en sprak niemand.
Ik antwoord Mevrouw, dat ik om de oude vriendschap voor Henri de zaak zal laten rusten, maar dat zij moet bedenken dat zij mij verhindert een lasteraar te ontmaskeren, dat die leugen fatalen invloed kan gehad hebben en in de toekomst uitoefenen op mijn lot, en dat ik wensch dat zij en haar kinderen voor dergelyke onverdiende en eenzijdige veroordeling mogen bewaard blijven enz. -

2 Junij
Gisteren de Rotterd.e laster aan den H.r de Waldkirch Ziepprecht mededeelende vernam ik een geheim omtrent de geboorte van Marie Anemaet dat mij tijdens mijn engagement anoniem gemeld werd, doch door mij als een onwaarheid verworpen werd. - doch nu opnieuw mij dankbaar doet zijn dat ik den moed had dat voorgenomen huwelyk af te breken. - Ik begrijp de geste van den ouden H.r A., toen hij eens op een middag met de handen aan het hart voorover gebogen wegsprong uitroepende ‘de groote confidence komt nog naderhand!’ - waarvan ik toen niets begreep en naauwlyks op lette. 4 Junij Gisteren avond ging ik neerslachtig, denkende over die nieuwe en mogelyk alom verspreidde calomnie, naar bed. - Ik stond later op - nog in een gedrukte stemming. - Er lagen boeken der bezigtiging en daaronder ‘Physiologie des écrivains et artistes, par Emile Deschanel. Paris 1864. -’ Ik sloeg het op en mijn oog viel terstond op deze passage. -
‘Heureux les nobles coeurs et les rares esprits qui gagnent la maturité sans perdre le désintéressement! qui, en acquirant la prudence de l'âge viril, conservent la générosité de la jeunesse! qui ont la passion avec la réflexion, la conscience avec la science! qui, sans trop estimer l'humanité, l'aiment quand même, et se dévouent à son bonheur, tout en comptant sur son ingratitude! Ceux là sont ses élus, marques du sceau divin! “Pauci quos aequis amavit Jupiter!”... ceux là dont dignes de toute sympathie! - de toute persécution, de toute calomnie! La calomnie n'a-t-elle pas, souvent, la dernière récompense du devoir accompli, la suprême couronne de la conscience triomphante au sein de l'obscurité et de l'abnégation?’**
Bij het lezen dezer edele taal kwamen de tranen mij in de oogen en alle droefheid week als een nevel voor de zon. - Hoe dikwijls is het mij al niet in mijn leven gebeurd dat zoo een boek of een passage uit een boek mij op den juisten tyd onder de ogen kwam.


**
Welzalig die edele harten en zeldzame geesten die tot rijpheid komen zonder hun belangeloosheid te verliezen!, die bij het bereiken der mannelijke leeftijd de edelmoedigheid van de jeugd weten te behouden! die hartstocht naast bedachtzaamheid, geweten naast kennis bewaren! die, zonder de mensheid te hoog te achten, haar toch liefhebben en zich wijden aan haar geluk, met inachtneming van hun ondankbaarheid! Juist zij zijn zijn uitverkorenen, afdrukken van het Goddelijk zegel! Pauci quos aequis amavit Jupiter (Er zijn weinigen die Jupiter onder de rechtvaardigen bemint) ... Zij zijn alle sympathie waardig! - alle vervolging, alle laster! Leidt de laster niet vaak tot de laatste beloning van plichtsvervulling, tot de hoogste kroon van het zegevierende geweten temidden van duisternis en verguizing?
(De herkomst van het Latijnse citaat kon niet worden achterhaald).

Philip Mechanicus -- 28 mei 1943

Philip Mechanicus (1989-1944) was een Nederlandse journalist. Tijdens zijn gevangenschap in Westerbork hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als In dépôt (1964).

Vrijdag 28 mei '43
Vandaag een nieuwe broeder gekregen, die zich aan alle honderd patienten op zaal heeft voorgesteld en hun een handje gegeven. Zeer ongebruikelijk op Westerbork, waar een broeder komt en gaat, zonder meer. Klaarblijkelijk een fatsoenlijke kerel. En een beroepsman, dat is 'm aan te zien. Pas aangekomen. Hij ziet er kraakzindelijk uit: hagelwitte verplegersjas, die blinkt en schittert tegen de smerige, gore jassen, waarin de meeste andere broeders rondscharrelen. Gebrek aan zindelijkheid. Sinds gisteren schoonmaaksters op zaal in plaats van schoonmakers, die op transport zijn gegaan. Zij staan onder leiding van een hoofdman, every inch a gentleman, hoog, aristocratisch gebouwd, kaarsrecht, die letterkundige aspiraties heeft en van wiens hand ik een toneelstuk onder mijn kussen ter lezing heb. De schoonmakers plachten praatjes, en vaak vervelende, praatjes tegen de patienten te houden; nu houden de patienten praatjes, en vaak vervelende praatjes, tegen de schoonmaaksters. Wat een weelde voor het oog jonge, aardige vrouwen, die goed-gekleed rondgaan, de een in een broek, de andere in rokken. Roosjes in een zandvlakte! Ze gedragen zich dapper. Ze zijn niet verbitterd, maar hebben galgenhumor. Hun devies is: ze krijgen er ons niet onder, nóóit! Ze vegen en schrobben, alsof ze nooit anders hadden gedaan: elk pannetje, elk paar schoenen, elk stoeltje, elk pak kleren verplaatsen zij angstvallig om géén stofje te laten liggen, geen plekje droog te laten. Had je die boenders van schoonmakers moeten zien: met de Franse slag hoor! Hoe lang zullen de vrouwen haar plichtsopvatting op dit hoge peil handhaven. Op bezoek geweest bij kamparts v.d.R. Woont in een kamertje van ± zestien m3 met vrouw, volwassen zoon en dochtertje. Vertelde mij, dat hij vandaag een geval van poging tot zelfmoord heeft gehad: moeder en twee kinderen. Tijdig ingegrepen en op vrouw psychisch ingewerkt. Aantal zelfmoorden groot: gemiddeld vier per week. In mijn barak heeft een week of zes geleden een man van ongeveer zeventig jaar een poging gedaan om door ophanging een eind aan zijn leven te maken. De tachtigjarige moeder van een mijner vrienden heeft dezer dagen bij aankomst te Westerbork door het innemen van medegebracht vergif zelfmoord gepleegd. Dokter v.d.R. was sterk onder de indruk van de ellende waarvan hij dagelijks getuige is, en van de wekelijkse transporten. Hij achtte Engeland medeplichtig aan het lot en de vernietiging van de Joden, omdat het, ofschoon wetende wat er gaande is, niet met meer kracht ingrijpt om Duitsland tot rede te brengen. Het moest Berlijn platgooien, desnoods met mosterdgas behandelen, dan was de oorlog binnen zes weken uit. Als Engeland de vernietiging van de Joden niet tegenhield, zou hij wensen dat Duitsland de oorlog won, als straf voor Engeland. Het Duitse volk moest worden uitgeroeid, gesteriliseerd. De arts liet zich drijven op zijn sentiment en verloor alle objectiviteit uit het oog, barstte tenslotte in snikken uit en sloeg zijn vuist op tafel. Overspannen. Geen wonder. Maar het is opmerkelijk, dat een zeer groot percentage der onontwikkelde Joden er een soortgelijke gedachtengang op na houdt als de dokter: Engeland en Amerika kunnen, als zij willen, op korte termijn < een einde > aan de oorlog maken, maar zij willen niet omdat zij er op wachten totdat Duitsland en de Sovjet-Unie elkaar voldoende hebben afgemat. De wapenfabrikanten hebben te groot financieel belang bij het voortzetten van de oorlog. Engeland heeft lak aan de Joden. Engeland heeft zich te laat voorbereid. Joden zeggen: wat kan het mij schelen wie de oorlog wint als ik er niet bij ben? Slechts een enkeling is bereid, zichzelf over het hoofd te zien en de krachtenverhouding tussen Engeland en Amerika, en Duitsland en Italië, volgens objectieve normen in ogenschouw te nemen. Het is ook niet gemakkelijk, wanneer men thans week-aan-week een paar duizend Joden als vee ziet opeendrijven in een trein, die hen naar een onbekende bestemming brengt en nog nooit één Jood heeft teruggebracht om verslag uit te brengen. Dan is men vanzelf geneigd in zijn politieke vrienden, die niet op de gewenste tijd hulp brengen, zijn vijanden te gaan zien. Bewustzijnsvernauwing.

donderdag 26 mei 2016

Ed van Thijn -- 27 mei 1977

Ed van Thijn (1934) is een Nederlands politicus. In zijn Dagboek van een onderhandelaar beschrijft hij de mislukte coalitiebesprekingen m.b.t. het beoogde kabinet Den Uyl II, die duurden van 25 mei-11 november 1977.

Vrijdag 27 mei
De dag begint met goed nieuws. De schoolkinderen, ziek geworden, zijn vrij. ‘De natuur heeft ons een handje geholpen,’ hoor ik Van Agt voor de radio zeggen. Niettemin blijven de gijzelingen de gemoederen flink bezighouden. Het einde is nog niet in zicht.
Ook Den Uyl blijft onafgebroken in touw. Gelegenheid voor rustig overleg is er niet. De formatie kan nog niet echt op gang komen. In de media nemen de nabeschouwingen over de verkiezingen en de voorbeschouwingen over de formatie alweer snel een ondergeschikte plaats in. Ik maak van de gelegenheid gebruik om wat persoonlijke zaken te regelen, zoals de verlenging van mijn pas. De vakantie is immers niet ver meer weg.
Aan het eind van de middag bevind ik me telefonisch in het VPRO-programma Welingelichte Kringen. Ik versta de vragen nauwelijks, hopelijk zij de antwoorden niet. Wie is er op dit moment eigenlijk welingelicht? Ik in ieder geval niet.
Met tegenzin ga ik 's avonds naar Haagsche Kringen. Iets nieuws heb ik niet te melden. Natuurlijk loop ik prompt weer op tegen de hamvraag: formateur of informateur? Ditmaal is Philip Freriks de blijde boodschapper. Ik zeil er quasi-handig omheen en sta versteld van de verlegenheidsargumenten die me te binnen schieten. ‘Normaal gesproken, als je naar de verkiezingsuitslag kijkt, dan zeg je, er is geen vuiltje aan de lucht. Laat Den Uyl maar beginnen en in de kortste keren heb je een kabinet. Maar ik geloof dat je in dit land helaas naar twee dingen moet kijken: in de eerste plaats de verkiezingsuitslag en in de tweede plaats hoe interpreteert een partij als het CDA die verkiezingsuitslag. En dat is nog een hele klus om daar achter te komen.’ Struikelend over de kabels verdwijn ik weer uit het beeld.
Na afloop, als het échte Haagse programma aanvangt in het restaurant ‘de Bistroquet’, heb ik een heftige woordenwisseling met Harry van Wijnen. ‘Joop heeft de verkiezingen gewonnen ondanks de meerderheidsstrategie. De partijstrategen mogen wel een toontje lager zingen,’ aldus Harry. Ik bestrijd de tegenstelling. ‘Wij hebben Joop tot inzet gemaakt van de machtsvraag. De kiezers hebben geweten dat Joop alleen terugkomt als de PvdA groter zou worden dan het CDA. Dat is een riskante bezigheid geweest, maar het heeft gewerkt. De nek-aan-nek-race met het CDA heeft de opkomst sterk bevorderd. Trouwens, je moet over de verkiezingen heen kijken. Zie jij Joop functioneren als gevangene van een kabinet zonder progressieve meerderheid?’
Het antwoord lees ik enkele dagen later in Het Parool. Den Uyl heeft nog steeds gewonnen ondanks de ‘catechismus van de strategie-wiskundigen.’

woensdag 25 mei 2016

Gerard Bilders -- 26 mei 1862

Gerard Bilders (1838-1865) was een Nederlandse schilder. Zijn brieven en dagboek zijn te lezen bij de dbnl.

26 Mei. - Ik heb tegenwoordig allerlei avondgedachten en maak schilderijen met landschappen, die en silhouette tegen cadmium-luchten uitkomen. Men weet niet, hoezeer de stad alles verandert! Dat leven in steen rondom, geen gezigteinder, bijna geen hemel te zien, dat alles rigt den geest geheel anders. Het is onmogelijk, dat men niet zou veranderen, als men altijd gewoon was buiten te leven, met veel eerbied voor de tijden van olim, toen alles nog zoo goed was en de menschen zooveel eenvoudiger, sterker, opregter en beter dan nu, zoo als alle oude lieden beweren, omdat ze spreken van den tijd, toen zij jong, verliefd en vrolijk waren, en natuurlijk minder vervelend dan nu.

dinsdag 24 mei 2016

Mensje van Keulen -- 25 mei 1976

Mensje van Keulen (1946) is schrijver. In 1976 hield ze een dagboek bij dat is gepubliceerd als Alle dagen laat (2006).

23 mei
Loesberg* belde gisteren af. ‘Ik kom vanavond niet,’ zei hij, ‘omdat ik niet met de trein durf.’
We zouden hem terugbellen.
‘Daar begint de chantage,’ zei ik. ‘Moet ik hem soms als een vorst gaan halen? Ik geloof niet in verzonnen fobieën.’
Later heette het dat hij niet durfde omdat hij ons niet wou vervelen, maar ook: ‘Een Loesberg laat zich niet ontbieden.’
Hij wil gelijk hebben, hij moet gelijk hebben, hij vindt dat hij gelijk moet hebben. Het opscheppen, het minderwaardigheidsidee, de Latijnse citaten, er dan weer prat op gaan dat hij mulo heeft, en maar zeggen: ‘Je begrijpt me niet, o, je begrijpt me niet.’

Een dag eerder:
‘Sorry, m'n mond vol, ik eet net m'n tweede karbonade. Weer per abuis, haha, twee gekocht.’
Als een van zijn personages. Henk had hij trouwens een paar uur eerder hetzelfde verteld.
Dat zijn eerste column door het Handelsblad geweigerd is, is vervelend. Het was een wat pedant stukje, meer een uittreksel, maar niet onaardig. Zelf was hij bang dat het te hard was omdat hij jezuïeten huichelaars had genoemd. Alsof dat iets nieuws is. Nee Loes, net zo min als de uitdrukking die je gebruikte toen je Bernlef de grond in wilde boren: ‘Daar veeg ik mijn reet mee af’. Dat stuk over B. is toen trouwens niet in pc gekomen.
Theo S. en ik moeten nu doorzetten bij de ns om schadevergoeding voor hem te krijgen. Schade!
Hij zei ook: ‘Ik ben destijds uit pc gegaan, omdat mijn stukken slechter werden en dat zou mijn reputatie schaden.’
In werkelijkheid liet hij de jongens met hun blad stikken. Hij leverde geen stukken, kwam niet plakken, niet vergaderen. Ze hebben hem eruit gegooid.

25 mei
De tv staat aan zonder geluid (weer zo'n ‘Nacht van het hart’. Om een kwaal van te krijgen.) Ik ben hier gaan zitten om te werken. Een ik-persoon en toch zijpaden in willen slaan: het lijkt te stranden. Boven kijkt Dirk W. foto's door voor Het Gewicht. Mijn katten hebben zich verstopt voor zijn hond Karel, die alles wat beweegt reuze interessant vindt. De bangste kat - malle kat - blaast naar hem, maar geeft onderwijl kopjes aan het meubilair.
Loesberg* belde gisteren om te horen of ik boos was.
‘Dat ontbieden meende ik niet. Mijn hoofd is in de war. Ik durfde écht niet. Ik word gek. Alles is onzin. Er staat een emmer vol stinkende slipjes van haar. En een kopje thee, vol... Nee, ik gooi het niet weg omdat het me niet interesseert... Omdat het onzin is. Op de dag van haar dood rukte ik me af en de dag erna en... m'n hoofd is in de war, seks, alles. Ik koop steeds dubbele porties... Nee, in de winkel dringt het niet tot me door! Thuis pas. Vijf kilo aardappelen, drie kilo om weg te gooien. Uitgelopen. Het ergste vind ik het geld.’
Heen en weer. Ernst en spel. Golven van medelijden en ergernis wisselen elkaar af.
‘Eens zullen wij vijanden zijn, water en vuur! Eens zal ik in het gekkenhuis zitten.’
‘Lieve Loes, je zegt maar wat.’
‘Ik wil je niet vervelen, nou klaag ik weer... Als kinderen bellen of als de telefoon gaat ben ik bang... Kijk, als ik nou die man van het Handelsblad was en er was een zielige jongen die een stukje inleverde dat me niet beviel, zou ik het plaatsen.’
‘O ja? Jij? Allemaal de gaskamer in, is een van je stokpaardjes.’
Waarna hij lacht als voorheen.

Vanmiddag:
‘Ja, met mij. Weet jij iemand voor mijn katten? Straks vermoord ik ze, net als in m'n verhaal weet je wel.’
‘Met je katten heb ik meer meelij dan met jou.’
Ik geloof absoluut niet dat hij zoiets doet, maar heb hem toch het adres gegeven van een echtpaar met een huis vol kleine zwervers, bij de Laan van Meerdervoort, waar mijn moeder wel eens ‘een extraatje’ brengt.
Muhammed Ali - Richard Dunn. Bonka bonka, het is snel afgelopen. Vroeger kreeg ik er tranen van in mijn ogen. Maar ze willen het toch zeker zelf. En zal een ander daar dan een moraal op moeten trekken? Voor mijn part gaan er meer de ring in, dag en nacht, het zou er een stuk rustiger van worden.


*Aantekening
Robert Loesberg overleed in december 1990.
Hij schreef de roman Enige defecten en de novellenbundel Een eigen auto.

maandag 23 mei 2016

W.B.E. Paravicini di Capelli -- 24 mei 1804

• Het reisverslag van W.B.E Paravicini di Capelli (1778-1848) is opgenomen in Reize in de binnen-landen van Zuid-Africa.

Donderdag den 24 Mei, deze dag bleven wy op deze plaats vertoeven, met voornemen de zeekoeyen op te zoeken. Des morgens was het weder te betrokken en wy waren genoodzaakt tot des middags te wachten.
De Heer Laubscher liet ons een oude slaaf zien, die zy reeds by Erffenis van hun grootvader hadden, en die over de honderd en twintig jaren ouderdom had bereikt. Deeze man kwam nog alleen van zyn hutje na het woonhuis, en verhaalde ons, dat hy te Java geboren was, en reeds by de honderd jaren hier in het land was geweest. Hy was reeds voor het jaar 1700 geboren, en had beleefd dat van de Kaapstad niets bestond als de kerk, de werff, het Compagnies-huis en het Kasteel, welk laatste hy nog heeft zien vergrooten en agteruitzetten. Hy had zelfs de baake van possessieneming der St. Helenabaay gesteld, en noemde nog verscheide officieren welke hy toen zeide gekend te hebben, zoo als zelfs de oude kapitein Warneck, vader van de nog levende, dog reeds gryze gepensioneerde kapitein van dien naam; op Batavia had hy reeds twee predecesseuren van de Gouverneurs Van Dongen en Patras gekend. Deze man heeft nog een staal geheugen en geene gebreken hoegenaamd, als een zwak gezicht, hy heeft nog twee zoons waaronder een van byna dertig jaren; zyn vrouw is eene Namacqua Hottentottin van circa 50 jaren. Gelukkig dat deze gryzaard by lieden woont, die hem wezentlyk met zorg oppassen. Sints de leeftyd van deze lieden heeft hy geen werk meer gedaan en eet van de tafel der Eigenaars; wy bewonderden hem met vermaak.
Des nademiddags wandelden wy naar den oever der Bergrivier, zynde een half uur van de woning, daar wy chaloup vonden, met welke wy de rivier oproeyden, met voornemen van zeekoeyen te zoeken, dat ons dog mislukte. Wy kwamen toen reeds de maan op was, aan de plaats van Fredrik Kersten, leggende aan de rechter oever, daar wy een ogenblik vertoefden, en het was reeds laat in den avond toen wy aan ons Logement terug kwamen, werwaards wandelende wy wel het spoor vonden, en ook het gebrul van Hypopothamussen hoorden, zonder iets te zien.

zondag 22 mei 2016

Robert Graves -- 23 mei 1915

De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.

23 mei. 's Ochtends hadden we compagniesexercitie. Erna lag ik met Jones-Bateman in het warme gras en keken we naar de vliegtuigen boven de linies, achtervolgd door een hele sliert witte wolkjes van ontploffende granaten, 's Avonds ben ik met een corveeploeg naar Vermelles les Noyelles gegaan, om er aan een tweede verdedigingslinie te werken - loopgraven en prikkeldraadversperringen aanleggen onder leiding van een genie-officier. Maar de grond was hard en de mannen waren doodop toen ze om twee uur 's nachts terugkwamen, nadat ze de hele weg hadden gezongen. Ze hebben een liedje over de foerier, sergeant Finnigan, op de wijs van het Leger-des-Heilslied 'Witter dan de sneeuw':
Kalmte onder vuur,
Kalmte onder vuur,
Pas nog onderscheiden
Voor het jatten van ons rantsoen,
Kalmte onder vuur.

Nu is hij aan de zuip,
Nu is hij aan de zuip,
Pas nog onderscheiden
Voor het drinken van onze rum,
Nu is hij aan de zuip.
Het refrein is:
Witter dan de zoete kokosmelk,
Witter dan de zoete kokosmelk,
Was me in het water
Waar je vieze dochter in gewassen is
Dan word ik nog witter dan die
Zoete kokosmelk,
Melk,
Melk,
Ooooo help.
Finnigan geeft niets om de laster.
Twee jonge mijnwerkers, van een andere compagnie, hadden een hekel aan hun sergeant, die de pik op hen had en ze steeds weer de smerigste en gevaarlijkste baantjes gaf. Toen ze waren ingekwartierd, zette hij ze op rapport voor dingen die ze niet gedaan hadden; daarom besloten ze hem te vermoorden. Later meldden ze zich bij het bataljonshoofdkwartier en vroegen de adjudant te spreken. Dat was tegen dè voorschriften, want een gewoon soldaat mag zich niet tot een officier richten zonder een onderofficier van zijn eigen compagnie als tussenpersoon. De adjudant zag hen toevallig en vroeg: 'Goed, wat willen jullie ?'
Ze sloegen in een correct saluut hun hand tegen de kolf van het geweer over hun schouder en zeiden: 'We komen melden dat het ons erg spijt, adjudant, maar we hebben onze compagniessergeant-majoor doodgeschoten.'
De adjudant zei: 'Goeie genade, hoe is dat gebeurd ?'
'Het was een vergissing, adjudant.'
'Hoe bedoel je, stomkoppen dat jullie zijn? Dachten jullie soms dat hij een spion was ?'
'Nee, adjudant, we dachten dat het onze pelotonssergeant was.'
Dus werden ze allebei door een krijgsraad veroordeeld en door een executiepeloton van hun eigen compagnie voor de muur van een nonnenklooster in Béthune gefusilleerd. Hun laatste woorden waren de strijdkreet van het bataljon: 'De Welch stoten door!' (Ze zeggen dat een zekere kapitein Haggard dat tijdens de slag bij Ieperen als eerste heeft geroepen toen hij dodelijk was gewond.) De Franse militaire gouverneur was bij de executie aanwezig en hield een toespraakje waarin hij zei hoe roemvol Britse soldaten kunnen sterven.
Je zou verbaasd staan over de verspilling in de loopgraven. De biscuits van de rantsoenen worden alom als brandstof voor de veldketels gebruikt, omdat brandhout schaars is. Onze mitrailleurschutters brengen hun water aan de kook door de ene patroonband na de andere in het wilde weg op de Duitse linie af te schieten. Als er voor enige ponden aan munitie is verbruikt raakt het water in de machinegeweren - die watergekoeld zijn - aan de kook. Ze zeggen dat ze Duitse bevoorradingsploegen achter de frontlijn laten betalen voor hun extra kopje thee 's morgens. Maar de echte rekening is na de oorlog voor de Britse belastingbetaler.

Aarnout -- 22 mei 1982

• In het Het groot bescheurboek (1986) van Wim de Bie en Kees van Kooten staan enige fictieve dagboekfragmenten van ene Aarnout.

zaterdag, 22 mei 1982
Vandaag de hele dag in het Dromenboek van Frederik van Eeden gelezen. Dat is wel een heel originele manier om je innerlijk te verwoorden: een registratie van je nachtelijke droom, een Nachtboek dus eigenlijk. 22 september 1917: ‘Gisternacht voor 't eerst sinds veel maanden weer demonen gezien. Met dit bizondere dat mijn stem, toen ik ze verdreef, door mijn vrouw gehoord werd. Ze hoorde mij roepen: ga weg! en daarbij hijgde ik. De demonen waren niet zeer schrikwekkend. Een was er in een klein gangetje en hij maakte het helder licht, door kunstlicht. Een ook toonde alleen een paar handjes achter een deur. Ik riep “wil je weggaan!” en schold hem uit voor “wandelstok!” “zakdoek!” en zulke leevenlooze voorwerpen, daar ik wist dat ze daardoor 't meest beledigd zijn.’
Gisternacht droomde ik weer dat ik lakei was op Huis ten Bosch. Elke keer als de Koningin gebeld had, leek het alsof ik de trap van de keuken naar haar vertrekken opzweefde, als ik haar het gevraagde ging brengen. Ik deed kennelijk iets verkeerd, want ze was heel kwaad. Ze gooide me zelfs de hamer en de beitel waarmee ze aan het hakken was geweest, naar mijn hoofd.

Helene Siegfried -- 21 mei 1918

Helene Friedrich (1895-1918) was een Zwitserse Rode Kruis-zuster. In de dbnl zijn wat (door Lide Duyvis) vertaalde dagboekfragmenten van haar te vinden.

13 Mei 1918.
Bijzonder heerlijke dagen van aanschouwen en doorleven liggen achter mij. Van 23 April tot 11 Mei was B. hier. - We zijn als een paar gelukkige kinderen met oogen dronken van al die pracht door de wereld vol lentezaligheid gegaan, en konden maar niet begrijpen, dat het alles werkelijkheid was, wat in ons en om ons bloeide en juichte. Nu is hij weer weg. Vadertje is voor korten tijd op reis en Margot op het landgoed van gravin K. en de eenzaamheid omgeeft mij als een grijpbaar iets, dat mij met een angstig voorgevoel vervult. Vroeger hield ik er zoo van, maar het onderscheid is op 't oogenblik al te groot. -

21 Mei 1918, half 2 's nachts.
Zooeven kom ik terug van een bijzonder stemmingsvolle wandeling door het maanverlichte landschap met E. en haar broeder G. Morgen moet G. weer naar het front, na slechts twee dagen verlof. Men zingt en schertst - en wie weet, wat komen zal? De tijd regeert - en de zorgeloosheid der jeugd blijft hemelhoog juichend, alle vernietiging ten spijt.

[Zòo verliepen deze voorjaars- en zomermaanden van 1918 voor Helene Siegfried in onuitputtelijk natuurgenot en het heerlijke gevoel thuis te zijn, nog vermeerderd door vele bezoeken van vrienden, zusters, die ontspanning noodig hadden, en soldaten met verlof uit het veld. Alles herinnerend aan de aangrijpende, zoo vol vóorgevoel, versregels van Storm
‘Lass einmal noch durch meine Brust
Des vollsten Lebens schauer wehn,
Eh seufzend in die grosse Nacht
Auch meine Sternen untergehn.’

‘Laat eenmaal nog door mijn gemoed
De siddering van 't volste leven gaan,
Vòor zuchtend in den grooten nacht
Ook mijne sterren ondergaan.’
Hoe dicht waren ook deze stralende oogen-sterren hun ondergang nabij. Wie had dat vermoed!]

vrijdag 20 mei 2016

George Washington -- 20 mei 1791

George Washington (1732-1799) was generaal, opperbevelhebber van de koloniën in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de eerste president van de Verenigde Staten van 1789 tot 1797. Zijn dagboeken staan online bij de Rotunda Press.

Friday 20th. Viewed the ruins, or rather small remns. of the Works which had been erected by the British during the War and taken by the Americans—also the falls, which are about 2 Miles above the Town; and the Town itself.
These falls (as they are called) are nothing more than rapids. They are passable in their present state by boats with Skilful hands, but may at a very small expence be improved, by removing a few rocks only to straighten the passage. Above them there is good boat navigation for many Miles; by which the produce may be, & in some measure is, transported. At this place, i.e., the falls, the good lands begin; & encrease in quality to the westward & No. ward. All below them, except the Interval lands on the River and Rice Swamps wch. extend from them, the whole Country is a Pine barren. The town of Augusta is well laid out with wide & spacious Streets. It stands on a large area of a perfect plain but is not yet thickly built, tho’ surprizingly so for the time; for in 1783 there were not more than half a dozen dwelling houses; now there are not less than [ ] containing about [ ] Souls of which about [ ] are blacks. It bids fair to be a large Town being at the head of the present navigation, & a fine Country back of it for support, which is settling very fast by Tobacco planters. The culture of which article is encreasing very fast, and bids fair to be the principle export from the State; from this part of it, it certainly will be so.
Augusta, though it covers more ground than Savanna, does not contain as many Inhabitts. the latter having by the late census between 14 & 1500 hundred Whites and about 800 blacks.
Dine at a private dinner with Govr. Telfair to day; and gave him dispatches for the Spanish Govr. of East Florida, respecting the Countenance given by that Governt. to the fugitive Slaves of the Union—wch. dispatches were to be forwarded to Mr. Seagrove, Collector of St. Mary’s, who was requested to be the bearer of them, and instructed to make arrangements for the prevention of these evils and, if possible, for the restoration of the property—especially of those Slaves wch. had gone off since the orders of the Spanish Court to discountenance this practice of recg. them.

donderdag 19 mei 2016

Marcel Jouhandeau -- 19 mei 1968

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.
• In mei 1968 brak in Parijs een studentenoproer uit, dat zich ontwikkelde tot een algemene staking in heel Frankrijk.

19 mei 1968.
* Zo min als filantropie liefdadigheid is, impliceert liefde sympathie.
Wij omhelzen in onze privé-avontuurtjes meestentijds een symbool, waar de betreffende persoon niets of heel weinig mee te maken heeft. Met andere woorden, men houdt zelden van iemand, men houdt van niemand. Ik ben onschuldig aan de liefde die ik oproep. Net zo goed als zij die mij beroeren meestal nauwelijks verantwoordelijk zijn voor het gevoel dat ik voor hen denk te hebben.
Het toeval, het individu is slechts gezichtsbedrog – desondanks onmisbaar – om de hartstocht te bepalen.

* Tante Alexandrine en ik brachten brood bij een oude demente dame die steeds weer in haar voetstoof probeerde te kruipen.
De pretenties van de hedendaagse opstandigen zijn van dezelfde orde.

* Op hetzelfde moment dat de stakingen van de nepstudenten het Quartier Latin vernielden heb ik een jongeman ontmoet, een jaar of twintig oud, alleen, ernstig, met een boek in de hand dat hij af en toe dichtklapte om de tekst goed in zich op te nemen, of om ervan te genieten. Edele dieren zijn eenlingen.

* Alle beschaafde en serieuze jonge mensen die ik ken, die studeren, zijn vijandig tegenover de wanorde die veroorzaakt wordt door de imbecielen die hun regelmaat verstoren.
Ook de eerlijke arbeiders die ik ondervraag antwoorden dat ze onder dwang staken.

woensdag 18 mei 2016

Victor Hugo -- 18 mei 1849

Victor Hugo (1802–1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman. Vertaalde dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd als Zelf gezien.

2 mei 1849
Waarschijnlijk word ik niet herkozen. Er zijn op dit moment nog slechts twee partijen. Geen van beide heb ik het volledig naar de zin gemaakt. De liefde voor orde heb ik niet zo ver gedreven dat ik de vrijheid ervoor heb willen opofferen; en de liefde voor de vrijheid heb ik niet zo ver gedreven dat ik daarvoor anarchie heb willen accepteren.
Mijn tegenstanders in de conservatieve partij verwijten mij twee dingen: dat ik de persvrijheid heb verdedigd en de amnestie heb bepleit. Welnu, tegen hen zeg ik: die twee dingen zal de toekomst mij aanrekenen, maar anders dan gij. De twee grieven die gij tegen mij aanvoert, zijn de twee aanspraken waarop ik mij tegenover de toekomst juist zal beroepen.
Wat nu mijn zwakte vormt, en in de toekomst mijn kracht, is dat ik van geen enkele partij accepteer dat zij het laatste woord heeft.
Op 10 december heb ik om amnestie gevraagd. Op 4 mei heb ik tegen de amnestie gestemd. Om te Jgeginnen wilde ik niet alléén maar amnestie; ik wilde die als onderdeel van een aanzienlijk aantal maatregelen, die een grootse politiek van verzoening in het binnenland en van vrede tegenover het buitenland zouden inluiden. Op 10 december heerste er rust in Parijs; Frankrijk toonde zijn soevereiniteit door het algemeen kiesrecht; er was geen gewelddadig verzet tegen die soevereiniteit, geen protest tegen het gezag; amnestie was een maatregel die getuigde van kracht. De deur naar clementie zou zijn opengezet door een sterke hand. Op 4 mei heerste er onrust in Parijs; overal schoolden vijandige groepen samen; de sfeer op straat was weer dreigend; er werd een feest voorbereid, zei men; een feest als dekmantel, een opstand eronder; zo was de situatie; alle vrees en zelfs de paniek van het vorige jaar keerden terug; amnestie was geen clementie meer, maar angst. Vergeven uit bangheid is de treurigste vorm van lafheid die er bestaat. Ik heb de amnestie afgewezen.

Vrijdag 18 mei 1849
Ik ben in Parijs als tiende gekozen met 117 069 stemmen, precies honderd minder dan Hippolyte Passy, die negende is geworden met 117169. Er zijn tien socialisten. Het leger heeft rood gestemd. Toen ik de Kamer binnenging, kwam mijn buurman, de bisschop van Langres, naar mij toe, pakte mijn hand en wenste mij geluk; vervolgens zei hij: 'Ik wens u geluk, ja, want er valt gevaar te trotseren en moed te ontplooien, maar de situatie is ernstig. Het nieuwe parlement zal een slagveld worden. De vorige keer waren we gekomen om iets op te bouwen; nu komt men - van beide kanten - om iets af te breken.'
Ik voeg hier nog een oudewijvenopmerking aan toe: de Kamer is op de dertiende gekozen en de uitslag is op een vrijdag bekendgemaakt.

maandag 16 mei 2016

Harold Nicolson -- 17 mei 1940

Harold Nicolson (1886-1968) was een Britse schrijver, diplomaat en politicus. Dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd in o.m. Diaries and letters 1930-1964.

May 15, 1940 The Dutch have capitulated and the Italians may be in by this evening. We have breakfast out of doors in brilliant sunshine with butterflies flitring in and out. I feel physically sick with anxiety. All through it the cuckoos cluck at us with their silly reiterant note. In other days this would have caused pleasure. Today it causes pain,

[H.N. was appointed Parliamentary Secretary to the Ministry of Information in Churchill's Government, with Duff Cooper as his Minister. After Dunkirk, he was made responsible for coordinating Government advice to the public in case of invasion, and in many other directions was very active.]

May 17, 1940 I fear that it looks as if the Germans have broken the French line at Mezières and Sedan. This is very serious. These surely are the saddest moments of my life and I do not know how I could cope with it all were it not for Vita's serene and loving sympathy. *While we are at breakfast the telephone rings. It is a message from Sibyl. She says "I hear Harold is in the Government." I have heard nothing and shall believe nothing until it is confirmed.* At 12..40 the telephone rings again and Mac [Miss Macmillan, the secretary] in an awed voice says, "The Prime Minister's Private Secretary." I lift the receiver and wait without hearing anything. Then after about two minutes silence a voice says, "Mr Nicolson ?" I say "Yes". "Hold on please, Mr Asquith here." I teil Asquith that I was on to Downing Street and that would he mind ringing off. So on I get again and this time I hear the Private Secretary who says, "Please hold on. The Prime Minister wishes to speak to you." Another long pause and then Winston's voice. "Harold! I think it would be very nice if you joined the Government and helped Duff [Cooper] at the Ministry of Information." "There is nothing I should like better." "Well fall in tomorrow. The list will be out tonight. That all right?" "Very much all right." "O.K." says Winston and rings off. Of course I am pleased and what makes it better is that the 1 p.m. news is not as bad as we feared.

[brief] May 19, 1940 Ministry of Information
 Our War Room is perfectly thrilling. It is kept going night and day, and there are maps with pins and different coloured bits of wool. The chiefs meet in conference twice a day at 10.30 and 5.30, and the Press Conference is at 12.30.1 have to attend all these, and in addi-tion I shall be given specific branches of work to take over. I have a nice sunny little room, and if bombing starts, I shall sleep here. They say the shelter under our tower is proof even against a direct hit.

 May 20, 1940. We discuss the problem of wireless while an attack is on. If we remain on the air we definitely assist enemy bombers, but they are frightened that if we go off the air, the Germans will use our wave-length to issue false messages which will much alarm the public. A clever impersonator might imitate Winston's voice sufflciently well and give instructions that all troops are to lay down their arms. Duff will take this problem up in the Cabinet.

Jozef van Walleghem -- 16 mei 1779

• Uit Merckenweerdigste voorvallen en daegelijcksche gevallen. Brugge 1779 van Jozef van Walleghem (1757-1801).

Een grouwsaeme moort voor het bassin van Oostende geschiet.
Op den 16 meij gebuerde niet verre van Oostende voor het bassin een seer grousaeme moort, want alzoo in een herberge daer ontrent verscheijde persoonen saeten en drincken waeronder waeren vier matroosen van Denemercken en eenige van Oostende, zoo hebben dees matroosen tegen eenen van Oostende zoodaenig een verschil gekregen dat sij hem zijne doodt swoeren hetwelck deren jongelinck merckende is buijten d'herberge gegaen meijnende hun alzoo t'ontvlugten, maer sij dit merckende zijn hem alle vier als verwoet agtervolgt en hem bij den kop vattende, hebben hem vreedelijck met messen gesteken en met hun voeten gestamt, zoodaenig dat hij teenemal mishandelt was en nu bijnaer doodt zijnde, hebben hem in een kleijn waetergragjen daer ontrent liggende gesmeten, uijt hetwelck hij korts daernaer doodt uijtgehaelt wiert, dit was ter oorsaeke dat de voornoemde schippers tegen alle die van Oostende waeren een grooten haet gevat hadden, want sij nog eenen man den zelven avont eenige vreede slaegen gegeven hadden en ook met een mes door zijne kaeke gesteken hadden, den welcken roepende dat hij van Nieuwpoort was, sij hebben laeten gaen, sij wierden aenstonts op het fait betrapt zijnde tot Oostende in egtenisse beweegt en daer was een groodt geschil tusschen d'heeren van het Brugsche Vrije en die van Oostende, want zulcks seer nauwkuerig moeste uijtgemeten worden of dit fait op het Brugsche Vrije of onder de derisdixtie van Ostende gebuert was om alsdan aen dees daeders den loon naer verdiensten te geven.

Karin Spaink -- 15 mei 2012

• Ter gelegenheid van het Het nationale Canta-ballet hield schrijver Karin Spaink voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Dinsdag 15 mei
In alle vroegte sta ik bij Athenaeum Nieuwscentrum: de Canta wordt straks in de etalage gehesen. Ha, daar komt de bus! Tot mijn verrassing is de eerste die uitstapt Dick Waaijenberg zelf, de coureur die dit gehandicaptenautootje verzon. (De Canta is niet voor niets Ferrarirood.) Arm in arm bekijken we het spektakel. Steeds meer mensen blijven staan om te zien hoe mannen in overall het gevaarte de winkel binnendragen en het in de etalage takelen.

’s Middags krijg ik een passagier: Mieke van der Weij wil graag een stukje meerijden voor een reportage. De geluidsman zit dubbelgevouwen achterin. We karren door straatjes waarvan Mieke zeker weet dat die veel te smal zijn. Het verrast haar hoeveel mensen naar je lachen wanneer je in een Canta rondrijdt, en Mieke ziet minstens drie toeristen naar hun camera grijpen terwijl we passeren.

zondag 15 mei 2016

Bert Voeten -- 14 mei 1941

Bert Voeten (1918-1992) was een Nederlandse schrijver en vertaler. Zijn oorlogsdagboek werd in 1946 gepubliceerd onder de titel Doortocht.

14 Mei
„Partijgenoot Hess wordt vermist".
Headline-nieuws voor de wereldpers. Wij mochten het bericht slechts in zeer bescheiden opmaak geven.
De plaatsvervanger van Hitler had immers „een tick", zoo liet Berlijn doorschemeren.
Ja, hij Was in zoo hevige mate geestesziek, dat hij rustig te Augsburg in een goed-uitgeruste machine klom en rechten koers vloog naar een punt in Schotland: het landgoed van Lord Hamilton.
De geüniformeerde fantasten van Goebbels' ministerie hebben nachtwerk gehad met het verhaal van den „tragischen idealist", die op zijn eentje met Engeland vrede wilde gaan sluiten en die een briefje had achtergelaten met de boodschap: „ïk ben over twee dagen weer terug. Rudolf".

17 Mei
In het zuidelijk deel van den Stillen Oceaan worden koortsachtig militaire toebereidselen gemaakt. De Jap praat, naar het voorbeeld van den Europeeschen pact-genoot, steeds meer over een „Groot-Oost-Aziatische levensruimte", waartoe ook onze archipel moet worden gerekend.
Het vuur kruipt langzaam voort, tot aan de randen der wereld.

25 Mei
Terwijl de Tommies Tobroek reeds weken lang hardnekkig verdedigen en den asgenooten een opdringen naar Egypte verhinderen, hebben de Duitsche luchtlandingsdivisies den sprong naar Kreta reeds gedaan en naderen zoo van deze zijde het Midden-Oosten.
Ik ben verstrikt geraakt in dit gebeuren buiten de grenzen, in aanval en tegenaanval, in verrassingen, overwinningen en terugtochten. Ik moet mijzelf vaak met geweld ontvoeren naar een verzenboek en lees dan meestal Slauerhoff. Zijn D s j e n g i s dwong mij opnieuw naar de zomersche slagvelden.
Er is geen grooter wellust dan te dooden —
Het evangelie van de horde.

vrijdag 13 mei 2016

Erika Mann -- 13 mei 1955

• Schrijfster Erika Mann (1905-1969) was de dochter van Thomas Mann. In Mijn vader, de tovenaar (vertaling Paul van Beers) zijn herinneringen en brieven van haar opgenomen.
• Thomas Mann was in 1955 eregast op de Schiller-herdenking in Oost-Duitsland. Zijn vrouw Katia en zijn dochter Erika vergezelden hem.

13 mei
Minister Johannes R. Becher en zijn vrouw met groot gevolg in Wartha ter begroeting. Volksoploop. Spandoeken boven de straat. Kon allemaal nog op 'organisatie' duiden. Rijden verder, gedwongen langzaam, in 'gewichtig konvooi'. 'Bevolking', die van alle kanten toestroomt, ongekunsteld verheugd. Op Z. ['Zauberer' = Thomas Mann] wijzend: 'Dat istie, dat istie' - prachtig op z'n Saksisch. Geen spoor van 'Potemkin-dorpen'. Geen spreekkoren. Niets van 'enscenering'. Z. zegt dat het in 1949 nog anders was. Natuurlijk ook hier en daar deputaties. Kinderen, honderden en honderden, zo niet duizenden, langs onze route. Blozend, vrolijk, behoorlijk gekleed, velen op eigen gelegenheid aangehuppeld gekomen. Schoolklassen met onderwijzers. Burgemeesters en onderwijzers die redevoeringen afsteken. Wit-geüniformeerde verkeersagenten voorop. Zetten in beide richtingen alle verkeer stop. om onze colonne ongehinderd doorgang te verlenen. Scherp neem ik de gezichten van de wachtenden op - nieuwsgierige, ook geamuseerde, geen knorrige of heimelijk woedende-. Middageten in Eisenach. Wat een tijd had ons deze kleine afstand gekost! Z. geduldig als steeds. Had ook ditmaal plezier in vrolijke drukte en fantastische bloemenregen... Weimar vlagde... 's Avonds met de Bechers. Zijn aanhankelijkheid aan Z. eerlijk en 'ingewijd'. Stad propvol met 'Schillergasten'- velen van ver: pelgrims uit Oost en West...

14 mei
Ook dit gelukkig achter de rug. Na muziek (D-mol kwartet van Schubert, eerste deel) eerst Becher, beknopt-zakelijk, juist. Z. door niet al te beste geluidversterkers gehinderd. Gehoest onder het publiek. Te weinig studenten? Verloop en totale effect desondanks quite satisfactory. Tot slot nog eens muziek (Beethoven, F-dur kwartet, eerste deel). Becher, zowel voor het begin als na afloop roerend attent om Z. zoveel mogelijk te ontzien... Bij het vertrek schouwburgplein (met het gedenkteken van Schiller en Goethe) zwart van de mensen die de uitzending hadden gehoord. Warm applaus. Mensen aan alle ramen, velen met binocles en ouderwetse veldkijkers. Dat is niet te ensceneren... Feestelijke lunch in 'De Olifant'-zonder een Mager*... Ook enige Russen tegenwoordig. Z. vermeldt hen in zijn dankwoord als 'uw Sovjetvrienden'. Zal hem door volgzame Atlantic-pac-ters vast en zeker als 'mijn Sovjetvrienden' worden aangerekend. Doet er niet toe... 's Avonds de Jungfrau. Niveau van de opvoering: zie 'Stuttgart'. Karel VII (Horst Schulze) werkelijk goed... Z. nu toch moe. We gaan voor het einde heen.

* Aldus de naam van de kelner en het factotum van 'De Olifant' in T. M's 'Lotte ia Weimar'.

woensdag 11 mei 2016

Henry de Montherlant -- 12 mei 1972

• De in 1896 geboren Franse schrijver Henry de Montherlant, die op 21 september 1972 zelfmoord pleegde omdat hij de belemmeringen voor zijn gezondheid te groot geworden vond, schreef naast zijn omvangrijke œuvre aan romans en toneelstukken veel korte, soms bijna aforistisch aandoende notities.

12 mei 1972
Voor bepaalde mensen is het feit dat ze geen zelfmoord plegen op gevorderde leeftijd een waarachtige afwijking. De afname van je vermogens, de ziektes, soms het lijden, de last die men is voor zichzelf en die men anderen oplegt, het geld dat dat jou en de anderen kost, en dat zonder enige hoop op iets plezierigs in de toekomst! De kinderen verdragen ons met tegenzin, gesteund door de erfenis; de kleinkinderen, laten we daar maar niet over praten. Het genot, voor zover je daartoe nog in staat bent, wordt ook verwerpelijk geacht, je weet niet waarom: je bent een ‘oude geilaard’ of een ‘oud varken’. Waarom dus dat alles verdragen?
Het christendom heeft gedurende zeventien eeuwen, zonder er enige reden voor te geven, de mensen opgelegd deze afwijking te verdragen; vandaag de dag is het de maatschappij, door rond de zelfmoord een atmosfeer van strafbaarheid te scheppen. Degene die de openbare mening over de zelfmoord zou veranderen en de manieren om zelfmoord te plegen zou verbeteren, zou een weldoener van de mensheid zijn – maar gehouden worden voor een monster.

[Vertaald door Ed. Jongma]

dinsdag 10 mei 2016

James Bruce -- 11 mei 1857

James Bruce (1811-1863), de achtste graaf van Elgin, was een Britse diplomaat. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Letters and journals of James, eighth earl of Elgin.

May 11th.—I am glad to have had two days in Egypt. It gave one an idea at least of that country; in some degree a painful one. I suppose that France and England, by their mutual jealousies, will be the means of perpetuating the abominations of the system under which that magnificent country is ruled. They say that the Pacha's revenue is about 4,000,000 £, and his expenses about 2,000,000 £; so that he has about 2,000,000 £ of pocket-money. Yet I suppose that the Fellahs, owing to their own industry, and the incomparable fertility of the country, are not badly off as compared with the peasantry elsewhere. We passed, at one of our stopping-places between Cairo and Suez, part of a Turkish regiment on their way to Jeddah. These men were dressed in a somewhat European costume, some of them with the Queen's medal on their breasts. There was a hareem, in a sort of omnibus, with them, containing the establishment of one of the officers. One of the ladies dropped her veil for a moment, and I saw rather a pretty face; almost the only Mahommedan female face I have seen since I have reached this continent. They are much more rigorous, it appears, with the ladies in Egypt than at Constantinople. There they wear a veil which is quite transparent and go about shopping: but in Egypt they seem to go very little out, and their veil completely hides everything but the eyes. In the palace which I visited near Cairo (and which the Pacha offered, if we had chosen to take it), I looked through some of the grated windows allowed in the hareems, and I suppose that it must require a good deal of practice to see comfortably out of them. It appears that the persons who ascend to the top of the minarets to call to prayer at the appointed hours are blind men, and that the blind are selected for this office, lest they should be able to look down into the hareems. That is certainly carrying caution very far.

maandag 9 mei 2016

Han de Wilde -- 10 mei 1945

• Han de Wilde (1907-1974) was in zijn tijd een bekend Leidenaar. Hij was winkelier in de Breestraat, zijn Manufacturen- en Beddenhandel was gevestigd in het pand dat later Boekhandel Kooyker zou worden. In de oorlog hield hij een dagboek bij, dat vorig jaar is uitgegeven bij Ginkgo.

Donderdag 10 Mei 1945 - Hemelvaartsdag
Vandaag juist 5 jaar geleden viel de gehate mof ons land aan en begon een periode van bezetting, rechtsverkrachting, terreur, roof en ellende voor ons volk. Thans hangen overal in de stad de vlaggen, rijden de Canadeezen door de stad, arresteeren de Binnenlandsche Strijdkrachten, gekleed in grijze overalls, met blauw-wit-oranje armbanden en gewapend met geweer of tommygun, de zoo gehate NSBers, collaborateurs en profiteurs en zie je nog slechts uiterst sporadisch een mof.
Op Zondag 6 Mei is door generaal Blaskowitz de capitulatieacte onderteekend en hebben de moffen zich dus in Holland onvoorwaardelijk overgegeven.
Op Maandag 7 Mei 1945 onderteekende generaal Jodl, de nieuwe chef van de Duitsche weermacht, de onvoorwaardelijke overgave van Duitschland. Van de vroegeren chef, Keitel, geen spoor meer, evenmin van admiraal Dörütz, wiens oproep tot doorvechten geen succes meer kon hebben, nu allerwege de macht van Duitschland in elkaar zakte. Op dezelfden dag zagen we de eerste Canadeesche kwartiermakers binnentrekken, den volgenden dag gevolgd door een geweldige stoet vrachtauto's, gewone auto's en wagens op rupsbanden. Hierbij was ook de Prinses Irene-brigade (Nederlanders). Stormachtig werden de manschappen toegejuicht; op vele auto's zaten drommen kinderen - velen reeds afkomstig uit de Rijnstreek, ja, zelfs uit Utrecht - die in hun enthousiasme om met de bevrijders mee te rijden, tijd en plaats volkomen vergaten.
Het enthousiasme is onbeschrijfelijk. Van vroeg tot laat worden de straten bezet door feestelijk gestemde menschen, die elke Amerikaansche auto, elke Canadees toejuichen. Losloopende soldaten worden omringd - tot 't hinderlijke toe! - door om sigaretten of handteekeningen bedelende kinderen.
De gehate Landwacht is Maandagavond reeds gearresteerd; de bevolking was dol van vreugde. Verder zijn in den loop dezer dagen vrijwel alle bekende NSBers gepikt, tot groote voldoening van iedereen. Over 't algemeen is dit vrij rustig verloopen - al omzwermde een joelende menigte de arrestanten; alleen enkele bijzonder gehate NSBers, zoals Kareltje van Duuren enz. hebben 't zwaar te verduren gehad. Ook zijn er reeds enkele moffenmeiden gearresteerd en kaal geschoren.
De bevrijding is voor ons land op 't nippertje gekomen. Broodmeel was er niet meer, deze week is 't laatste regeeringsmeel als Roode Kruis brood verbakken. We hebben nu, deze week nog, de eerste gave van de op Valkenburg uitgeworpen rantsoenen ontvangen - een prachtige prestatie, 1 1/2 week na de eerste afworp van zoo'n verdeeld assortiment boter, gedroogd eieren-meel, reepen chocolade en een blikje bacon. Naar verluidt, is er gisteren reeds 45 ton vleesch aangekomen en krijgen we vanaf de volgende week 7 ons vleesch per week p.p. en andere rantsoenen eveneens belangrijk verhoogd, (vleesch tot dusver 100 gram vleesch, been inbegrepen!)
Mussert is in Utrecht gearresteerd; Seyss-Inquart, dieper motortorpedoboot gevlucht was, in Denemarken door Engelsche troepen gegrepen.
Het lijk (??) van Hitler nog steeds niet gevonden, wel dat van Goebbels.

zondag 8 mei 2016

Henry David Thoreau -- 9 mei 1860

• Henry David Thoreau (1817-1862) was een Amerikaans essayist, leraar, sociaal filosoof, natuuronderzoeker en dichter. Fragmenten uit zijn dagboeken zijn hier te lezen. Meer hier.

May 9, 1860
We sit by the shore of Goose Pond. The tapping of a woodpecker sounds distinct and hollow this still cloudy day, as not before for a long time, and so do the notes of birds, as if heard against a background for a relief, e. g. the cackle of the pigeon woodpecker, the note of the jay, the scratching in the dry leaves of three or four chewinks near us (for they are not shy), about the pond, under the blueberry bushes. The water is smooth. After sitting there a little while, I count the noses of twenty frogs within a couple of rods, which have ventured to come to the surface again, - so quietly that I did not see one come up. At the fox-hole by Britton’s Hollow there are some three cart-buck-loads of sand cast out.

Hans en Rob Tieleman -- 8 mei 1945

• De tweeling Hans en Rob Tieleman zat van 1942-1945 gevangen in een jongenskamp op Bandoeng. Hun dagboek van die tijd is gepubliceerd als Het rattevel.

dinsdag 8 mei
Om 12 uur waren de 4 corveeërs al vertrokken, volgens zeggen om de pakketten te halen. Om 3 uur werden alle B-corveeërs opgeroepen, zodat wij naar de poort renden en daar lagen dan de zo lang verwachte pakketten, open gemaakt en door elkaar gerommeld. Hans en Jan konden direct helpen, ik was te laat en stond dus bij de poort toe te kijken. Het was meer dan erg hoe alles door elkaar gekwakt was. Ik ergerde me dood. Spoedig kon ik ook helpen en zag dat de Jappen af en toe een brok chocola in hun mond stopten. Alles werd van papier, doosjes en omslag ontdaan. Vele jongens snoepten suikerklontjes, zodat ik ook mijn mond ging vullen. Jan en ik bedienden de kazen. Een massa ervan was bedorven. Het was vreselijk om te zien. Sommige blikjes waren kapot en de melk siepelde eruit, andere blikjes waren helemaal gedeukt. Chocolade kapot en verbrokkeld, krenten beschimmeld. De kleren werden op een hoop op de straat geworpen en de witte kledingstukken nog eens extra door het zand gesleurd. 4 grote pakken Old Gold sigaretten werden door de Jap achterover gedrukt. Schoenen werden begerig bekeken. Tondeuses, scheermesjes, scheerapparaten, schoensmeer, kammen, je kon het zo gek niet bedenken of het was erbij. En alles werd onderzocht en van papier ontdaan.
Moe en vervelend gingen we naar de barak. Ik ging daarop eten halen en ontmoette een jongen van Loewoegadja, aan wie ik de groeten meegaf voor ons hele huis in het jongenskamp. Het eten smaakte ons niet zoals anders, vooral Jan niet, omdat hij niet lekker was. 's Avonds na het appèl werd omgeroepen dat enige artikelen uitgereikt zouden worden. Jan, Hans en ik stonden buiten ongedurig te wachten, en ja hoor, eindelijk om 8 uur kwamen ze aan. Het bleek te zijn: 1/4 kaasje, 90 gr. rozijnen, 1 1/2 pak sigaretten, 2 1/5 blokje chocola en een 1/2 stuk zeep. Wij hadden nog een stuk brood gekregen, zodat we deze avond heerlijk brood met kaas hebben gegeten. Een stukkie chocola toe. Het was niet om te vergeten, deze opgewonden stemming.

vrijdag 6 mei 2016

Astrid Lindgren -- 7 mei 1945

Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. Vorig jaar is haar oorlogsdagboek gepubliceerd.

7 May 1945
It’s VE Day! The war’s over! The war’s over! THE WAR’S OVER!
At 2.41 p.m. (I think), the capitulation was signed in a little red schoolhouse in Reims [...] by which all German forces in the whole of Europe surrendered. Norway is free now, too. At this very moment, a wild sense of jubilation is spreading across Stockholm. Kungsgatan is ankle deep in layers of paper and everyone’s behaving as if they’ve gone crazy. We sang the Norwegian national anthem at work after the radio broadcast at 3 o’ clock. Sture isn’t in for dinner this evening, but he sent home a bottle of sherry so we could celebrate the peace. Just at the moment they’re playing ‘The Star Spangled Banner’ on the radio. I’ve been drinking sherry with Linnea and Lars and feel a bit light-headed. It’s spring and the sun is shining on this blessed day and the war is over. I wouldn’t want to be German. Just think, the war’s over, Hitler’s dead (there are jubilant shouts and cheers on the radio now; Stockholm has completely taken leave of its senses).

Ruth Andreas-Friedrich -- 6 mei 1945

Ruth Andreas-Friedrich (1901-1977) zat in de Tweede Wereldoorlog in het Duitse verzet. Haar dagboek uit die tijd is vertaald (door B. Mackenzie) als Berlijns dagboek 1938-1948.

Zondag, 6 mei 1945
Frank en ik wagen de eerste uitval naar de omliggende voorsteden. Er heerst paniek in de stad. Ontsteltenis en wanhopige ontzetting. Waar we komen, vinden we dezelfde ellende. Roof, plundering, geweld. Met onbeheerste begerigheid heeft het leger van onze overwinnaars zich op de Berlijnse vrouwen gestort. We bezoeken Hannelore Thiele, Heikes vriendin en klasgenote. Ineengedoken zit ze op haar bank. Ze kijkt nauwelijks op, als we de kamer binnenkomen. 'Ik maak er een eind aan,' huilt ze. 'Je kunt toch zo niet leven.' - 'Was het werkelijk zo erg,' vraag ik voorzichtig. Ze kijkt me zielig aan. 'Zeven,' zegt ze met vertrokken mond. 'Zeven achter elkaar. Als beesten.'
In Klein-Machnow woont Inge Zaun. Ze is achttien jaar en wist niets van de liefde. Nu weet ze alles. In zestigvoudige herhaling. 'Hoe moet je je dan verdedigen?' meent ze onverschillig, bijna afgestompt. 'Als ze op de deur beuken en zinloos om zich heen schieten. Elke nacht nieuwe, elke nacht andere. Toen ze me de eerste keer onder handen namen en vader dwongen om toe te kijken, dacht ik dat ik stierf. Later...,' ze maakt een matte beweging met haar hand. 'Sinds hun kapitein een verhouding met me heeft, is het er gelukkig nog maar een. Hij luistert naar me en maakt, dat ze de meisjes met rust laten.' Vier jaar lang heeft Goebbels ons verteld, dat de Russen ons verkrachten zouden. Dat ze zouden schenden en plunderen, moorden en brandschatten. Gruwelpropaganda! zeiden we verontwaardigd en vestigden onze hoop op de geallieerde bevrijders. We willen nu niet teleurgesteld zijn. We zouden het niet kunnen verdragen, dat Goebbels gelijk kreeg. Twaalf jaar waren we anti. Eens moet je ook 'pro' kunnen zijn. Als ons dat nu niet lukt...
'Ze onteren onze dochters, ze verkrachten onze vrouwen,' zeggen de mannen. Je hoort over niets anders praten in de stad. Er zit een sfeer van zelfmoord in de lucht. Men verstopt de meisjes in de hanebalken, graaft ze in kolenhopen in en vermomt ze als oude vrouwen. Bijna geen van hen slaapt waar ze thuishoort. 'Eer verloren, alles verloren,' zegt een geschokte vader en drukt zijn twaalf maal onteerde dochter een strop in de hand. Gehoorzaam gaat ze weg en hangt zich op aan het dichtstbijzijnde vensterkruis. 'Wanneer ze jullie onteren, blijft jullie niets anders over dan de dood,' verklaarde twee dagen voor de ineenstorting de lerares van een meisjesklas. Meer dan de helft van de leerlingen trekt de consequenties en verdrinkt zich. Eer verloren, alles verloren. - 'Frank,' vraag ik vertwijfeld. 'Begrijp je dat allemaal?' Hij schudt het hoofd. 'Maar we moeten het begrijpen. Als we het niet begrijpen, houdt voor ons de toekomst op te bestaan, nog voor ze begonnen is.' Weinig spraakzaam wandelen we door de straten.
Thuis zijn intussen gasten aangekomen. Iedereen wil zien, wie er nog leeft. We horen de eerste boodschappen van Flamm en Wald. Flamm is met zijn beschermelingen goed door de laatste dagen heen gekomen. Ook Wald is in leven. Hoe zou het toch met de andere leden van de groep zijn? In telegramstijl wisselen we laatste berichten uit. Sinds gisteren wapenstilstand, gevechten alleen nog in Praag. Hitler dood aan hersenbloeding. Nog altijd leven we van geruchten.
Nauwelijks zijn we naar bed of we worden opgeschrikt door lawaai. 'Russen in huis,' wordt er in het trappenhuis geschreeuwd. We schieten in de kleren. Andrik loopt naar buiten. Na vijf minuten is hij er weer. 'Ze wilden plunderen,' lacht hij tevreden. 'Ik heb ze een uitbrander gegeven. Ga er liever op uit en haal fietsen voor ons,' heb ik tegen ze gezegd. 'Hoe moeten wij naar ons werk, als jullie kameraden onze fietsen afpakken.' - 'Pasjalstje,' zeiden ze. 'Tot uw dienst.' Maakten rechtsomkeert en trokken af.' - Voor wie ze als gevaarlijk beschouwt, worden ze gevaarlijk, denk ik. Andrik taxeert ze op de juiste manier.

woensdag 4 mei 2016

Nederlander bij SS-eenheid, ca 30 jaar - Woudenberg -- 5 mei 1945

• Nederlander bij SS-eenheid, ca 30 jaar - Woudenberg. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

Omstreeks 5 Mei 1945
- Voor ons in het Westen is de oorlog geeindigd. Op dit oogenblik marcheeren Geallieerde troepen de vesting Holland binnen, nadat reeds eenige dagen gevechtspauze geweest was.
Onmiddellijk bij het vernemen van het bericht van den dood van den Führer voelde iedereen, dat hiermede de oorlog in een crisis was gekomen, waaruit hij niet meer te redden is. Admiraal Dönitz richtte een proclamatie tot het Duitsche volk, waarin hij verklaarde dat de oorlog tegen de Sovjets het eenige belangrijke was. Er wordt tegen de Sovjets gevochten, totdat de honderdduizenden, die uit Duitschland weggesleept waren, weer bevrijd zouden zijn. De oorlog tegen Engeland en Amerika zou slechts worden voortgezet, indien dezen ons in dien strijd tegen de bolschewisten zouden hinderen.
We voelden de belangrijkheid van dit besluit. In onzen frontsector heerschte reeds een paar dagen een gevechtspauze, daar overeengekomen was dat levensmiddelentransporten uit het Zuiden zouden worden doorgelaten naar de in de vesting Holland ingesloten burgerbevolking. De onzen aan de eene zijde, de Tommies aan de andere zijde bouwden tot dit doel een brug over den Rijn bij Rhenen, en eenige dagen lang rolden onafzienbare kolonnen Amerikaansche auto's het door ons bezette gebied binnen, terwijl een groot aantal viermotorige bombardementsvliegtuigen laag vliegend eveneens levensmiddelen brachten voor de hongerende burgerbevolking.
Kort daarop kwam de mededeeling, dat aan het heele Westelijk front de wapens rustten. Overal verscheen de burgerbevolking op de straten, op vele plaatsen kwam het tot groote feestvieringen en, helaas, ook tot schietpartijen. Onze regimentsgefechtsstand in Leersum werd door een groep bewapenden aangevallen, waarop direct [een] razzia georganiseerd werd tegen deze partisanen, met het gevolg, dat alleen in Leersum negen personen werden neergeschoten. Ook in Amersfoort kwam het tot kleine schieterijen.
De burgerbevolking wist ons te vertellen, dat de Vesting Holland onvoorwaardelijk gecapituleerd had, en in de Engelsche linies werd dit gevierd met een lichtkogel-illuminatie.
Overigens schijnt dit een vergissing te zijn. Zeker weten doen we helaas niets, de golf van geruchten is nog niet verminderd. Van het Btl. [Bataillon] vernamen we gister het volgende: Er zou worden onderhandeld over het vrijgeven van de heele bezetting der Vesting Holland voor den strijd in het Oosten. Wij zouden gesloten daarheen gevoerd worden. Men zou daaruit kunnen opmaken dat de Geallieerden ons in den strijd tegen het bolschewisme willen vrij laten. Veelbeteekenend is hierbij ook dat de Amerikanen aan de Elbe geen moeite doen om de Russen te helpen, terwijl op de conferentie van San Francisco eveneens moeilijkheden schijnen opgetreden te zijn.
Maar we hooren ook andere berichten. De Adjudant moet gezegd hebben, dat alle SS-officieren de kogel krijgen, terwijl de rest als misdadigers behandeld zal worden, en hij schijnt reeds een aantal jongens verlof te hebben gegeven om te trachten naar huis te komen, op eigen risico natuurlijk, daar er groot gevaar bestaat dat op iedere Duitsche uniform geschoten wordt.
Op het oogenblik hebben de burgers al verlof gekregen, de panzersperren op te ruimen en de versperringen in de beken weg te nemen en zoodoende den waterstand weer op normaal peil te brengen.
Onze jongens, die tegenover het door de Engelschen bezette Kasteel van Renswoude liggen, houden zich onder het oog van de Tommies bezig met het organiseeren van levensmiddelen in Niemandsland, en ik hoor, dat bij andere kompanieën reeds bosjes deserteurs 'm gesmeerd zijn.
Wat zal uit dit alles nog voortvloeien? Ik zit hier met mijn tros als op een verlaten eiland op de boerderij Jacobahoeve in Woudenberg, en hooren geen nieuws, alleen maar geruchten. De burgers, die steeds merkwaardig goed ingelicht blijken, beweren nu dat we morgen ontwapend zullen worden. We weten zelf niet meer hoe of wat, en er is niets ellendigers denkbaar als dit lijdelijk afwachten wat er met ons gebeuren gaat. De Kompanieën zijn vandaag op Grootadmiraal Dönitz beëedigd, ofschoon er vele bij waren, die daartoe geen lust vertoonden. De Landstorm werd trouwens opgericht voor inzet in Nederland, niet voor inzet aan het Oostfront, en de meesten schijnen geen lust te hebben daar hun huid nog eens te gaan wagen.
In elk geval zijn de vooruitzichten weinig rooskleurig, en het aantal mogelijkheden is beperkt. Worden we niet tegen Rusland ingezet dan worden we òf uitgeleverd aan de Britsche regeering voor dwangarbeid in Canada, òf we gaan gedwongen vrijwillig tegen de Japanners in Indië vechten, òf we worden door onze eigen landgenooten afgemaakt. Het getij is gekeerd, en ons lot ligt in de handen onzer vijanden.

dinsdag 3 mei 2016

Italo Svevo -- 4 mei 1928

• Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In Autobiografisch profiel (vertaald door Yolanda Bloemen) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.

mei 1928
Dat was mijn begin.
Maar het heden wordt niet uitgedrukt door een datum. Wie heeft ooit geprobeerd zich er 's avonds toe te zetten zijn eigen dag te beschrijven? Wanneer het geen dag van oorlog is of een dag die het verdient de bekroning te zijn van vele andere (en wat zijn die zeldzaam) heb je geen idee waar je moet beginnen. Een enkele klank is nooit een melodie. Vandaag ben ik uitgegaan, weer thuis gekomen, ik had honger en stilde die, na het middageten genoot ik een rustige slaap zonder dromen. Ik zag mijn zoon, die schilder is en net als gisteren schildert, mijn dochter, weduwe, die me besprengde met haar tranen, mijn vrouw, kalm als vijfendertig jaar geleden, maar nu in beslag genomen door al haar beesten, Musetta en de andere, en niet meer alleen door mij. Een dag bestaat uit een heleboel fragmenten. Als dit het heden niet hoeft te zijn, verlaat ik het. Ik weet niet hoe ik er greep op moet krijgen. Wat voor zin zou het hebben als ik registreerde: Vandaag kwam mijn vrouw, voordat ze wegging, naar me toe om me haar wang aan te bieden voor een kus. En ik kuste die wang terwijl ik dacht: 'Sinds ik mijn vrouw niet meer bedrieg weet ik ook niet meer hoe ik haar moet kussen.'
Belangijk is [manuscript breekt af]

maandag 2 mei 2016

Jan Wolkers -- 3 mei 1970

• Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. Gedeelten uit zijn dagboek van 1970 zijn te lezen bij Google Books.

ZONDAG 3 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Je luistert in bed naar 'U Vraagt, Wij Draaien.' Voske heeft om zes uur al eten gehad. Hij sluipt door het wilgenhout tegen het schuurtje. Bij elk verdacht geluid blijft hij staan.
Om' twaalf uur gaan we naar het strand. We hebben het draagbare radiootje bij ons voor het nieuws over Cambodja en de sport. Op het strand ligt een enorme boomstam van plusminus vijf meter lang en één tot anderhalve meter dik. Er staat op de kopse kant: B - een paar cijfers - en dan Grade.
Van het strand stijgt steeds damp op in luchtige wolkjes, alsof je door een lichte bewolking vanuit een vliegtuig over de woestijn uitkijkt. Tegen een duintje luisteren we naar het sportprogramma over Radio Veronica van Henk Bongaarts.

MAANDAG 4 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Om halfzeven op. Arie komt om acht uur. We brengen eerst mevrouw Boon en nog iemand naar Den Burg. Dan gaan we op de pont. In de koffiekamer eten we broodjes met kaas. Hij twee. Het is nog mistig. Langs het Noordhollands Kanaal moeten we voorzichtig rijden. Op Schiphol staan twee Russen van de ambassade op ons te wachten. Een gekrulde spreekt erg goed Hollands. Het zijn vormelijke mannetjes. Tjalle Jager is er ook met ene mevrouw Boereman. Die begint meteen aan persoonsverheerlijking te doen. 'Dat ik met de grote schrijver zelf nog eens oog in oog zou staan', enz. Ze vond Turks Fruit zo geweldig. Ze beginnen ook samen erg op Theun de Vries af te geven. Tjalle zegt dat hij denkt dat Theun het meeste verdient met zijn artikelen in de VARA-gids. Dat ze het al gedacht hadden toen hij de P.C. Hooft-prijs kreeg.
Als de Russen terugkeren krijgen we te horen dat de broer van Loladze niet is aangekomen, zodat we onverrichter zake weer naar Texel kunnen. Arie zegt onderweg als het tijd is voor de herdenking: 'Nu liggen ze een krans.'
Met Arie ga ik meteen door naar het Russenkerkhof. Er zijn nog maar een paar mensen. Het monumentje ligt vol kransen. Een met een wit lint dat met een ballpoint in het Georgisch beschreven is.
Om half vijf komen we in De Lindeboom aan waar de receptie van de Russen is. Ik word voorgesteld aan verschillende secretarissen van de Russische ambassade. De zaal zit vol met dikke Russische vrouwen die indertijd gedwongen in Duitsland hebben moeten werken en daar met Nederlandse mannen getrouwd zijn.

zondag 1 mei 2016

Brigitte Eicke -- 2 mei 1945

Brigitte Eicke (1927-?) was in 1945 18 jaar oud en woonde in Berlijn. Ze hield van 1942-1945 een oorlogsdagboek bij.

1. Mai 1945
Dienstag (Nationaler Feiertag des deutschen Volkes). Als Feuerwerk erlebten wir einen äusserst schweren Angriff, jetzt sind die Russen bald hier. Die Soldaten strömen schon zurück. Um 10 Uhr mit Christel schlafen.

2. Mai 1945
Um 3 Uhr kam Frau Schöbs in den Keller und sagte: Der Führer ist tot, der Krieg ist aus. Ich konnte nur einen Schrei ausstossen. Der Volkssturm war geflitzt, obwohl uns der Oberste von ihnen ehrenwörtlich versprochen hatte, wenns soweit ist, sagt er Bescheid und sie wollten uns beschützen. Sie haben alles liegenlassen und wir sind auf, haben erstmal die Waffen und Panzerfäuste drüben in die Trümmer geworfen, dann hat Frau Schöbs die Brote und Margarine aufgeteilt. Wir sind auf die Strasse gegangen, da zogen alle Soldaten zurück, es ist so traurig, die Parteigenossen aus der Goebbelssiedlung ziehen auch mit Sack und Pack unsere Strasse rauf. Nebenan in 20 trinken sie alle Schnaps. Früh, als es hell wurde, fing die Plünderei an. Mit Tante Walli bin ich auch losgezogen zum Kreishaus. Wir mussten auf dem Berg über Leichen steigen. Eine alte Frau lag da, die hat gebrannt. Im Keller des Kreishauses holten sie alles Mögliche raus und ich habe Helga Debeaux’ Schwester, die Vera getroffen und wir haben uns an die Hand gefasst und sind auch rein, es war so qualmig, dass man bald erstickt ist, drin alles dunkel, man trat immer auf Weiches, wie auf Tote. Die Männer haben eine Tür nach der anderen aufgebrochen und es war alles da, Zigaretten, Wein, Schnaps, Krem, Kartenspiele, Sachen, Stiefel. Ich habe in der Hast ein paar Kremdosen greifen können, anstatt vielleicht Stiefel zu nehmen. Dann sind wir raus, es war zu unheimlich da drin und alle haben geschrien, es wäre Munition drin, die jeden Augenblick in die Luft fliegen könnte. Dann sind wir nach oben in die Zimmer, da habe ich in einem Zimmer Babywäsche und Spielsachen genommen. Das hab ich nachher auf der Strasse gleich verschenkt. Mutti war im Bekleidungsamt in der Greifswalder Straße, da haben sie alle unheimlich Stoffe und Pelze rausgeholt und wir auch hin. Nach Kampf und Rauferei habe ich einen runden Ballen kaffeebraune Kreppseide ergattern können, Hosenträger, und allerhand Kleinkram. Dann bin ich im Parterre in den Pelzspeicher rein und habe mir einen schönen Pelzmantel ausgesucht, mit einmal Pfeifen und Schiessen und es heisst, die Russen sind da, ich dachte jetzt ist aus, wir alle runter, am Ausgang standen welche und wir mussten die Soldatenmäntel hinlegen, ich vor Angst alles hingeschmissen. Gott sei Dank, dass ich da überhaupt raus kam und nur nach Hause, die Menschen waren alle wie irre und beim Plündern wie die Hyänen, keiner hat Rücksicht genommen, sie haben geschlagen, gar nicht mehr menschenähnlich. Wir waren dann bei Schöbses oben. Da kamen dreimal Russen an. Der eine stand mit der Maschinenpistole vor uns und hielt sie uns auf die Brust, wir sollten Schmucksachen: Uri Uri abgeben. Ich hatte meinen Rauchtopasring, den habe ich gegeben. Sonja war im Schlafzimmer und der da rein, wenn ihr Vater nicht dazwischen gegangen wäre, hätte sie dran glauben müssen. Es war alles furchtbar. Wir haben uns Tücher um den Kopf gewickelt, damit sie nicht sehen, dass wir jung sind. Eine alte Frau aus unserem Haus haben sie zweimal vergewaltigt, sie hat das beim Kommandanten gemeldet und er sagt, wenn sie ihm die beiden zeigt, werden sie bestraft. Ich habe solche Angst. Die Männer holen sie schon alle ab. Unsere Polizei ist geschlossen abgeführt worden. Sie waren alle noch in Uniform, unsere alten Polizisten, alle Frauen, die da auf der Strasse standen, haben geweint, wie die Männer abgeführt wurden. Wir werden wohl alle nicht mehr leben bleiben. Wir haben uns abends alle bei Schöbses eingefunden und haben die ganze Nacht da gesessen. Ich habe so viel geweint, dass ich ein schlimmes Auge habe und ich mir eine Augenklappe vormachen musste. Vor Übermüdung und Aufregung konnte keiner schlafen und wir haben alle auf den Stühlen gesessen, alle ganz dicht zusammen, aber es ist nachts keine Russen mehr gekommen.